Schaduw

 

Twee dagen vóór het begin van mijn Engeland-reisje van juli 2003 vond ik Tijger, mijn kat, dood op de bank liggen. Dierenliefhebbers zullen begrijpen dat er daarom voor mijn gevoel een donkere schaduw over het uitstapje gelegen heeft. Anderen moeten dat maar gewoon aannemen.

 

Zaterdag 12 juli 2003

Het nadeel van de vroege boot naar Engeland is dat het een héél vroege boot is. Hij vertrekt al om tien voor half acht 's morgens en je moet minstens een half uur van tevoren inchecken. Gelukkig had mijn reisgenoot Jan gisterenavond zijn intrek genomen in het Best Western hotel bij vliegveld Zestienhoven, zodat ik vanmorgen niet helemaal naar Schiphol hoefde te rijden (zie Foster the Vulture) om hem op te kunnen pikken.
Klokslag zes uur vanmorgen arriveerde ik op Zestienhoven, waar Jan al aan het begin van de oprijlaan van het hotel op me stond te wachten. Het was prachtig weer en we gingen meteen op weg. We reden eerst naar het Kleinpolderplein en draaiden daar de A 20 op. Op de vroege zaterdagmorgen is er natuurlijk maar heel weinig verkeer. We konden vlot doorrijden en we waren dan ook keurig op tijd in Hoek van Holland. Het inchecken schoot niet erg hard op en daarom(?) vertrok het vaarding twintig minuten te laat (ik vind nog steeds dat de Stena Discovery geen schip genoemd mag worden). Onderweg riep de kapitein om dat we een snelheid van veertig knoop maakten en dan schiet het natuurlijk lekker op. We hebben de vertraging bijna helemaal in kunnen lopen.
Het was erg druk aan boord. We hebben daarom (dure) kaartjes gekocht voor de luxe lounge in het achterdeel, waar je relatief comfortabel en rustig zit, met een mooi uitzicht op zee. Bovendien heb je daar gratis koffie en thee en je kunt er de (Engelse) krant lezen. Ik concentreerde me op de contactadvertenties en probeerde er achter te komen wat de afkortingen zouden kunnen betekenen. Ik kwam tot de volgende conclusies:

Zoals min of meer gebruikelijk stelde de controleprocedure in Harwich weinig voor. De fraaie jongedame van de paspoortcontrole wierp een vluchtige blik in onze papieren en dat was dan dat.
Twee minuten na binnenkomst in Engeland waren we al verkeerd gereden. Vlak buiten de terminal bleek er een nieuw verkeerspleintje te zijn aangelegd met een nogal onduidelijke bewegwijzering. Gelukkig konden we even verderop probleemloos omkeren.
We namen de A 120 en een stuk verderop de A 12 en toen waren we al gauw in Marks Tey, waar we een hotel hadden gereserveerd. Marks Tey ligt ten westen van
Colchester. We konden pas vanaf twaalf uur in het hotel terecht, maar zo laat was het nog lang niet. We koersten dus eerst in de richting van het plaatselijke stationnetje, waar je in het weekend gratis(!!!) blijkt te mogen parkeren. Dat was een onverwachte meevaller. We gingen eerst maar eens treinkaartjes kopen - voor Jan naar Ipswich en voor mij naar Sudbury. Het zijlijntje naar Sudbury is niet geëlectrificeerd. We zagen dat er vandaag een motorwagen Class 153 op reed, wat ik wel aardig vond. Net als in Nederland was het hier in Engeland ook prachtig weer en de zon stond precies goed voor het maken van foto's. Dat kwam goed uit.
Tenslotte doken we weer de auto in, die in de volle zon had staan bakken en nu dus kokend heet was. Met vijf minuten waren we bij
het Marks Tey Hotel, dat heel netjes en plezierig blijkt te zijn. Jan heeft kamer 121, ik de 123, allebei op de begane grond. Niet dat dat er iets toe doet, maar ik vind het altijd leuk dit soort onbenullige details vast te leggen.
Toen met de auto terug naar het stationnetje. De trein naar Ipswich kwam het eerst en tien minuten later, om 12.44 uur, was ik aan de beurt. Van Marks Tey naar Sudbury is een leuk ritje. Het landschap is een tikje saai en er staan in het begin wat te veel bomen langs de lijn, maar verderop wordt dat beter en je hebt dan een aardig uitzicht over lage, glooiende heuvels met uitgestrekte graanvelden en hier en daar een dorpje met in het midden de bekende stompe kerktoren. Maar het mooiste onderdeel van het traject vond ik het onverwacht lange en hoge viaduct waar je overheen gaat vlak voordat je het stationnetje van Chappel binnenrijdt. In Chappel zie je dan meteen
het East Anglian Railway Museum, dat in feite één geheel vormt met het "officiële" station. Misschien zou ik op de terugweg nog even de tijd hebben om daar rond te kijken?
Na zo'n twintig minuten eindigde de rit in Sudbury. Ik ging meteen op zoek naar het busstation. Uit het ANWB-gidsje had ik de indruk gekregen dat Sudbury wel een aardig plaatsje zou zijn, maar dat viel nogal tegen. Ik zag een grote supermarkt en verder voornamelijk parkeerterreinen, woeste grond en vervallen huizen. Niet echt wat je noemt een "must" voor toeristen.
Naar het busstation, een nogal rommelig geheel, was het een paar minuten lopen. Ik had nog ruim een half uur de tijd voordat "mijn" bus, lijn 236 van
Beestons met eindbestemming Haverhill zou vertrekken. Ik benutte die tijd om op een stoeprand te gaan zitten en mijn op de boot gekochte bacon and egg sandwiches op te eten. Het begon me op te vallen dat er nog al wat bussen voorbij kwamen die als eindbestemming "Gt. Cornard' hadden. Waar zou dat liggen? (Aantekening achteraf: Great Cornard is een "voorstad" van Sudbury).
Om kwart voor twee besteeg ik de bus (een moderne enkeldekker) van lijn 236 en kocht van de chauffeur (een oudere, vriendelijke man) voor £ 2,50 een retourtje Cavendish. Ik vond dat niet overdreven duur. We reden weg en toen bleek dat de bus geen vering had. Daar leek het tenminste sterk op, want ik kreeg het gevoel dat ik een skelter of een botsautootje zat. Op de achterbank zaten twee tieners beschaafd-zachtjes met elkaar te praten. Maar hun woordkeus was allerminst beschaafd: ze maakten in bijna iedere zin intensief gebruik van het bijvoeglijk naamwoord "f***ing". Verder heerste er in de bus een echt ons-kent-ons sfeertje. Alle passagiers leken elkaar bij naam en toenaam te kennen. Wat me ook opviel, was dat lang niet alle haltes met een paal gemarkeerd zijn. Op die manier wordt het voor niet-ingewijden wel lastig om met de bus mee te gaan!
We kwamen in Long Melford, sloegen daar af naar het westen en doken even verderop een smal zijweggetje in. We kronkelden helling-op, helling-af tussen de graanvelden door en arriveerden in een dorpje. Ik vroeg aan de dame op de stoel voor me, die er erg "local" uit zag, hoe dit plaatsje heette. Dat bleek Glemsford te zijn en het volgende dorp was Cavendish. Meteen toen we Cavendish inreden drukte ik op het stopknopje, maar de chauffeur legde me begripvol uit dat de village green van Cavendish pas de volgende halte was.
In verliet de bus van meneer Beeston dus in het hartje van Cavendish en ja hoor, daar waren de beroemde roze huisjes uit de toeristische fotoboeken. Met de zon in de rug kon ik ze prachtig fotograferen. Een collega-fotograaf, een wat oudere man, wees me er op dat ik ook nog een paar heel mooie bomen op de foto kon krijgen als ik een stukje terug liep. Dat was een goede tip. Ik sloeg fanatiek aan het plaatjes maken en wandelde daarna in de brandende zon een paar rondjes door het dorp. Om half vier nam ik de bus terug naar Sudbury. Het was het zelfde voertuig als op de heenrit en de zelfde chauffeur. Hij wilde weten of ik Cavendish de moeite waard had gevonden. Absolutely!
In Sudbury had een grote auto-met-veel-te-grote-sleurhut pech gekregen op een heel ongelukkig punt. Onze bus kon er maar net langs. Rechts stond een bouwsteiger(!) en links dus die sleurhut en we hadden aan weerszijden niet meer dan een centimeter speling. Maar het is allemaal goed afgelopen.
Ik liep naar het spoorwegstationnetje en nam daar "the 16.12 from Sudbury", zoals een Engelsman het zou noemen. Onderweg besloot ik dat ik nog net genoeg tijd had om even te gaan kijken in het spoorwegmuseumpje van Chappel. Ze hebben er zo'n mooie klassieke DMU en er stond een
"Growler", de 37 003, waar druk aan gewerkt werd, maar verder was het rollend materieel niet bijzonder interessant. De in oude staat teruggebrachte wachtkamers, seinhuizen en personeelsverblijven vond ik eigenlijk leuker. Het was alleen vervelend dat de restauratie al dicht was; ik had langzamerhand behoorlijk dorst gekregen.
Ik nam het treintje van 17.25 uur naar Marks Tey en rond tien voor zes was ik terug in het hotel, waar ik meteen thee ging zetten. Ik had met Jan afgesproken dat we om zes uur op jacht naar voedsel zouden gaan. We kwamen terecht in de
Little Chef langs de A 12 ter hoogte van Colchester, die ik nog kende van mijn vakantie van 1992 met mijn (inmiddels ex-)echtgenote. Naast de Little Chef was een pompstation, waar ik eerst nog even de auto heb afgetankt. Het restaurant was duidelijk een familiebedrijf. We hebben er allebei Chicken Clanger besteld, een soort "kip met toebehoren". Heel eetbaar.
Ter afsluiting van de dag zijn we nog een stukje omgereden. We volgden eerst de A 120 een eind naar het oosten en daarna reden we over Elmstead Market, Colchester en Copford terug naar het hotel. Het was bloedheet in mijn hotelkamer, maar ik heb gelukkig nog redelijk kunnen slapen.

 

Zondag 13 juli

Om acht uur vanmorgen klopte ik op de deur van kamer 121. Het was tijd voor het ontbijt. Dat ontbijt vond plaats in de Romeinse zaal. Romeins, omdat er hier en daar portretten van Romeinse keizers aan de muur hingen. Het ontbijt was zelfbediening met continentale en gelukkig ook met Britse ingrediënten. Ik heb me uitgeleefd met bacon, roerei, worstjes, gewelde tomaten enzovoort.
Vandaag vond het evenement plaats waar we voor gekomen waren: het grote autobussenfeest in
het East Anglia Transport Museum in Carlton Colville bij Lowestoft. Toen we het parkeerterrein van het hotel wilden afrijden, bleek het op de lokale weg naar Colchester onwaarschijnlijk druk te zijn. We hadden rechtsaf gewild, richting de oprit naar de A 12, maar er was gewoon geen doorkomen aan. En dat voor een vroege zondagmorgen! Er zat dus weinig anders op dan linksaf slaan en met de stroom meedrijven, als een dode vis. Misschien is de A 12 afgesloten geweest of zoiets.
Bij de eerstvolgende oprit konden we gelukkig alsnog de A 12 op en toen begon het echte kilometervreten. Helaas gingen we bij
Ipswich in de fout, waardoor we terecht kwamen op de weg die naar Stowmarket voert. Ezels zijn we dus niet, want een vergelijkbare fout hadden we twee jaar geleden ook al gemaakt (zie opnieuw Foster the Vulture; zouden Joanna en Foster nog steeds celebrities zijn?). We losten het probleem op door de eerste afslag te nemen die we tegen kwamen. Vervolgens reden we min of meer door Ipswich en via de A 1214 kwamen we alsnog op de A 12 naar Lowestoft terecht.
In Lowestoft lieten we de auto achter bij het spoorwegstation, waar het parkeren helaas betaald moest worden, hoewel het vandaag zondag is! In afwachting van de pendelbus naar het museum hebben we een paar flesjes drank gekocht uit een stationsautomaat en opgedronken op het perron, waar overigens weinig te doen was. De pendelbus was een Londense RT, waar ik heel blij mee was, omdat de RT naar mijn mening zo'n beetje de mooiste dubbeldekker is die de mensheid ooit heeft voortgebracht. Na een leuk ritje arriveerden we in het museum, waar de passagiers door de conductrice bestraffend werden toegesproken toen ze allemaal probeerden uit te stappen voordat zij daar toestemming voor gegeven had.
Op het terrein tegenover het museum werden woningen gebouwd. Twee jaar geleden was het daar nog weiland geweest. Maar goed, in een bebouwde omgeving komen stadstrams en -bussen het beste tot hun recht, zullen we maar zeggen.
Als het om klassieke Britse autobussen gaat, dan valt het me iedere keer weer op hoe mooi ze zijn. Fraaie, vloeiende lijnen, aantrekkelijke kleuren en op de koop toe prachtige motor- en transmissiegeluiden. Het was weer volop genieten. Het fotograferen ging ook prima, want het was vandaag gelukkig net zulk mooi weer als gisteren.
Als onderdeel van het evenement werden er pendelritten gereden naar Beccles, waar iedere museumbezoeker gratis en onbeperkt gebruik van mocht maken. Dat was leuk, want van Carlton Colville naar Beccles is een behoorlijk lange afstand.
Ik ben in totaal drie keer heen-en-weer geweest. De eerste keer zat ik in een Lodekka. De Lodekka is van de weinige Britse dubbeldekkers die ik niet mooi vind. De tweede rit was de leukste. We reden toen met drie bussen achter elkaar, wat een heel fraaie optocht opleverde. Ik zat in de middelste, een gele RTW met parknummer 11, van Stevenson, een bedrijf waar ik nog nooit van gehoord had (aantekening achteraf: dit blijkt de ex- London Transport RTW 178 te zijn geweest; Stevenson was een bedrijf uit Ilkeston, bij Nottingham). Achter ons kwam een topless RT van London Transport. We reden helemaal over Gillingham en in het kleine busstationnetje van Beccles werden de drie bussen heel fotogeniek opgelijnd. Mijn derde rit werd uitgevoerd met een enkeldekker, een bruin-met-crèmekleurige AEC Swift van het vroegere stadsvervoerbedrijf van Lowestoft. Op die laatste rit is Jan met me meegegaan.
Omdat Piet (net als ik trouwens) morgen jarig is, heb ik in het museumwinkeltje een videoband over klassieke Britse autobussen voor hem gekocht. Daarbij raakte ik met de meneer achter de kassa in gesprek over de euro. Hij wilde weten wat ik van die euro vond en ik zei dat ik er een voorstander van was. De meneer legde vervolgens uit dat invoering van de euro in Engeland helaas erg moeilijk lag. "This is an island", zei hij. "People here don't accept things from the continent. It's all psychology, you know." Daarmee bevestigde hij de indruk die ik zelf ook al had gekregen van de weerzin die veel Britten voelen tegen de euro. Ze zien het opgeven van het pond als een soort verlate capitulatie voor
Attila de Hun.
Nadat ik dus die videoband gekocht had, zijn we voor de lol nog een keer met een dubbeldekker (de RT!) heen-en-weer geweest naar Lowestoft-centrum. Daar hadden we nog net tijd voor. Met één van de laatste pendelritten zijn we tenslotte definitief terug gegaan naar de auto.
We lieten de auto voorlopig bij het station staan en gingen te voet op zoek naar een eetgelegenheid. We belandden eerst bij Marilyn Monroe (zie alweer
Foster), maar dat was een soort karaoke-bar of zoiets geworden en er was niets te eten. We zijn dus maar naar de bekende pizzatent gegaan, op een straathoek vlak bij het haventje.
Na het eten zijn we meteen aan de terugweg begonnen. Over de A 12 en de A 1214 reden we naar Ipswich. Het is de bedoeling dat ik Jan daar morgenmiddag rond een uur of vier zal oppikken bij het station. We zijn daarom vandaag vast even gaan kijken hoe je daar met de auto kunt komen. Nadat we dat uitgevist hadden, reden we door naar Marks Tey en tegen half negen waren we weer terug in het hotel.
's Avonds heb ik gekeken naar de aflevering "Garden of Death" van de Engelse detectiveserie
Midsomer Murders. Ik vind de Murders best aardig, al halen ze het mijns inziens niet bij Inspector Morse. Helaas worden de Murders in Engeland uitgezonden door ITV en ITV is commercieel. Dat betekent: een kwartier lang het verhaal, dan tien minuten reclame, dan weer het verhaal, dan weer reclame, enzovoort. Om je dood te ergeren. Maar voor een detective is dat eigenlijk wel toepasselijk.
 

Maandag 14 juli

Vandaag ben ik 44 geworden. Jan had daar aan gedacht; ik kreeg een kadobon van hem. Het ontbijt was weer een feest. Ik nam er nu zelfs een stukje gebakken bloedworst bij!
Jan heeft zijn plannen veranderd. Bij nader inzien wil hij vandaag toch graag met mij mee naar
Cambridge. We meldden ons af aan de receptie en borgen daarna onze tassen en dergelijke op in de achterbak van de auto. We hadden natuurlijk maar heel weinig bagage bij ons; voor een driedaagse trip naar Engeland heb je minder spullen nodig dan voor een maand lang bungeejumpen in Oezbekistan. Dat laatste hoeft voor mij ook niet.
We reden langs het stationnetje van Marks Tey en over Aldham kwamen we op de grote weg (nou ja, wat heet groot…) naar Haverhill. We zagen dat de toren van de kerk van Earls Colne aan één kant voor een deel bestaat uit Nederlands aandoende bakstenen, een nogal gek gezicht. Een stuk verderop kwamen we bij de
Colne Valley Railway, een klein museumlijntje. We zijn er gestopt, maar dat had weinig zin, want het lijntje blijkt op maandag gesloten te zijn. Dat lag natuurlijk ook wel voor de hand.
Haverhill heeft sinds kort een rondweg, maar we zijn toch door het centrum gereden, omdat Jan hoopte dat daar bijzondere bussen te zien zouden zijn. Dat viel erg tegen.
Een heel eind na Haverhill zagen we plotseling vanaf een heuveltop in de verte Cambridge liggen. We zetten de auto neer op het immense parkeerterrein van
de Babraham P&R-busdienst naar het centrum van de stad. Ik vind dit soort pendeldiensten (je hebt ze ook in Oxford en York) een uitstekende oplossing voor het parkeerprobleem in binnensteden. Parkeren kostte niets; het busritje naar het centrum van Cambridge was £ 1,50 per persoon voor een retourtje, te betalen aan de chauffeur.
Het P&R-terrein met toebehoren leek splinternieuw en alles zag er keurig uit. We fotografeerden de gereedstaande bus en toen kwam er een meneer van het vervoerbedrijf op ons af, die enthousiast vertelde dat ze binnenkort nieuwe bussen zouden krijgen. Hij drukte ons ook nog wat foldermateriaal in handen.
Rond vijf voor elf zette de bus ons af in Emmanuel Street, in het hartje van de stad. Veel moois hadden we onderweg niet te zien gekregen; ik vond het stadsbeeld nogal tegen vallen. Jan ging bussen fotograferen en ik ging op zoek naar de Colleges waar
Cambridge beroemd om is. Ik liep door een straatje dat Petty Curry heet en kwam op de Markt. Ik had nog steeds niet veel moois gezien. Ergens aan een muur hing een stadplattegrond en ik besloot die eens te gaan bekijken om te controleren of ik wel in de goede richting liep. Terwijl ik daar mee bezig was, kwam er een vriendelijke meneer op me af die me vertelde dat ik om de hoek de VVV kon vinden. Ik was absoluut niet van plan om daar naar toe te gaan, maar ik vond het toch aardig dat die meneer me wilde helpen.
Ik passeerde de VVV, liep door Benet Street en kwam toen op Kings Parade. Daar begon het er op te lijken. Aan Kings Parade ligt, weinig verrassend, Kings College. Net als in Oxford is een College een onderdeel van de universiteit. Volgens het ANWB-gidsje is
Kings College één van de hoogtepunten van Cambridge. Het is niet een gebouw, het is een stad-in-een-stad. Ik ging op zoek naar de toeristeningang en belandde in Kings College Chapel. Bij het woord 'chapel' denk je aan een kapelletje, maar Kings College Chapel heeft het formaat van een kathedraal. Het is van buiten maar vooral ook van binnen een ongelooflijk mooi gebouw met prachtige gebrandschilderde ramen. Ik nam plaats op een kerkbank en ging op mijn gemak zitten kijken hoe een ploeg bouwvakkers bezig was met het ontmantelen van een hoge steiger, die blijkbaar gebruikt was bij onderhoudswerkzaamheden. Het leek me een geval voor de arbeidsinspectie, want ze werkten op een behoorlijke hoogte en zo te zien zonder veiligheidsvoorzieningen. Eén misstap en ze waren te pletter gevallen op de hardstenen vloer van de Chapel.
Tenslotte ging ik naar buiten om de rest van Kings College eens te bekijken. Ik liep, samen met de andere toeristen, langs allerlei universiteitsgebouwen en langs uitgestrekte grasvelden, waar je als toerist absoluut niet op mag lopen. De zon brandde op volle kracht en het was gloeiend heet. Tenslotte kwam ik bij de Backs, de grasvelden en parken aan weerszijden van het riviertje de Cam. Ook dat is allemaal universiteitsterrein. De Cam zelf is weinig meer dan een tam kanaaltje. Ik ging op de King's Bridge staan om naar de beroemde langgerekte houten bootjes te kijken, die je moet voortbewegen door met een lange stok in de rivierbodem te prikken. Dat is onder studenten en toeristen een heel populair tijdverdrijf, zeker op zo'n hete dag als vandaag. De schippers droegen bijna allemaal een soort strohoed van het model dat in de jaren-'20 bij de nieuwste mode hoorde. Dat zorgde voor een heel nostalgisch sfeertje.
Cambridge University is duidelijk een volstrekt ander soort universiteit dan "mijn" Rotterdamse
Erasmus Universiteit. De universiteit van Cambridge komt op mij over als een gesloten academische gemeenschap die in het teken staat van eeuwenoude tradities. De Erasmus Universiteit is een zakelijke, in beton uitgevoerde instelling, die contact met de buitenwereld zoekt en dikwijls ook vindt. En ik ben er van overtuigd dat het intellectueel peil van de Erasmus niet onder doet voor het niveau van Cambridge.
Ik verliet Kings College en ging op zoek bij de buren van
Clare College. Voor een bezoek aan een College wordt altijd toegang geheven. Dat lijkt me volstrekt redelijk, want het onderhoud van al die oude gebouwen moet een vermogen kosten. Clare College is veel kleiner dan Kings College. Toen ik er uitgekeken was, ben ik nog even de Garret Hostel Bridge op opgelopen. Vervolgens liep ik langs Trinity College (waar ik nog even stiekem onder de poort door liep om een foto te maken) terug richting centrum, op zoek naar iets te drinken. In een leuk maar heel druk winkelstraatje vond ik een MacDonalds, waar ik een grote beker sinaasappelsap bestelde. "It's hot out there, isn't it?" vroeg de serveerster begrijpend.
Ik ging weer op pad, kwam weer door Benet Street en sloeg toen af naar het zuiden, naar Silver Street. Vanaf de brug in Silver Street kun je de beroemde Mathematical Bridge zien. De Wiskundebrug maakt deel uit van Queens College. Ik kocht een kaartje voor
Queens College en raakte daarbij opnieuw in gesprek over de euro. De kassadame zei zoiets als: "die zullen ze ons ook wel door de strot wringen". Ze was duidelijk geen liefhebber van de euro. "I'm an old fashioned sort of person", vervolgde ze, "I grew up with the pound". Ik moest weer denken aan wat de meneer in het Transport Museum gezegd had.
Ik ging naar binnen, stak de Mathematical Bridge over, maakte er foto's van en snuffelde wat rond in het College. Daarbij werd ik samen met een paar Amerikaanse toeristen onverwacht opgesloten in de Chapel. Dat was even schrikken, maar we werden al gauw weer vrij gelaten.
Toen ik weer op straat stond, vond ik dat ik nu wel genoeg Colleges gezien had. Ik had sowieso het gevoel dat ik klaar was met mijn toeristische wandeling. Alleen aan de
Brug der Zuchten was ik nog niet toegekomen, maar dat komt dan een volgende keer wel. Trouwens, het werd tijd om Jan weer eens op te zoeken. We hadden om twee uur afgesproken in Emmanuel Street. Ik ging nog gauw even een broodje eten in een soort tearoom in St. Andrews Street en was om twee uur precies bij de bushalte.
Het busstation in Emmanuel Street is duidelijk veel te klein. De bussen rijden af en aan en dikwijls moeten ze op elkaar wachten voor ze kunnen halteren. Bussen genoeg dus, behalve dan "onze" lijn 99 naar Babraham Road. De P&R-lijnen moeten om de tien minuten rijden, maar we hebben meer dan een half uur moeten wachten. Wat zou er aan de hand geweest zijn?
Na het busritje haalden we nog even wat flesjes fris uit de automaat van het busstation en zetten daarna koers naar Colchester, waar we de auto achter lieten in een grote parkeergarage in het centrum. Jan heeft in een warenhuis nog even twee pantalons uitgezocht en daarna gingen we op zoek naar een pizzeria of andere eetgelegenheid. Helaas konden we nergens iets behoorlijks ontdekken en dus zijn we, met een lege maag, maar weer in de auto gestapt. Dan maar eten op de boot.
Via de bekende route over de A 120 reden we naar
Harwich, waar we nu natuurlijk veel te vroeg waren. We gingen dus het oude vissersdorp maar eens bekijken. Dat is iets waar je normaal nooit toe komt. Harwich Town stelt weinig voor, maar het ligt wel leuk, zo aan de monding van de Stour en de Orwell. Aan de overkant zie je Felixstowe met z'n containerkranen. Kort geleden heeft het gemeentebestuur zelfs een boulevard aangelegd. Harwich heeft blijkbaar grootse plannen.
Over de terugtocht naar Hoek van Holland valt weinig te vertellen. We hebben gegeten in Rudi's Diner, één van de eetgelegenheden aan boord. Op de videomuur werd op een zeker moment de
Berlijnse live-uitvoering van Mike Oldfield's Tubular Bells III vertoond. Vond ik natuurlijk prachtig. Rond kwart over twaalf, ruim een kwartier te laat dus, waren we weer in Nederland. Nu moest ik Jan nog naar Almere brengen. Dat duurde toch nog langer dan ik verwacht had. Pas tegen kwart voor drie 's nachts was ik weer terug in Leidschendam.

terug naar het begin van dit verhaal

terug naar de startpagina

 

==================================================