700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Archeologisch onderzoek begon met bottenrace

Wijkse Courant 9 augustus 2000

    Wijk bij Duurstede - (door Frank Brouwer) De geschiedenis van Wijk bij Duurstede is door gronding onderzoek zeer goed in kaart te brengen. Rond onze jarige stad is gegraven, gegraven en nog eens gegraven. Dankzij de inzet van vele beroeps- en amateurarcheologen weten we tegenwoordig vrij precies hoe de vorige nederzettingen er hebben uitgezien.

    Het wetenscnappelijke archeologische onderzoek naar het verleden van onze stad is zelfs een van de oudste en langstlopende archeologische klussen aller tijden geweest. De bevindingen van de onderzoekers zijn inmiddels al ruimschoots aan bod gekomen, vandaag daarom aandacht voor de onderzoekers zelf: het verhaal van de archeologie bij Wijk bij Duurstede. Archeologie is wel ooit beschreven als 'de studie van alles wat de mensen vroeger in en op de grond hebben achtergelaten'. Het werd dan al snel in verband gebracht met het vinden van scherven, potten en met opgravingen. Waar in het begin bij het graven naar het verleden inderdaad de vondsten centraal stonden, zoekt de moderne archeoloog ook naar het verhaal achter de vondst. De voorwerpen zijn een middel geworden om de levenswijze uit het verleden te kunnen vertellen en zo te kunnen afleiden hoe de samenleving in de loop der tijden is veranderd.

Schatgravers

    Belangstelling voor zaken uit vroegere tijden is niet echt super modern. Schatgravers zijn er altijd wel al geweest. Een serieuze belangstelling voor zaken uit de grond bleven daarom lange tijd meer privé- aangelegenheden.
    Een meer wetenschappelijke benadering van onze bodemschatten kwam pas op in de achttiende eeuw. Overal in het land werden geleerde genootschappen opgericht, die zich met archeologie gingen bezighouden. De toegenomen belangstelling leidde ertoe, dat koning Willem I in 1818 een eerste professionele instelling het levenslicht liet zien: het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Van hieruit werden overal in het land opgravingen georganiseerd. De eerste directeur van het Rijksmuseum, C.J.C. Reuvens, was ook de eerste hoogleraar archeologie ter wereld.
    Een ander kenmerk van de negentiende eeuwse onderzoekingen was, dat de provinciale genootschappen hun vondsten gingen tentoonstellen. Veel van de hedendaagse provinciale musea zijn daarvoor in die tijd opgericht.

W.A. van Es Ilinks), leider van het archeologisch onderzoek in Wijk bij Duurstede dat de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek tussen 1967 en 1995 uitvoerde, in overleg met het voormalig hoofd van de velddienst, C. van Duijn. De foto dateert uit het eind van de jaren zestig.

Nieuwe technieken

    Het was pas onder J.H. Holwerda, dat in de jaren tussen 1900 en 1930 de archeologie in Nederland tot ware wasdom kwam.
    Hij bracht nieuwe opgravingstechnieken vanuit Duitsland naar Nederland. Hierbij liet hij wel de noodzakelijke verbeteringen aan te brengen. De Groningse bioloog A.E. van Giffen tenslotte perfectioneerde de opgravingmethode. Verder wist hij het voor elkaar te krijgen, dat de verschillende vakgebieden gingen samenwerken.

Bottenrace

    Het begin van de onderzoeken rond Wijk bij Duurstede berust eigenlijk op toeval. Uit vrees voor een veepestepidemie werd er in 1839 in ons land een verbod op de handel in karkassen afgekondigd. Het gebruik van de botten voor het malen van beenmaal (wat dan weer voor de bemesting van het land werd gebruikt), was dus onmogelijk. Er ontstond een behoefte aan beenderen en de Wijkenaren herinnerden zich plotseling, dat rond hun stadje enorm veel botten gevonden werden. Tussen de bottenrace (er werd wel vijfhonderdduizend kilo aan botten opgegraven) die ontstond, werden ook enkele andere voorwerpen gevonden en dit kwam onder aandacht van L.J.F. Janssen, conservator van het Rijksmuseum in Leiden.

De twee conservatoren van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden die van belang zijn geweest voor het onderzoek naar Dorestad. Links: L.J.F. Janssen (1806-1869) en J.H. Holwerda (1873-1951).

Realistisch

    In 1841-1842 en eventjes in 1844 deed Janssen onderzoek rond het kleine Lekstadje. Door opgravingen in De Heul en langs de Steenstraat kwam Janssen tot de conclusie dat een plaats, waar archeologen lang naar hadden gezocht, nu was gevonden: Dorestad. De conservator uit Leiden leidde niet alleen deze conclusie af, hij wist ook een zeer realistisch beeld van de omvang van de vergane handelsplaats te geven.
    Na dit onderzoek duurde het driekwart eeuw voordat er weer rond Wijk op professionele manier gegraven werd. Tussen 1920 en 1030 vonden er onder leiding van de al eerder geneoemde Holwerda wederom archeologische onderzoeken plaats. Helaas werd dit onderzoek beperkt tot een smalle strook in De Heul en aan de weerszijden van de Hoogstraat. De conclusies die Holwerda vervolgens trok zijn weer door later onderzoek achterhaald.

De Geer

    Dit latere onderzoek werd eigenlijk al begonnen in 1953. Grootschalige opgravingen vonden echter pas plaats na 1967. Onder leidingvan het hoofd van de in 1947 opgerichte Rijksdienst voor het Oudheidkundige Bodemonderzoek (ROB), W.A. van Es, is er bijna dertig jaar gegraven. Het onderzoek ging steeds voor de bouw van nieuwe woonwijken uit. Het laatste gedeelte, voor het terrein waar nu De Geer is gebouwd, is in 1995 pas afgerond.
    Het onderzoek, dat dus eigenlijk al in 1841 begon, is het langst lopende archeologische onderzoek te noemen, dat ooit in Nederland heeft plaatsgevonden. Door de opgravingen weten we nu vrij precies hoe Dorestad er heeft uit gezien en ook weten we dat bijvoorbeeld in De Horden en in De Geer al in de midden-Bronstijd (ongeveer 1500 voor Christus) mensen hebben gewoond. Talloze putten er vanaf de 12e juni 1967 door het ROB blootgelegd. In totaal is er ongeveer vijftig hectare grond nauwkeurig onderzocht. De opgravingen rond Wijk horen hierdoor tot de allergrootste in de wereld.

Overzicht over een deel van de haven van Dorestad tijdens de opgraving Hoogstraat uit 1970-'71. De opgravingsput lag ter hoogte van de huidige Langbroekerweg. De populieren en gebouwen op de foto zijn nu nog aanwezig.
Foto uit: 'Van Dorestad naar Wijk bij Duurstede' van Uitgeverij Unipers, Abcoude.

Schaafbak

    Doordat de opgravingen zo'n lange tijd hebben geduurd, zijn hier voor het eerst ook allerlei moderne opgravingtechnieken gebruikt. De schop en kruiwagens waarmee Janssen en Holwerda hun werk deden, zijn inmiddels vervangen door graafmachines. Zo werd voor de verwerking van grondmonsters een grote overdekte zeef- en folleerinstallatie gebouwd en ook werd de schaafbak hier uitgevonden. De schaafbak is een soort dubbel scheermes, dat voor op de graafbak van een graafmachine kan worden geplaatst. Deze machine kan dan centimeter voor centimeter de grond wegschrapen, een werk dat met de schop vele dagen langer duurde.

Metaaldetector

    In 1977, bij opgravingen in De Horden deed de metaaldetector zijn intrede. Deze toen net nieuwe uitvinding was een handig hulpmiddel bij de zoektocht naar restanten uit oude tijden. Zo hebben de modernste technieken een bijdrage geleverd aan het tot stand brengen van een duidelijk beeld over de bewoning rond onze stad in vroegere tijden.
    Het grootschalige onderzoek in nu afgerond. Wijk is zo'n beetje volgebouwd. Nog steeds zijn er echter interessante plekken nog niet onderzocht. Onder het stadspark bijvoorbeeld en onder het laatste stukje hoogstamboomgaard langs de Wijkerweg liggen waarschijnlijk nog resten uit vroegere tijden. Eerste grondonderzoeken hebben dit uitgewezen. Een diepgaand onderzoek blijft echter uit. Deze gronden hebben wel de status gekregen van wettelijk beschermde archeologische monumenten.

Terug naar de 700 jaar index pagina.