Donderdag 29 augustus 2002
Als je vroeger op vakantie wilde, dan ging je eerst naar het reisbureau om daar alles te regelen. Tegenwoordig gaat dat anders. Als je een ticket nodig hebt voor de trein of de boot of het vliegtuig, dan bestel je dat op Internet. En voor het bespreken van je overnachtingen hoef je ook de deur niet meer uit: je surft gewoon naar de webstek van de Hotel Reservation Service en daar kun je op je gemak een leuk hotelletje opzoeken en meteen boeken.
En dus hadden Corine en ik via Internet zowel de boottocht als de overnachtingsplaats geregeld. We wilden naar Yorkshire, en dan met name naar het Brontë Country rond Haworth, en dan is de verbinding Europoort - Hull van P&O een hele handige. Als verblijfplaats hadden we gekozen voor het Wood Hall hotel, even ten westen van Wetherby. Wetherby zelf ligt een kleine 30 kilometer ten westen van York. We hadden Wetherby gekozen omdat het niet overdreven ver van Haworth ligt en vooral ook omdat het Wood Hall hotel het minst duur was: bepaald niet onbelangrijk, gezien de hoge koers van het pond.
Tegen half vijf reden we weg uit Leiden, de A4 op richting Rotterdam. Het was spitsuur en dus druk. Toen we op de A13 gekomen waren, liepen we vast in een file. We gingen daarom bij Delft Zuid maar weer van de A13 af en reden via het bekende smalle, maar mooie weggetje langs Schipluiden naar Maasland en vandaar door naar Maassluis, waar we op het laatste nippertje nog een pontje naar Rozenburg haalden. Dat was dus de eerste veerboot van deze vakantie.
Probleemloos bereikten we de P&O-terminal aan de Beneluxhaven. Veertien jaar geleden (zie Yorkshire en de Midlands) had ik voor het laatst hier de boot genomen. Dat was toen de Norsea, deze keer was het de Pride of Rotterdam en net als destijds de Norsea was hij splinternieuw. Het inchecken verliep zonder moeilijkheden (ook al krijg je bij Internetboekingen geen tickets toegestuurd) en de marechaussee en de douane waren we ook zo voorbij. We hoefden alleen maar even onze passen te laten controleren. Daarna reden we een heel spannend betonnen viaduct op. Het was smal, kronkelig en heel steil, en het leverde ons af bij een deur, die zich hoog boven de waterlijn in de bakboordzijde van de boot bevond en toegang gaf tot het autodek. Corine heeft het allemaal keurig vastgelegd met haar digitale videocamera. Mooi hoor, zo'n ding. Moet ik toch ook eens mee leren werken.
Eenmaal aan boord gingen we eerst onze hut eens opzoeken. Het was een tweepersoons binnenhut. Althans, dat was de bedoeling, maar de hut die we toegewezen hadden gekregen bleek een éénpersoons te zijn: er was slechts één bed in aanwezig. Dat is wel romantisch met z'n tweeën, maar niet bevorderlijk voor de nachtrust. We besloten ons beklag te gaan doen en gingen op zoek naar een bemanningslid. In het trappenhuis troffen we een hele kudde bemanningsleden aan en we deden meteen ons verhaal. Er werd beleefd geglimlacht ("daar heb je weer zo'n stel sukkels", zag ik ze denken) en toen kwam de aap uit de mouw: in het plafond van zo'n schijnbare éénpersoonshut zitten twee knoppen en daarmee kun je een bovenbed uitklappen, vertelden ze. We gingen dat verhaal natuurlijk onmiddellijk controleren. Het bleek te kloppen en daarmee was het slaapprobleem opgelost.
Ondertussen was het ons inziens etenstijd geworden. We hadden bij het boeken meteen ook dinervouchers gekocht; dat was voordeliger. Aan de ingang van het restaurant meldden we ons bij de purser (of hoe je de eetzaalchef ook moet noemen) en kregen een tweepersoonstafeltje toegewezen. Vervolgens verscheen er een vriendelijk glimlachende maar moeilijk verstaanbare Aziatische ober met de vraag wat we wilden drinken. We bestelden sap en het werd prompt geserveerd. Dat was mooi, maar minder mooi was dat we het contant moesten afrekenen. Uiteraard heb ik betaald, maar ik was het er niet mee eens. Bij een dinervoucher hoort alle (niet-alcoholische) drank inbegrepen te zijn, vind ik. Gelukkig is alles wat je later tijdens het diner nog wilt drinken wél inbegrepen.
De soep werd nog aan tafel geserveerd, maar daarna gold het zelfbedieningsprincipe. Het kwam me allemaal heel bekend voor: veertien jaar geleden ging het precies zo.
Het restaurant was enorm groot: het bestreek de volle breedte van het schip. In het midden, in de lengterichting van de boot, bevond zich een hele lange, U-vormige voedseluitgiftebalie. Er was heel veel keus en het was allemaal erg lekker. We hebben uitstekend gegeten.
Haast hadden we niet: de afvaart wilden we natuurlijk aan dek meemaken, maar die zou niet eerder zijn dan negen uur. Zo rond half negen waren we klaar met eten en we gingen op ons gemak op zoek naar de passagiersdekken. Die liggen allemaal aan de achterzijde van het schip, hoog boven het water. Het was inmiddels al donker aan het worden. Toch was er nog meer dan voldoende licht om te kunnen video-en. Een vriendelijke Engelsman (althans, ik vermoed dat het een Engelsman was), bood aan om Corine en mij te filmen terwijl we naast elkaar aan de reling stonden en daar zeiden we natuurlijk meteen "yes, please" op.
Corine heeft vervolgens bijna de hele afvaart gefilmd en ze is doorgegaan met filmen totdat we op volle zee waren gekomen. Het was toen al pikdonker, maar daar schijnt zo'n video zich weinig van aan te trekken. Tenslotte hebben we in een scheepswinkeltje nog wat chocola gekocht en een afplakset voor de koplampen van de auto en daarna hebben we in het Continental Café nog thee gedronken. Wat je noemt een stijlvolle afsluiting van een vertrek naar Engeland.
Het weer: prachtig zomerweer en gelukkig niet te heet.
Vrijdag 30 augustus
Vanmorgen om zes uur werden we luidruchtig gewekt door de intercom. Corine stond als eerste op, om naar dek te gaan om daar te gaan video-en. Een tijdje later kwam ik zelf mijn bed uit. De douche was heel klein, maar wel goed - al weer net als veertien jaar geleden. Ik kleedde me aan (uiteraard) en ging toen op weg naar de buitenlucht. Ik liep de gang af, deed de toegangsdeur naar het achterdek open en stapte het daglicht in, dat op dit vroege uur nog heel zwak was. Over de zee hing een koele, lichte ochtendnevel. Met een zacht sissend geluid golfde het water langs de scheepswand. Genietend snoof ik de zoute zeelucht op.
We passeerden een boorplatform, dat blijkbaar voor anker lag. Ik zag dat we op het punt stonden de Humber op te varen. Dat betekende dat we nog even te gaan hadden, want Hull ligt een heel eind stroomopwaarts.
We bleven dus nog een tijdje lekker in de frisse lucht, maar toen werd het toch echt tijd om te gaan ontbijten. We konden daarvoor terecht in het restaurant van gisterenavond en ik ben me er te buiten gegaan aan een uitgebreid Engels ontbijt met bacon, eggs, sausages, tomatoes en black pudding oftewel gebakken bloedworst. Corine hield het op wat lichtere kost.
We waren inmiddels afgemeerd. Het viel me op dat we aan de rivieroever lagen en niet, zoals de boten die op de Zeebrugge-dienst varen, in de King George - haven. De verklaring zal wel zijn dat de huidige Europoort-schepen te groot zijn voor de sluis.
De Britse immigratiedienst maakte het ons niet lastig. We hoefden alleen maar even onze paspoorten te laten zien en daarna konden we op weg naar Wetherby. We volgden de A63, langs de Humber, onder de beroemde Humber Bridge door en kwamen een eind verderop op de M62. Die was redelijk druk, maar we konden vlot doorrijden. Er werden werkzaamheden uitgevoerd aan de onderzijde van de brug over de Ouse en daarom was er over een lange afstand één rijstrook afgesloten, maar ook daar hadden we niet veel last van. In de verte zagen we hier en daar wat koeltorens en andere tekenen van industriële bedrijvigheid. We bleven op de M62 tot afslag 33, waar we de A1 op draaiden richting noorden. Even ten zuiden van Wetherby sloegen we af naar Collingham, waar we al snel een wegwijzer naar het Wood Hall hotel ontdekten. We kwamen door het dorpje Linton en werden daar linksaf gewezen, een klein weggetje op. Het weggetje verliet het dorp in westelijke richting en werd alsmaar smaller. Er verschenen ook meer en meer scheuren en kuilen in het asfalt. We keken elkaar eens aan: een hotel dat niet eens een behoorlijke toegangsweg heeft, dat kan nooit veel bijzonders zijn! Maar dat hadden we verkeerd gezien.
We reden een stukje bos in en na een kronkel in de weg verscheen er opeens een nogal sjiek bord met daarop de vermelding: "Wood Hall Hotel", met daaronder een aantal nogal gewichtig aandoende mededelingen. Voorbij het bord was het wegdek opeens weer wél goed onderhouden. Er volgde opnieuw een kronkel in de weg, we reden het bos weer uit en wat we toen te zien kregen was imposanter dan we ons zelfs maar bij benadering hadden kunnen voorstellen. Gedrapeerd over een tweetal heuvels strekte zich een onwezenlijk groot, keurig geschoren gazon uit. We konden zien hoe het weggetje, omzoomd door statig witgeverfde keien, de eerste heuvel afdook, door een klein dal liep en daarna omhoog klom tegen de tweede heuvel. En daar, halverwege die tweede heuvel, ongeveer aan het eind van het onmetelijke gazon, lag dan het Wood Hall Hotel. Het was het prototype van de Engelse Manor.
Diep onder de indruk van deze Upper Class omgeving reden we voorzichtig naar het hotel toe. Op het uit keurige witte steentjes bestaande voorterrein stonden diverse angstaanjagend dure auto's te pronken en ik parkeerde ons arme Polo'tje bescheiden ergens in een onopvallend hoekje. We stapten voorzichtig uit en liepen bedeesd op de hoofdingang af. De ontvangst aan de receptie was niet echt hartelijk, vonden we. We kregen het gevoel dat de receptiedame het niet zo begrepen had op landlopers. Hoewel dat allemaal verbeelding geweest kan zijn.
Onze Internetboeking bleek keurig verwerkt te zijn en kamer 16, ergens achteraf in een rustig bijgebouw, was voor ons in gereedheid gebracht. Die ligging in een zijvleugel was niet zomaar, want we hadden bij het boeken expliciet om een rustige kamer gevraagd.
Tot mijn ontzetting wees de receptiedame ons vervolgens een bediende toe (ik meen dat hij George heette), om onze koffers naar de kamer te brengen. Dat betekende voor mij sociaal spitsroede lopen, want zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Ik realiseerde me dat ik in ieder geval een fooi moest geven en wist ergens nog een pond vandaan te vissen. George accepteerde het beleefd. Misschien kan iemand mij ooit nog eens vertellen of ik nu een te hoog of een te laag of precies het goede bedrag heb gegeven.
Onze kamer is heel netjes. Hij ligt half ingegraven in de heuvel en heeft maar weinig ramen, met als gevolg dat je er bijna altijd het licht aan moet hebben. Maar de badkamer heeft goudkleurige kranen, dat wel, en er staan elegante flacons met duur ruikende reinigingsvloeistoffen. Gelukkig staat er in de woonkamer ook een waterkoker. We besloten meteen thee te gaan zetten. Ik ontdekte een interessant uitziend geschrift over de geschiedenis van Wood Hall en omgeving en ging er in zitten lezen. Corine begon vast wat bagage uit te pakken.
Toen ontdekte ik op een tafeltje een soort handleiding voor het verblijf op Wood Hall. "There is no formal dress code at Wood Hall", riep de handleiding joviaal, maar daar werd wel aan toegevoegd dat het beslist niet de bedoeling was in de restauratiezaal te verschijnen in spijkerbroek en/of T-shirt. Dit stelde ons voor een probleem. Zelf had ik mijn bekende saaie maar niet-aanstootgevende pantalons en dito overhemden bij me, maar Corine ging wat frivoler gekleed. Zij droeg een bloes en een korte lange broek. De enige andere broek die ze had meegenomen was een nette spijkerbroek. Het waren kledingstukken die in het egalitaire Nederland nergens op bezwaren zouden stuiten, maar hier lag dat blijkbaar anders. We gingen de situatie eens overdenken en besloten het er toch maar op te wagen: als we morgenochtend de ontbijtzaal uitgegooid worden wegens het dragen van onwelvoeglijke kleding, dan zullen we dat wel merken.
We hadden nu al een enorme hoeveelheid indrukken te verwerken gekregen, maar toch was de ochtend nog maar half om. Het werd tijd om op pad te gaan. We stapten de auto in en reden beschaafd het parkeerterrein af en Linton en de gewone wereld tegemoet. Kort voor Linton zette ik de auto stil aan de kant van de weg onder een boom, zodat we even naar Nederland konden bellen. Soms is zo’n mobieltje wel handig.
Ik had in het historische geschrift gelezen dat Wood Hall iets te maken had gehad met het dorpje Sicklinghall en dus reden we vervolgens die kant maar eens op. Sicklinghall bleek een leuk, heel Engels plaatsje te zijn. Het landschap waar we vervolgens doorheen kwamen stond volledig in het teken van het boerenbedrijf. Het straalde rust en traditie uit. Van industrie is in dit deel van Yorkshire geen spoor te bekennen.
Via Kirkby Overblow (hoe verzinnen ze zo'n naam) en Pannal kwamen we in Harrogate, een statige plaats met veel te veel verkeerslichten. Toen heuvel-op, heuvel-af naar Ripley, waar we links af sloegen, de B6165 op. Kort voor Pateley Bridge zagen we opeens zo'n bekende bruine toeristenwegwijzer, met daarop de tekst: 'Brimham Rocks'. Dat klonk spannend en ik sloeg meteen rechtsaf. Het bleek nog een heel eind te zijn naar de Rocks, maar tenslotte draaiden we dan toch het bijbehorende parkeerterrein op. Er stond daar natuurlijk een parkeermeter, maar die lustte geen bankbiljetten en we hadden niet genoeg muntjes. Gelukkig was er een vriendelijke meneer van de National Trust in de buurt met een voorraad wisselgeld in zijn autootje en die hielp me.
De Brimham Rocks staan op een uitgestrekte hoogvlakte, temidden van heidevelden en plukjes bos. De natuurlijke erosieprocessen zijn hier op een heel bijzondere manier te werk gegaan, met als resultaat een landschap vol surrealistische beeldhouwwerken. Ze bestaan uit bizar gevormde rotspartijen waarvan de onderdelen soms los op elkaar balanceren. Veel van die rotsformaties zijn reusachtig groot en ze zien er soms zó wankel uit dat het lijkt of ze ieder moment in elkaar kunnen storten, maar gek genoeg gebeurt dat niet.
Het geheel deed me een heel klein beetje denken aan Klein-Zwitserland, het Luxemburgse natuurgebied waar ik zo'n dertig jaar geleden in de herfstvakanties altijd naar toe ging met mijn ouders en mijn tante.
Vlak bij de grootste Rock was een zandpad dat naar een eettentje voerde. We namen er allebei een cheese and onion pie, die we zittend op een muurtje hebben moeten opeten, want tafels en stoelen ontbraken. Natuurlijk dronken we er thee bij. Helemaal probleemloos ging het allemaal niet: terwijl we op weg waren naar de Rocks was de lucht gaan betrekken, inmiddels had het ook al even geregend en nu begon de wind op te steken. Het werd steeds minder comfortabel op het muurtje. Het zand blies ons om de oren en kwam in de thee terecht, maar ach, zoiets hoort er bij in Engeland.
Toen de storm weer was gaan liggen klommen we nog even naar het hoogste punt van het terrein, dat even voorbij het eettentje lag. Zoals we hadden mogen verwachten, was het uitzicht er mooi. De schoongeregende lucht zorgde er voor dat we kilometers ver konden kijken. Ik dacht zelfs dat ik heel in de verte vaag de kathedraal van York kon onderscheiden.
Terug naar de auto en over Smelt Houses reden we alsnog naar Pateley Bridge, een vriendelijk dorpje in het dal van de Nidd. Beneden in het centrum reden we de Bridge over en meteen daarna ging het steil omhoog, de B6265 op. De weg bleef klimmen en naarmate we hoger kwamen veranderde het landschap van karakter. Bomen en struiken begonnen te verdwijnen, totdat er tenslotte alleen nog maar heide over was. We waren terecht gekomen op een Yorkshire Moor. Het was inmiddels heftig gaan regenen. En zo hoort het ook, hier op de Wuthering Heights van Emily Brontë.
De weg voerde nu een tijd lang in een min of meer rechte lijn over een hoogvlakte. Uit de regenflarden en mistvlagen doemde opeens een eenzaam gebouwtje op: het ontvangstlokaal van de Stump Cross Caverns. We parkeerden de auto en renden naar de ingang. Vergeefse moeite, dat rennen: het regende zó hard dat we toch wel nat werden.
Natuurlijk hebben we de Caverns bezocht. Dat kon gelukkig zonder gids. Stump Cross is best leuk, maar daar is wat mij betreft dan wel alles mee gezegd. Eerlijkheidshalve moet ik er bij vermelden dat ik op grottengebied volkomen verpest ben. In de zomer van 1997 ben ik namelijk, samen met mijn (inmiddels ex-) echtgenote, in Slovenië in de grot van Škocjan geweest. Die is niet uitzonderlijk mooi, maar wel ongelooflijk groot en woest. Hij slaat alles wat er op grottengebied in Europa te vinden is.
Stump Cross Caverns uit en de auto in. Het regende nog steeds. We vervolgden onze weg over de Moors. De auteurs van de meeste toeristengidsjes schetsen een nogal onplezierig beeld van de hoogvlakten van West Yorkshire. Ik vind dat niet helemaal terecht. Waarschijnlijk hebben ze zich een beetje te veel laten beïnvloeden door Emily. Inderdaad: het landschap van de Moors is open en desolaat, indrukwekkend en een beetje somber, maar niet naargeestig of beangstigend.
Een eindje verderop sloegen we links af, een vrij smal weggetje in. Het liep eerst een tijdje min of meer horizontaal, maar begon toen te dalen. De regen was plotseling bijna helemaal opgehouden; er vielen alleen af en toe nog een paar spatjes. Maar de wolken bleven dreigend hangen, dat wel.
We zetten de auto even stil (dat kon makkelijk, want er was maar heel weinig verkeer), zodat Corine de videocamera kon pakken. Ze begon te filmen en is daar pas mee opgehouden toen we al kilometers verder waren. We kwamen langs Appletreewick en volgden toen verder het bekende riviertje de Wharfe, totdat we uiteindelijk uitkwamen op de A59, de grote weg naar Harrogate. Het was een spannende autorit die het zeker waard was gefilmd te worden. De weg was namelijk akelig smal, lag dikwijls ingeklemd tussen stenen muurtjes en kronkelde voortdurend naar links en naar rechts en ook naar boven en beneden. Dat betekende dat ik dikwijls onmogelijk kon zien of er een tegenligger aankwam. Ik loste dat probleem min of meer op door vlak voor iedere bocht even te toeteren.
Het meest spectaculair was het punt dat op de wegenkaart werd aangeduid als Friar Stones. We moesten hier door een beekje rijden dat dwars over de weg liep, en meteen daarna kwam er een heel smal, heel donker en heel steil stukje weg dat moeilijk te berijden was. Even verderop, in het gerucht Storiths, moest ik snel de berm in duiken vanwege een onverwachte tegenligger. Het staat allemaal op video.
De A59 is een gewone doorgaande weg. Hij voert over Blubberhouses Moor (een naam die precies de juiste sfeer oproept) en deed me af en toe een beetje denken aan de weg die langs de noordrand van de Hardangervidda loopt, in Noorwegen. We passeerden ook nog een militair radarcomplex in de vorm van een aantal reusachtige "tennisballen" die het omliggende landschap provoceren. Vanmorgen, vanaf Brimham Rocks, hadden we die ondingen ook al gezien, maar dat was heel uit de verte en nu reden we er vlak langs.
We begonnen uit te kijken naar eetgelegenheden, maar die dienden zich niet aan, of we zagen ze te laat. Voor we er erg in hadden waren we al weer in Harrogate. Harrogate zag er niet eetbaar uit met al die verkeerslichten, dus reed ik maar door en sloeg op goed geluk de weg naar Knaresborough in. We kwamen door het plaatsje Starbeck, waar ik in een flits aan de overkant van de weg een bord zag staan met ‘tandoori’ er op en dat is Indiaas en eetbaar. Helaas was het veel te druk om te kunnen stoppen en omkeren, en dus reed ik maar verder. Een paar minuten later reden we Knaresborough binnen, fraai gelegen aan de Nidd en met een mooi spoorviaduct. Links achter de brug over de Nidd zagen we een groot Chinees restaurant, met daarachter, langs het water, een uitgestrekt openbaar parkeerterrein. Helaas was het daar betaald parkeren (ook ’s avonds), maar dat hinderde bij nader inzien helemaal niet, want Corine ontdekte dat de Chinees dicht was. We hadden nu meer dan genoeg van het op goed geluk zoeken en reden terug naar Starbeck, richting het tandoori restaurant. We hadden het al gauw gevonden. Het was er niet druk, maar wel gezellig. De prijzen waren heel redelijk en we hebben prima gegeten. Eigenlijk is zo’n Engels Indiaas restaurant wat de Chinees is in Nederland.
Na het eten zijn we nog even naar het stationnetje van Starbeck gelopen om treinen te filmen.
Rond kwart voor acht zaten we weer in de auto. We reden opnieuw naar Knarenburg en namen daar de B6164, die over Little Ribston naar Wetherby gaat. Vervolgens over Collingham naar Linton en zo terug naar Wood Hall. Het was inmiddels helemaal donker. Wood Hall staat dan in de schijnwerpers en dan ziet het er nog sjieker uit dan bij daglicht.
Op onze kamer ontdekten we tot onze stomme verbazing dat de gordijnen niet dicht kunnen. We kijken uit op een afgelegen hoek van het terrein en inkijk hebben we niet, dus maakt het weinig uit, maar raar vinden we het wel. Sjiek is het in ieder geval niet.
Zaterdag 31 augustus
We zagen vanmorgen nogal op tegen het ontbijt. Zouden we echt met de nek aangekeken worden? Het begin deed al meteen het ergste vrezen. Het was heel druk in de ontbijtzaal en we waren in alle onschuld gaan zitten aan het enige tafeltje dat nog onbezet was. Even later verscheen er een ouder, Engels echtpaar, dat broodjes en beleg was gaan halen aan het buffet. Ze zeiden niets, maar keken ons op subtiel-vernietigende wijze aan. Dit was hun tafeltje. Het was duidelijk dat wij ons ernstig misdragen hadden en we vluchtten naar buiten, totdat de manager ons kwam waarschuwen dat er alsnog een tafeltje vrij was gekomen.
Toen kwam de anticlimax. We gingen zitten, begonnen onze mede-hotelgasten te bestuderen en constateerden dat helemaal niemand voldeed aan de Dress Code, op welgeteld één meneer na, die een net pak droeg. De anderen gingen allemaal heel alledaags gekleed. We slaakten beide inwendig een zucht van verlichting en concentreerden ons op het ontbijt. Corine koos voor het continentale buffet, maar ik liet me aan tafel mijn geliefde ham and eggs met toebehoren serveren. Ik bestelde ‘poached eggs’; gepocheerd is weer eens iets anders dan gebakken. Al etend keken we wat rond en merkten op dat de ontbijtruimte volledig 18e-eeuws (of zoiets) was ingericht. We voelden ons Lady and Lord of the Manor.
Zo slecht als het weer gisteren geweest was, zo mooi was het vandaag. Een stralend blauwe lucht en een prettige temperatuur. Een ideale gelegenheid dus om de buitenkant van Wood Hall en de theetuin uitgebreid te gaan filmen en fotograferen. We raakten daarbij in gesprek met een Nederlandse dame, mevrouw Van Praag, wier echtgenoot de man met het nette pak uit de ontbijtzaal bleek te zijn.
Voor vandaag stond de Keighley and Worth Valley Railway op het programma. We reden eerst de inmiddels bekende weg naar Collingham en daar sloegen we rechtsaf de A659 op. We passeerden Harewood en liepen vervolgens in het centrumpje van Otley vast in een file. Dat was niet verwonderlijk – het is tenslotte zaterdag en dus moeten er boodschappen gedaan worden.
Na Otley kwam de A6036, de weg naar Shipley. We klommen tegen een heuvel op, reden over een nogal verstedelijkte hoogvlakte en zagen even later beneden in het dal van de Wharfe de stad Shipley liggen – een heel mooi gezicht. Shipley zelf (in feite een voorstad van Bradford) was heel wat minder mooi. Ik vond het een rommelige fabrieksstad die duidelijk tekenen van verval vertoonde. Via Cottingley kwamen we op de B6146. Bij Sandy Lane draaiden we de A6144 op, richting Haworth. Bij Harecroft hadden we onverwacht een prachtig uitzicht op een groot stenen spoorviaduct. In Cullingworth sloegen we linksaf, richting Halifax. We wilden uiteindelijk naar Oxenhope en dit leek de handigste route.
Eerst klommen we een stukje steil de heuvel op. Vervolgens sloegen we rechtsaf een heel smal zijweggetje in dat fanatiek verder naar boven kronkelde. Her en der liepen schapen. Het landschap hier was Wuthering Heights in optima forma, maar vandaag, in de stralende zonneschijn, was het absoluut niet naargeestig. Ik denk trouwens dat het zelfs als het regent met die naargeestigheid nog wel mee valt.
In de verte verscheen een vrachtauto. Ik stopte op een uitwijkplaats om hem voorbij te laten gaan en de chauffeur stak vriendelijk zijn hand op om te bedanken. Dat doen ze in Engeland vrijwel altijd.
We kwamen nu bij een heel onoverzichtelijk kruispunt dat Bradshaw Head heette en sloegen hier links af, verder de heuvel op. Dat was hartstikke fout, want we hadden naar rechts gemoeten, naar beneden toe, maar dat wisten we toen nog niet. Het drong pas tot ons door dat we iets verkeerd gedaan hadden toen we Denholme binnenreden, waar we wisten dat we dáár beslist niet moesten zijn. Omkeren in Denholme was nog niet eens zo eenvoudig, maar het lukte tenslotte toch en we reden terug richting Bradshaw Head. De afdaling daar naar toe bleek zo mooi te zijn, dat we besloten het zelfde traject nog een keer af te leggen, om het te kunnen video-en. Zo gezegd, zo gedaan. Bij Bradshaw Head reden we rechtdoor, steeds verder de heuvel af en toen waren we opeens in Oxenhope.
Het beginpunt van de museumlijn was gauw gevonden en er was gelukkig ruim voldoende (gratis!) parkeergelegenheid. We gingen eerst sandwiches eten en thee drinken in de stationsrestauratie (zijnde een Mk-1 rijtuig). Corine leefde zich uit met filmen en ik ging kijken naar de locomotieven en rijtuigen in het "Rail Experience"-gebouw. Daarna namen we de stoomtrein van 14.15 uur naar Keighley. Ik heb ergens gelezen dat je dat moet uitspreken als Keith-ley. Vooruit dan maar. Onze trein werd getrokken door de 41241, een fraaie Class2 Mixed Traffic 2-6-2 tenderloc, gebouwd in 1949 door British Railways en dus geschilderd in BR black. Het ontwerp van deze locomotief dateert nog uit de tijd van de London, Midland and Scottish Railway en was afkomstig van Henry George Ivatt, die daar destijds Chief Mechanical Engineer was.
In Keighley (net als Shipley een fabrieksstadje dat betere dagen heeft gekend) zijn we eerst op het stationnetje nog wat gaan filmen en fotograferen. Daarna gingen we het centrum in, op zoek naar een supermarkt. We stuitten bijna onmiddellijk op een Sainsbury. Binnen vroeg ik naar kuipjes melk voor in de thee (voor het geval we de voorraad die in Wood Hall naast de waterkoker ligt, zouden opgebruiken). Die dingen bestaan dus echt – ook in het restaurant van de Pride of Rotterdam had er een hele stapel van gelegen. De Sainsbury-meneer die ik aangesproken had raakte echter lichtelijk in paniek en haalde er een chef bij. Deze was vol sympathie ("it’s difficult when you’re new to a place") en zeer behulpzaam, maar uiteindelijk wist ook hij niets beters te voorschijn te toveren dan een groot blik poedermelk. Uit beleefdheid legden we het dankbaar in ons winkelwagentje, maar toen de meneer uit ons gezichtsveld verdwenen was hebben we het maar weer gauw in het schap teruggezet.
Met de rest van onze geplande aankopen hadden we meer succes. Voor Jeroen kochten we het nieuwste nummer van het tijdschrift ‘Internet Advisor’ en voor mevrouw Kiers een aantal pakjes met Bourbon Cream Biscuits.
Corine heeft nog even geld uit de muur (van de Sainsbury) getrokken en daarna namen we de trein van 16.30 uur terug naar Oxenhope. Naast ons zat een eenzaam Aziatisch meisje dat vroeg of we met haar toestel een foto van haar wilden maken. Zou ze gedacht hebben dat we locals waren of zou ze gehoord hebben dat de taal die we spraken geen Engels was?
Vanuit Oxenhope reden we over de A629 naar Keighley en van daar uit trokken we op goed geluk de heuvels in. We passeerden een kunstmatig meertje en doken even verderop een akelig steile helling af, die doorliep tot in een dorpje. De weg werd daarna extreem smal en kwam een paar kilometer verderop uit in een ander dorpje. Waarschijnlijk is dat Utley geweest; een plaatsnaambord heb ik niet gezien. Het lukte ons hier op een grote weg te komen. We namen de eerste grote afslag naar rechts, staken het riviertje de Aire over en kwamen in Silsden. Toen de A6034 – Addingham – de A65. Even voorbij Burley hebben we gegeten bij mijn geliefde Little Chef, in een omgebouwde oude boerderij of zoiets. Dat zie je niet vaak – meestal is een Little Chef nieuwbouw. Over Harewood terug naar Wood Hall.
Zondag 1 september
En ook vandaag is het weer prachtig weer geweest: een strak blauwe lucht en een temperatuur van zo’n 18 °C. Mooier kun je het niet hebben.
We zijn na het ontbijt eerst uitgebreid de toegangsweg naar het hotel gaan filmen. Maar dat was nog niet voldoende. We wilden Wood Hall ook video-en vanaf de overkant van het dal. Daar ligt Collingham. We reden er naar toe en raakten vervolgens wat tijd kwijt met het zoeken naar een goede filmlocatie, maar die hebben we tenslotte toch gevonden aan de voet van een onwaarschijnlijk steil naar beneden lopend straatje. Aan weerszijde van het straatje stonden mooie bomen en grote vrijstaande huizen die er duur uitzagen.
Terwijl Corine aan het filmen was ging ik een poes aaien, waarop er prompt een tweede poes verscheen die ook aandacht wilde hebben. Ik raakte toen nog even in gesprek met hun bazinnetje, een meisje van een jaar of twaalf. Ze had meteen door gehad dat wij gasten waren van Wood Hall.
Daarna gingen we op weg naar Haworth, want vandaag is "Brontë-dag". Tot Shipley volgden we de zelfde route als gisteren. Kort voor Shipley hebben we getankt. Ik moest het uit eigen zak betalen (10,-- GBP), want mijn Exact-tankpas is in het buitenland helaas niet geldig.
In Shipley hielden we de richting Bradford aan en sloegen even verderop twee keer rechtsaf, min of meer op goed geluk. Het was een ongelukkige gok, want we liepen meteen vast in een hardnekkige file. Met moeite konden we ergens keren, waarna we opnieuw zuidwaarts reden, weer recht op Bradford af. Een heel eind verder sloegen we (opnieuw min of meer op goed geluk) weer rechtsaf en kwamen langs Manningham. Manningham is een achterstandswijk waar vorig jaar heftige rellen zijn geweest; dat gebeurt wel vaker in de oude industriesteden van de Midlands. Even later belandden we op de B6145. We passeerden Thornton. Corine realiseerde zich toen dat dat het plaatsje is waar de gezusters Brontë zijn geboren. Ik wist natuurlijk van niks.
De A629 bracht ons vervolgens via Denholme (dat we nog kenden van gisteren) naar Haworth. Je schijnt dat uit te moeten spreken als How-arth. Het Engels dat in Yorkshire gesproken wordt is niet het Engels dat we in Nederland op de middelbare school leren.
We parkeerden de auto op een duur betaald parkeerterrein in de buurt van de legendarische pastorie waar de Brontës gewoond hebben. We herkenden het gebouw meteen uit de toeristenfolders. Binnen in de pastorie is het Brontë-museum gevestigd. Corine ging er om 12.15 uur naar binnen en kwam er, zeer enthousiast, pas om 13.45 uur weer uit. De volle anderhalf uur lang heb ik vredig op een nabijgelegen bankje in de zon gezeten. Ik was niet de enige. Er zaten nog meer mannen wier echtgenotes binnen in het museum waren. Het tafereel deed mij sterk denken aan honden die voor de supermarkt aan fietspaaltjes vastgebonden zitten terwijl het baasje binnen boodschappen aan het doen is.
Het werd tijd voor de lunch. We liepen samen naar de High Street en ploften neer op het eerste terrasje dat er leuk uitzag. Terwijl we sandwiches aten en thee dronken keken we eens goed om ons heen. Haworth is duidelijk een soort Engels Volendam. Het leeft van de toeristen en je ziet er ook niets anders dan toeristen, in alle soorten, maten en nationaliteiten.
Ik ging op zoek naar het toilet van het eettentje, maar dat viel niet mee. Ik zocht het binnen, maar daar was het niet. Ik raadpleegde de dames achter het buffet en die legden me uit hoe ik er komen kon. Het was heel eenvoudig: eerst moest ik terug naar het terras, dan onder een poort door, steegje doorlopen, vervolgens twee keer scherp naar links en tot slot een trapje af. Daar was het.
Na het eten gingen we allebei onze eigen gang. Corine ging filmen. Ik nam de auto en reed naar het stationnetje, dat onder aan (alweer) een heel steile helling ligt. In het drukbeklante stationswinkeltje kocht ik onder andere het boek "Railways around Harrogate". De verkoper, een oudere man, vond het allemaal erg moeilijk en was niet erg vriendelijk. Dat maak je niet vaak mee in Engeland en al helemaal niet bij museumlijnen. Waarschijnlijk kon de man de drukte niet aan en was hij daarom zo chagrijnig.
De werkplaats, die open was voor bezichtiging door het publiek, bevatte locomotieven in alle stadia van demontage en restauratie. Toen ik er uit kwam, ging ik foto’s maken van het fraaie stationsgebouwtje met aan de muur een paar "hanging baskets" vol kleurige bloemetjes, en daarna nam ik nog een plaatje van de aankomst van de trein uit Keighley. Toen had ik het wel gezien op het station.
Ik nam de auto, reed terug naar het "bovendorp" en parkeerde (gratis maar enigszins krap) langs de weg naar Stanbury. Ik liep terug naar de pastorie en begon hier aan de ‘Railway Children Walk’, genoemd naar het terecht beroemde kinderboek van Edith Nesbit. Het was toen precies vier uur. Onderweg richting Oxenhope veranderde ik van idee toen ik een bordje zag met "Brontë Falls". Met Corine had ik afgesproken dat we elkaar om zes uur zouden treffen bij de pastorie. Zou ik naar de Falls kunnen lopen en toch op tijd terug in Haworth kunnen zijn? Ik besloot het er op te wagen.
Het werd een prachtige wandeling. De Moors, paarsgekleurd door de heideplanten, strekken zich uit zover je kunt zien en dat was vandaag, met een stralende zon in een kristalheldere lucht, heel ver. Het gaf een gevoel van ruimte en openheid dat ik heel moeilijk kon verenigen met de sfeer van troosteloosheid die spreekt uit de benaming Wuthering Heights. En toch was ik hier op de échte Wuthering Heights. Het is op deze Moors dat de Brontës de inspiratie hebben opgedaan voor hun sombere boeken.
Na een uur was ik bij de Brontë Bridge, die in feite weinig meer is dan een stenen plaat die over een beekje ligt. Van links komen de beroemde Brontë Falls. Ook die stellen op zich helemaal niets voor, maar daar gaat het ook niet om.
Ik had geen zin om naar Haworth terug te keren over de route die ik op de heenweg al gelopen had en besloot terug te gaan over Stanbury. Als ik opschoot, moest dat in een uur net kunnen. Maar het schoot niet op: nadat ik moeizaam uit het dal omhoog was geklommen, raakte ik de weg kwijt en moest een stuk terug lopen. Gelukkig ontdekte ik even later een stenen weggetje dat rechtstreeks naar Stanbury leek te gaan. Hier raakte ik gesprek met een Australische dame die samen met haar dochter een wandeling had gemaakt naar Top Withens. Top Withens, een oude boerderij (inmiddels vervallen tot ruïne) is één van de vele inspiratiebronnen van de gezusters geweest. Ik vertelde dat ik bij de Brontë Falls was geweest en nu op weg was naar Haworth. Eventjes verderop veranderde het steenslagweggetje in een asfaltpaadje. Hier stond het autootje van de dames. We wensten elkaar nog een prettige dag en namen afscheid.
Ik begon het asfaltweggetje te volgen. Even paar minuten later hoorde ik het geluid van een benzinemotor aankomen en ja hoor, daar was het Australische autootje. De bestuurster kon er nu niet meer onderuit mij een lift naar Haworth aan te bieden. Iets waar ik stiekem op had gehoopt.
Dankzij het hulpvaardige autootje was ik nu al om half zes terug bij de pastorie. Dat gaf me mooi de gelegenheid om mijn mobieltje te pakken en even te informeren naar de toestand in Nederland. Corine voegde zich even voor zessen bij me.
We gingen op zoek naar voedsel, maar alle eetgelegenheden in en om de High Street zaten vol. We besloten om dan maar naar de Little Chef te gaan die aan de zuidrand van Bradford, aan het begin van de M606 zou moeten zitten. Eerst nog even wat laatste video-opnamen maken en toen konden we op weg.
We reden naar Denholme en misten vervolgens de afslag naar de A644. Dat maakten we goed door vlak voor Mixenden linksaf te slaan. Via het gehucht Bradshaw kwamen we toen in het dorpje Mountain alsnog op de A644. De dorpsnaam Mountain was goed gekozen. Het dorp ligt op de top van een hoge heuvelrug. Tussen de huizen door konden we af en toe links beneden in het dal de uitgestrekte stad Bradford zien liggen. Het was een prachtig gezicht. Dat is niet altijd zo geweest: 100 jaar geleden zouden we alleen stinkende fabrieksrook te zien hebben gekregen.
Bij Old Dolphin sloegen we linksaf de A647 op. De weg begon te dalen en voerde Bradford in. De omgeving oogde hier nogal armoedig. We reden veel te ver door en kwamen in het centrum terecht. Ik vond het daar bijzonder rommelig, wat het oriënteren er niet makkelijker op maakte. We belandden op de A641 en toen doken er gelukkig ook borden op die naar de M606 verwezen.
Helaas: de Little Chef die aan het begin van de M606 had moeten staan hebben we niet kunnen ontdekken. Corine kwam toen op het idee om het dan maar te gaan proberen bij een Italiaans restaurant (La Cocunda of zoiets) dat ze in Collingham had gezien. Hongerig reden we door over de M62 en daarna over de M1. De M1 ging over in de A1(M) en al snel kwam Collingham in zicht. Helaas zat La Cocunda stampvol. Ons humeur zakte hierdoor tot ver onder het nulpunt. In wanhoop reden we naar Wetherby, waar we na flink wat zoeken een Bengaals(?) restaurant ontdekten, waar we heel behoorlijk hebben kunnen eten. Na een klein ommetje door het stikdonkere Wetherby arriveerden we rond half tien weer in Wood Hall.
Maandag 2 september
Vanmorgen hebben we nog een paar laatste filmopnamen van en rond Wood Hall gemaakt. Na ons laatste Stylish Breakfast zijn we de rekening gaan betalen (en die was iets lager dan Internet ons voorspeld had!) en toen was het: op naar York. We reden eerst naar Wetherby – niet over Collingham, maar via een handige rechtstreekse route. Toen we aan de oostkant van Wetherby gekomen waren is er blijkbaar iets fout gegaan, want we kwamen niet op de B1224 terecht, zoals de bedoeling was geweest, maar op de A1 naar het noorden. Een ramp was dat niet. We hoefden alleen maar de eerstkomende afslag naar rechts te nemen om weer op koers te komen liggen. Dat was een heel klein weggetje, door een pastoraal landschap waar het de eerste paar kilometer ongelooflijk stonk naar het uitrijden van gier. We kwamen door Cowthorpe en Tockwith en bij Long Marston bereikten we dan alsnog de B1224. Een paar kilometer verder kwam York in zicht.
Volgens mij zou er aan de oostkant van de stad vast wel een P&R-terrein zijn. Daar zouden we dan de auto kunnen parkeren om vervolgens met de bus naar het centrum te gaan. Twaalf jaar geleden had ik in Oxford ook zoiets geprobeerd en dat was toen prima gegaan.
Het was natuurlijk heel druk in York en we moesten eindeloos lang wachten voor allerlei verkeerslichten, maar tenslotte kwamen we dan toch terecht in een oostelijke buitenwijk. We zetten de auto neer op het immens grote parkeerterrein van een overdekt winkelcentrum en gingen eens op onderzoek uit. Bij een benzinestation troffen we toevallig een geldautomaat, waar Corine nog dankbaar gebruik van gemaakt heeft. We vroegen aan een voorbijgangster af er misschien een P&R-terrein in de buurt was en zij bevestigde dat er aan de weg naar Hull inderdaad eentje lag. We liepen dus terug naar de auto en volgden de weg naar Hull, maar zagen nergens een P&R-terrein. We kwamen buiten de stad terecht en daar hebben we het bij een theetentje nog maar eens gevraagd. Er werd ons gezegd dat we gewoon terug naar York moesten rijden. En ja hoor, meteen na een groot verkeersplein doemde het P&R-terrein van Grimston Bar op. We lieten er de auto achter zonder parkeergeld te hoeven betalen en namen de pendelbus naar het centrum. Die bus was natuurlijk niet gratis: een retourtje kostte 1,70 GBP.
De bus (de 1745) zette ons af in The Pavement en vlak daarbij begint het beroemde middeleeuwse straatje The Shambles. Ik vond het best aardig, maar niet heel bijzonder en in de middeleeuwen had je volgens mij geen pizzeria’s en antiekwinkels. Over King’s Square en door Low Petergate liepen we vervolgens naar York Minster. We hadden het geluk dat het weer vandaag net zo schitterend was als gisteren en de reusachtige kathedraal kwam in het heldere zonlicht op z’n voordeligst uit. Het is een prachtig en majestueus gebouw. We liepen er op ons gemak (tegen de klok in) omheen en kwamen toen terecht bij Bootham Bar, één van de overgebleven oude stadspoorten. Vandaar terug naar Low Petergate, waar we in een heel antieke lunchroom sandwiches hebben gegeten. Met een milkshake er bij en natuurlijk ook nog thee.
Maar we waren nog lang niet uitgekeken in York en we hadden tijd genoeg. We gingen dus verder op onderzoek uit. We liepen door Swinegate en kwamen toen opeens terecht in een heel smal steegje, waarvan ik me maar moeilijk kon voorstellen dat het openbaar terrein was. Toch was dat wel degelijk zo. York deed me hier heel sterk denken aan de oude binnenstad van Antwerpen. We konden door een grote glazen pui naar binnen kijken in de mooie middeleeuwse Barley Hall en vlak daar naast, aan een pleintje, ontdekten we een sfeervolle eet- en drinkgelegenheid die Alley Cats heette. Het uithangbord was een kunstwerk op zich.
We liepen verder door de drukke winkelstraat Stonegate, sloegen rechtsaf Blake Street in, toen linksaf naar de Lendal Bridge en staken de Ouse over. Vervolgens liepen we over de beroemde stadsmuren naar het station. Vlak voor het station bevindt zich de York Model Railway. Een handgeschreven tekst aan de ingang vermeldde dat we ook in euro’s (‘euri’ zou een ex-collega van me gezegd hebben) konden betalen en natuurlijk hebben we dat gedaan. Het wisselgeld bestond uit Britse ponden.
Van mijn vakantie uit 1988 herinnerde ik me dat de Model Railway op zich niet zo bijzonder is. Het gaat alleen om een paar uit hun krachten gegroeide modelbanen. Toch leuk om te zien. Nadat we uitgekeken waren raakten we nog even in gesprek met de meneer aan de kassa. Het bleek dat hij, naast de modelspoorwegbouw, nog een andere en volgens ons volstrekt unieke hobby had: stadions van Europese amateurvoetbalclubs! Hij was vooral erg gecharmeerd van het onderkomen van de IJsselmeervogels. En dan zeggen ze dat ik met m’n treintjes een gekke hobby heb…
We vertelden dat we vanavond met de boot terug naar de Europoort zouden gaan. "Be careful!" waarschuwde hij ons. "There has been an engine room fire last night on board the Zeebrugge service!". Dat was natuurlijk belangwekkend nieuws. Bij een boekenstalletje in het station hebben we even stiekem een krant in gekeken en daar lazen we inderdaad dat er aan boord van de Norsea ter hoogte van Great Yarmouth brand heeft gewoed, gelukkig zonder persoonlijke ongevallen.
Het station van York is een mooi gebouw vol treinen. Corine heeft gefilmd hoe een High Speed Train van Virgin Trains brullend vertrok richting Newcastle en ik ontdekte tot mijn genoegen dat er op een kopspoortje een Railbus Class 142 klaar stond, een Leyland National op spoorwielen. Ik had zo’n ding nog nooit in het echt gezien.
Langzamerhand werd het tijd om terug naar de auto te gaan. We verlieten het station, sloegen rechtsaf, liepen naar Micklegate Bar (weer zo’n stadspoort), door Micklegate Bridge Street, over de Ouse Bridge en door High Ousegate terug naar The Pavement. Het was toen net vier uur geweest en we hadden ergens gelezen dat het tussen vier en zes uur ’s middags altijd topdrukte is op de pendelbussen. Inderdaad: er stond een lange rij (de Engelsen zijn het netjes ‘queuen’ gelukkig nog niet verleerd) en we moesten een bus overslaan. Na tien minuten kwam er weer een en daar konden we nog net met mee, al moesten we staan als de spreekwoordelijke haringen in een ton.
We verlieten York over de A1079, passeerden Market Weighton en kwamen verderop door het fraaie dorpje Bishop Burton, waar ik veertien jaar geleden in de stromende regen nog heb staan fotograferen. Even verderop kwamen we op een grote weg die ons naar Hull bracht. Ik had verwacht dat we nu wel zo bij de boot zouden zijn, maar dat viel lelijk tegen. De bewegwijzering was prima in orde, maar hij liet ons een kilometers lange route volgen over een rondweg of zoiets en het duurde zowat een half uur voor we tenslotte bij de terminal aankwamen.
Deze keer hadden we de ‘Pride of Hull’. We hadden een buitenhut gereserveerd. Net als op de heenweg hebben we weer aan boord gegeten. Terwijl we de Humber af voeren, werd het donker. Natuurlijk zijn we aan dek gaan kijken en filmen. We voeren vlak langs de kade van Immingham voordat we tenslotte open zee bereikten. Dat leverde fraaie opnamen op – een woud van industrielichten tegen een zwarte achtergrond.
Dinsdag 3 september
Vanmorgen heel vroeg, terwijl we nog midden op zee waren, kreeg ik last van mijn ingewanden. Nogal a-typisch, want dat gebeurt me maar zelden. In zo’n geval is het erg handig dat je een eigen toilet hebt. Ik heb er een half uur op doorgebracht. Het heeft me er allemaal niet van weerhouden aan boord toch maar goed te ontbijten.
Het was ook in Nederland heel mooi weer. Minder leuk was dat we met de auto midden in de spits terecht kwamen. Het is een vreemd gevoel in de ochtendspitsfile te staan in de wetenschap dat je niet op weg bent naar je werk, maar naar huis.
Thuis in Leidschendam was alles bij het oude. De buurvrouw heeft goed voor Tijger gezorgd. Waarvoor ook vanaf het Internet mijn dank.
terug naar het begin van dit verhaal
==================================================