De 10409 en de 224

(een verhaal met een hoog hobbygehalte)

 

Zaterdag 16 augustus 2003

De nieuwe auto van Piet moest ingereden worden. Zoiets is altijd een mooi excuus voor een expeditie naar een vergelegen tram-, trein- of busbedrijf. En dus vertrokken Jeroen, Piet en ik vanmorgen om tien over half negen uit Delfgauw in een splinternieuwe Ford Ka. Ons doel was Thuin, een klein plaatsje in België, ergens ten zuidwesten van Charleroi. Thuin is het hoofdkwartier van de ASVI. De ASVI is de Association pour la Sauvegarde du Vicinal - of iets in die geest. Het komt er op neer dat het een museumorganisatie is die zich richt op het behoud van de klassieke Belgische "boerentram".
Het was vandaag dat de eerste keer dat ik op hobbyreis ging zonder fototoestel bij me. In plaats daarvan heb ik Corine's videocamera meegenomen. Videofilmen eist een heel andere manier van kijken dan fotograferen. Aan het eindproduct is goed te zien dat ik met de video nog maar heel weinig ervaring heb!
Europa werd de afgelopen weken geteisterd door een hittegolf in combinatie met aanhoudende droogte, maar gelukkig is de temperatuur de laatste dagen flink gezakt. Het is vandaag volgens ons tussen de 20 en 25 graden geweest en dat is goed te doen.
We namen de "klassieke" route naar België, de A 16 en dan in België de E 19. In de buurt van
Breda zagen we een zwartgeblakerd betonnen viaduct. Dat viaduct is nog in aanbouw; ik denk dat het te zijner tijd de A 58 met de A 16 moet gaan verbinden. Gisteren is de bekisting van dat viaduct in brand gevlogen, met als gevolg dat de A 16 urenlang moest worden afgesloten. Het is allemaal uitgebreid in de nieuwsberichten en op het journaal geweest.
We passeerden
Antwerpen en kort voor Mechelen hebben we bij een snelwegpomp nog even getankt. Een liter normaal kostte er maar € 1,05. Een snelwegpomp in Nederland rekent al gauw een eurodubbeltje meer.
Bij Brussel namen we de oostelijke ringweg. Je komt dan door het
Zoniënwoud, dat het grootste beukenbos van Europa schijnt te zijn. Even verderop ligt Waterloo, met de bekende hoge heuvel die het slagveld markeert waar in 1815 het leger van Napoleon in de pan gehakt werd door (correct me if I'm wrong) de Pruisen, de Engelsen en de Hollanders. Die heuvel wordt bekroond door een monumentale leeuw. Dat wilde ik allemaal niet missen en daarom hield ik voortdurend het terrein aan de rechterkant van de snelweg scherp in het oog. Later ontdekte ik dat de leeuw aan de linkerkant ligt.
We kwamen langs
Nijvel en hielden daarna de richting Mons (Bergen) aan. Bij Feluy (dat is afslag 20) gingen we de snelweg af en zowaar, daar stond Thuin al aangegeven. We reden nu het oude industriegebied binnen, de Borinage en het Zwarte Land. Ooit was dit een streek vol kolenmijnen en staalfabrieken. Die zijn inmiddels haast allemaal gesloten, maar de puinbergen van de kolenmijnen zijn blijven liggen. In de loop der jaren zijn ze grotendeels bedekt geraakt met bos, maar je kunt ze nog duidelijk herkennen.
Rond half twaalf reden we
Thuin binnen. Dat was keurig volgens de planning. We kronkelden naar beneden en reden de brug over de Sambre over. Rechts beneden, op de kade, zagen we toen het eindpunt van de museumtramlijn. Helaas werd dat eindpunt gebruikt als illegaal(?) parkeerterrein. Dat verbaasde ons niet, want op de webstek van de ASVI wordt er al voor gewaarschuwd dat het eindpunt in Thuin-Basse vaak onbereikbaar is vanwege op de rails geparkeerd blik.
We reden nu richting
Lobbes en kwamen toen al gauw bij het Buurtspoorwegmuseum. Het is kort geleden gebouwd op het tracé van de opgeheven spoorlijn richting Thuillies en het bestaat uit een stalling (voor het publiek toegankelijk) en een werkplaats (niet voor het publiek toegankelijk). De sporen op het museumterrein staan via een nieuw gebouwd wissel in verbinding met de oude tramlijn Thuin - Lobbes.
Aan de museumkassa moesten we per persoon acht euro betalen. We vonden dat een fors bedrag, maar omdat het voor het instandhouden van de trams was hadden we er geen moeite mee. We kregen als betalingsbewijs een soort sticker uitgereikt, die we op onze kleding konden plakken en die meteen ook gold als dagkaart voor de museumlijn. We vonden dat een heel slim systeem. Op de trams hoeven er geen plaatsbewijzen verkocht te worden en toch kan er makkelijk gecontroleerd worden of de passagiers wel betaald hebben.
We neusden wat rond in het museumgebouw en op het buitenterrein. We zagen hoe de beroemde
NMVB-PCC (de 10409) werd voorgereden en we stapten onmiddellijk in om een ritje te gaan maken. Dit was de wagen waar we op gehoopt hadden. Zijn ramen kunnen helemaal open (wat volgens mij heel bijzonder is voor een Europese PCC), de vering is perfect, de stoelen zitten lekker en hij accelereert als een Ferrari. Het is de ideale tram, zeker voor een hobbyist met een voorkeur voor de naoorlogse periode.
We reden onder een spoorviaduct door, draaiden scherp naar links en volgden toen de spoorlijn tot we aan een brug over de Sambre kwamen. En daar konden we niet meer verder. De brug was afgesloten met een groot hek. Dat viel zwaar tegen; we hadden er op gerekend dat we naar Lobbes zouden gaan en nu waren we niet verder gekomen dan tot op een paar honderd meter van het museum!
Omdat de 10409 een éénrichtingwagen is (zoals de meeste PCC's) moesten we achteruit terug en dat ging gepaard met een hoop getoeter en gebel. Bij het splitsingswissel sloegen we linksaf, richting het centrum van Thuin. Steil dalend reden we verder. Jammer genoeg duurde het niet lang voordat we de eerste op de rails geparkeerde auto tegen kwamen. Onze bestuurder liet de tram minstens drie minuten achter elkaar toeteren en bellen, maar de auto-eigenaar kwam niet opdagen en we konden weinig anders doen dan terug rijden naar het museum.
Onze tweede rit werd uitgevoerd met standaardmotorwagen 10308, een klassieke, vierkante vierasser. We deden opnieuw een poging af te zakken naar de binnenstad, maar het foute autootje, een klein model Peugeot, stond nog steeds op het spoor. Toen was het trampersoneel het zat. De bestuurder, de conducteur en een paar collega's stapten uit, en met hulp van een aantal passagiers (waaronder Piet) slaagden ze er zwetend in de auto op te tillen en naast de rails in de berm te zetten. Opgeruimd staat netjes! Met een triomfantelijk gevoel stapten we allemaal weer in en de rit ging verder. Helaas was het na een paar honderd meter opnieuw raak, maar toen waren we al zo dicht bij het eindpunt gekomen dat niemand nog zin had in nieuwe krachttoeren.
We reden terug naar het museum en toen was het langzamerhand lunchtijd. Broodjes en drank hadden we al uit Nederland meegenomen. Toen alles op was, ben ik gaan filmen hoe de derde dienstwagen van vandaag, de A 9515, vanuit de binnenstad de helling naar boven beklom.
Toen dat gebeurd was, hadden we het langzamerhand wel zo'n beetje gezien in Thuin, maar we hadden eigenlijk ook geen zin om nu al meteen weer terug naar huis te gaan. Toen kwam Piet met een voorstel: waarom zouden we niet even met
de trein heen en weer gaan naar Charleroi? Dat was een goed plan en het werd met algemene stemmen aangenomen.
Het
stationsgebouwtje van Thuin zit er uit of het sinds de jaren vijftig niet meer geschilderd is. Het loket was dicht. Een bordje vertelde dat je in zo'n geval je kaartje gewoon in de trein kunt kopen. De trein naar Charleroi zou vertrekken om 13.44 uur; dat was over een kwartiertje. Mooier kon het niet.
De trein liep binnen en ja hoor, het was een zeer klassiek tweetje, de 224. Piet kon zijn geluk niet op, want hij is gek op dit oude materieel (zie ook Euregioritten). De conducteur kwam langs en verkocht ons een keurig kaartje op creditcardformaat. Het kostte € 7,80 voor ons drieën, wat ik niet duur vond. Van Thuin naar Charleroi-Sud duurt ongeveer een kwartier. Het is een heel mooi traject. Je rijdt door
de vallei van de Sambre, die je onderweg een paar keer kruist.
Het station Charleroi-Sud is een raar geval: er loopt een autoviaduct overheen. En dat niet kruisend, maar in de lengterichting. Zoiets verwacht je in
China of Japan, maar niet in Europa!
In een bloemperk naast het eerste perron staat als monument een oud dieselmotorrijtuig opgesteld, de 4603. Het wordt zo te zien keurig netjes onderhouden, maar voor mijn gevoel sta je toch te kijken naar een gebalsemd lijk. Een trein moet rijden!
Het was ons inmiddels opgevallen dat ook in België de graffitiplaag de kop begint op te steken. Ook op spoorwegmaterieel wordt flink gekladderd, al het is het nog niet zo erg als in Nederland.
We gingen op het stationsplein nog even naar
de tram kijken. In Charleroi moet je eigenlijk 'prémetro' zeggen tegen de tram, omdat hij daar op viaducten en door tunnels rijdt.
We hadden nu wel genoeg gezien van
Charleroi; het is niet bepaald een mooie stad en een toerist die niet tegelijkertijd tramliefhebber is heeft er niet veel te zoeken. Terug naar Thuin hadden we opnieuw de 224 en net als op de heenweg hadden we maar weinig medepassagiers.
We waren nu weer terug bij de auto, maar we hadden geen zin om meteen rechtstreeks naar Nederland terug te rijden. In plaats daarvan hebben we een uitgebreide en heel mooie omweg gemaakt. Eerst reden we naar Thuillies. Om daar te komen, moesten we de Sambre weer oversteken en daarna kwamen we in het oude centrum van
Thuin. Je kronkelt daar steil omhoog over een kasseienweg vol haarspeldbochten. Als het ijzelt of sneeuwt is die weg waarschijnlijk spekglad en levensgevaarlijk. Tenslotte kom je op een hoogvlakte en een paar kilometer verderop ligt Thuillies. Vervolgens reden we naar Beaumont en toen door naar de Barrages de l'Eau d'Heure. Het water in het stuwmeer stond heel laag; ongetwijfeld een gevolg van de droogteperiode. We kochten blikjes icetea en raakten nog even de weg kwijt in een door hoge heggen gevormd doolhof, dat er simpel uit zag maar dat niet was.
Daarna weer naar de auto. Die moest immers ingereden worden! Over Falemprise en Silenrieux koersten we richting Walcourt. Daar ontdekten we een "echte" friettent. We hebben ons er vol gegeten, hoewel we eerst de bel niet konden vinden die je nodig had om het personeel te waarschuwen…
Langs
Walcourt (een mooi plaatsje met een kerk met een ui boven op de toren) en Gerpinnes ging het toen richting Charleroi. Daar moesten we verder richting Brussel, maar welke route moet je dan nemen? Je kunt in zo'n geval twee dingen doen: de wegenkaart en je richtinggevoel gebruiken, of de wegwijzers volgen. We kozen dit keer voor het laatste. In België weet je nooit hoe dat uitpakt. De borden stuurden ons de ringweg op, met de klok mee. Ik zou tegen de klok in gegaan zijn. Een paar kilometer verderop werden we rechtsaf gestuurd en even later reden we opeens over dat rare viaduct boven het station! Toen scherp naar links, een tunnel door en daarachter begon de snelweg naar Brussel. Links van de weg zag ik in een flits de tramremise van Jumet.
In de buurt van Nijvel nam ik het stuur over van Piet. Net als op de heenweg zijn we Brussel gepasseerd over de oostelijke helft van de ringweg, maar tussen Antwerpen en de Moerdijkbrug hebben we de route over Bergen op Zoom genomen. Bij de Wouwse Plantage nam Piet de auto weer van me over. In Delfgauw heeft Marian nog een bamimaaltijd voor ons gemaakt. Bedankt, Marian!

naar het begin van dit verhaal

naar de startpagina

================================