700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Dorp Wijk in bezit van kerk en Duitse koninklijke familie

Wijkse Courant 8 december 1999

    Omstreeks 900 vedween Dorestad van de landkaart. De handelaren vertrokken naar Tiel en Deventer. Alleen de boeren bleven achter. In deze aflevering van de geschiedenis van Wijk bij Duurstede staat de periode tussen de vernietigingen van de Vikingen en de verlening van de stadsrechten in 1300 centraal. Het verhaal van het dorp Wijk.

    Door de vele Vikingaanvallen waren grote delen van Nederland lange tijd onveilig geweest. Onder de Duitse koning Otto I (936-973) werden de rust en order hersteld. Tijdens de onrustige periode was er van koninklijk gezag geen sprake geweest. Veel kleine plaatselijke sterke mannen hadden de macht in het eigen gebiedeje gegrepen. Otto I probeerde deze gezaghebbers weer aan de kant te zetten. Hiervoor zocht hij vooral hulp van de kerk. Ook de kerk had veel verloren en wilde graag weer belangrijk worden. Otto probeerde weer controle over de kerk te krijgen, door zijn familie en vrienden op hoge kerkelijke posities te laten benoemen. Een verweving van kerk en rijk werd hierdoor een feit: de Rijkskerk was geboren.

Balingschap

    In het Kromme Rijngebied werd Otto I weer de gezaghebber. De belangrijkste kerkelijke persoon in ons gebied was de bisschop van Utrecht. Verjaagd door de Vikingen had de bisschop maar liefst zeventig jaar in balingschap doorgebracht, eerst in Tiel en later in Deventer. Nu kon de zetel in Utrecht weer beklommen worden.
    In 948 claimde de bisschop de grondgebieden die de kerk rond Dorestad altijd in bezit had weer terug. In een speciaal document erkende Otto deze claim. Het was in dit document dat voor het eerst de naam Wijk werd genoemd. Deze naam werd gegeven aan het gebied waar eens Dorestad had gelegegen.
    Naast de Utechtste kerk blef ook veel grond rond Wijk in bezit van de Duitse koninklijke familie. In 1001 schonk de toenmalige Duitse Koning Otto III de 'hof te Wijk' aan Heribert, de aartsbisschop van Keulen. Heribert gaf vervolgens zijn rechten weer door aan de door hem gestichte abdij in het Duitse Deutz. Twee verschillende kerkelijke instellingen waren dus de feitelijke machtshebbers van het gebied rond Wijk bij Duurstede.

Graaf van Gelre

    Natuurlijk kon de abdij van Deutz geen feitelijke macht uitoefenen in haar Wijkse gebied. Dit werd overgelaten aan een plaatsvervanger, de meier. Deze sprak recht en inde de belastingen. Omdat de werkelijke machthebbers zo ver weg in Duitsland zaten, kon de meier zich vrij onafhankelijk als feitelijke plaatselijke heerser ontwikkelen. In 1256 verkocht de abdij van Deutz haar gronden in het Kromme Rijngebied voor vierhonderd Keulse marken aan de graaf van Gelre. Deze graaf was al geruime tijd bezig zijn grondgebeied uit te breiden en vond in de abdij van Deutz een gewillige verkoper. De abdij was namelijk betrokken geraakt bij een machtsstrijd om de Duitse keizerstroon. De strijd had ook voor de abdij veel geld gekost. Ook de graaf van Gelre liet het feitelijke regeren weer over aan een meier: Zweder van Abcoude, zoon van Gijsbrecht I van Zuilen en Hendrika van Abcoude, kreeg het gebied in leen. Het was de familie Van Abcoude die de verdere toekomst van Wijk zou gaan bepalen: hierover in een volgende aflevering meer.

Langbroek

    Voor dit moment is het wel interessant om te kijken hoe het dorp Wijk er ongeveer aan het einde van de dertiende eeuw, net voor het verkrijgen van de stadsrechten dus, heeft uitgezien. Allereerst is het van belang op te merken, dat de Kromme Rijn was afgedamd en al een begin was gemaakt met het indijken van de Lek. In 1122 werd waarschijnlijk in opdracht van de bisschop van Utrecht de Kromme Rijn ingedamd. Door de indamming werd het mogelijk grote delen van het rivierenland te ontginnen. De bisschop van Utrecht kon als eigenaar van de grond veel geld verdienen aan de nieuw ontstane landgoederen. In stroken van ongeveer 1250 bij 113 meter werd de grond aan boeren verpacht. Op deze wijze is onder andere de plaats Langbroek ontstaan.

In het 'dorp' Wijk treffen we al bekende namen zoals de Steenstraat en de Hoogstraat.
   

Hoogstraat

    Als we teruggaan naar het Wijk van de dertiende eeuw, valt op dat toen al nu nog bestaande straatnamen voorkwamen. Zo sprak men van een Vorderstrate, later verbasterd tot Volderstraat. Ook de Steenstraat en de Hoogstraat lagen toen vrijwel al op zelfde plek als de huidige straten met die naam. Het is langs de Steenstraat, de Hoogstraat en een straat die parallel liep aan de Hoogstraat (de Rummingerstraat) waar in het dorp waarschijnlijk de meeste bewoning heeft plaatsgevonden. Opgravingen op deze plaatsen hebben wel degelijk iets opgeleverd, terwijl bij de opgravingen binnen de stadsgrenzen uiteindelijk maar weining resten van bewoning van voor 1300 zijn aangetroffen.

Stedelijk element

    Met oog op de benaming is het veelvuldig genruik van de toevoeging 'straat' speciaal te noemen. Het was toentertijd zo, dat bij dorpen meestel de toevoeging 'weg' werd gebruikt. Het veelvuldig geven van de naam 'straat' is dan ook een stedelijke element in een nog niet stedelijk gebied.
    Een ander element dat ook wordt omschreven als stedelijk, heeft te maken met ruimtelijke ordening. Opvallend rond Wijk was, dat er al redelijk veel grond verkaveld was. Het grondgebied rond de toekomstige stad was al verdeeld in kleinere stukjes bouwgrond, waarop een huis geplaatst kon worden. Het stelsematig verkavelen van de grond is iets typisch voor het onstaan van steden en ook in Wijk vond dit plaats. Het verlenen van stadsrechten past dus goed in de ontwikkeling ervan.

Donjon

    Ook het oudste nog bestaande bouwwerk is net voor het verlenen van de stadsrechten gebouwd. De donjon van het kasteel werd in 1270 gebouwdals onderdeel van het onderkomen van de familie Van Abcoude. Waarschijnlijk was Zweder I de opdrachtgever voor de bouw. De rest van het kasteel werd in de vijftiende eeuw in opdracht van David van Bourgondië gebouwd.

Terug naar de 700 jaar index pagina.