700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Het economisch belang van de Kromme Rijn

Van trekschuit tot vrachtwagen

Wijkse Courant 19 juli 2000

    Wijk bij Duurstede - (door Frank Brouwer) De afgelopen twee weken is op deze plaats al de geschiedenis van de Kromme Rijn besproken. De eens machtige en grote rivier verviel na de indamming in 1122 tot eigenlijk niet meer dan een rustig stroompje. Ook in de verkleinde vorm bleef de rivier nog een tijd voor de stad en haar omgeving van economisch belang. Hoe, wordt vandaag nader uit de doeken gedaan.

    Zoals de vorige weken al is uitgelegd was de Kromme Rijn vooral bedoeld voor het af- of aanvoer van water voor de ontgonnen gebieden langs de rivier. Echter, hoewel de rivier niet diep was, bleef deze tot in de vorige eeuw als vaarroute ook van groot belang. In de tijd van slechte wegen en weinig vervoersmogelijkheden was de waterroute de snelste weg naar de grote stad. Vanaf de zeventiende eeuw tot aan het begin van de vorige eeuw was voor grote delen van West-Nederland en ook voor het Kromme Rijngebied de trekschuit hét vervoermiddel. Vooral de verbinding tussen Wijk en Utrecht leek hierbij goed geregeld te zijn.

Marktdag

    Een verbinding tussen Wijk en Utrecht betekent hier overigens ook echt een verbinding tussen deze twee plaatsen. Er werd niet bij de dorpen tussenin gestopt. Elk dorp had zijn eigen veerverbinding. In de zeventiende en achttiende eeuw bestond er tussen de plaatsen aan het begin en aan het eind van de rivier een geregelde vaardienst, die zelfs in de Stichtse Almanakken werd opgenomen. In de loop der jaren is de dienst zelfs weinig veranderd. Zo lijken de tijden van 1910 nog erg op die van 1837. Vooral op zaterdag, de traditionele marktdag van Utrecht, was het voor de schippers een drukke dag.

Op de rivier konden slechts speciale, ondiepe boten varen. Hier zo'n Krommerinder in gebruik als vissersvaartuig. (Krijttekening van Johannes de Kruyf.)

Beurtschippers

    In Wijk werd in 1579 een gilde van 'schuitenvoerders' opgericht. Samenwerking tussen de schippers was het devies. Zo werden de vrachten op toerbeurt toegewezen. De schippers van de Kromme Rijn worden daarom ook wel beurtschippers genoemd. Het stroomafwaarts varen van de rivier was zeker geen gemakkelijke opgave. Zeilen was onmogelijk en het zogenaamde punteren of bomen was te vermoeiend. De Kromme Rijn was daarom dan ook het toneel van de trekschuiten. De boten werden vanaf de kant voortgetrokken. Dit voorttrekken gebeurde overigens veelal door mensen. Voor het trekken door paarden had de route namelijk te veel obstakels. Zo was er sprake van lage ondergangen bij bruggen en moesten de vele zijslootjes via smalle vlonders worden overgestoken. Voor de trekker langs de kant werd in dejaren 1636-1639 een speciaal pad aangelegd. Dit smalle pad is vooral bekend onder de naam jaagpad.
    Natuurlijk waren de schippers voor het gebruik van de rivier gebonden aan allerlei regels. In de zogenaamde schouwordonnanties en in hun opvolgers de politiereglementen stond precies vermeld wat de eisen waren waaraan een schip moest voldoen. Een boot bijvoorbeeld mocht niet langer zijn dan 25 meter, niet breder dan vier meter en niet dieper liggen dan 75 centimeter. Omdat varen op de Kromme Rijn door de slechte omstandigheden zo moeilijk was, waren de schepen ook wel aangepast aan de rivier. De zogenaamde 'Krommerijnders' waren tussen de tien en twaalf meter lang, anderhalf tot 1,8 meter breed en hadden volgeladen een diepgang van slechts vijftig of zestig centmeter.
    Ook de tarieven voor het meevaren waren van te voren al bepaald. Zo werd in 1674 het veergeld bepaald op acht stuivers en twaalf centen. Twintig procent was voor de pachter van de veerverbinding, voor de eigenaar van het water dus. Verder moesten de schippers ook nog de eigenaren van het stuk grond waarop het jaagpad lag, betalen

Het trekken en duwen van een Krommerijnder stromopwaarts langs de Kromme Rijn door middel van een lange stok.
Illustraties uit 'De Kromme Rijn' door Ad van Bemmel. Uitgave van de Historische Kring tussen Rijn en Lek.

Overlast

    Er was een apart eisenpakket voor vlotten. Deze waren vaak gemaakt van eiken- of essenhout en dienden dan weer om grote bossen van deze houtsoorten naar houtverwerkers te vervoeren. In 1720 werd bepaald, dat de vlotten niet langer dan vijftig meter lang mochten zijn en niet breder dan zeveneneenhalve meter. Omdat de vlotten blijkbaar voor veel overlast zorgden, werd verder bepaald dat ze niet langer dan twee maanden in het water mochten liggen. Twee jaar later werd de laatste bepaling zelfs verscherpt: een vlot mocht niet langer dan drie dagen in het water liggen.

Concurrentie

    Tussen de schippers uit Wijk en Cothen bestond zeker enige concurrentie. Zo beklaagden in januari 1708 de Wijkse schippers zich bij hun stadsbestuur over het feit, dat de Cothense schippers zich op het Wijkse vaarterrein begaven en zelfs het lef hadden de 'Wijkse' vrachten in te pikken. Dit, terwijl de Wijkse schippers voor dat gebied waren aangesteld. Op 16 januari werd een commissie van vijf raadsleden aangewezen om de zaak te onderzoeken. Uiteindelijk vaardigde de stad een verbod uit aan alle niet-Wijkse schippers om op Wijkse grondgebied goederen te laden. Als strafmaatregel werd een boete van zes gulden in het vooruitzicht gesteld.

Kaaigeld

    Wijk had in die tijd ook nog een heuse haven met kade aan de Kromme Rijn. Deze lag aan de oostelijke kant van de stad. In 1876 echter werd deze op verzoek van het Hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams gedempt. Wat overbleef was een wal om te lossen. Ter hoogte van het huidige Walplantsoen verrees een nieuwe havenkom. Deze voldeed tot 1921, toen het grootste gedeelte alweer werd gedempt. Het laatste gedeelte verdween rond 1935.
    De toenmalige havenkade werd door het stadsbestuur verpacht, bijvoorbeeld aan een Wijkse schipper. Zo huurde Hendrick van Amerongen de kade in 1829. Voor negen maanden betaalde hij de stad daarvoor 62 gulden. Het stadsbestuur bepaalde vervolgens dat de pachter van elke boot twintig cent kaaigeld moest vragen. De intrede van stoommachines en motoren was lange tijd op de Kromme Rijn uitgesloten. In de bepalingen werd het gebruik ervan gewoonweg verboden.
    Toen in het politiereglement van 1919 dit verbod nog eens werd bekrachtigd, volgde er wel een protest van de gemeenten Wijk bij Duurstede en Cothen. De gemeenten vreesden, dat zonder de snelste mogelijkheden het fruit van de boeren niet op tijd op de plaats van bestemming kon komen. De provincie zwichtte voor het protest en stond, mits er een vergunning was, het varen met motoren toe.

Landrotten

    Inmiddels had de vaarroute wel zijn langste tijd gehad. Niet alleen op de boten werden motoren geplaatst, ook werd er zoiets uitgevonden als een vrachtwagen. Het toenemende vrachtverkeer over land zorgde er voor, dat er meer aandacht kwam voor wegen over land. Vervoeren over land werd dus steeds makkelijker en dus interessanter. De landrotten versloegen de bevaarders van de rivier. Enkele beurtschippers pasten zich aan de nieuwe tijden aan en begonnen een eigen transportonderneming. Onder diegenen die omschakelden hoorden bijvoorbeeld de heren Van Beek en De Ligt, namen van Wijkse ondernemingen die vandaag de dag nog steeds actief zijn.

Terug naar de 700 jaar index pagina.