Over de invloed
van een witte walvis
Noëlla Elpers
In-vloed. Het woord spreekt voor zich. Iets wat naar binnen vloeit kun je niet
tegenhouden. Net zomin als je kunt inwerken tegen eb en vloed, de getijden van
de zee. Niemand kan verhinderen dat hij wordt beïnvloed.
Bij onze
geboorte begint het al. Je wordt geboren in een gezin. Je moeder en vader
hebben allebei hun specifieke karakter. Je leeft in een bepaald land, een
bepaalde streek, een bepaalde stad of dorp. Het gezin behoort tot een bepaalde
sociale laag. Ook als je leven niet volgens die geijkte patronen verloopt, word
je daar door beïnvloed.
In bepaalde opzichten heb ik geluk
gehad.
Mijn vader kwam uit een familie van vertellers. De orale traditie
werd in ere gehouden. De verhalen die mijn vader vertelde hadden een
spanningsboog. De clou werd altijd voorafgegaan door een
dramatische pauze. Al had ik het verhaal al honderd keer gehoord, ik hing nog
aan zijn lippen. Het was niet zozeer wat hij vertelde, het was de manier
waarop.
Mijn moeder las dat lijkt futiel, maar dat is het niet. Als
kind zag ik hoe mijn moeder onderdook in de wereld van een boek. Ze ontsnapte
heel even aan de alledaagse werkelijkheid die beslist niet rooskleurig was. Ik
zag dat ze er plezier aan beleefde. Als vijfjarige was ik gefascineerd door en
een beetje jaloers op de letters die zoveel aandacht kregen van mijn moeder. Ik
keek stiekem in haar boeken en wilde de woorden op papier leren begrijpen. In
het eerste leerjaar leerde ik woorden schrijven. Het was voor mij een beetje
als toveren. Letters vormden woorden, woorden vormden zinnen, zinnen vormden
verhalen...
Ziedaar twee belangrijke invloeden: door mijn vader kreeg ik
waardering voor een goed verteld verhaal. En voor mijn moeder wilde ik zelf
verhalen leren schrijven die zij dan kon lezen. Aandacht, aandacht: ik ging als
een poes op de bladzijden van mijn moeders boek zitten en kreeg haar
aandacht.
Er waren ook twee tsunamis in mijn leven. Twee boeken
die mij van de sokken bliezen.
Allereerst: The catcher in the
rye van J.D. Salinger. Het boek trof mij als een vuistslag in het
gezicht.
Waarom eigenlijk? Het is niet het mooiste boek dat ik
ooit gelezen heb. Het is niet geschreven in prachtige volzinnen. Het
hoofdpersonage is niet bijzonder sympathiek. En toch: nadat ik het boek gelezen
had, wilde ik zelf gaan schrijven.
Er was natuurlijk de inhoud van het boek
dat mij bijzonder aansprak, maar het was ook de vorm. Een zeventienjarige
jongen spreekt op zijn eigen manier, het is zijn taal, het zijn zijn woorden.
De schrijver gaat de taal van zijn hoofdpersonage niet verfraaien. Daardoor
wordt het boek zo juist en zo waar. Ik geloof het van a tot z. Alles
klopt.
Ten tweede: Moby Dick van Herman Melville. Een wijds
verhaal, gebracht in de beste verteltraditie.
Er zijn verschillende
redenen waarom ik het boek fantastisch vind.
¶ Een krachtige
beginzin: Noem me Ismaël. Bijna de enige korte zin die in het boek
voorkomt. Een zin die je nieuwsgierig maakt en dwingt om voort te lezen.
¶ Juiste, in de vijfde dimensie gebeitelde namen: Ismaël, de
kannibaal Queequeg, kapitein Achab, Starbuck, Daggo, de Indiaan Tashtego.
¶ Schitterend taalgebruik. Een voorbeeld met een inhoud die een tikje
dubbelzinnig is:
Maar als je, zoals Queequeg en ik in het bed, het
een beetje koud hebt aan het puntje van je neus of de kruin van je hoofd, ja
dan voel je je inderdaad helemaal verrukkelijk en ondubbelzinnig warm. Om die
reden zou een slaapvertrek nooit voorzien moeten zijn van een kachel, wat een
van de weelderige ongemakken der rijken is. Want het toppunt van dit soort
verrukking is niets dan de deken te hebben tussen jou en je knusheid en de kou
van de buitenlucht. Pas dan lig je daar als het enige warme vonkje in een
ijskristal.
¶ Het boek heeft een onderliggende visie. Ik kan
de ondergrond, de visie van de schrijver tussen de regels voelen. Moby
Dick is op het eerste zicht een avonturenroman, maar het is
méér dan dat. Micro- en macrocosmos zijn voortdurend met elkaar
in verbinding. Herman Melville weet in de grootse Rabelais-traditie een complex
taaluniversum te schilderen en weeft dan ook de uitersten van het leven ineen:
goor en verheven, warm en koud, hard en teder, toeval en geen toeval, soms
zelfs in één zin. Het is een boek dat de donkerste krochten van
de ziel verkent en dat desondanks humoristisch is en speels, een combinatie die
zelden opduikt en helaas vaak niet zo ernstig genomen wordt. De witte walvis
wordt het zinnebeeld van de donkere kracht in ieder van ons. Achab, de kapitein
van de Pequod, is niet in staat om zijn donkere kant te verinnerlijken en te
temmen en zo sleurt hij zijn bemanning mee naar de ondergang. Hij moet en zal
Moby Dick verslaan. In het boek wordt een heel eigen universum gecreëerd.
Uitersten worden verbonden en diepzinnige gedachten worden verweven met
schijnbaar banale momenten.
¶ En dan is er nog de eindzin van een boek
die voor mij heel belangrijk is. De laatste zin van Moby Dick
overtrof mijn stoutste verwachtingen. Een goede eindzin is als een strik die
alles mooi aan elkaar bindt. Als je een goede eindzin leest, heb je spijt dat
het boek uit is. Je doet het boek dicht en de wereld sluit zich als een
dichtklappende oesterschelp.
¶ Een boek of een gedicht dat je geraakt
heeft, blijft nazinderen.
Hebben die twee boeken mij dan ook
beïnvloed?
Zeker.
Van Salinger heb ik geleerd hoe belangrijk het
is om elk personage zijn eigen taal en manier van spreken te geven. Ook: een
personage hoeft niet eenduidig sympathiek te zijn om toch de liefde
van de lezer te winnen.
Ik heb mijzelf geoefend in het schrijven van
dialogen en ik ben er sterk in geworden. Dankjewel, Salinger.
Van Melville
heb ik geleerd dat een onderliggende visie belangrijk is. Ik begin nooit zomaar
te schrijven aan een boek. Ik vertrek vanuit een onderliggend idee. Wat wil ik
overbrengen? De onderliggende ideeën komen nooit rechtstreeks in het boek
terecht maar kun je voelen tussen de regels.
Soms word ik bij het
schrijven door een van mijn eigen personages op een zijspoor gezet. Zo werk ik
sinds jaren aan een roman voor volwassenen: Johanna, over het leven
van Johanna de waanzinnige, de moeder van Keizer Karel. De meeste personages in
het boek hebben echt bestaan, maar soms neem ik een loopje met de geschiedenis.
Zo heb ik Johanna een dwergje als nar gegeven. Het houden van dwergen als nar
was wel een gewoonte aan het Spaanse Hof, maar of Johanna ook werkelijk een
eigen nar had? De dwerg heet Dolores. Toen ik klaar was met het verhaal van
Dolores in het boek Johanna, merkte ik dat Dolores nog lang niet
klaar was met mij.
Nu werk ik dus aan Dolores!, een spin-off
van Johanna, waarin Dolores haar eigen verhaal vertelt. Ik kan en
wil haar niet tegenhouden... Dolores wordt een boek voor
+14-jarigen.
Met andere woorden: ik laat mijn personages leven en hun eigen
verhaal vertellen.
Dankjewel, Herman Melville.
©
Noëlla Elpers, Het Kapersnest, 15 december 2005.
[www.kapersnest.be]