Aberystwyth

Links om in de stemming te komen:

de National Trust

English Heritage

Vrijdag 14 augustus en zaterdag 15 augustus 1987

Wie gaat er nu in vredesnaam op vakantie op een vrijdagavond om half twaalf? Ik deed het, maar het kon ook moeilijk anders. Onze boot zou immers uit Zeebrugge vertrekken om 4.00 uur 's nachts.
Nadat ik nog op de Duitse TV naar de aflevering "Toter Herr im Regen" uit de legendarische serie "Der Kommissar" gekeken had, kwam Piet mij even na half twaalf ophalen. Kort na twaalven arriveerden we bij Frank in Overschie, waar we nog even moeite hadden om binnen te komen, omdat zijn huisbel het weer eens niet deed. Het was de bedoeling geweest om half één te vertrekken, maar als gevolg van tweede kopjes koffie, hobbytijdschriften en de Samantha-Fox kalender, was het, toen we de Van Adrichemweg uit reden, één uur precies.
Frank zat aan het stuur; hij deed het kalm aan. We waren er van uit gegaan dat we tijd genoeg hadden. In Antwerpen-Luchtbal nam ik het over van Frank. Via de Waaslandtunnel kwamen we op de weg die pal west naar Knokke voert. Hier begon het tot ons door te dringen, dat we de afstand toch wel enigszins hadden onderschat. De Townsend-Thoresen folder verlangde van ons, dat wij ons om uiterlijk kwart over drie in Zeebrugge zouden melden en het werd steeds meer de vraag, of we dat wel zouden halen. Ik zag mij genoodzaakt, de snelheid steeds verder op te voeren totdat we tenslotte door de zachte zomernacht voortbrulden met een snelheid van 120 km/h. Om kwart over drie reden we net Knokke binnen en van daar af was het nog een dikke tien kilometer naar Zeebrugge. Na enig zoeken naar de terminal konden we inchecken om even voor half vier.
Achteraf bleek, dat we ons toch niet zó hadden hoeven te haasten. Pas na zo'n 25 minuten wachten konden we de boot op rijden. Wel behoorden we tot de allerlaatste auto's die arriveerden.
De Britten lopen een uur op ons achter. Ik zet de klok nu dus een uur terug en schakel daarmee over op de Greenwich Mean Time (GMT).
Om 3.12 uur GMT kwam ons schip, de "Free Enterprise VII" (gebouwd in 1973 en vorig jaar ingrijpend verbouwd en vergroot) los van de aanlegsteiger. "The weather at sea is fine" beloofde de kapitein via de omroepinstallatie, en hij bleek gelijk te krijgen. Het was droog en windstil en de temperatuur was plezierig.
Nadat we aan boord gekomen waren, gingen we eerst het schip eens onderzoeken. Daarna begaven we ons aan dek, om de afvaart en de vaart door de haven te bekijken. Toen het schip op volle zee was gekomen, vonden we het tijd worden om een overnachtingplaats op te zoeken. Uit een eerder telefoongesprek was ons gebleken, dat er geen hutten beschikbaar zouden zijn, en dus installeerden we ons maar in de slaapstoelen van een klein zaaltje aan stuurboord met uitzicht (nou ja, overdag dan) op het passagiersvoordek. We probeerden te slapen, maar daar kwam natuurlijk niet veel van. Een slaapstoel beslist niet het zelfde als een bed. Ik doezelde wel wat in, maar daar bleef het bij.
Om 5.00 uur werd een aantal passagiers om onduidelijke redenen ineens wakker en ook Frank en Piet gingen naar dek. Na een poosje waren ze weer terug. Ik besloot, ook maar op te staan en naar buiten te gaan en Frank liep met me mee. We kozen positie op het achterdek en zagen daar om 5.35 uur recht achter ons de zon opkomen, een prachtig gezicht. We bleven eindeloos lang aan dek om naar de zee te kijken en de voorbijkomende schepen te becommentariëren, maar tenslotte gingen we toch Piet weer opzoeken. We besloten te gaan ontbijten (het liep inmiddels "al" tegen zevenen, als ik het me goed herinner) en wandelden naar de cafetaria. We besloten tot het nemen van een Engels ontbijt. Het bestond uit worstjes, een enorme plak ontbijtspek, een gebakken ei en een tomaat. Het smaakte prima, maar het was wel vet! Toch stáát zo'n ontbijt in je maag en we konden er weer even tegen. De Engelse kust was inmiddels in zicht gekomen en in een stralende zon, onder een wolkeloos blauwe hemel, koersten we op Dover af. De beroemde "white cliffs" bevonden zich aan stuurboord en recht voor ons lag de haven met daarachter op een hoge rots het indrukwekkende kasteel. Een prachtig gezicht! We zagen ook nog een boel schepen (waaronder enkele van Townsend Thoresen) en in de verte een hovercraft. Om even over negen voeren we tussen de pieren door. De kapitein verontschuldigde zich via de boordomroep voor "this late arrival" en schreef het toe aan "tide problems". Dat zal dan wel.
Aan één van de aanlegsteigers zagen we de "Spirit of Free Enterprise" liggen, een zusterschip van de beruchte "Herald".
Heel kort na het afmeren reden we, om ongeveer vijf voor half tien, van het schip af. Pijlen op de weg en borden loodsten ons naar een hokje, waar we onze passen moesten laten zien en moesten vertellen, hoe lang we in het
Verenigd Koninkrijk dachten te blijven ("eight days"). Vervolgens reden we een groot betonnen gebouw binnen, waar we door een man in uniform werden verwezen naar controleplatform zeven. Hier stond een, eveneens in uniform gestoken, zeer charmante juffrouw, die alweer onze passen wilde zien. Daarna stak zij in enigszins geaffecteerd BBC-Engels een lang verhaal af over de invoerbepalingen van "the UK". We biechtten op dat we een slof sigaretten bij ons hadden (ten behoeve van Frank), maar dat was blijkbaar geen bezwaar: de slagboom ging open en we mochten Engeland binnen. Piet had inmiddels het stuur genomen en nu begon voor hem de beproeving van het links rijden. De eerste kilometers (pardon, mijlen) is dat heel eng. Dat enge gaat er gauw genoeg af, maar zelfs op de Motorway blijft links rijden belangrijk méér inspanning vergen dan rijden op de autosnelwegen van het continent. We volgden de "toeristenroute" naar Londen, langs de kust, met een prachtig uitzicht op Folkestone, en daarna de A 20 en M 20. Langs deze route staan hier en daar aan de linker- en rechter(!)kant borden die je er in drie talen op wijzen, dat je links moet houden. Toen we op de M 25, de "Ring" rond Londen kwamen, werd het erg druk. De weg bevond zich duidelijk aan de grens van z'n capaciteit. Van Londen zelf was overigens niets te zien. We verlieten de M 25 via de M 3 en sloegen toen rechtsaf richting Bracknell. Even vóór Bracknell stopten we op een parkeerplaats in een mooi bos. Hier konden we even onze benen strekken en toen dat gebeurd was, was het Frank z'n tijd om met links verkeer kennis te maken. We stopten nog even om te tanken en toen was het: op naar de M 4 en naar Bristol! Zelf was ik inmiddels op de achterbank gaan slapen. Daar was ik wel aan toe! Ergens in de buurt van Swindon maakte ik mezelf wakker. We reden toen door een golvend huisje-boompje-beestje landschap dat een vriendelijke indruk maakte, maar niet spektakulair was. Even na afslag nummer 17 hielden we halt op het parkeerplaats- annex- benzinestation-complex Leigh Delamere. Pompen zijn er langs de Britse autosnelwegen maar heel weinig en het was op de parkeerplaats uitermate druk. We dronken Spa Rood uit blikjes en ik at mijn uit Nederland meegebrachte brood (met kaas) op. Toen was ik voldoende aangesterkt om zelf achter het stuur te gaan zitten. Ik hield het vol tot in de buurt van Swansea, maar toen moest ik er wegens vermoeidheid echt mee stoppen. Het laatste stuk naar Aberystwyth was weer voor Piet. Het was een mooi trajekt, maar ik was te slaperig om alles goed in me op te nemen. Rond vijf uur kwamen we aan in Aberystwyth. De universiteit bleek gemakkelijk te vinden. We zitten in het laatste gebouw van de rij. Het is vrij nieuw en ziet er van buiten prima uit, maar de onderhoudstoestand is schandalig. Het gebouw is volkomen uitgewoond. Zo ziet de houten tafel er bijvoorbeeld uit of er vuurtjes op zijn gestookt!
Na het bezichtigen van deze troep ging we nog even (met de auto) de "stad" in. We namen een kijkje op het station, liepen nog even over de boulevard en aten tot slot een hamburger bij de Wimpy. Tijdens de wandeling begonnen mijn ogen te prikkelen en te tranen en ik had het gevoel, dat de weg onder mijn voeten wiebelde.
Tijd dus om naar bed te gaan. Ik plofte op mijn gammele matras en zonk weg in een droomloze, héél diepe slaap.
 

Zondag 16 augustus

Om 9.00 uur vanmorgen troffen we elkaar aan de ontbijttafel. Om 10.00 uur waren we op het station van Aberystwyth, en om 10.16 uur vertrokken we per stoomtreintje naar Devil's Bridge. Aan kop van de trein stond de mooie, okergele "Prince of Wales". We zaten in een open rijtuig; het was nog steeds prachtig weer. In ons rijtuig bevond zich onder andere een gezelschap Japanners.
Het werd een reuze leuke rit van precies één uur lang. Even voor Capel Bangor moest onze trein stoppen, omdat er schapen op de baan liepen! Luid fluitend zette onze lok daarna weer aan, met als gevolg dat de arme dieren in paniek naar alle kanten vluchtten. De Welshe schapen zijn trouwens anders van uiterlijk dan hun Nederlandse collega's: ze zijn gedeeltelijk zwart van kleur, en bovendien hebben ze een lange staart!
Kort na dit schaapachtig intermezzo dook onze trein de bossen in en begon te klimmen. Het hele trajekt naar Devil's Bridge reden we met een (voor een smalspoortrein) flinke snelheid. Op de hellingen, en in de (soms zeer krappe) bogen gaf dat aanleiding tot een geweldig spektakel van de zijde van de locomotief, waarvan wij volop konden meegenieten omdat ons rijtuig het tweede achter de lok was. Veel te vroeg naar ons zin bereikten we het eindstation Devil's Bridge. Het was toen kwart over elf, en om vijf voor twaalf ging de trein al weer terug. Dat betekende dat er veel te weinig tijd was om af te dalen in de kloof, en daarom deden we dat maar niet. Jammer, maar misschien komt het later nog een keer. De terugreis was wat minder spektakulair dan de heenreis, omdat de lok zich nu minder hoefde in te spannen. Bij aankomst in Aberystwyth wachtte ons een verrassing: op één van de sporen van het "grote" station stond de 7819 "Hinton Manor", een grote stoomlok, met erachter een lange sleep prachtig gekleurde grote vierassige rijtuigen. Uit een foldertje, dat ik in het stationsgebouw wist te bemachtigen, bleek dat deze stoomtrein een "special" was, de "Cardigan Bay Express". Om precies één uur zou hij moeten vertrekken, en dat was over een paar minuten. We keken op de kaart, en zagen dat we hem zouden moeten kunnen opvangen in Bow Street, een plaatsje even ten noorden van Aberystwyth. Dus reden we daar naar toe, en kozen positie bij een viadukt. Een minuut later kwam de trein er al aan. Hopelijk zijn de dia's geslaagd!
Het volgende programma-onderdeel was de zilverloodmijn van Llynwernog, in de buurt van Devil's Bridge. Tegenover deze museummijn bevond zich een pub ("The Red Kite") en daar gingen we lunchen. Dat was een avontuur op zich! Eerst zaten we buiten, maar toen Frank en Piet bier bestelden (ik niet - ik zou de rest van de dag het autorijden voor mijn rekening nemen), kregen we te horen dat we daar voor naar binnen moesten (?). Later vroeg Frank aan "the manager" waarom dat zo was, en het bleek iets te maken te hebben met een door de overheid gevoerde anti-alcoholcampagne. Het vinden van het toilet van The Red Kite was trouwens ook een hele opgave. Pijltjes wezen de weg, door allerlei kamers met biljarten, open haarden, grote schilderijen en dat soort zaken, en pas na een heel lange wandeling kwam je dan toch waar je wezen moest.
Na deze pret liepen we naar het mijnmuseum aan de overkant van de weg. Het was klein, en duidelijk nog in opbouw, maar er was genoeg te zien en ik vond het allemaal machtig interessant. Er waren maar weinig andere bezoekers. We bleven er ruim een uur, en reden toen terug naar Aberystwyth.
Volgende attractie was de Cliff Railway die je daar hebt. Het is een laat-Victoriaans kabelspoortje, dat voert naar de top van Constitution Hill. Daar bevindt zich een originele Camera Obscura. Dat was een verrassing voor ons, want in geen enkel gidsje dat we gelezen hadden, komt het ding voor. Zo'n Camera Obscura is ontzettend geinig. Heel Aberystwyth was duidelijk te zien; zo zagen we onder andere, dat in het station de Cardigan Bay Express weer stond opgesteld. Na het bezichtigen van de Camera Obscura bleven we nog even het uitzicht vanaf Constitution Hill bewonderen, en daarna gingen we per kabelspoor weer naar beneden. In een winkeltje dat zowaar nog open bleek te zijn (de openingstijden van de winkels hier onttrekken zich aan iedere logica) kochten we wat flessen limonade, en daarna gingen we maar weer bij Wimpy eten.
's Avonds zijn Frank en Piet nog even opnieuw de stad in gegaan. Zelf bleef ik "thuis", om aan mijn verslag te werken.
 

Maandag 17 augustus

Het ontbijt begon vanmorgen om 8.00 uur. Onplezierig vroeg, maar we wilden naar Llandudno. Het was goed weer; wat later op de morgen zou het even gaan regenen, maar na dat buitje trok de lucht weer open en de rest van de dag is het stralend weer geweest met (te) hoge temperaturen.
Frank reed. We gingen in noordoostelijke richting, via de A 487. Even vóór Dovey Junction kwamen we de Cardigan Bay Express weer tegen. Na Machynlleth reden we noordwaarts, nog steeds over de A 487, naar Dolgellau; een prachtig trajekt!
Maar het zou nog mooier worden. We reden alsmaar verder noordwaarts, langs Trawsfynnydd (dank U) naar Maentwrog. Hier ging ergens iets mis, want na enige tijd ontdekten we, dat we op de A 496 zaten, die naar de kust voert. Het betekende overigens maar een kleine omweg. Na een tijdje bogen we weer noordwaarts af en passeerden toen een gammele en uiterst smalle gecombineerde trein- en autobrug, waar je nog 15 p tol voor moest betalen ook. We reden daarna verder naar het noorden via de A 4085. De omgeving werd steeds mooier; het landschap deed mij sterk aan Noorwegen denken. Na het passeren van het mooie, nauwe dal van Aberglaslyn kwamen we in Beddgelert. Hier rechtsaf de A 498 op en toen begonnen we langzaam te klimmen. We stopten even om opnamen van de omgeving te maken en toen we weer verder reden, doemde links het massief van de Snowdon op. De top was goed zichtbaar; we boften dus, want meestal schijnt hij zich in de wolken te bevinden! We stopten opnieuw langs de kant van de weg en zagen schuin aan de overkant de weg naar de Llanberis Pass lopen. Een paar minuten later reden we zelf op dat stuk weg. Spoedig bereikten we de pashoogte, en toen begon een langzame afdaling naar Llanberis, door een nauw dal zonder bomen- of plantengroei.
In Llanberis hielden we halt om de situatie eens te overdenken. We waren op weg naar Llandudno, maar het zou toch wel zonde zijn om de kans te laten glippen met mooi weer de Snowdon te bestijgen. We kwamen tenslotte tot de conclusie, dat we Llandudno tot een andere dag moesten bewaren.
Het mijns inziens beste plan voor het "doen" van de Snowdon (met
het treintje naar boven en naar beneden lopen) bleek helaas uitgesloten. We zouden pas om vijf uur mee kunnen - alle vroegere treintjes waren al volgeboekt. Bovendien was de rit veel te duur: zeven(!) pond voor een enkeltje, en er werd niet eens tot de top doorgereden - "due to engineering works", volgens een bordje. Er zat dus maar één ding op: lopen. Om daar krachten voor op te doen (en gewoon omdat we trek hadden) zijn we in het stationsrestaurant eerst bonen op toast gaan eten. Daarna gingen we in het dorp op zoek naar het voetpad naar de top, maar we konden het nergens vinden. Navraag bij de VVV leerde ons, dat we juist aan de andere kant van het station hadden moeten zoeken. En ja hoor, nu vonden we een bordje "Snowdon Summit". Op pad dus maar. Frank en ik vonden het al na twee minuten te warm en te steil. We wilden dus omkeren, maar dat mocht niet van Piet. En zo strompelden we in de brandende zon, zonder enige beschutting, de boomloze hellingen van de Snowdon op. Tijdens één van onze talloze uithijg-pauzes raakten we in gesprek met een aardige dame uit Stratford, die belangstellend geïnformeerd had, of de taal die wij onderling spraken, soms Welsh was(!). We hebben haar snel uit de droom geholpen.
Toen we bij Halfway House waren aangekomen, weigerden Frank en ik eensgezind om nog maar één meter verder te klimmen. In het House dronken we enige glazen melk, en daarmee waren we voldoende aangesterkt voor de terugtocht. Terug in Llanberis waren we alle drie bek-af. De terugrit naar Aberystwyth verliep dan ook in stilzwijgen, dat echter kortstondig onderbroken werd toen we in Tan-Y-Bwlch (zo heet het daar werkelijk) nog even het station van de
Ffestiniog Railway gingen bekijken. Er liep juist een trein binnen.
De volgende stopplaats was Dolgellau, waar we levensmiddelen en bier kochten. Het was al na zessen, maar ook hier waren er toch nog enige winkels open. In Aberystwyth leverden Frank en Piet mij "thuis" af om aan mijn verslag te werken, waarna zij de stad in gingen om het avondeten te halen. Voor mij kochten zij twee cheeseburgers en voor zichzelf hadden ze "fish and chips" meegenomen. Dat laatste bleek niet voor herhaling vatbaar. Wat mij overigens niet verbaasde.
 

Dinsdag 18 augustus

Het is vandaag geen best weer geweest. Vanmorgen zat alles in de mist. Die trok later wat op, maar het bleef somber.
Frank en Piet gingen vandaag "bussen". Ik had daar geen zin in, en kreeg dus de auto toegewezen. Na het ontbijt (aanvang: 8.00 uur) reed ik Frank en Piet naar het station en zag hoe zij om 9.00 uur per dubbeldekker vertrokken met een voor hen en mij onbekende bestemming. Zelf stapte ik weer in de auto, en sloeg de A 4120 in richting Devil's Bridge. Het werd een spannend ritje. In de bebouwde kom van Aberystwyth had ik van de mist niet veel last gehad, maar hier, op de hoogvlakte, zat het potdicht. Gelukkig arriveerde ik heelhuids bij de Devil's Bridge. Omdat het nog vroeg was, kon ik de auto makkelijk kwijt. Er waren twee wandelingen uitgezet, een lange en een korte. Ik besloot te beginnen met de lange. Toegang tot het pad kostte een pond(!). Aan het loket was nog geen mens te zien, maar er was een tourniquet dat je kon laten draaien door er een munt in te werpen, en zo kon ik toch nog op weg.
Het werd een fantastisch mooie tocht. Een wandeling kon je het eigenlijk niet noemen; het was meer een hele lange klim- en klauterpartij. Ik ging langs een steile "Jacobsladder" naar beneden tot aan de voet van de waterval, die gevormd wordt door het riviertje de Mynach. Vervolgens liep ik over een brug, en daarna klom ik aan de andere kant weer omhoog. De lucht was warm en heel vochtig, en toen ik tenslotte weer boven was gekomen, zweette ik als een otter.
Bij een hotel zag ik tot mijn verbazing een Speedwellbus staan. Ik raakte in gesprek met een aantal oudere dames uit die bus. Zij waren net als ik zeer enthousiast over
Wales.
Ik liep verder langs het autoweggetje, stak de moderne Devil's Bridge over (er zijn drie verschillende duivelsbruggen; ze bevinden zich praktisch boven op elkaar) en kwam zo weer terug op mijn beginpunt. Het kantoortje was inmiddels open gegaan en ik kocht er een beschrijving van de wandelroutes.
Nu was de korte wandeling aan de beurt. Deze kostte maar een half pond. Hij was dan ook erg kort, maar bood wel een prachtig zicht op de drie bruggen. Ik keek op mijn gemak rond, klom weer naar boven en liep vervolgens naar het bekende stationnetje van de stoomtrein. Hier zorgde ik in het souvenirwinkeltje voor hilariteit door 55 ansichtkaarten te kopen (voor Frank, Piet en mijzelf). "He's gonna sell them on the M1" merkte een juffrouw snedig op. De verkoper was natuurlijk reuze enthousiast ("thank you very much and a good day to you, sir!") en beloofde me een plaats in het Guinness Book of Records. Met mijn 55 kaarten kroop ik de auto in en reed over Ponterwyd naar "huis". Het weer was ondertussen iets beter geworden, maar niet veel. In de keuken ben ik iets gaan drinken (maar gegeten heb ik niets - en, achteraf bezien, was dat stom) en ging toen op weg naar de ruïne van de abdij van Strata Florida. Ik volgde de A 487, de A 485, de B 4575, de B 4340 en de B 4343. Een prachtige route over smalle, maar goed berijdbare weggetjes, door een groen maar zeer eenzaam landschap. De abdijruïne zelf is niet zo interessant, maar de sfeer die er omheen hangt is heel bijzonder.
Na mijn bezoek aan de ruïne bereed ik nog even het weggetje dat langs de abdij loopt en dan de verlatenheid in duikt. Het bleek tenslotte dood te lopen, waarna ik omkeerde, de abdij weer langs kwam en de B 4343 nam naar Tregaron. Vandaar reed ik via de A 485 en de A 487 terug naar Aberystwyth. Ik parkeerde de auto en ging bij Wimpy een hamburger eten. Ik kan nu geen hamburgers meer zien! Bij W.H. Smith kocht ik een wegenkaart van Noord-Wales; ik liep nog over de boulevard en door de kasteelruïne (overigens meer ruïne dan kasteel) en ging toen weer terug naar huis, waar ik rond vier uur aan kwam. Daarnet ben ik alweer bij Wimpy gaan eten (een "Spicy Bean Burger" dit keer) en nu (20.30 uur precies) zit ik te wachten tot Frank en Piet terug komen. Ik heb overigens nog genoeg te doen: ik moet mijn kaarten nog schrijven!
 

Woensdag 19 augustus

Frank en Piet kwamen gisteravond tegen kwart voor elf terug. Ikzelf was rond half elf nog even op het station geweest om te kijken, of ze daar soms waren, en we blijken elkaar net te zijn misgelopen.
Vanmorgen ontbeten we om 8.00 uur. Er moest vandaag weer veel gereden worden, en dit keer was het mijn beurt. We reden de bekende route naar Machynlleth (waar we tankten en waar we op het station alweer de Cardigan Bay Express tegen kwamen), Dolgellau en Trawsfynydd. Een stukje verderop sloegen we rechtsaf richting Blaenau Ffestiniog, waar zich allerlei mijnen bevinden. Die staan voor morgen op het programma. Vandaag reden we verder via Betws-Y-Coed en Llanrwst en arriveerden uiteindelijk in Tywyn, een voorstad van Llandudno. De auto konden we kwijt op een niet al te grote afstand van Llandudno Junction Station en daar namen we de trein van 11.48 uur naar Llandudno. Een kort ritje (acht minuten), maar heel leuk! De lijn loopt dwars door een golfterrein(!). We zaten in een Sprinter (de 150 237) en dat beviel me best. In Llandudno hadden we weinig moeite om het dalstation van de Great Orme Tramway te vinden en al spoedig waren we onderweg naar de Great Orme Summit. Een schitterende rit! Je gaat heel steil omhoog, door smalle straatjes en langs rotswanden. Halverwege moet je overstappen. Het tweede stuk is wat minder steil, maar toch ook erg leuk. Het rijdt allemaal erg langzaam, en daardoor krijg je de indruk dat je een enorme afstand aan het afleggen bent, terwijl dat beslist niet zo is!
Boven op de Great Orme kun je het mooie uitzicht bewonderen, maar verder valt er niet veel te beleven. Nadat we het één en ander gegeten en gedronken hadden, gingen we dan ook maar weer gauw naar beneden. Op het spoorwegstation ontdekten we tot onze grote vreugde, dat voor de rit van 14.40 uur richting Llandudno Junction, waar we met mee wilden, een 101 klaar stond, een zwaar verouderd type dieseltreinstel. Dat was vooral zo leuk, omdat de machinist bij dat type trein van de passagiersruimte is afgescheiden door een glazen wand. We konden hem dus naar hartelust op zijn vingers kijken, en na een weer veel te korte rit waren we op ons uitgangspunt terug.
En wat nu? We besloten naar
Conwy Castle te gaan; dat was vlak in de buurt. Helaas was het parkeerplaatsje bij het kasteel vol en dus reden we maar weer verder, het toeristische en zeer drukke stadje Conwy door. Toen kwamen we op het idee dan maar naar Penrhyn Castle te gaan. We volgden dus de A 55 westwaarts en bereikten Penrhyn. Via een prachtig park met spreekwoordelijk gemillimeterde gazons kwamen we op de parkeerplaats van het kasteel. We gingen naar binnen, en al spoedig werd duidelijk dat we de toegangsprijs van 2,10 GBP beter hadden kunnen besteden. We hadden een middeleeuwse militaire burcht verwacht, met torens, kerkers, kanonnen en dat soort zaken, maar wat we te zien kregen was het prollerige landhuis van een negentiende-eeuwse kapitalist. Interessant om eens gezien te hebben, maar om daar nu zo veel geld voor te betalen: nee. Het smalspoormuseumpje, dat bij het Castle hoorde, was maar een schrale troost (er hoorde ook een poppenafdeling(?) bij; "But you can have a look at the dolls as well!" suggereerde de dame achter de kassa enigszins ironisch; ze had natuurlijk heel goed door, dat het ons alleen om de treintjes begonnen was).
Na deze tegenvaller gingen we maar weer richting huis. We namen de A 5 over Bethesda en Capel Curig naar Betws-Y-Coed. Onderweg passeerden we nog de Swallow Falls, die mooi moeten zijn, maar ze wilden ons zowel voor het parkeren als voor het bezichtigen van de waterval laten betalen en dat was ons te bar. Ik (ik zat aan het stuur) ben dus maar weer snel doorgereden. Na Betws ging er iets mis met de plaatsbepaling, en op een zeker moment ontdekten we, dat we op de B 4407 zaten, die weliswaar de goede kant op ging, maar met een gigantische omweg. Het was echter de moeite waard! We reden over een eenzame, moerassige hoogvlakte met schapen als enige bewoners. Die schapen trokken zich trouwens niets aan van het (overigens zeer schaarse) verkeer en bleven rustig op de weg staan als er een auto aan kwam. Er kwam nog een stevige mist op zetten en die maakte de omgeving ronduit luguber. We verbeeldden ons dat we dwaallichtjes zagen. Ik moest denken aan de Dode Moerassen uit
Tolkien. Toen doemde uit de mist "the highest petrol station of Wales" op en we kwamen op een andere weg, de B 4391, die ons naar het veilige dal voerde.
De verdere rit naar Aberystwyth verliep zonder bijzondere gebeurtenissen. Tegen negenen kwamen we aan. We deden boodschappen in een "From Eight till Late" geopende Spar (zouden we in Nederland ook moeten hebben!) en gingen vervolgens op zoek naar iets eetbaars. Tot onze vreugde ontdekten we een Chinees die aan "take away" deed. Piet bleef zitten in de geparkeerde auto terwijl Frank en ik binnen waren om wat te bestellen. Tijdens het wachten totdat ons eten klaar zou zijn, raakten we in gesprek met twee oudere dames die uit Wassenaar afkomstig waren. Dat was aan hun spraak en aan hun manieren ook wel duidelijk te merken. De twee porties Chinees hebben we tenslotte smakelijk met z'n drieën opgegeten.
Na het eten vond nog een incidentje plaats. Piet en ik zouden nog even iets uit de auto halen en daarbij slaagden we er in, de sleutels in de afgesloten wagen te laten liggen. Met behulp van een nagelvijl(!!) van Frank slaagde Piet er gelukkig in, het portier alsnog te openen. Hij heeft blijkbaar aanleg voor autokraker.
 

Donderdag 20 augustus

Het weer is vandaag redelijk geweest: somber, maar het bleef droog. Ontbijt om 8.00 uur. Spek!
Via de langzamerhand overbekende weg over Machynlleth, Dolgellau en Trawsfynydd reden we naar Blaenau Ffestiniog. Even ten noorden van deze plaats bevinden zich de beroemde Llechwedd Slate Caverns. En terecht dat ze beroemd zijn!
We kwamen er even over half elf aan. Met de drukte viel het toen nog mee, maar een uur later waren de rijen al meters lang. We begonnen met een bezoek aan de Deep Mine. Dat is een belevenis!! Je krijgt eerst een blauwe, plastic helm op. Daarna stap je in een kabelspoortreintje. De deuren klappen dicht, en dan zit je met z'n zessen gezellig opgesloten in een heel nauw hokje. Vervolgens ga je met donderend lawaai met hoge snelheid naar beneden. Dan stopt het treintje, je stapt uit en begint te wandelen. Lampen die achter je uit gaan en voor je aan gaan dwingen je, het juiste tempo aan te houden. De verlichting is uitgekiend, met goed berekende effecten en uit luidsprekers komt boeiend commentaar; je wordt zogenaamd rondgeleid door een echte mijnwerker. Al duurt het maar kort, zo'n rondwandeling laat een diepe indruk achter.
Na de Deep Mine gingen we in de rij staan voor de Miner's Tramway. Er stond nu al een behoorlijke rij. Ik schat dat we zeker zo'n 20 minuten hebben moeten wachten. Toen konden we in het mijntreintje stappen. Het bestond uit een acculokomotiefje met daarachter een aantal open wagentjes met banken er op. We draaiden scherp naar links en doken toen met hoge snelheid de mijntunnel in. Het was er koud en het lawaai was oorverdovend. We kwamen weer even in de open lucht, maar al heel spoedig doken we weer een tunnel in. Seinlichten en tegentreinen flitsten voorbij, waarbij het iedere keer maar nét goed leek te gaan. Na enige tijd stopten we. Een mijnwerker voerde ons vervolgens langs een aantal displays en gaf daarbij tekst en uitleg. Dan weer het treintje in en naar de uitgang.
Laatste programmapunt was een man die liet zien hoe je uit een dik brok leisteen dunne plakken haalt van een gestandaardiseerd formaat ("dressed slates"). Leuk!
Wat ondergronds de diepste indruk op ons gemaakt had, was de bijna griezelige timing waarmee alles werd uitgevoerd. De ene groep was nog maar nauwelijks weggevoerd van een display of hup, daar kwam het volgende treintje al weer aan. En dat achter elkaar door. We hadden nu een enorme hoeveelheid indrukken te verwerken gekregen, maar toch was het nog niet eens één uur. We keken nog even naar de bovengrondse gedeelten van het museum (ook interessant) en reden toen terug naar Blaenau Ffestiniog. We parkeerden de auto in een zijstraatje en liepen naar het gecombineerde stationnetje van British Rail en de Ffestiniog Railway. Daar was helaas weinig te zien. Dus wat nu? Na enig gedelibereer werd als volgt besloten: Piet en Frank zouden gaan bussen (ze krijgen er maar geen genoeg van) in de buurt van Lampeter en ik zou thuis worden afgezet om de kaarten te verzenden (in het postkantoor van Blaenau had ik de benodigde zegels gekocht) en om het verslag bij te werken. 's Avonds zouden we gezamenlijk gaan eten.
Aldus geschiedde. Frank en Piet waren om half tien terug, allebei geheel in extase. We zijn gaan eten bij de Chinees van gisterenavond.
 

Vrijdag 21 augustus

Onze laatste "echte" vakantiedag begon met een akelig vroeg ontbijt (7.00 uur!) en snertweer: regen! In de loop van de morgen werd het echter beter en 's middags was de lucht weer wolkeloos, met een temperatuur van (waarschijnlijk) ver boven de 20° C.
Ook vandaag was het weer een "gesplitst" programma: Frank en Piet gingen bussen en de auto was voor mij. Maar eerst reden we gezamenlijk (met mij aan het stuur) naar Machynlleth. Ik zette mijn passagiers af bij de busgarage en parkeerde daarna de auto voor het spoorwegstation. Ik ontdekte toen tot mijn vreugde, dat de stoomlok die de Cardigan Bay Express trok, vlak bij het station goed fotografeerbaar stond opgesteld. Het weer was er echter nog steeds niet naar om foto's te maken. Maar goed, ik kocht een treinkaartje en vertrok om 8.20 uur per Sprinter naar Tywyn, beginpunt van de
Tallylynn Railway. Ik was om 8.47 uur in Tywyn, wandelde naar het stoomtreinstationnetje (dat duurde een paar minuten) en ontdekte dat de hele boel tot half tien op slot zat. De eerste trein zou vertrekken om tien voor half elf. Ik gooide wat geldstukken in een automaat om een modeltreintje een paar rondjes te laten rijden en liep toen het dorp in. Om half tien stond ik weer op de stoep van het stationnetje. Meteen werd de deur van het slot gehaald en ik kon naar binnen. Ik stormde naar de boekenafdeling van de souvenirwinkel, om daar weer veel te veel geld uit te gaan geven. Vervolgens kocht ik voor drie pond een retourtje naar het eindpunt en toen liep ik het perron op. Al gauw liep het treintje binnen, of liever, de trein, want het was een hele lange. Tot mijn vreugde ontdekte ik er een open rijtuig (nummer 11) in en ik ging er meteen in zitten. Het locomotiefje dat de trein moest gaan trekken, de Sir Haydn, was erg klein, en ik bekeek ik het met enig wantrouwen: moest dát ding die hele sleep wagens in beweging brengen?
Nadat om 10.18 uur door een zeer aantrekkelijke conductrice het afrijsignaal was gegeven, bleek het echter best te gaan. Alleen op hellingen had onze Sir het er wat moeilijk mee.
Het was een erg leuke rit, al was hij niet zo spektakulair als de rit over de Rheidol-lijn. In Abergynolwyn bleven we heel lang staan; in het eindstation, Nant Gwendol, maar kort. Om 12.03 uur, precies volgens dienstregeling, waren we weer terug in Tywyn. In het winkeltje kreeg ik mijn boeken terug (ik had ze er achter gelaten omdat ik geen zin had om ze mee te slepen in de trein) en daarna bestelde ik een forse lunch, bestaande uit zes boterhammen (belegd met kaas, tomaat en uien) en een kwart liter melk. Aldus gesterkt bezocht ik nog het smalspoormuseumpje (niet veel aan) en liep toen terug naar het station voor de trein van 13.10 uur richting Machynlleth. Die kwam om 13.00 uur precies al binnen (het was trouwens de zelfde Sprinter als vanmorgen) en hij bleef tien minuten lang langs het perron staan brommen. De slechtgehumeurde kondukteur van vanmorgen had assistentie gekregen van een beter geluimde collega met een Portis-apparaat. Ik zei tegen hem, dat ik al een kaartje had, en hij geloofde me op mijn woord. Om 13.36 uur was ik terug in Machynlleth. Het was inmiddels schitterend weer geworden en ik had nu alle kans om de stoomlok te fotograferen.
Voor de verdere middag had ik inmiddels iets leuks bedacht: de Tallylyn Railway passeert onderweg een mooie waterval, de Dolgoch Fall, en die wilde ik nu eens op mijn gemak gaan bekijken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik reed via de A 493 naar het gehucht Cwrt en sloeg daar het zijweggetje naar de Happy Valley in. De rit door de Happy Valley van Cwrt naar Tywyn was mét de rit naar Llanberis zonder meer de mooiste die ik in Wales heb gemaakt. Een prachtig landschap, dat in de stralende zonneschijn op zijn allermooist uit kwam. Ik kwam nog een mooie telefooncel tegen ook (dia!) en daarmee was het helemaal volmaakt. In Tywyn kocht ik nog even een postzegel en toen was het: op naar de Dolgoch Falls. Onderweg kwam ik nog twee oude bussen tegen.
De Dolgoch Falls bleken mooi te zijn. Er zijn in het gebied er omheen een heleboel prachtige wandelpaden, maar ik moest me in verband met de tijd tot een paar er van beperken. Ik ontdekte nog een oude mijnschacht en de ingang van een onderaards riviertje, dus mijn dag kon niet meer stuk.
Via Corris reed ik terug naar Machynlleth en zo weer naar Aberystwyth. Ik stopte "thuis" om wat te drinken en reed toen nog even de stad in om te tanken en om wat te eten te halen voor vanavond en morgen. Daarna kon ik me weer aan mijn verslag zetten. Even voor negen ging de telefoon. Ik meldde mij met "Harmsen speaking" en ja hoor, het was Piet aan de andere kant van de lijn. Frank en hij komen vanavond om half elf aan op het station van Aberystwyth. Ik zal ze dus maar op gaan halen.
 

Zaterdag 22 augustus

Ontbijten deden we vanmorgen om 7.00 uur. Op de ontbijttafel lieten we 3,60 GBP achter voor de melkboer voor de door hem geleverde 15 flessen. Ik gooide onze kamersleutels in de brievenbus van de Manager's Office en om 8.00 uur verlieten we het universiteitsterrein. Piet reed. We volgden precies de zelfde route als op de heenweg, al lag het tempo nu flink wat hoger. Bij Bristol was op de rijbaan richting Severn Bridge een ernstig ongeluk gebeurd, waardoor een kilometers lange file was ontstaan. De rijbaan richting Londen daarentegen was wel druk, maar we konden toch behoorlijk doorrijden. Bij Leigh Delamere hebben we weer gestopt, onder andere om te tanken, en Frank nam het hier van Piet over. Via Bracknell kwamen we op de M 3 en toen werd het spannend: hoe druk zou het zijn op de M 25, de beruchte ringweg rond Londen? Dat viel gelukkig reuze mee: er was niet meer verkeer dan op de M 4! Nu begonnen we lekker op te schieten. Al om kwart voor drie waren we in Dover. Hier tankten we opnieuw, om 's nachts op het vasteland niet in brandstofproblemen te komen. Het was inmiddels mooi weer geworden. Gedurende de reis naar Dover was de lucht zwaar bewolkt geweest, wat tijdens een lange-afstandsrit trouwens eerder een voordeel dan een nadeel is. We keken eens omhoog naar Dover Castle, hoog op z'n rots. Zou dit nu een kasteel zijn zoals we ons dat voorstelden? We besloten de gok te wagen en kochten een (duur) kaartje. Het bleek een goede gok te zijn geweest. Het uitzicht op de haven was prachtig, en het kasteel zelf was dat ook. Piet en ik genoten er met volle teugen van, maar voor Frank had het allemaal niet zo gehoeven, vooral niet toen hem bleek, dat je ook nog een flink aantal lange trappen op en af moest.
In het kasteelrestaurant aten we ieder een broodje gezond om niet met een lege maag aan boord van het schip te hoeven gaan. We waren prima op tijd (18.50 uur continentale tijd). De Britse marechaussee had deze keer geen belangstelling voor onze paspoorten - we gingen zijn land immers uit - weer een paar bloody foreigners minder. Op het haventerrein ontdekten we tot onze vreugde een paar oude Leylands van Townsend Thoresen die van
London Transport afkomstig waren. We maakten een praatje met de chauffeur van één er van. Onze boot, de Free Enterprise VIII, gebouwd in 1974, was inmiddels afgemeerd. Het was een kleintje. Misschien was dat ook de reden dat het inschepen zo lang duurde. We gingen als één der laatste auto's aan boord en kregen een plaatsje toegewezen op het bovendek, dat half open en erg klein was. Om 19.56 uur kwam er beweging in het schip. De zee was stil. De overtocht zelf was dat minder, omdat enige klassen luidruchtige Duitse schoolkinderen aan boord waren. Onderweg zagen we nog het lichtschip Sandettie en toen het al een tijdje donker was, doemde aan de horizon een lange rij lichtjes op: de Belgische kust. Even voor twaalf meerden we af in Zeebrugge. We gingen in de auto zitten en wachtten af, tot de oprijhelling voor de auto voor ons naar beneden zou gaan. Plotseling werd er op de auto geklopt door een scheepsofficier. Achter ons waren er geen auto's meer te zien. Het bleek dat we achteruit moesten, en dan weer schuin naar voren de andere helling af! We hadden dat niet in de gaten gehad en zowel de TT-man als wij moesten er hartelijk om lachen.
De grenscontrole was heel gemoedelijk. De vriendelijke Vlaamse douaneman wilde alleen maar van ons weten of de schoolvakanties in Nederland soms afgelopen waren, want er kwamen opvallend veel Hollanders bij hem voorbij.
Piet had de auto het schip afgereden, maar nu was het mijn beurt. Ik reed door tot Minderhout, en gaf toen het stuur weer aan Piet. We zetten Frank af in Overschie, hielpen hem nog even zijn bagage naar boven te brengen en vertrokken toen snel richting Den Haag. Om drie uur precies was ik thuis, waarmee aan een vakantie die 's nachts was begonnen een toepasselijk nachtelijk einde kwam.

Op 4 februari 1999 is

Frank van der Meulen,

volkomen onverwacht,

overleden aan de gevolgen van een hartstilstand.

Hij werd slechts 44 jaar.

terug naar het begin van dit verhaal

terug naar de startpagina

=====================================