700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Water speelt belangrijke rol in Wijkse geschiedenis

Wijkse Courant 5 juli 2000

    Wijk bij Duurstede - (door Frank Brouwer) In de festiviteiten in het kader van de verjaardag van de stad is in de maanden juli en augustus water een regelmatig terugkerend verschijnsel. Op velerlei manieren wordt herdacht dat Wijk toch ook altijd een stad is geweest aan het water. Om dat nog eens extra te benadrukken, verhalen wij op deze plaats de komende maanden ook regelmatig over water. In de aflevering van vandaag en die van volgende week staat de afdamming van de (Kromme) Rijn in het jaar 1122 centraal. Vandaag bekijken we, hoe de bisschop van Utrecht Godebald toestemming voor afdamming van de rivier afdwong.

    In de geschiedenis van het gebied van Wijk bij Duurstede heeft de rivier natuurlijk een belangrijke rol vervuld. Zo bouwden de Romeinen waarschijnlijk hier een fort, omdat dit een strategische plek was aan de grens van hun rijk, dat werd vormgegeven door de rivier. Verder maakte de mooie plek aan het water Dorestad tot een ideale handelsplaats, die kon uitgroeien tot een heuse wereldstad.
    De situatie die Dorestad tot handelsplaats maakte is overigens ontstaan rond het begin van onze jaartelling. De woeste rivier de Rijn splitste zich vanaf die tijd juist in dit gebied op in een noordelijke (de Rijn, later Kromme Rijn) en een zuidelijke tak (later de Lek). Het werd zo een kruispunt van rivieren, waarlangs een havenstad zich gunstig kon ontwikkelen.

Verzandlng

    De gang van de rivieren luidde uiteindelijk echter ook weer de ondergang van het machtige Dorestad in. Zonder dijken lag de rivier namelijk niet stil en de Rijn had de neiging langzaam maar zeker van de huizen weg te kruipen. Huizen die oorspronkelijk aan de rivier lagen, lagen enkele decennia later enkele honderden meters van de rivier af. Voor de handelaren van Dorestad werd alles nog minder interessant toen er ook nog eens alles vernielende Noormannen op het toneel verschenen. Het gevolg is bekend, Dorestad verdween van de aardbodem.
    Inmiddels veranderde er aan de loop der rivieren nog het een en ander. Het water zocht naar nieuwe wegen en vond die in de oorspronkelijke zijtak. De Lek werd zo hoofdstroom en de Rijn verviel tot een zijtak. Een gevolg van het feit, dat er minder water door de Rijn stroomde was, dat klei- en zanddeeltjes een kans kregen in het rustigere water te zinken. De rivier verzandde dus langzaam maar zeker ook nog eens een keer.

Dijk als wapen

    In hun strijd tegen het rivierwater hadden de mensen intussen een nieuw wapen uitgevonden: de dijk. In de loop van de elfde eeuw begon men de rivieren in te dijken, zodat de weg die de rivier volgde onder controle kwam. De eerste dijken waren overigens niet te vergelijken met die van vandaag de dag. Toentertijd was een dijk niet veel meer dan een lichte verhoging bestaande uit klei en zand. Overstromingen stoppen was nog lang niet mogelijk, maar de rivier een vaste loopgeven wel.
    In de loop van de twaalfde eeuw werden er ook dijken langs de Lek aangelegd en terwijl deze richting Wijk werden voltooid, stond de bisschop van Utrecht, in deze periode Godebald, als machthebber in dit gebied voor een keuze. Aan het begin van de twaalfde eeuw kende ons land een economische bloeiperiode, wat indie tijd vaak gevolgd werd door een bevolkingstoename. Bepaalde nieuwe technieken maakten het verder mogelijk, dat woeste delen van het land ook ontgonnen en ontwikkeld konden worden. Meer land betekende voor de bisschop meer geld uit landverkopen en vervolgens kreeg hij dan weer meer geld uit de opbrengsten van de belasting over landbouwproducten. Meer geld betekende vervolgens weer meer macht en hier had de bisschop erg veel honger naar.

De Tolsteegpoort, waar de Kromme Rijn de stad Utrecht binnenkwam. Tekening door J.H. Verheyen uit 1821.
Illustratie uit 'Kromme Rijn', uitgave van de Historische Kring tussen Rijn en Lek.


    Nadat alle mogelijke gronden in de veengebieden aan de andere kant van zijn grondgebied waren ontwikkeld tot landbouwgrond, liet de hoge baas uit Utrecht zijn ogen vallen op een laag gelegen stuk wildernis vlak bij Wijk: Langbroek. Het hier gelegen stuk moeras was door de lage ligging onmogelijk te ontginnen. Vooral in de winter, als het water in de Rijn hoog stond, kon het water uit het moeras niet worden afgevoerd. Het gebied bleef dan onder water staan en zelfs een bisschop wist dat werken met natte niet echt te doen was.
    Het aanleggen van een dijk was op dat moment niet de ideale oplossing, immers bij hoog water hielden ook deze dijken het water niet tegen en dan kreeg iedereen nog regelmatig natte voeten. Nee, de bisschop moest vat krijgen op de aan- en afvoermogelijkheid van het water. Hiervoor had hij ook al een mogelijkheid bedacht: een dam. Nu de dijken dus kwamen opzetten stond de bisschop voor de keus: of de Rijn indijken, of de Rijn indammen. Wanneer de bisschop de enige speler in het spel was geweest, was de keuze gemakkelijk: door de bouw van een dam was hij van alle problemen echt af. Echter, er speelden ook nog de belangen van andere machtige spelers mee.

Grondhonger

    Die andere spelers waren de steden Utrecht en Muiden. Voor de handel tussen deze twee steden was de Rijn van groot belang, immers alleen via die weg waren ze direct verbonden. Het economische belang van de steden, botste dus op de grondhonger van de bisschop en de botsing was hevig. Uiteindelijk moest de keizer er aan te pas komen. In 1122 kwam de Duitse keizer Hendrik V naar Utrecht om onder andere dit probleem op te lossen. Uiteindelijk kreeg Godebald toestemming om zijn dijk aan te leggen, maar ook de steden haalden grote winst. Er werd namelijk besloten om bij Utrecht een kanaal te graven via de Hollandse IJssel, die bij 't Gein weer op de Lek aansloot. Dit nieuwe stuk rivier kreeg de naam Vaartse Rijn mee. Omdat er dan sprake was van een zelfs betere vaarroute, betekende dit voor de handelsteden grote winst.

Zegel van bisschop Godebald vam Utrecht (1114-1127).
Illustratie uit 'Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen'.


    Verder wist de stad Utrecht de keizer ook zo ver te krijgen, dat hij de door de bisschop verleende stadsrechten erkende. Door deze erkenning werd het voor de stad mogelijk om een gracht en stadsmuren aan te leggen. Hierdoor was Utrecht voor haar verdediging minder afhankelijk van bescherming van de bisschop. Voor beide partijen werd zo de dam bij Wijk een haalbare zaak.
    Nog in het jaar 1122 kon er met de aanleg van de dam worden begonnen. Waar de dam precies gelegen heeft is overigens onbekend. Waarschijnlijk lag deze in de buurt van de plek waar later een openingssluis was in de Lekdijk, aan de westkant van de nederzetting. Omdat de dam moest worden aangelegd tussen twee stroomruggen, moet hij wel enkele honderden meters lang zijn geweest.

Overeenkomsten

    De overeenkomsten die gesloten werden om de dam in stand te kunnen houden, vormen ook weer een uniek iets. Enigszins terecht wilde de bisschop niet alleen opdraaien voor de onderhoudskosten van de dam. Niet alleen hij profiteerde van de aanleg, de dam was er in het belang van velen. Gelukkig voor de bisschop waren ook de andere partijen hiervan overtuigd. Er werd dan ook een overeenkomst afgesloten, waarin opgetekend stond dat alle partijen een bijdrage moesten leveren. Deze overeenkomst was zeker de eerste interlokale overeenkomst op waterstaatkundig gebied in Nederland en waarschijnlijk ook wel in Europa.

Terug naar de 700 jaar index pagina.