700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Invloed Reformatie in Wijk minder heftig dan elders

Wijkse Courant 29 december 1999

    In de vorige aflevering van de geschiedenis van Wijk bij Duurstede is de laatste grote bloeiperiode van het kleine stadje beschreven. Het zou tot in de twintigste eeuw duren alvorens Wijk weer ging opbloeien. Het resultaat van die groeistuip is nu zichtbaar, de stad lijkt zelfd nog niet uitgegroeid, Vandaag op deze plaats nemen wij u echter terug naar de zestiende eeuw. De bisschop is net verdwenen. Maar in de kleine stad die achter bleef, ging de geschiedenis gewoon door. Vandaag de tijd van de Reformatie ofwel de opkomst van het protestantisme in Wijk bij Duurstede.

    In de vorige aflevering van de Wijkse geschiedenis is al verteld, dat keizer Karel V in 1528 de wereldlijke macht in Wijk overnam. In Nederland is deze keizer vooral bekend als koning van Spanje en heer der Nederlanden. Onder zijn bescherming groeide een zekere Willem van Oranje op aan het hof te Brussel.
    Het was de tijd van de Reformatie. De katholieke kerk schudde op haar grondvesten, allerlei andere geloofsrichtingen kwamen opzetten. Onder de zoon van Karel V, Filips II, kwamen De Nederlanden in opstand tegen het gezag uit Spanje. De strijd was onder andere een geloofsstrijd. Ook in Wijk bij Duurstede kwam het protestantisme opzetten.

Magistraat

    Voordat we tot de geloofsstrijd komen, kijken we naar de situatie in het Wijk van toen. De bestuurlijke macht staat bekend onder de naam Magistraat. Deze bestond uit een raadburgemeester en een schepenburgemeester met zeven schepenen. Rechtspraak gebeurde door de schout. De Magistraat werd tot 1598 jaarlijks gekozen door oud-magistraten en de schout. Na 1598 werd de magistraatkeuze in handen gelegd van de stadhouder. Deze kreeg nog wel advies van de schout en oud-magistraten. Economisch was Wijk ook zelfstandig. Voornaamste bron van inkomsten was de landbouw. In de stad was echter naast handel ook sprake van lakennijverheid en er waren enkele bierbrouwerijen.
    Het geestelijke leven in de gemeente was in handen van het kapittel van de Sint Baptistkerk. Deze was in 1365 door Gijsbrecht van Abcoude gesticht en bestond uit tien kanunniken. Uit de kanunniken groep kwam de Wijkse pastoor voort.
    Verder had het kapittel grote strukken grond in bezit. Er was nog een andere geestelijke instelling in Wijk, het Maria Magdalenaklooster. Dit klooster is in 1401 door de toenmalige bisschop Hubertus Schenck gesticht. Veel aanzienlijke families in Wijk hadden leden van de familie onder de kanunniken en nonnen, waardoor de geestelijke instellingen een belangrijke machtsfactor waren.
    Binnen de kerk waren er echter veel misstanden. De kerkelijk leiders namen het niet zo nauw, van een vroom leven was geen sprake. De Duitse monnik Maarten Luther kon het niet langer aanzien en kwam in verzet. Op 31 oktober 1517 maakte hij in Wittenberg zijn beroemde 95 stellingen bekend. De scheuring van de kerk was een feit. Onder leiding van Karel V en later Filips II werd een felle strijd geleverd tegen de nieuwe religievormen zoals het lutheranisme en het calvinisme. Ook in Nederland kwam het tot een geloofsstrijd. Al op 7 novemeber 1519 veroordeelden de theologen van de universiteit van Leiden de stellingen van Luther (pas in juni van het volgende jaar werd dit door de paus gedaan). Wie toch Luther volgde, werd uit de kerk gezet. De volgers van het nieuwe geloof werden dus vervolgd.

De Wijkse kerk werd tijdens de Reformatie gebruikt door de protestanten.

    In Vlaanderen werden op 1 juli 1523 twee monniken die waren overgegaan tot het lutheranisme op de brandstapel gezet. Ook in andere gedeelten van het land werd het onrustig, hoewel die onrust meeviel in Utrecht. Dit kwam onder andere omdat de situatie in Utrecht anders was dan in bijvoorbeeld Vlaanderen. In het zuidelijke gewest was het verzet vooral gesteund door zeer verarmde arbeiders uit bijvoorbeeld de lakennijverheid. In het argrarische Utrecht ontbraken deze grote ontevreden massa van arbeiders. Ook werd in het geestelijke verzet in deze provincie niet gesteund door de heersende edelen. Toen in 1566 de eerste Beeldenstorm door Nederland waaide, werden alleen de beelden in de kerken van Utrecht vernield. In de andere steden, dus ook in Wijk, bleef het rustig.

Beeldenstorm

    Het ontbreken van een beeldenstorm in Wijk betekent overigens niet, dat hier geen kennis was van de nieuwe geloofsrichtingen. In 1564 waren al drie Wijkenaren gearresteerd op verdenking van ketterij. Hoewel Wijk een eigen gerechtshof had, werden de drie naar Utrecht gevoerd om daar te worden berecht. In 1565 werden de drie vrijgelaten, onder voorwaarde dat zij de ketterij zouden afzweren. Alleen Jan Janszoon hield zicht hieraan. De andere twee, Jan van Cothen en Hendrick Hermanszoon werden samen met nog twee Wijkenaren naar aanleiding van de vernielingen ten tijde van de beeldenstorm in Utrecht in 1568 weer veroordeeld.
    Inmiddels waren de beschuldigden echter gevlugt. Voor Dirck Corneliszoon liep deelname aan de vernielingen slecht af. Op 29 januari 1569 werd hij voor zijn aandeel in de vernielingen in de Utrechtse Buurkerk ter dood veroordeeld.
    Wat Wijk wel danig voelde, was de last van de oorlog. Nog steeds lag Wijk op een belangrijk strategisch punt. In het stadje waren daarom troepen gelegerd. De bevolking moest zorgen voor het onderhoud. In 1577 sloten de Wijkenaren zich aan bij de opstandelingen. Nu vond er ook in Wijk een beeldenstorm plaats, waarbij de beelden van de kerk werden geloopt. Het geloof van de opstandelingen, het calvinisme, was niet meer te stoppen. In 1580 werd zelfd de katholieke eredienst verboden.
    Het calvinisme drong langzaam maar zeker de stad in. In 1579 had Wijk echter nog geen eigen predikant. Hiervoor was een simpele reden: geen geld. De magistraten wilden dit oplossen door de kosten van de predikant neer te leggen bij het kapittel. Immers, die betaalde vroeger ook de pastoor, dus daarvan kon diens opvolger ook wel betaald worden.

Kapittel betaalt

    De Staten van Utrecht bepaalden echter pas in 1583, dat het kapittel inderdaad moest betalen. Nicolaas Janszoon Verstroeyt was de eerste vaste predikant. Door een tekort aan predikanten slaagde het nieuwe geloof er echter niet in om snel over het gebied verspreid te raken. De katholieke invloed bleef groot.
    In het stadsbestuur waren de calvinisten wel goed vertegenwoordigd. Veel van de magistraatfamilies gingen over tot het calvinisme. Het merendeel van de schepenen was calvinist. Ook de leiders van het pottenbakkersgilde en de kerkmeesters hingen de nieuwe religie aan. De leiders van heemraden en de molenmeesters waren echter vrijwel altijd van katholieke huize.
    Hoewel de calvinisten de meerderheid van belangrijke posities innamen, verdween het katholicisme niet helemaal als machtselement. Wel verdween het klooster. De nonnen waren in 1583 onder strenge overheidscontrole geplaatst. Uiteindelijk heeft men het klooster laten uitsterven. In 1605 werd besloten, dat in de lege delen van het klooster soldaten moesten worden huisvest. In 1611 werd een gedeelte van het klooster als woning aan de predikant gegeven. Na de dood van de laatste non kocht het magistraat in 1619 de laatste gedeelten van het klooster op. Voortaan werden er vergaderingen van de calvinisten in gehouden.
    De calvinisten drongen inmiddels steeds meer aan op vervolging van de katholieken. Het tij zou echter keren. In 1631 kwam de jezuïet Johannes van Navigheer katholieke diensten in Wijk geven.

Strengheid

    Ook was toen wel duidelijk, dat veel mensen het calvinisme uit de weg gingen. Veel mensen schrokken namelijk van de strengheid van de nieuwe religievorm. Om een lidmaatschap te krijgen was een groten kennis van de bijbel noodzakelijk. De katholieke diensten bleken wel makkelijk toegankelijk.
    Rond 1600 behoorde mede hierdoor de helft van de bevolking (weer) tot de katholieke kerk. Van een diepgaande protestantisering is in Wijk dan ook geen sprake geweest. Wat dat betreft bleek Wijk geen vreemde eend in het Kromme Rijngebied: vrijwel het hele Kromme Rijngebied bleef toch vooral katholiek. Hierdoor staat het gebied in de geschiedenisschrijving ook wel bekend als de katholieke driehoek van de provincie Utrecht, waarbij vooral Werkhoven en Odijk echt bekend staan als katholieke enclaves.

Terug naar de 700 jaar index pagina.