Donderdag 14 september 2006
Het is dit jaar weer eens een autoloze vakantie geworden en dat is me goed bevallen. Ik nam de bus van 18.23 uur naar Den Haag Centraal, waar ik om kwart voor zeven aan kwam. Onderweg had ik wat moeite gehad om mijn grote reiskoffer in bedwang te houden, die geprobeerd had om de tenen van mijn medepassagiers plat te rijden.
Op perron 6 ontmoette ik Monique en ook Jeroen, die tot Utrecht met ons mee zou gaan om ons daar uit te wuiven. De trein naar Utrecht was een Koploper, waarvan één van de draairaampjes niet meer dicht kon. De rijwind blies bulderend naar binnen, met als gevolg dat de tussendeur begon te rammelen in zijn sponningen. Een geërgerde medepassagier wist hem tenslotte stil te krijgen door hem vast te zetten met een plastic flesje.
In Utrecht hadden we tijd genoeg om eerst nog even koffie te gaan drinken met een tosti Hawaï er bij. Om elf over half negen was het dan zo ver: met de City Night Line 319 'Pollux' vertrokken we naar München, met als eindbestemming Garmisch-Partenkirchen.
We hadden twee slaapcoupé's gereserveerd, of beter gezegd: twee rijdende hotelkamers. Zelf had ik de meest luxueuze categorie geboekt. Die heeft een eigen douche en toilet. Heel erg klein weliswaar, maar goed bruikbaar. Monique had de op één na meest luxueuze categorie genomen, zonder eigen sanitair.
Het slaaprijtuig was dubbeldeks, met een zijgang van waaruit trappetjes naar boven en naar beneden liepen. Ik zat "upstairs", Monique "downstairs". Upstairs krijgt ter verwelkoming van de slaapwagenconducteur een gratis flesje witte wijn aangeboden, downstairs krijgt niets. Heel Victoriaans, eigenlijk, en een vergelijking met 'de familie Bellamy' ligt voor de hand.
In het barrijtuig, dat stampvol was, hebben we een biertje gedronken, maar dat was idioot duur (meer dan € 5,-- per flesje), dus dat doen we nooit meer. Daarna is Monique nog even in mijn kamer komen zitten om het flesje witte wijn op te drinken.
Ik heb met de conducteur afgesproken dat hij mij morgenochtend om 5.45 uur zal wekken.
Vrijdag 15 september
En inderdaad, om klokslag kwart voor zes werd er op mijn kamerdeur geklopt. We stonden toen in het station van Ulm. Ik stond op en wilde me gaan scheren, maar de 220V-aansluiting in mijn "badkamer" was blijkbaar defect, want mijn scheerapparaat deed niets. De douche deed het gelukkig wel! Het water kwam af en toe "in scheuten", maar de waterstraal was stevig en lekker warm.
Toen werd het ontbijt gebracht, met onder andere broodjes, vleeswaren en cornflakes. Om kwart over zeven, keurig op tijd, liepen we binnen in München Hauptbahnhof. We stapten over op de Regionalbahn van 7.32 uur naar onze eindbestemming Garmisch-Partenkirchen, waar we om negen uur aan kwamen. Vanaf het station was het naar ons Hotel Bavaria niet meer dan tien minuten lopen. Onze kamers waren al beschikbaar! Ik heb me op mijn kamer meteen alsnog geschoren.
Na het uitpakken van de koffers gingen we op weg naar de kabelbaan die naar de top van de Wank gaat, op zo'n 1.750 meter hoogte. Van een afstand te zien lijkt het of de Wankbahn steeds dicht bij de berghelling blijft, maar toen we er eenmaal in zaten, bleek dat er hier en daar een behoorlijk diep dal overgestoken wordt. De Wankbahn werkt met de bekende vierpersoonsgondeltjes met automatisch sluitende deuren. Het traject naar de top bestaat in feite uit twee op zichzelf staande gedeelten. Halverwege, in het tussenstation, wordt de gondel automatisch overgezet op de tweede sectie, die overigens schuin staat op de eerste. Naarmate we hoger kwamen begon de wind steeds meer vat op de gondel te krijgen, waardoor we bedenkelijk begonnen te schommelen. Maar het is allemaal goed afgelopen.
We zijn in het restaurant bij het bergstation van de kabelbaan eerst even wat gaan drinken en daarna zijn we naar de top gelopen. Er stond daar een ADAC-helikopter geparkeerd waarmee een ploeg reddingwerkers aan het oefenen was.
Vanaf de top van de Wank heb je een prachtig uitzicht op de imposante bergwereld rondom Garmisch. Het viel ons op dat de bergen allemaal kaal waren, nergens lag er sneeuw. Was dat een gevolg van het broeikaseffect, of is dat normaal voor de maand september?
En toen moesten we weer terug naar beneden. We zijn gaan lopen, en dat betekende zo'n 1.000 meter afdalen over een goed gemarkeerd, maar steil pad. Mijn nieuwe bergwandelschoenen konden nu meteen hun nut bewijzen. Voor Monique was de afdaling een nogal zware belasting, want zij heeft kort geleden haar voet verzwikt en dat loopt natuurlijk niet erg prettig.
Onderweg kwamen we voortdurend andere mensen tegen. Het is gebruikelijk om elkaar dan gedag te zeggen met "Servus" of "Grüss Gott". "Gutentag" is natuurlijk ook correct, maar dat mist een stukje sfeer.
Toen we weer beneden waren, hebben we in een restaurant in de buurt van het dalstation van de kabelbaan nog wat gedronken. Ik bestelde een groot glas Orangensaft (Osaft zeggen ze hier) en in Beieren betekent 'groot' ook echt 'groot'!
Eerst even terug naar het hotel om een uurtje op adem te komen, en daarna zijn we het centrum ingelopen, op zoek naar het Kurpark, om te kijken of daar ook een Thermalbad of zoiets bij hoort. Dat bleek niet het geval te zijn, maar we ontdekten dat er vlak achter het station een uitgebreid Wellenbad ligt met alles er op en er aan. Gelukkig maar, want zonder badtoestanden is een vakantie voor Monique niet compleet.
's Avonds hebben we gegeten in ons hotel. Monique nam menu I met Zarpfen en ik menu II met een stevige omelet met champignons.
Het weer: van alles tegelijk, niet warm en niet koud, en het is droog gebleven.
Zaterdag 16 september
Vandaag zijn we, zoals we hadden afgesproken, ieder onze eigen weg gegaan. Monique is naar het Kurpark gegaan en heeft daar vredig zitten lezen in een openbare ligstoel, gemaakt van hout.
Voor mij was het vandaag weer eens "treinendag". Aan het stationsloket van Garmisch kocht ik voor € 24,40 een retourtje Innsbruck. Ik nam de trein van 10.04 uur. Het werd een zeer fraaie rit. Vooral het laatste stuk, waar de spoorlijn langs de berghelling afdaalt naar de bodem van het dal van de Inn, is heel spectaculair.
Tegen half twaalf was ik in Innsbruck. Uit een kaartautomaat in de stationshal haalde ik voor € 11,40 een dagkaart voor het regionale openbaar vervoer. Om 11.43 uur vertrok ik in een soort S-Bahn in oostelijke richting en een dik half uur later kwam ik aan in Jenbach, het beginpunt van zowel de Zillertalbahn als de Achenseebahn. De Achenseebahn is één van de weinige tandradspoorlijnen die nog met stoom gereden worden.
Nu eerst maar eens op zoek naar iets eetbaars. In het stationsbuffet kocht ik een broodje ("Semmel") Schnitzel en daar had ik een prima lunch aan. Daarna heb ik in de stationshal geld uit de muur getrokken.
De plaatsbewijzen voor de Achenseebahn werden verkocht aan een apart loket. Een retourtje Achensee kostte € 26,--, een fiks bedrag, maar dat was het me dik waard. De trein bestond uit twee open rijtuigjes, geduwd door een twee-assige locomotief. Hij vertrok om kwart voor twee en begon vrijwel meteen te klimmen. De steile hellingen vormden voor het niet al te grote locomotiefje een hele opgave. De afgewerkte stoom ontsnapte met bulderende slagen uit de schoorsteen en de loc legde een rookgordijn waar half Jenbach in verdween. Kortom: stoomtractie op z'n best.
Het tandradtraject eindigde al halverwege de rit, in het dorpje Eben, en daarna daalden we in adhesiebedrijf langzaam af naar het eindpunt Seespitze, vlak aan de Achensee. We stapten ook nog even aan een kleine tussenhalte. "Maurach!" riep de conducteur plichtsgetrouw en met een fijn gevoel voor ironie voegde hij er aan toe: "Hauptbahnhof!".
Om half drie kwamen we aan bij de Achensee. Ik bestelde daar Kaffee mit Kuchen (de Kuchen werd natuurlijk weer een Apfelstrudel), en om tien over drie was ik weer op de terugweg naar Jenbach, waar ik om tien voor vier aan kwam.
Daar nam ik de EuroCity van kwart over vier. Hij kwam in Innsbruck te laat binnen, maar de trein van 16.38 naar Garmisch was gelukkig blijven wachten. Om kwart over zes was ik terug in mijn hotel.
We hebben gegeten in het Kurparkrestaurant. We zagen daar een man in een traditioneel-Beiers kostuum, met op zijn hoofd een hoed met een scheerkwast.
's Avonds zijn we in de conversatiezaal van het hotel gaan zitten om een begin te maken met het schrijven van onze ansichtkaarten. Officieel schijnt die zaal "Wintergarten" te heten.
Zondag 17 september
Gisterenavond hebben we in de hal van ons hotel vol bewondering staan kijken naar een grote poster van een woeste rotskloof, de Höllentalklamm. Een Klamm is een U-vormige, heel smalle kloof met op de bodem een riviertje.
Als je er vanuit Garmisch naar toe wilt, kun je het beste eerst een stukje met de trein gaan. En daarom namen we vanmorgen de Zugspitzbahn van kwart over tien en reden mee tot aan de halte Hammersbach. Het was een mooi ritje, dat ongeveer een kwartier duurde. In Hammersbach zagen we een leuk kapelletje dat we eerst nog even van binnen hebben bekeken, en toen gingen we op pad.
De eerste kilometer van de route naar de Höllentalklamm is een makkelijk pad dat meteen het bos in duikt en dan de Hammersbach gaat volgen. Na die eerste kilometer komt er opeens een haarspeldbocht en dan klimt het pad langs een berghelling steil naar boven. Een heel eind verderop zie je in de verte, aangeplakt tegen een grimmige rotswand, ergens helemaal in de hoogte een Beierse vlag wapperen. Daar moet je naar toe, want die vlag markeert de ingang van de eigenlijke Klamm. Tijdens de moeizame klim richting vlag passeerden we een poes die heel ontspannen op een rotspunt van het uitzicht zat te genieten.
Op het punt waar het wandelpad de kloof in draait, is tegen de rotswand is een restaurantje aangebouwd, dat "Eingangshütte" heet. Ik denk dat dat restaurantje het tehuis is van de poes van de richel. We hebben er even gepauzeerd, met voor Monique een groot glas bier tegen de dorst en voor mij Kaffee mit Waldfrüchtenkuchen.
Voordat je de kloof in mag, moet je eerst aan een soort tolhuisje € 2,50 betalen, maar dat is het zeker waard.
Van mij krijgt de Höllentalklamm vijf sterren! Hij blijft van begin tot eind stijgen en is nergens meer dan een paar meter breed, met als gevolg dat het voetpad op veel plaatsen moest worden uitgehouwen in de rotswand. Dat voetpad loopt helemaal onderin de kloof, vlak naast de Hammersbach, die er door buldert met het geweld van een waterval.
Je komt over bruggen en plankieren en je moet door donkere tunnels kruipen, met als enige verlichting hier en daar een kijkgat of een electrische lamp. Af en toe passeer je een gordijn van ijskoud smeltwater. Dat smeltwater zorgt er samen met het opspattende rivierwater voor dat het pad overal drijfnat en spekglad is. Voor Monique, met haar kwetsbare voeten, was al die gladdigheid een beetje te veel van het goede. Ze is een klein stukje met me mee gelopen, maar hield het al gauw voor gezien, en is op haar gemak teruggegaan naar het kapelletje.
Waterdichte kleding is in de Höllentalklamm dus geen overbodige luxe. Ik had er behoorlijk spijt van dat ik mijn jas had achtergelaten in het hotel, in de verwachting dat het vandaag flink warm zou gaan worden! Maar ik had de kou en het ongemak er graag voor over, want dit was één van de meest indrukwekkende rivierkloven die ik ooit in mijn leven gezien heb. De Höllentalklamm is echt een topattractie, net zo indrukwekkend als de kloof van Franja, het beroemde Sloveense partisanenziekenhuis uit de Tweede Wereldoorlog.
Op een zeker moment, ongeveer halverwege, zag ik heel hoog boven me een stalen brug. Later heb ik ontdekt dat die brug zich op 73 meter boven het wateroppervlak bevindt en deel uit maakt van een route die alleen is aan te bevelen voor mensen die absoluut Schwindelfrei zijn. Dus daar kan ik maar beter nooit aan beginnen.
Eindelijk verbreedde de kloof zich weer en ging over in een normaal bergdal. Het pad liep onverstoorbaar verder en ging rustig door met stijgen. Borden vertelden dat zich verderop, op 1.380 meter hoogte, de Höllentalangertalhütte bevond. Dat leek me een mooi einddoel en bovendien zou ik daar vast wel kunnen lunchen.
Om één uur precies bereikte ik de Hütte en het bleek dat je er inderdaad kunt eten. Ik nam plaats op het terras en bestelde een Wurstplatte. Ik keek eens rond en zag dat ik me in een ketelvormig dal bevond, dat werd afgesloten door het grijze massief van de Zugspitze.
In afwachting van mijn bestelling raakte ik in gesprek met mijn drie tafelgenoten: een Nederlander die in München woont, zijn Duitse echtgenote en een Nederlandse vriend die vandaag samen met hen de bergen in was getrokken.
De Wurstplatte was uitstekend. Op de rekening was, heel redelijk, ook een Umweltbeitrag opgenomen, waar ik een apart betaalbewijsje voor ontving.
Terwijl ik zat te eten begon de wind op te zetten, met als gevolg dat de temperatuur voelbaar omlaag ging. Ik had het nu niet echt lekker meer in mijn enkele overhemd. Even later is de wind gelukkig weer gaan liggen, maar toen kwam er uit het dal opeens een dikke mist opzetten.
Om vijf over half twee begon ik aan de terugweg naar Hammersbach. Gek genoeg was de temperatuur in de nevel betrekkelijk aangenaam. In de diepte van de Klamm was het natuurlijk wel koud.
Toen ik de "tolpoort" van de Eingangshütte door wilde gaan, bleek dat ik mijn toegangskaartje kwijt was. Ik snap nog steeds niet hoe ik dat ding heb kunnen verliezen. Het kwam me op een ernstige preek te staan, maar daarna werd ik alsnog genadiglijk doorgelaten zonder dat ik een nieuw kaartje hoefde te kopen.
Om drie uur precies was ik terug bij het kapelletje. Een paar minuten tevoren was het gaan regenen, met als gevolg dat ik drijfnat was geworden. Ik dook een nabijgelegen restaurant in om op te drogen, en trof daar meteen ook Monique aan.
We zijn in het restaurant een hele lange tijd blijven zitten met warme chocolademelk, thee en tenslotte Glühwein. Pas met het treintje van 16.37 uur (een splinternieuwe!) zijn we terug naar Garmisch gegaan.
In het hotel bestelden we de dagschotel (tagliatelli), maar die viel nogal tegen.
Maandag 18 september
Vandaag ging ieder weer zijn eigen gang. Net als twee dagen geleden nam ik de trein van 10.04 uur naar Innsbruck. Dat blijft een prachtige rit. In de trein heb ik nog even een paar woorden gewisseld met een Nederlands echtpaar dat tegenover me zat.
Het stationsgebouw van Innsbruck is heel modern. In de grote hal zitten allerlei broodjeszaken en zo en in één daar van heb ik als lunch een Speckjause gekocht. Vervolgens wilde ik met de Stubaitalbahn mee, maar ik kon nergens duidelijke informatie vinden over kaartjes en tarieven. Tenslotte heb ik dan maar voor € 1,60 uit een automaat een enkeltje-stadstarief gehaald. Daarmee mocht ik mee tot aan de halte Sonnenburgerhof. De Stubaitalbahn rijdt niet erg frequent; de eerstvolgende ging pas over ruim een half uur, om tien over twaalf.
Het ritje naar Sonnenburgerhof duurde niet langer dan een dik kwartier, maar het was de moeite waard, vooral het laatste stuk, wanneer je slingerend langs de berghelling omhoog klimt, het dal uit.
Toen ik op Sonnenburgerhof stond te wachten op de tram terug naar de stad, vroeg een automobilist me de weg naar "de oude route over de Brenner", maar die wist ik natuurlijk niet. Toch wel een interessant fenomeen: als je op de tram staat te wachten staat ben je in de ogen van het publiek blijkbaar per definitie een autochtoon. De tram terug naar Innsbruck arriveerde om 12.33 uur. Naast het Stubaitalbahn-depot, in de buurt van station West, zag ik een Localbahnmuseum, maar dat was jammer genoeg alleen maar op zaterdag open. Dat had ik eerder moeten weten!
Ik bleef dus in de tram zitten en reed via een leuke lus door de binnenstad mee terug naar Innsbruck-Hauptbahnhof. Daarna ben ik de stad in gelopen, op weg naar de Hungerburgbahn, een kabelspoortje, dat ergens aan de rand van de binnenstad zou moeten beginnen. Ik heb het niet kunnen vinden.
Onderweg kwam ik een heleboel verkiezingsplakkaten tegen van rechtse en extreem-rechtse politieke partijen, met zeer kwalijke teksten er op waar de honden geen brood van lusten. Een effectievere manier om een antipathie tegen Oostenrijk op te wekken zou ik niet weten.
Ik liep terug naar het centrum. Daar zag ik onder andere het huis met het beroemde Gouden Dak. Natuurlijk kon ik het niet laten om ook nog even de stadhuistoren te beklimmen (kosten: € 3,--). Daarna liep ik op mijn gemak en zonder op mijn horloge te kijken terug naar het station, waar ik op de minuut op tijd aan kwam voor de trein van 14.38 uur!
In Hochzirl moesten we een tijd blijven wachten op een verlate tegentrein (de Mittenwaldbahn is enkelspoor!) en daarom was ik pas rond 16.10 uur weer terug in Garmisch. In de stationsrestauratie daar bestelde ik een kop warme chocolademelk, maar het duurde helaas een eeuwigheid voordat het bedienend personeel die order had weten te verwerken. Ik heb hem uiteindelijk wel gekregen.
Rond half zes ben ik samen met Monique naar een Internetcafé gegaan dat zij hier vanmiddag ontdekt heeft. Hier zijn we een half uur bezig geweest. Daarna zijn we gaan eten in de Hofbräustüberl in de Chamonixstrasse, een voor ons nog onbekend Balkan-achtig restaurant. Het was best goed.
's Avonds hebben we in de Wintergarten onze ansichtkaarten geadresseerd. De eigenaresse van het hotel zag ons bezig en bracht ons postzegels! Dat vonden we erg aardig.
Het weer: nevelig, vochtig en aan de koele kant.
Dinsdag 19 september
Voor vandaag stond er weer een gezamenlijke excursie op het programma, naar de Zugspitze nog wel. Het had echter weinig zin om helemaal naar boven te gaan, naar het Zugspitzplatt, want het was vandaag somber, nevelachtig weer en het Zugspitzplatt zat verborgen in de wolken.
We namen de Zugspitzbahn van kwart over tien. Het adhesietraject van de Zugspitzbahn eindigt in Grainau. We moesten daar overstappen op tandradmaterieel. Vlak voor ons uit, op misschien 100 meter afstand, reed motorwagen 1, die een goederenwagen duwde.
We zijn uitgestapt in Eibsee, de eerste halte na Grainau. In het Eibsee-Pavillon, dat heel mooi aan het meer ligt, hebben we Kaffee mit Apfelstrudel en dat soort zaken besteld. Even voor half twaalf zijn we op weg gegaan om het meer rond te lopen, met de klok mee. Dat is een makkelijke wandeling, zeven km lang, over een voornamelijk horizontaal verlopend, heel breed pad. We hebben er ons gemak van genomen, we hebben er een uur en drie kwartier over gedaan. We zagen onderweg bossen, helder blauw-groen water, eilandjes, en heel veel wolken. De lucht was extreem vochtig, maar toch was het absoluut niet koud.
Toen we weer terug waren op ons uitgangspunt, doken we opnieuw het Eibsee-Pavillon in en daar hebben we geluncht. Ik at Fleischpflanzern of zoiets: die leken op platgeslagen gehaktballen, maar dan lekker. Monique at macaroni met Schinken. De porties waren zo groot dat we er meer dan genoeg aan hadden.
Na de lunch zijn we teruggelopen naar het stationnetje. Ik bestelde een retourtje Riffelriss, waarop de loketbeambte me waarschuwde dat het daarboven "nicht bewirtschaftet" was. Ik legde uit dat dat ons niet kon schelen, en dat we het ook niet erg vonden om boven een uurtje in de kou te moeten wachten op de trein terug naar beneden. Als beloning voor deze onverschrokkenheid kregen we het retourtje voor de prijs van een enkeltje!
Om 13.45 uur vertrokken we in motorwagen 1 (die op zijn flanken trots vermeldde dat hij kilometermiljonair was) naar Riffelriss. Een schitterende rit, met spectaculaire hellingen van soms 25%! In Riffelriss stapten we uit. Meteen na Riffelriss verdwijnt de trein in een tunnel en daar komt hij dan verder niet meer uit, dus daar misten we niet veel aan.
Riffelriss ligt hoog, op ruim 1.600 meter, net onder de plaatselijke boomgrens. Het was er vochtig en koud, maar de ruige, indrukwekkende omgeving met het prachtige uitzicht op de Eibsee, diep beneden, maakte dat allemaal meer dan goed.
Om tien voor vier ging de tunneldeur rammelend open en daar was motorwagen 1 weer. We staken een hand op, hij stopte keurig en we konden mee. In Eibsee liepen we helemaal vol à la een spitsuurrit. In Grainau moesten we weer overstappen, gelukkig in een tweewagenstel, dus nu was er voor iedereen een zitplaats. Rond vijf uur waren we weer terug in Garmisch.
We hebben vanavond weer gegeten in het Kurpark-restaurant. De scheerkwast was er ook weer! Ik koos een vegetarische schotel (ik ben serieus aan het proberen minder vlees te eten), en die was wel pittig, maar helaas niet erg voedzaam. Op weg naar het restaurant hebben we eerst het Internetcafé nog even aangedaan.
's Avonds zijn we in de Wintergarten gaan zitten. Daar raakten we met een Duitse medegast in gesprek over diens hond, Billy, een Shetlander (dat is een klein formaat collie). Billy had tijdens een bergwandeling een wondje aan zijn poot gekregen. Geleidelijk aan kwam het gesprek ook op andere onderwerpen, en we eindigden met de wereldpolitiek.
Woensdag 20 september
Na het ontbijt zijn we gezamenlijk stroomopwaarts langs de Partnach gewandeld naar de Olympiaschans, overbekend van het legendarische skispringen op Nieuwjaarsdag. Het stadion en vooral ook de springschansen zelf (er zijn er twee) zagen er allemaal wat ouderwets en vervallen uit. Het schijnt dat de hele boel volgend jaar grondig gemoderniseerd en gedeeltelijk herbouwd zal gaan worden, en in afwachting daarvan wordt er blijkbaar niet veel aan onderhoud meer gedaan.
Monique is meteen weer teruggelopen naar Garmisch, om haar verzwikte voet wat rust te geven. Zelf ben ik het pad ingeslagen naar de Partnachklamm, die een paar kilometer verderop begint. De toegang kostte € 2,--. De Partnachklamm is net zo mooi als de Höllentalklamm, maar hij is minder spectaculair en ook minder inspannend, want hij is een stuk korter en bovendien hoef je onderweg nauwelijks te klimmen. Hij houdt vrij abrupt op en daarna ben je weer in een 'gewoon' rivierdal. Even verderop, op het punt waar de Ferchenbach in de Partnach uitmondt, kun je als wandelaar allerlei kanten op. Ik koos de Kälbersteig, niet wetende wat me daarmee te wachten stond. Een Steig blijkt namelijk geen wandelpad te zijn, maar een soort trap, gemaakt van boomstammetjes. De Kälbersteig is heel smal en loopt bovendien nogal eens langs steile, boomloze afgronden, en soms kun je zelfs aan allebei de kanten naar beneden vallen! Ik vond het maar een matig genoegen.
En er kwam maar geen eind aan. Het uitzicht werd natuurlijk wel steeds mooier. Ik ging even zitten om het te bewonderen en vooral ook om eens even uit te blazen, en werd toen gepasseerd door een collega-wandelaar, die ook op weg naar boven was.
Tenslotte bereikte ik dan toch het einde van de Kälbersteig, de Kälberhöhe of hoe het daar heette. Mijn collega van daarnet zat er in het gras en bestuurde een wandelkaart. Hij vertelde me dat hij nog verder naar boven wilde gaan, naar Schachen.
Ik had voor mezelf al besloten dat ik vanaf nu geen meter meer wilde klimmen. Gelukkig loopt er vanaf de Kälberhöhe een brede gruisweg langzaam dalend het bos in, richting dal. Dat was precies wat ik nodig had en ik ging op weg. Het was inmiddels al lang lunchtijd, maar hier in the middle of nowhere was er natuurlijk nergens iets te eten of te drinken.
Een stuk verderop takte er naar links opnieuw een brede weg af, ook dalend. Het leek me de afslag terug naar de Partnachklamm. Na een tijdje bleek dat ik me daarin had vergist. De weg werd alsmaar smaller en modderiger en leek tenslotte nergens meer heen te gaan. Waarschijnlijk is het een houthakkerspad geweest. Ik trapte onverwacht in een diepe plas en toen was ik het zat. Ik keerde om en klom terug naar de "hoofdweg". En warempel, daar zat mijn collega-wandelaar weer! Hij had zijn plannen blijkbaar bijgesteld.
Gezamenlijk liepen we de hoofdweg af richting dal. Even verderop kwamen we bij de Steilenhütte en daar was dan alsnog de echte afslag naar de Partnachklamm. Maar... die afslag was Gesperrt, Strengstens Verboten en Lebensgefährlich, allemaal vanwege Forstarbeiten. Met andere woorden: als je doorliep zou je een boom op je hoofd krijgen. Mijn metgezel besloot het er toch maar op te wagen. Ik hoop dat het goed met hem afgelopen is, ik heb hem niet meer teruggezien.
Zelf koos ik er voor om dan in vredesnaam maar door te lopen naar het dorpje Elmau, ook al zou dat een heel lange omweg worden. Het werd gelukkig best een mooie wandeling, langzaam dalend het dal van de Kaltenbach in. Toen ik Elmau achter me gelaten had, sloeg ik linksaf en ging de Ferchenbach volgen. Dat ging een tijd lang goed, totdat opeens mijn weg toch nog versperd werd door, jawel, Forstarbeiten met een verbodsbord. Ik sprak een bosbouwer aan en legde uit dat ik toch echt op weg was naar de Partnachklamm, "und was soll ich jetzt?". Waarop hij mij gebaarde dat ik maar gewoon door moest lopen. Dat was precies wat ik van plan was. Ik moest vervolgens over een wankele stapel boomstammen klimmen en tussen een vrachtwagen en een kraan door kruipen, maar het is allemaal goed afgelopen.
Toen ik tenslotte weer bij de Klamm arriveerde, was ik moe, hongerig, en vooral heel dorstig. Ik had er dit keer zorgvuldig op gelet mijn toegangskaartje niet kwijt te raken, dus bij de "tolpoort" aan het einde kon ik probleemloos doorlopen.
In de Biergarten van een restaurantje even verderop heb ik bij wijze van heel late lunch Schwarzer Tee (mit Zitronensaft) + Apfelstrudel genomen. Daar knapte ik aardig van op, maar ik bleef dorst houden, en daarom heb ik in de buurt van het skistadion aan een stalletje opnieuw thee gedronken, dit keer helaas onder begeleiding van afschuwelijk kitscherige Heimatklanken uit een CD-speler. Rond kwart voor vijf was ik terug in het hotel.
's Avonds hebben we alweer gegeten in het Kurparkrestaurant, stevige kost dit keer. Daar had ik trek in! Na terugkomst in het hotel zijn we nog even in de Wintergarten gaan zitten. Na enige tijd kregen we hier weer gezelschap van de Duitse meneer van gisterenavond. Het werd opnieuw een heel interessant gesprek, dat dit keer pas ver na middernacht eindigde.
Donderdag 21 september
Het was vanmorgen prachtig weer en dat is de hele dag ook zo gebleven. We hebben op ons gemak onze koffers ingepakt en daarna namen we de trein van 11.04 uur naar München. Die zat in Garmisch al behoorlijk vol, en met ieder volgend station kwamen er weer nieuwe passagiers bij. Er bleven tenslotte alleen nog maar staanplaatsen over.
Rond half één kwamen we aan in München Hbf. We zijn daar eerst maar eens op zoek gegaan naar een paar Schliessfächer om onze koffers in op te bergen. Ik vroeg me af of er wel ergens een bagagekluis te vinden zou zijn waar mijn reiskoffer met zijn reusachtige formaat in zou passen, maar de kluizen waren gelukkig groot genoeg.
Toen de koffers weggeborgen waren, vonden we het tijd om iets te gaan eten. We kwamen terecht in de stationsrestauratie, een heel sfeervolle, klassiek-houten ruimte. Monique at een Minischnitzel, maar ik koos een traditioneel-Oostenrijks gerecht, namelijk Kaiserschmarrn. Kaiserschmarrn zijn in de verte verwand aan poffertjes. Ze worden geserveerd met appelmoes. Het is zo'n machtig gerecht dat je het rustig als volledige lunch kunt beschouwen.
We hadden ons voorgenomen om de rest van de dag te gebruiken om de stad te gaan verkennen. We liepen de Prielmayerstrasse in, staken de Karlsplatz over en kwamen toen in de Neuhauser Strasse. Hier ontdekten we een levend kunstwerk, namelijk een water spuitende zilvergrijze man. Erg geinig. Via de Kaufinger Strasse kwamen we daarna op de Marienplatz, het hart van het oude centrum. Hier staat ook het stadhuis van München en dat is veel mooier dan je misschien zou verwachten. Het lijkt een beetje op het stadhuis van Brussel.
Via de Sparkassenstrasse en de Neuturmstrasse kwamen we vervolgens terecht in de beroemde en zeer dure Maximillianstrasse. Daarna liepen we over de Karl-Scharnagl Ring en de Frans-Josef Strauss Ring naar het Haus der Kunst en dan ben je meteen ook bij de Englischer Garten, het grote stadspark.
De weiden in de Englischer Garten mogen worden gebruikt voor naaktrecreatie en we konden duidelijk zien dat van die mogelijkheid vandaag dankbaar gebruik werd gemaakt. Ik vond dat toch wel een beetje shockerend...
Na een flink eind lopen door het park kwamen we tenslotte bij de Chinesischer Turm. Op het terras van het restaurant aan de voet er van zijn we wat gaan drinken. Daarna ging ik weer op pad om de rest van München te gaan verkennen. Monique bleef op het terras zitten. We spraken af dat we elkaar om kwart over zes aan de ingang van het park weer zouden ontmoeten.
Ik verliet de Englischer Garten door een westelijke uitgang, liep door de Thiemestrasse (dat moet ik Marianne vertellen!) en kwam uit bij het metrostation Giselastrasse. Uit een automaat haalde ik daar voor € 4,80 een Tageskarte innenraum.
Met de U3 reed ik toen naar de Odeonsplatz, dat was twee haltes naar het zuiden. De Odeonsplatz is een langgerekt, klassiek plein dat wordt afgesloten door de zeer foute Feldherrnhalle. Ik wilde dat ding beslist een keer gezien hebben. Daarna ben ik de Briennerstrasse een klein stukje ingelopen, tot aan de Platz der Opfer des Nationalsozialismus. Hier kon ik, via een andere ingang, opnieuw het metrostation in. Met de U5 reed ik vervolgens naar het Hauptbahnhof. Hij zat stampvol, want hij ging richting Oktoberfest. Het Oktoberfest is al volop aan de gang, ook al is het pas september.
De bewegwijzering in de Münchense metrostations is niet al te duidelijk, en daarom vond ik op het Hauptbahnhof pas na een heleboel zoeken de metro naar de Königsplatz.
Vanaf het Hauptbahnhof is het naar de Königsplatz maar één halte, dus ik was er al gauw. Net als de omgeving van de Feldherrnhalle is ook de Königsplatz een gebied dat in de Hitlerbeweging een centrale rol heeft gespeeld. In de nazitijd bestond het plein uit graniet, tegenwoordig is het gelukkig weer een grasveld.
Even voorbij de Königsplatz ligt de Karolinenplatz. Hier heb ik tramlijn 27 genomen naar het eindpunt Petuelring. Daar stapte ik over op de U3 naar het Olympiazentrum. Ik heb daar even rondgekeken, maar er was niet veel te zien, behalve dan in de verte de opmerkelijke toren waarin het hoofdkantoor van BMW is ondergebracht.
Ik keerde terug naar de metro en reed mee tot aan de Sendlinger Tor. Daar pakte ik tramlijn 17. Ik stapte uit aan de halte Lehel en moest toen even zoeken, maar toch was ik keurig op tijd bij de ingang van de Englischer Garten, waar Monique al op me stond te wachten.
Op zoek naar een geschikt restaurantje hebben we eerst wat rondgezworven door het stadsdeel Lehel en via de Maximillianstrasse kwamen we tenslotte in de binnenstad terecht. Daar ontdekten we Orlando, een sfeervol restaurant in bladgoud-stijl, waar we prima gegeten hebben.
Orlando ligt tegenover het legendarische Hofbräuhaus, dat voorkomt in het fraaie nummer "Skandal im Sperrbezirk" van de Spider Murphy Gang. Het Hofbräuhaus is allang geen brouwerij meer, tegenwoordig is het een reusachtige Bierstube. Natuurlijk zijn we er even binnen gelopen. Het was er razend druk. Aan lange houten tafels zaten grote gezelschappen feestvierders bier te drinken uit onwaarschijnlijk grote glazen, terwijl een hoempa-orkest het beroemde Beierse drinklied ten gehore bracht: Ein Prosit, ein Prosit, der Gemütlichkeit! Een avondje Hofbräuhaus lijkt me een leuk idee voor een bedrijfsuitstapje, mits je daarna niet meer met de auto hoeft.
Het was inmiddels al helemaal donker geworden. We gingen wat rondslenteren over de Marienplatz en de Viktualiënmarkt en hebben nog een tijdje staan luisteren naar een pianist die zijn concertvleugel in de open lucht had neergezet(!). Hij voerde heel knappe improvisaties uit op allerlei bekende klassieke melodieën en trok daarmee een groot publiek.
Na dit openluchtconcert was het voor ons tijd geworden om weer eens wat te gaan drinken, dit keer op de sfeervolle binnenplaats van het stadhuis. Monique ging aan de wijn, zelf hield ik het op thee.
Maar toen moesten we toch echt op pad richting station. Monique ging lopen, zelf ging ik het metrostation in om daar de S-Bahn te nemen. Het werd een 423-er, wat ik leuk vond, want daar had ik nog nooit in gezeten. Toen ik op het Hauptbahnhof aankwam, zag ik dat Monique nog niet in de stationsrestauratie zat, waar we hadden afgesproken, en ik besloot haar tegemoet te lopen. Maar ik kwam haar nergens tegen, en daarom dook ik op de Karlsplatz de S-Bahn maar weer in en reed terug naar het Hauptbahnhof. Nu was ze er wel; blijkbaar zijn we elkaar de eerste keer net mis gelopen.
Tijd voor de laatste ronde; Orangensaft voor mij dit keer. Om kwart over tien zijn we onze koffers uit hun Schliessfächer gaan bevrijden. Inmiddels werd op spoor 19 onze CityNightLine klaar gezet. We zijn stipt op tijd vertrokken, om tien over half elf, maar onderweg hebben we om onduidelijke redenen een kwartier vertraging opgelopen.
Vrijdag 22 september
Bij aankomst in Utrecht was onze vertraging opgelopen tot ruim twintig minuten. We hadden aan moeten komen om 8.23 uur, dus de trein naar Den Haag van 8.47 uur hebben we net gemist. Nou ja, dan maar een half uurtje later.
Op Den Haag CS heeft Monique een taxi genomen en ik pakte de bus. Als traditionele afsluiting van onze vakantie zijn we 's avonds weer uit eten gegaan, dit keer in La Lanterna, Monique's "stampizzeria" in de Javastraat.
terug naar het begin van dit verhaal
terug naar de startpagina
==================================================