700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Wijkse regentenklasse ook bereikbaar voor ambachtslieden

Wijkse Courant 5 januari 2000

    Vorige week hebben we de gebeurtenissen tijdens de Reformatie in Wijk bekeken. Bij het beschrijven van de religieuze situatie kwamen al even de positie van de lokale machtshebbers naar voren. Vandaag gaan we deze groep eens wat verder bekijken. We hebben het dan over de regenten.

    In de vorige aflevering werd al even gesproken over de strijd van de Nederlanden tegen de Spaanse machthebbers. Na een lange strijd wisten de zeven noordelijke gewesten zich van Spanje los te rukken. Bij het Twaalfjarige Bestand van 1609 deed de koning nog geen volledige afstand van een gedeelte van de Nederlandse gebieden, feitelijk werd de Republiek wel erkend.
    Bij de Vrede van Westfalen in 1648 werd de Republiek dan officieel erkend. Het nieuwe land zat toen al in een enorme bloeiperiode. Nog steeds spreekt de naam Gouden Eeuw voor veel mensen enorm tot de verbeelding. Gedurende een korte periode was Nederland de grote baas op het wereldtoneel.
    Bestuurlijk was Nederland in deze periode een hele vreemde eend in de bijt. Waar overal in Europa sprake was van een sterke centralisatie, de vorsten trokkem steeds meer macht naar zich toe, was in de Republiek juist het gezag sterk gedecentraliseerd. Overal in steden en op het platteland was de macht in handen van gegoede burgers.

Wijkse regenten

    In totaal kende Nederland zo'n vijftienhonderd bestuursfuncties en zo'n vijfhonderd posten van gerechtelijke en ambtelijke aard. Het bestuur werd dus vormgegeven door rond de tweehonderd (of tweeduizend) personen. Zij zijn in de geschiedschrijving aangeduid als de regenten. Ook Wijk bij Duurstede werd door regeneten geregeerd.
    Voordat we de Wijkse regenten wat nader bespreken, bekijken we eerst hoe Wijk er in de zeventiende eeuw en achttiende eeuw ongeveer heeft uitgezien. Na de bloeiperiode onder de bisschoppen uit het Bourgondische huis, was Wijk vervallen tot een klein stadje. Vanaf de vijftiende eeuw was fruitteelt de belangrijkste argrarische inkomstenbron voor de Wijkenaren.
    De handel verdween echter ook nooit helemaal en ook werd er rond Wijk nog tabak geproduceerd. Naast de zogenaamde dorpsambachten als timmerman, kleermaker, winkelier, schoenmaker, enz, had Wijk ook typisch stedelijke ambachtslieden binnen haar grenzen. Zo was er bijvoorbeeld een glazenmaker, mandenmakers, een apotheker, een horlogemaker en een pruikenmaker. Ondanks het verval bleef de naam stad voor Wijk gerechtvaardigd. Onder andere door de typische stadsambachtslieden bleef Wijk bij Duurstede een centrale rol vervullen in het gebied waarin het lag.

Rampen

    Een groot probleem in deze periode vormde wel het teruglopende bevolkingsaantal. In 1635 woonden er nog 2700 mensen in het stadje. Van hen stierf twintig procent tijdens de pestepidemie van 1636. De daling van het aantal inwoners zette vervolgens door. Zo woonden er in 1725 nog maar ongeveer 1400 mensen in het toen wel heel kleine plaatsje aan de Lek.

Raadhuis en kerktoren (naar een anomieme pentekening, midden 18e eeuw)
Illustratie uit 'Wijk bij Duuurstede' door H. Heijmans

    Economisch gezien had de bevolking ook al niet de wind in de zeilen. Wijk leek door Gods-rampen geplaagd. Door de veepest verloren veel mensen hun benodigde veestapel. Door dijkdoorbraken werden akkers vernietigd en stormen vernielden de tabak- en fruitoogsten.
    Veel mesnen konden de vele loklale belastingen niet betalen. Door de hoge imposten liep bijvoorbeeld het aantal schippers van dertig terug tot drie of vier. Bij de Staten van Utrecht stond Wijk dan ook weer bekend als een wanbetaler. Regelmatig moest het gewest navragen waar de Wijkse bijdragen aan de provincie-kas bleven. Bestuurlijk werd Wijk bij Duurstede dus geregeerd door de regenten. Het hoogste gezagsorgaan was de raad. Deze bestond uit twee burgemeesters, zeven schepenen en de raden. In de raad zaten in 1702 achttien mensen. Uit deze groep werden dan de twee burgemeesters gekozen en ook zeven schepenen. Samen met de schout vormden deze negen weer de schepenbank, zeg maar de rechtbank. Andere bestuursfuncties voor regenten waren: posities in het binnenheemraadschap, het potmeesterschap, het kerkmeesterschap en het cameraarschap. Ook de ambtelijke functies van thesaurier en rentmeester van de gebenificieerde goederen werden aan regenten gegeven.

Burgervader

    De burgemeesters werden om de twee jaar gekozen. Er was dan een tweedejaars en een eerstejaars burgemeester, waarbij de langst zittende de hoogste positie bekleedde. Ieder jaar werden verder ook drie of vier schepenen vervangen. Hun opvolgers kwamen natuurlijk altijd uit de regentenklasse.
    De maatstaven voor regenten werden in 1644 voor het eerst vastgelegd. Maar uiteindelijk was slechts een eis altijd van belang: je moest lid zijn van de publieke oftewel de hervormde kerk. Op de andere opgestelde eisen werd niet altijd gelet.
    Officieel was het bijvoorbeeld zo, dat je een bepaalde periode in de stad moest hebben gewoond, om regent te kunnen worden. Was je niet in het gewest Utrecht geboren, dan moest je tien jaar in Wijk hebben gewoond. Was je niet in Wijk geboren, maar wel in het gewest Utrecht, dan moest je vijf jaar in Wijk hebben gewooond. Echter in de praktijk bleek het mogelijk, dat mensen binnen een jaar nadat ze van ver naar Wijk waren gekomen, al een regentenpositie wisten te verwerven.
    Een andere toelatingseis was de leeftijdsgrens. Officieel was een man pas op zijn vijfentwintigste meerderjarig en kan hij een positie bekleden. Echter vele regenten werden al op jongere leeftijd benoemd. Meest extreme voorbeeld is Adriaan Luls. Hij werd in 1716 aangesteld in het ontvangerschap van het schild en schellinggeld. Op dat moment was Adriaan pas zeven jaar oud.

De raad

    Waarschijnlijk werden de regels vrij vaak overtreden, omdat er een gebrek was aan goede kandidaten. De stad had immers te maken met een teruglopend aantal inwoners. Het aantal geschikte regenten daalde dan waarschijnlijk ook automatisch mee. Het afnemende aantal geschikten zorgde er ook voor, dat het aantal raadsleden werd verkleind. In 1702 zaten er nog achttien mensen in de raad. In dat jaar werd besloten het aantal terug te laten lopen tot veertien. In 1737 werd het aantal verder verlaagd tot twaalf. Het gebrek aan geschikte kandidaten zorgde waarschijnlijk voor een toch wel opvallend aspect aan de Wijkse regentenklasse: de sterke mogelijkheden tot sociale mobiliteit.
    Onderzoek in belangrijke regentenbolwerken als Amsterdam en Zierikzee hebben uitgewezen, dat het daar maar moeilijk was om in de regentenklasse te worden opgenomen. In Wijk was opklimmen echter nog vrij gemakkelijk. Ook 'gewone' ambachtslieden als timmerlieden konden in Wijk tot regent opklimmen. Het was wel zo, dat de burgemeester veelal toch een hoger aanzien had. Hij vertegenwoordigde Wijk ook in het gewest en bij de stadhouder. Om Wijk goed te kunnen vertegenwoordigen vond men, dat de vertegenwoordiger moest weten hoe zich in de hogere kringen te kleden en te gedragen. De burgemeesters werden dan ook eigenlijk uit een kleine groep gekozen.
    In totaal had Wijk plaats voor 52 regenten. Deze groep controleerde dan vrijwel het hele reilen en zeilen van de plaats. Op alle segmeten van de samenleving hadden de regenten een stevige greep. Zij hadden een sterke stem binnen de Hervormde Kerk (zo stelden zij de predikant aan, zij regelden de openbare orde, zij stelden de onderwijzers aan, zij vormden het bestuur van het Gasthuis, etcetera.

Geloof

    Opvallend aspect daarbij is, dat er geen streng religieus beleid was. Alle regenten waren dan wel protestants, de katholieken werden in Wijk zeker niet vervolgd. Ondanks het feit, dat de Hervormde Kerk regelmatig over papisten klaagde, was een daadwerkleijke vervolging waarschijnlijk onbegonnen werk. Het grootste gedeelte van de bevolking was en bleef namelijk katholiek. Waarschijnlijk zou een al te strenge aanpak van hen leiden tot verzet en onrust. Zolang de katholieken maar niet in het openbaar hun geloof beleiden, werd hen geen kwaad aangedaan.

Terug naar de 700 jaar index pagina.