700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Leuterpoort beroemd geworden als molen

Wijkse Courant 31 mei 2000

    Wijk bij Duurstede - (door Frank Brouwer) Poorten, torens en wallen waren vorige week het onderwerp in de reeks geschieverhalen van Wijk bij Duurstede. Nadat de poorten en torens door de ontwikkeling van wapentuig eigenlijk onbruikbaar waren geworden, werden ze vaak afgebroken en soms hergebruikt. Vandaag een voorbeeld van een poort, die met een nieuwe functie uniek werd in Nederland. De Leuterpoort is beroemd geworden als molen.

    De Leuterpoort was zoals vorige week is verhaald een van de zes poorten die toegang gaf tot de stad Wijk bij Duurstede. Van de poort die toegang gaf tot de buurtschap Het Leut is bekend, dat die al in 1372 een toren had. Waarschijnlijk is de bouw van deze toren zo vroeg ingezet, omdat naast het feit dat de poort toegang verschafte tot de stad, op deze plek ook de bisschoppelijke riviertol werd geheven. Zoals enige tijd geleden al op deze plaats is geschreven, ruziede Wijk lange tijd met buurman Rhenen over de plaats waar aan de Rijn of Lek de schippers tol moesten betalen. Een gevecht dat uiteindelijk door Wijk werd gewonnen. Waarschijnlijk moest de tol ergens ter hoogte van de Leuterpoort worden betaald.

Runmolen

    Het unieke karakter bij de poort ontstond echter enkele honderden jaren na 1372. Het was in 1659 toen een zekere Anthony van Eyndhoven zich tot het stadsbestuur richtte met het verzoek om op de Leuterpoort een molen te mogen bouwen. Het verzoek van Van Eyndhoven riep wel protesten op bij de directe omwonenden van de poort. Uit vrees voor geluids- en stankoverlast verzochten zij het stadsbestuur niet met de bouw in te stemmen. De buurtbewoners kregen echter nul op het rekest bij de hoge heren van de stad, er werd met het verzoek ingestemd.
    Nadat eerst, een gedeelte van de poorttoren was gesloopt, verscheen op de restanten van de poort een zogenaamde runmolen. Run was een product gemalen uit de schors van eikenbomen, dat uiteindelijk dan weer werd gebruikt bij het looien van leer. De benodigde eikenschors kwam uit Leersum en Doorn. De gemalen run vond via de rivier weer een volgende bestemming.

Runmolenpoort, naar een anomieme tekening anno 1785.
Illustratie uit 'Wijk bij Duurstede' door H. Hijmans

Boete

    Al snel bleek de nieuwe handel van Van Eyndhoven een goede zaak te zijn. Op 7 december 1663 diende de eigenaar van de molen bij het stadsbestuur het verzoek in om ook op zon- en feestdagen te mogen malen. Dit werd toch iets teveel van het goede gevonden. Er werd nu geen toestemming verleend. Van Eyndhoven trok zich echter weinig van het gebrek aan medewerking aan. In 1665 kreeg hij door het stadsbestuur een boete opgelegd, omdat hij op de gewraakte tijdstippen toch was gaan malen.
    Tot ongeveer 1800 werd er in deze molen alleen run gemalen. Vanaf die tijd gingen de eigenaren echter over op het malen van koren. In die tijd was de molen in eigendom van de familie De Heus. Anthoni de Heus had de molen in 1786 gekocht van Willem Rijnders, tot 1914 bleef de molen bij deze familie in eigendom. Het malen van koren bleek in de laatste jaren geen gunstige bezigheid te zijn. Pieter de Heus zag de familiezaak failliet gaan en de molen moest worden verkocht.

Verval

    Intussen begon de ouderdom ook al aardig voor de molen mee te tellen. Het verval bleek zo ernstig, dat in 1928 de molen bijna op instorten stond. In Wijk werd een comité opgericht, dat alles in het werk stelde de molen te redden. Uiteindelijk werd zesduizend gulden bijeen gebracht, hetgeen ruim voldoende was om het bouwval te redden. Er werd contact gezocht met de in 1923 opgerichte vereniging De Hollandsche Molen. Deze vereniging had als doel op te komen voor behoud van de molens in ons prachtige landje. De Wijkse molen viel de eer te beurt in 1929 de eerste molen te zijn, die door de vereniging werd aangekocht.
    De Hollandsche Molen betaalde drie duizend gulden voor de molen en werd voor het symbolische bedrag van é&eactue;n gulden ook eigenaar van het vierkante onderstel. Dit onderste gedeelte, het restant dus van de oude Leutertoren, was namelijk tot die tijd altijd in eigendom gebleven van de gemeente. Onder de vleugels van de vereniging werd het in slechte staat verkerende gebouw opgeknapt. In 1930 vond een feestelijke heropening plaats. De molen draaide weer.

Opvallende vondst

    Net voor de Tweede Wereldoorlog deed de toenmalige molenaar Roodvoets een opvallende vondst. Terwijl hij rond de molen aan het werk was, vond Roodvoets een holle muur. Na onderzoek bleek dat achter de muur een trap schuil ging, die een weg verschaftte naar het bovenste gedeelte van de molen. Lange tijd was niemand van het bestaan van de trap op de hoogte geweest. Op de trap werd zelfs nog run gevonden, iets dat dus al sinds ongeveer 1800 niet meer door deze molen gemaakt werd. In 1941 werd de trap weer in ere hersteld.
    Zowel in 1964 als in 1981 vonden op de molen uitgebreide restauratiewerkzaamheden plaats. Iedereen realiseerde zich dus gelukkig goed, dat deze molen te uniek is om zomaar te laten vervallen. De molen 'Rijn en Lek'is namelijk de enige molen in Nederland die ook stadspoort is geweest en waar nu nog een verkeersweg onderdoor voert.

De molen 'De Zonnewijzer' aan de Prins Hendrikweg, die in 1912 werd vernield.
Illustratie uit 'Wijk bij Duurstede, geschiedenis en architectuur' van Uitgeverij Kerkenbosch Zeist.

Rosmolens

    Onze poortmolen was echter zeker niet de enige molen die de stad rijk is geweest. Waarschijnlijk waren er in de stad enkele zogenaamde rosmolens in gebruik. Rosmolens zijn molens die door een paard worden voortgetrokken. Rond 1460 was er onder andere een in gebruik op de Nederhof. Wanneer de rosmolens buiten beschouwing worden gelaten, dan was de molen aan de Dwarsdijkse Wetering de oudste van Wijk. Deze molen, die dus aan de Wijkerbroek buiten de stad stond, was al in 1488 gebouwd. De molen had als functie het wegpompen van overtollig water uit de polder. In 164O werd de molen voor het eerst afgebroken, waarna in 1725 een herbouw plaatsvond. De uitvinding van de elektriciteit zorgde ervoor, dat in 1924 een definitieve afbraak van de molen volgde.
    Van een tweede molen is eigenlijk maar weinig bekend. Deze moet hebben gestaan net buiten de stad, waar nu de Steenstraat ligt. Op de kaart van Jacob van Deventer staat deze molen vermeld, rond 1550 bestond deze molen dus. Wanneer deze gebouwd en gesloopt werd is echter onbekend.

Zonnewijzer

    Uit modernere tijden stamt de molen luisterend naar de naam De Zonnewijzer. Deze molen hoorde bij het houtzagerijcomplex aan de Prins Hendrikweg. De eigenaren van de houtzagerij, de familie Van Amerongen, lieten aan de Kromme Rijn in 1801 deze molen bouwen. De windmolen deed dienst totdat een brand in 1912 het gebouw volledlg vernielde. De wieken sloegen op hol en het houtwerk vatte hierdoor vlam.
    Op een laatste molen tenslotte komen we volgende week terug. Deze molen werd gebouwd, op de Han Loijentoren, en zou een van de beroemdste molens uit de Nederlandse geschiedenis worden. Waarom dit zo was, leest u volgende week.

Terug naar de 700 jaar index pagina.