Berlijn: de hoofdstad van Faller, Märklin en Krimi

Attentie: het is natuurlijk erg als U niet weet wat het verschil is tussen een KT4 en een T6, maar dat mag U er niet van weerhouden dit verhaaltje toch maar even door te lezen.

Vrijdag 17 augustus 2001

Vanmorgen vroeg ging ik op weg naar Berlijn. Ik was zelfs zo vroeg dat ik de 45 van 7.39 uur nog haalde. Was het een bus later geworden, dan had ik bij station Voorburg niet meneer De Jong ontmoet, mijn vroegere leraar Duits. Hij was op weg naar Antwerpen. Dat ik juist op deze ochtend juist meneer De Jong tegen het lijf liep, was een ongelooflijk toeval. In 1976 had mijn middelbare school, het Voorburgse Huygens Lyceum, namelijk een treinreis naar Berlijn georganiseerd. De heer De Jong was één van de begeleiders van die excursie geweest en ik was destijds één van de deelnemers.
Ik heb dus het "Berlijn-van-de-Muur" nog meegemaakt en die Muur zal ik mijn leven lang niet meer vergeten. Maar wat voor stad is
Berlijn zonder Muur? Daar hoop ik de komende dagen achter komen.
Volgens plan nam ik de Intercity van 8.13 uur naar Utrecht. Na aankomst in Utrecht wilde het combineren met de trein uit Rotterdam niet lukken; was het wél geslaagd, dan was er een trein met maar liefst 17(!) bakken ontstaan. Tenslotte vertrokken het Haagse en het Rotterdamse deel dan maar los van elkaar.
Op het perron raakte ik nog even in gesprek met een Duits echtpaar dat de trein moest hebben naar Lojwahdden, wat uiteindelijk Leeuwarden bleek te zijn. Kort voor "mijn" ICE 143 naar Duitsland binnenliep, ontdekte ik mijn reisgenoot Bouke, die al een heel lange tijd aan de oostkant van het perron bleek te hebben gestaan. In de ICE wordt het bekende "zoek het zelf maar uit"-principe gehanteerd; een treinbegeleider was in geen velden of wegen te bekennen.
Onze (gereserveerde) plaatsen bevonden zich in een zespersoons compartiment in rijtuig 26. Een eersteklas-compartiment natuurlijk; ALS je met de trein gaat, doe het dan in stijl. Keurig op tijd, om 9.42 uur, gleden we station Utrecht uit. Even leek het er op dat we de coupé voor onszelf zouden hebben, maar kort na het vertrek kwam er een (te) praatgrage 89-jarige ex-onderwijzeres uit Rotterdam bij, die op weg was naar Dortmund om daar bij kennissen te overnachten. Ze reist morgen verder naar haar vakantiebestemming ergens in de buurt van de Oostenrijkse grens.
Pas toen we al lang en breed in Duitsland waren, werd er toch nog (gratis) koffie rondgebracht. We hadden de hoop al bijna opgegeven. De rijeigenschappen van de ICE zijn uitstekend, maar de dienstverlening kan niet tippen aan die in de Eurostar (zie
Een retourtje Edgware). We liepen netjes op tijd binnen in Duisburg, maar toen vond er een incident plaats. De deur van ons rijtuig was namelijk buiten gebruik gesteld. Dat stond aangegeven op een grote sticker die er op geplakt was, maar die sticker was alleen maar zichtbaar voor de dame die er vlak voor stond en dat was een Aziatische, die blijkbaar geen Westers schrift kon lezen. Toen tenslotte duidelijk begon te worden dat de deur beslist niet open zou gaan, renden we allemaal (met koffers en al) in vertwijfeling naar een andere deur, maar terwijl we die open probeerden te krijgen, kwam de trein in beweging en reed weg. Het leek er op dat we nu echt een probleem hadden. Ik haalde het treinpersoneel er bij en toen bleek het voor ons nogal mee te vallen: onze overstap op de ICE naar Berlijn was zonder problemen ook in Düsseldorf mogelijk. We zijn daar dus overgestapt, op ICE 922, die rond tien over half twaalf uit Düsseldorf Hbf wegreed, wat neerkwam op zo'n acht minuten vertraging. Hoe het met de oude onderwijzeres en de Aziatische is afgelopen, weet ik niet.
Deze ICE was een generatie ouder dan het exemplaar waar we net uit gekomen waren. We hadden nu plaatsen in een open rijtuig (coachopstelling; goede zit). Het Ruhrgebied (dat tegenwoordig opmerkelijk groen is; misschien is er toch nog hoop voor het milieu) zweefde aan ons voorbij: Essen, Bochum, Dortmund, Hamm... Tussen Hamm en Hannover zijn we in het restauratierijtuig een warme lunch gaan verorberen. Ik koos de Schweinemedaillons en die bleken best smakelijk te zijn. In de buurt van Minden zagen we, al etend, aan de Porta Westfalica duidelijk het Kaiser-Wilhelm-Denkmal staan. Tussen Hannover en Berlijn hebben we nauwelijks iets gemerkt van de hoge snelheid die de trein daar gereden moet hebben. Een informatietableau op balkon toonde, toen ik er bij stond, een snelheid van 238 km/h, maar daar merk je verder niets van.
Tenslotte reden we Berlijn binnen. Na 1976 was ik er nog maar één keer teruggekomen, rond de jaarwisseling 1990/91, samen met Jan, en dat was toen weinig meer geweest dan een bliksembezoek. Maar nu zou ik dan toch echt kunnen gaan ontdekken hoe de stad veranderd is gedurende die 25 jaar. De ICE bracht ons tot het Ostbahnhof. We stapten over op
Stadtbahnlijn S5 naar Lichtenberg. Bijbetalen hoefde niet, dat had ik voor de zekerheid nog even nagevraagd bij de ICE-conductrice. Op station Lichtenberg zijn we overgestapt op metrolijn U5, waarvoor we twee enkeltjes moesten kopen. De metro was een fraaie nieuwe, een type HG. Naar het Tierpark, waar we er uit moesten, was het maar een paar haltes. Ons hotel is vlakbij het metrostation. Het heet "Abacus Tierpark". Waar die abacus op slaat, is me een raadsel. Het is een gigantisch flatgebouw in de beruchte zielloze Genosse-Honecker-stijl (zoals een groot deel van de Tierparkwijk), maar de kamers zijn volledig gemoderniseerd en zijn nu op Westers sterrenniveau. De lobby, die waarschijnlijk pas na de Wende is aangebouwd, is modern en plezierig. Het baliepersoneel is heel vriendelijk. Enig nadeel van het Tierpark-Hotel (dat vandaag, vanwege de warmte, zwaar weegt!): er is geen airco.
Bouke kreeg een kamer op de begane grond; de mijne is op de vijfde verdieping. Na het uitpakken van de koffers zijn we te voet op zoek gegaan naar een eetgelegenheid. Die blijken in de buurt van het Tierpark dun gezaaid te zijn. We liepen langs Am Tierpark en langs Alt-Friedrichsfelde (een droevige en veel te brede straat) en kwamen tenslotte uit bij station Lichtenberg, waar we bij gebrek aan beter een MacDonald's zijn binnengelopen. De route terug voerde onder andere over een pad met aan de ene kant een volkstuintjescomplex en andere kant het metro-depot waarop ik uitkijk vanuit mijn hotelkamer.
Nu, 's avonds laat, is het nog steeds heel warm en bovendien vochtig en benauwd. Omdat de ramen maar een klein eindje open kunnen, voelt mijn hotelkamer aan als een sauna. Ik ben daar niet blij mee.
 

Zaterdag 18 augustus 2001

Vanwege de warmte heb ik vannacht heel slecht geslapen. Vervelend, maar het is niet anders. We zaten om half acht al aan het ontbijt. We zijn hier maar drie dagen, we hebben veel toeristisch en hobbyistisch werk te doen en tijd om uit te slapen is er dus niet. Het ontbijt was in buffetvorm en zeer goed: er waren allerlei soorten brood en beleg en worstjes en gebakken eieren en nog meer van dat soort zaken.
Om 8.35 uur stempelden we ons Berlin Welcome Ticket (= het 72-uurs vervoerbewijs voor de regio Berlijn) af in het station Tierpark en namen toen de U5 naar de Alexanderplatz. De plafonds van de stations van de U5 worden gestut door zware, geklinknagelde stalen balken. De wanden zijn uitgevoerd in een klassieke "zwembadtegeltjesstijl".
Vanaf de Alexanderplatz liepen naar een bushalte in de Karl-Liebknecht Strasse, waar na enige tijd een dubbeldekker van "toeristenbuslijn" 100 verscheen. Inmiddels hadden we ook al een indrukwekkende tandemasser voorbij zien komen.
Vanuit de bus zag ik tot mijn genoegen dat het beruchte uit de DDR-tijd stammende Palast der Republik wordt ontmanteld. De beroemde boulevard Unter den Linden is, zoals ik wel wist, classisistisch, elegant en stijlvol. De Brandenburger Tor was helaas volledig "ingepakt" in verband met de zoveelste renovatie.
We verlieten de bus bij de
Reichstag. De wachttijd voor het beklimmen van de beroemde koepel van Sir Norman Foster viel wel mee: ongeveer 20 minuten. We moesten eerst door een veiligheidscontrole (flauwe mop: om te kijken of de Hollanders geen lucifers bij zich hebben), maar een kaartje kopen was niet nodig: de Rijksdag is gratis! Een lift bracht ons naar het dakterras. Daar gingen we de koepel binnen en klommen in spiraalvorm naar de top. Echt mooi was het uitzicht van daaraf niet, omdat het glas vol regendruppels zat en bovendien tamelijk vuil was.
Jammer genoeg was het dakterrasrestaurant volledig bezet. We konden alleen nog koffie krijgen bij een kraampje aan de voet van de koepel. Er werd op de kunststof koffiebekers 2,-- DEM statiegeld geheven(!!); ze zijn blijkbaar als de dood dat die bekers anders op allerlei ongewenste plaatsen achtergelaten zouden worden.
Na ons bezoek aan de Reichstag liepen we onder de Brandenburger Tor door, verder over de Pariser Platz, en naar het ondergrondse S-Bahnstation Unter den Linden. De Pariser Platz wordt herbouwd; het klassieke Hotel Adlon is al klaar. Het lijkt er op dat men hier het Berlijn van de 20'er jaren, de tijd dat Berlijn het culturele hart van Europa was, wil laten herleven. Ik denk dat dat wel eens zou kunnen gaan lukken. Met de S-Bahn reden we één halte mee, naar de Potsdamer Platz. Vanuit het station loop je dan de Potsdamer Arkaden in, zonder in de buitenlucht te komen. In het Arkaden-postkantoortje kocht ik tien postzegels voor mijn ansichtkaarten. Anders dan in Engeland is er in Duitsland geen onduidelijkheid over welk soort zegel er op zo'n kaart moet (1,00 DEM). Over de Marlene-Dietrichplatz en door de Alte Potsdamer Strasse keerden we terug naar de eigenlijke Potsdamer Platz, waar de grote rode Infobox uit de reisgidsen helaas verdwenen blijkt te zijn. Wordt rond Unter den Linden het verleden teruggeroepen, de Postdamer Platz en omgeving staan duidelijk in het teken van de toekomst. Het ene gebouw is nog avant-gardistische dan het andere. Wie traditionele architectuur zoekt moet hier niet wezen. Trouwens, ook tegenstanders van globalisering en kapitalisme zullen het rond de
Potsdamer Platz niet naar hun zin hebben: driekwart van wat hier staat is eigendom van de één of andere multinational.
Langs de Linkstrasse liepen we vervolgens, in een druilerige regen, naar het U-Bahnstation Mendelssohn-Bartholdy-Park. Hier werden we door een vriendelijke vrouwelijke
BVG-er weggestuurd omdat er "wegens een technische storing" niets reed. We moesten het avontuur dus elders zoeken en liepen, in een gestaag toenemende regen, het Park langs naar een bushalte in de Schöneberger Strasse. We namen hier de 129 en reden, langs het bekende restant van de voorgevel van het Anhalter Bahnhof, naar de Wilhelmstrasse, waar we uitstapten. Het was inmiddels in ernst gaan regenen en dat werd iedere minuut erger. Het weerhield ons, Jongens van Jan de Wit, er niet van over te steken naar Topographie des Terrors, een uitgestrekt terrein waar de kantoren van de bureaumoordenaars van het nazi-regime hebben gestaan. Aan de kant van de Niederkirchner Strasse is een stukje van de kelders van de Gestapo- en SS-hoofdkwartieren blootgelegd. Onder een langgerekt houten afdak hangen daar panelen met toelichtende teksten. Daarboven staat dan weer een overgebleven stuk van de Berlijnse Muur. Fysieke erfenissen van nazi-beulen en DDR-dictatuur zijn hier op één plaats geconcentreerd. Als er dus één locatie in Berlijn is die ons iets te zeggen heeft, dan is het deze wel.
De regenbui was inmiddels veranderd in een wolkbreuk. We probeerden te schuilen onder het afdak van de tentoonstelling, maar dat lukte niet erg met als gevolg dat we drijfnat werden. Na verloop van tijd werd de wolkbreuk wat minder en we gingen maar weer eens verder kijken.
Direct naast het Topographie des Terrors-terrein staat de
Martin-Gropius-Bau. Ik snap niet waarom daar in sommige publicaties zo'n ophef over gemaakt wordt, want het is een saai, vierkant gebouw dat wat mij betreft rustig afgebroken mag worden als daar aanleiding voor zou zijn.
Terwijl het nog steeds regende, maar inmiddels wel wat minder, liepen we door de Zimmerstrasse naar Checkpoint Charlie. Het ooit beruchte doorgangspunt in de Muur is een Disney-achtige toeristenfuik geworden, die je mijns inziens net zo goed kunt overslaan. Aan de andere kant:
Checkpoint Charlie is zo typisch-Berlijns dat je er niet met goed fatsoen aan voorbij kunt lopen en dus zijn we toch maar even gaan kijken.
In Steakhaus Badaro in de Kochstrasse, op de hoek van de Friedrichstrasse, hebben we daarna bij wijze van lunch Milanese Schnitzels gegeten. Dat was meteen een goede gelegenheid om een beetje op te drogen en op te warmen. Toen we uitgegeten waren, ontstond er aan een ander tafeltje een heftige ruzie tussen de klanten en de ober over de rekening.
Door de Zimmerstrasse liepen we vervolgens naar het Mossezentrum (waar architectuurkenners erg enthousiast over zijn) op de hoek van de Schützenstrasse en de Axel-Springer Strasse. Het was inmiddels zowaar droog geworden, al was het nog steeds somber. We liepen weer terug naar de Friedrichstrasse (waar pratende lantaarnpalen stonden die ooggetuigeverslagen gaven van de bouw van de Muur) en namen daar de U-Bahn (een type D) naar Stadtmitte, een afstand van precies één halte. Door de Fransözische Strasse liepen we toen naar de Gendarmenmarkt, die volgens het reisgidsje het mooiste plein van Berlijn is. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen: het is geen spectaculair, maar wel een sfeervol plein, omzoomd als het is door classicistische gebouwen. We zijn even gaan kijken in de Deutsche Dom, maar de tentoonstelling "Fragen an die Deutsche Geschichte" die zich daar bevindt hebben we niet bezocht. Je kunt tenslotte niet alles bekijken. Wel hebben we de toren van de Fransözische Dom beklommen. Dat was in de tropisch-vochtige atmosfeer die Berlijn inmiddels in zijn greep hield een uitputtend werk, maar het uitzicht was mooi. Ik zou overigens niet graag de plaatselijke beiaardier zijn, want die kan zijn werkplek, hoog bovenin de toren, alleen maar bereiken over een bijzonder enge wenteltrap die gebouwd is boven een angstaanjagend diepe afgrond.
Voor de verandering was het intussen weer eens gaan regenen. Natwordend liepen we naar Unter den Linden. We namen bus 100 tot aan de Grosser Stern, waar nu de Siegessäule aan de beurt was om beklommen te worden. Opnieuw een slopend werk, maar ook opnieuw een leuk uitzicht, dit keer over de Tiergarten. Vervolgens weer verder met lijn 100, langs het kantoor van de CDU naar Zoölogischer Garten. Hier stapten we over op metrolijn U9. Voor mij was dat pure nostalgie, want tijdens de Huygensexcursie hadden we de U9 (en de U6) nodig om van en naar onze jeugdherberg aan de Kurt-Schumacher Platz te gaan. Vandaag reed ik met de U9 helemaal mee tot aan het eindpunt Osloër Strasse, waar we overstapten we op tramlijn 23. Het was een lagevloertram, die niet vol was en niet leeg. Hij reed ons door Noord- en Oost-Berlijnse straten die er over het algemeen nog alleszins toonbaar-vooroorlogs uitzagen, al zagen we ook wel gebouwen die zo zwaar verwaarloosd waren dat ze de indruk wekten op instorten te staan. We passeerden nog de uitgestrekte remise- en garagecomplexen aan de Indira-Gandhi Strasse. Een deel van de openluchtstalling aldaar leek gebruikt te worden om er de reservevloot te parkeren. Na een lange, leuke rit stapten we tenslotte uit aan de Frankfurter Allee.
Het was ons intussen opgevallen dat de
BVG duidelijk tweetalig is: vrijwel alle informatie in en rond de haltes en voertuigen staat er zowel in het Duits als in het Engels. Zo hoort het ook: de lokale taal voor de plaatselijke bevolking en Engels ten behoeve van de buitenlandse bezoeker. Prima! Nog een positief punt: Berlijnse trams rijden netjes op tijd. Je ziet weinig graffiti op de BVG-voertuigen, waar weer tegenover staat dat bekraste ramen meer regel dan uitzondering zijn, vooral in de metro en in de achterste bakken van de trams.
Vlak naast het S-Bahnviaduct over de Frankfurter Allee bevindt zich een pizzeria met de originele naam Die Zwölf Apostel. We hebben hier, heel toepasselijk, allebei een Pizza Petrus gegeten. De pizza was goed, maar de sfeer in het overigens gezellige restaurant werd grondig verpest door een harde disco- of housedreun uit de geluidsinstallatie van het keukenpersoneel. Jammer!
Toen we uitgegeten waren, was het even voor zevenen en we vonden het nog te vroeg om meteen naar het hotel terug te keren. We besloten wat te gaan trammen. Om te beginnen namen we opnieuw de 23, dit keer voor een kort ritje naar de Boxhagener Strasse. Hier stapten we over op tramlijn 21 (een T6 deze keer), waar afgezien van de bestuurder en ons vrijwel niemand in zat. Door Rummelsburg, een rommelig gebied vol grauwe industriecomplexen, kwamen we tenslotte terecht in de Wilhelminenhofstrasse in Schöneweide, waar we uitstapten. Met tramlijn 26 reden we daarna noordwaarts, richting Tierpark, langs ons eigen hotel en door naar het eindpunt Zingster Strasse in de nieuwbouwwijk Hohenschönhausen.
Ik kan niet enthousiast zijn over Hohenschönhausen. Het is een structuurloos gebied dat bestaat uit lukraak neergekwakte gigantisch grote flatgebouwen, waar hier en daar grote, morsige fabrieksinstallaties tussen staan. De wegen zijn dikwijls absurd breed en dragen aanstellerige namen als "Allee der Kosmonauten".
De flats zijn zo te zien recent gerenoveerd, zitten netjes in de verf en zijn opgeleukt met allerlei heldere kleuren, maar dat alles is niet meer dan een doekje voor het bloeden: de wijk is zo deprimerend dat ze "spring van mij af!" lijken te roepen. Het verbaast mij niet dat dit gebied een voedingsbodem is van criminaliteit en extremisme. Je zal er maar moeten wonen.
Vanaf het eindpunt namen we de eerste tram terug en stapten uit aan de halte Criegernweg, die vlak voor ons hotel ligt. Het was toen rond tien over half negen. Het was helaas nog steeds heet, vochtig en benauwd. Vanaf de hotel-PC heb ik tot besluit van de dag nog even naar Nederland gemeeld. Een mens moet met z'n tijd mee gaan.
 

Zondag 19 augustus 2001

We gingen vanmorgen pas om 8.30 uur ontbijten; dat was voor vandaag vroeg genoeg. Daarna namen we tramlijn 27E, die op zondag naar de Gudrunstrasse rijdt, via het Evangelisches Krankenhaus. Het Krankenhaus ligt in een mooi park; dat park is één van de weinige aantrekkelijke gebieden in de wijde omgeving. De gevolgde route betekende een enorme omweg, maar was interessant: met onze T6 passeerden we onder andere het uitgestrekte BVG-Betriebshof Lichtenberg. De Gudrunstrasse ligt aan de noordkant van het station Lichtenberg.
Vervolgens reden we met de S5 naar het station Warschauer Strasse. Daar zijn we de brug over het spoorwegemplacement overgelopen naar het U-Bahnstation Warschauer Strasse. Hier bevindt zich een depot van de U-Bahn. Het staat loodrecht op het station; de sporen draaien er in een scherpe boog naar toe. Voor het overige deed het station Warschauer Strasse me denken aan Charing Cross in Londen. Ook dat is immers een kopstation dat bereikt wordt via een brug over een rivier.
Een rit met de U1 vanaf de Warschauer Strasse is beslist interessant. Vlak voor je de Spree oversteekt over de mooie Oberbaumbrücke, zie je rechts beneden je nog een overgebleven stuk van de Muur. Ik denk dat het het gedeelte is dat bekend staat als de East Side Gallery. Daarna rij je over een viaduct door het roemruchte Kreuzberg, dat lang niet zo armoedig oogde als ik had verwacht en met, en dat had ik ook niet verwacht, heel veel bomen langs de straat.
We verlieten de metro op het station Gleisdreieck en liepen naar het
Technikmuseum, dat vlak om de hoek ligt. Dat Technikmuseum is zeer uitgebreid en er is heel veel te zien, vooral op spoorweggebied. Toch waren een aantal afdelingen wegens een in gang zijnde verbouwing niet toegankelijk. Als troost kregen we korting op de overigens toch al lage toegangsprijs. Treintjes kijken maakt hongerig en dorstig en daarom hebben we de restauratiewagen drie keer bezocht: de eerste keer voor koffie, de tweede keer voor Kassler (= een dikke plak ham) mit Kartoffelsalat en de derde keer voor een warm hapje. Bij ons tweede bezoek aan de restauratiewagen werden we al herkend en toen we voor de derde keer binnen kwamen, werden we door het personeel ontvangen als oude bekenden. Nadat we het warme hapje hadden verorberd namen we dan ook roerend afscheid. We maakten nog wat foto's vanaf het dak van een oude bierbrouwerij die ook tot het Museum behoort en in het museumwinkeltje konden we de laatste ansichtkaarten kopen die we nog nodig hadden.
Na het Museumbezoek reden we met de U2 naar de Alexanderplatz. We wilden daar iets gaan eten en stapten tenslotte na lang aarzelen Kaffeestube Re binnen, naast het beroemde Rote Rathaus. We namen Bratkartoffel mit Rahmdillsauce (of zoiets) und Lachs. Die Bratkartoffel bleek een rauwe aardappel in de schil te zijn. Allerminst voor herhaling vatbaar dus. Het ijs dat we toe kregen was wel goed.
Na het eten reden we met de U5 terug naar het hotel, waar we tegen half acht aan kwamen. 's Avonds ben ik op mijn kamer gebleven om naar een Krimi te kijken, maar Bouke is nog even treintjes gaan spotten op station Friedrichsfelde-Ost.
Het weer vandaag: nog steeds bloedheet en tropisch vochtig. Afschuwelijk dus!
 

Maandag 20 augustus 2001

Voor vandaag stond onder andere de Funkturm op het programma. We begonnen met een tramritje: met een KT4 reden we naar het S-Bahnstation Friedrichsfelde-Ost. Hier stapten we over op de S-Bahn naar het Ostkreuz. Hier moesten we opnieuw overstappen, dit keer op de S4 naar Westhafen. Het werd een 485 (ex-DR), een S-Bahntype waar we nog niet eerder in hadden gezeten. Het interieur van dit type S-Bahnstel is versierd met de silhouetten van bekende Berlijnse gebouwen en dat staat wel aardig. We kwamen langs de zuidkant van het legendarische vliegveld Tempelhof en stapten uit op het Westkreuz. Het was een interessante en behoorlijk lange rit geweest. Na een ingewikkelde wandeling langs en door het Messezentrum en over een verkeersknooppunt bereikten we tenslotte de toegang tot de Funkturm. Die toegang is overigens lastig te vinden, want hij is verstopt aan de kant van de Masurenallee, waar je hem niet direct verwachten zou.
Tijdens de voorbereiding van de Berlijnexpeditie had ik op Internet ontdekt dat de Funkturm wegens werkzaamheden of zoiets gesloten zou zijn tot en met zondag 19 augustus. Het verbaasde me dus niet dat er naast de kassa een plakkaat hing waarop dat vermeld werd, maar.... de datum 19 was met viltstift doorgestreept en er was 20 van gemaakt. Ofwel: ook vandaag was de Funkturm DICHT. Dat was een heel irritante tegenvaller. We raakten er over in gesprek met een jong Duits gezin dat ook sip naar het plakkaat stond te kijken (maar zij zouden morgen terug kunnen komen; wij niet!) en liepen toen naar de ingang van de U-Bahn, om dan maar naar de andere Berlijnse uitkijktoren te gaan, de reusachtige Telespargel (officieel: de
Fernsehturm) op de Alexanderplatz. Maar toen kwam opeens de moeder van het Duitse gezin achter ons aan rennen. Ze nodigde ons uit met hun auto mee te rijden(!!) naar de Fernsehturm. Dat wel zeer vriendelijke aanbod hebben we natuurlijk met graagte geaccepteerd. Zo kregen we een onverwachte privérijtoer vanaf de Kaiserdamm (waar hun Space Wagon geparkeerd stond) naar de Schlossplatz, waar nog een parkeerplaats vrij was (dat was meer geluk dan wijsheid overigens, maar dat terzijde). Ik bood aan het parkeergeld te betalen, maar, zei onze gastheer, "das kommt gar nicht im Frage".
De rij voor de ingang van de Fernsehturm was minder lang dan we gevreesd hadden. De toegang kost 12,-- DEM, maar dat is het waard. De panoramagalerij bevindt zich op 200(!) meter hoogte en het uitzicht dat je er hebt is fantastisch. Je bent zo hoog, dat je het gevoel krijgt in een vliegtuig te zitten. De lucht was vrij helder, zodat we heel Berlijn duidelijk konden zien. De stad leek een verzameling
Faller-huisjes waar Märklin-treintjes doorheen reden. We namen tenslotte afscheid van ons gastgezin; hun drie kinderen hadden het letterlijk en figuurlijk wel gezien, maar wij nog niet. Ik stelde nog voor koffie te gaan halen (al had geen idee waar ik die vandaan had moeten toveren, want het torenrestaurant zat vol en er werd niemand meer in toegelaten), maar nee, "keine Gegenleistungen".
Toen we tenslotte weer met beide benen op de begane grond stonden, liepen we even het beroemde Rote Rathaus binnen. Het bleek echter dat daar binnen weinig anders te doen viel dan je laten voorlichten over de komst van de Euro en daar hadden we vandaag geen behoefte aan. Vervolgens slenterden we het Nikolaïviertel in. Dat is in theorie het historische hart van Berlijn, maar in werkelijkheid is het een soort
Efteling, want bijna alle gebouwen zijn replica's. De Nikolaïkirche heeft de oorlog overleefd, maar alles wat er omheen stond is tijdens de bombardementen verwoest.
Op het terras van de Historische (dus niet) Weinstube aan de voet van de Nikolaïkirche hebben we bij wijze van lunch "Linsensuppe mit viel Fleisch" gegeten en er zat inderdaad veel vlees in. Een eenvoudige doch voedzame maaktijd, zou heer Bommel gezegd hebben. Vervolgens zijn we langs de Spree gaan lopen. We passeerden de Mühlendammschleuse en kwamen toen bij de Jannowitzbrücke, waar rondvaartboten afgemeerd lagen. Dat leek ons wel wat.
Om drie uur vertrokken we dan ook met een rondvaartboot van de Kreis- und Sternschiffahrt richting de Schlossbrücke in Charlottenburg. Twee minuten na de afvaart gingen we opeens achteruit, terug naar de aanlegsteiger om een paar verlate passagiers alsnog op te pikken. Vervolgens moesten we nog de sluis in om geschut te worden. Dat schoot dus allemaal niet erg op, maar Charlottenburg hebben we uiteindelijk wel degelijk gehaald. Het eerste deel van de vaart was heel mooi en interessant: het Nikolaïviertel, het Museumsinsel met beroemde instituten als het Neues Museum en het Pergamonmuseum, en even verderop de Reichstag zijn dingen die je beslist een keer vanaf het water gezien moet hebben. We passeerden ook het fel bekritiseerde nieuwe
Bundeskanzleramt. Ik vond het inderdaad een bijzonder onsympathiek en veel te groot betonnen monster van een gebouw. De gids vertelde met fijne ironie dat de muur rond de tuin van het Bundeskanzleramt hoger is dan "de" Muur ooit geweest is. Daar zit een grimmig soort symboliek in. Ergens langs het water zagen we trouwens nog een klein stukje van "de" Muur. We leerden ook nog dat een Steg een voetgangersbrug is.
Tot slot Bellevue was de tocht dus zeer de moeite waard, maar het restant had niet gehoeven. Een willekeurig kanaal door een willekeurige stad is net zo (min) boeiend. Om een indruk te geven: de hoogtepunten in Charlottenburg waren het Spreekreuz met vlak daarbij het buro van de waterpolitie en daar tegenover het kort geleden gesloten laadstation van de vuilnisboot.
Onze rondvaartboot volgde op de terugweg precies de zelfde route als op de heenweg, wat ik ook minder geslaagd vond. Om 18.00 uur waren we weer terug bij de Jannowitzbrücke. Met de S-Bahn naar Friedrichsfelde-Ost; met de (lagevloer)tram terug naar het hotel. We hebben vanavond de avondmaaltijd gebruikt op het terras van het hotelrestaurant. Ik koos het Kalbshaxenfleisch met toestanden. Het Fleisch bestond voornamelijk uit vet en pezen, maar de toestanden waren lekker. Het weer: gelukkig wat minder slopend dan gisteren.
 

Dinsdag 21 augustus 2001

Vanmorgen zijn we om kwart over acht gaan ontbijten. Voor de vijf flesjes sinaasappelsap, die ik de afgelopen dagen uit de minibar op mijn kamer heb leeggezopen, hoefde ik slechts 5 DEM te betalen.
Rond negen uur vertrokken we uit het hotel. Het begon toen al weer warm en benauwd te worden. We namen de tram (opnieuw een Tatra) naar S-Bahnhof Friedrichsfelde-Ost, waar we overstapten op een S-Bahntrein, die niet verder bleek te gaan dan Warschauer Strasse. Geen probleem: even wachten en daar is de trein naar het Ostbahnhof al.
Onze ICE 829 "Johannes von Gutenberg" (de man van wie de Duitsers beweren dat hij de boekdrukkunst heeft uitgevonden) vertrok om 10.06 uur, keurig op tijd. Van de warmte buiten merkten we in de trein gelukkig niet zo veel. We hadden precies de zelfde plaatsen als op de heenweg en net als op de heenweg hebben we geluncht in het restauratierijtuig. Ik koos een typisch-postmodern-Duitse biologisch-dynamische Ökologische Sellerieteller. Bouke nam de Asiatische Reispfanne. Even na Bielefeld begonnen we er aan en even voor Hamm waren de Teller en de Pfanne op. Ze waren vrij prijzig geweest, maar wel lekker. Ook al weer netjes op tijd (14.12 uur) liepen we binnen in Duisburg. In de ICE 148 naar Nederland (vertrek uit Duisburg om 14.51 uur) hadden we ook alweer precies de zelfde plaatsen als op de heenweg. In ons compartiment bevonden zich een paar medepassagiers, waarvan één een Duitser was die naar Groningen moest. De man vroeg zich af waar hij in Nederland zou moeten overstappen, want hij had begrepen dat we ergens zouden worden omgeleid.
Dat was ook zo. Er waren baanwerkzaamheden aan de gang tussen Ede en Utrecht en in verband daarmee werd onze ICE omgeleid over de Kippenlijn. Dit tot verbazing van de lokale omwonenden, die niets anders dan boemeltjes en goederentreinen gewend zijn.
We zijn allebei uitgestapt in Amersfoort en vervolgens nam Bouke de trein naar Amsterdam en ik die naar Den Haag. Het was de trein van 16.57 uur, die tien minuten te laat was, maar dat verbaasde me niet, gezien de reputatie die de geprivatiseerde
NS op het gebied van punctualiteit heeft weten op te bouwen. Over de laatste etappe van mijn reis valt verder weinig te vertellen. Tegen half zeven was ik weer thuis.
Van het Oost-Berlijnse Tierpark naar Leidschendam rijden zonder zelfs maar je paspoort te hoeven laten zien: dat had ik in 1976 niet kunnen voorspellen!

 

terug naar het begin van dit verhaal

terug naar de startpagina

====================================