700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Poorten en torens onmisbaar in verdedigingsbolwerk

Wijkse Courant 24 mei 2000

    Wijk bij Duurstede - (door Frank Brouwer) Poorten en torens hebben in de geschiedenis van Wijk bij Duurstede een opvallende plaats gehad. Om de herinnering aan de grotendeels in de loop der tijden verwijderde poorten en torens levend te houden, wordt er op dit moment in een tent aan de haven een beeldhouwerssymposium gehouden. Met een knipoog naar deze activiteit deze week in de geschiedverhalen van de stad aandacht voor het verleden van het verdedigingsbolwerk Wijk bij Duurstede.

    In de Middeleeuwen was er eigenlijk maar èè:n manier om een stad tegen vijanden te beschermen: Bouw een muur en leg daar omheen een gracht aan. In de vroege Middeleeuwen moest de muur dan vooral hoog zijn. Dan bood deze goede bescherming tegen eerst de pijl en boog en later de kruisboog en blijde. Een hele hoge muur bood ook nog bescherming tegen de belegeringstorens van de vijand.
    Nadat Wijk in 1300 stad was geworden, werd ook hier al snel begonnen met de aanleg van een verdedigingswerk. Waarschijnlijk ging het in eerste instantie om een houten palissade en een aantal houten poorten. Binnen deze omwalllng vielen de slechts enkele straten, te weten: de Volderstraat (toen Voorstraat geheten), de Achterstraat, de Markt (Plaetse), de Leuterstraat, de Veldpoortstraat, de Maleborduurstraat en de Peperstraat. Om deze omwalling heen lag wel een gracht. Het water voor deze gracht werd gehaald uit de in 1122 afgedamde Kromme Rijn.
    Met de eerste ommuring werd waarschijnlijk begonnen ten tijde van de eerste stadsuitbreiding rond 1350. De stad werd op dat moment richting de oevers van de rivieren vergroot. Tot aan de oeverzijde van de Kromme Rijn en tot aan de Lekdijk dus. Tussen 1440 en 1450 vond een laatste staduitbreiding plaats. Onder David van Bourgondië kende de stad een grote bloeiperiode, waardoor dus ook het aantal bewoners toenam. De straatjes die vandaag de dag nog achter de Muntstraat liggen werden tijdens deze uitbreiding gecreëerd. Zo kwam uiteindelijk ongeveer het stratenpatroon van de huidige binnenstad tot stand.

Het Rijnpoortje (naar een anonieme gravure, anno 1789).

    Na deze uitbreiding kreeg de stad een definitief verdedigingswerk. Naast de muren werd het verdedigingswerk ook getypeerd door enkele torens en poorten. Op zes plekken stonden poorten waardoor de stad te betreden was. Bij de oude wegenroute stond de Veldpoort. Als je links om de stad wandelde trof je verder de Rijnpoort (of poortje, rijverkeer kon niet door deze opening de stad in), de Leuterpoort, de Waterpoort, de Onze Lieve Vrouwenpoort en de Hoenderpoort. De Kasteelpoort tenslotte verbond de stad en het kasteelterrein. Elke poort had vaak een eigen bestemming. De Leuterpoort bijvoorbeeld was er waarschijnlijk al in 1372 en was onder andere tol kantoor. Hier moesten de schippers die over de rivier voeren hun aan de bisschop verschuldigde tolgelden betalen. Verder blijkt bijvoorbeeld ook uit enkele attestiën van 1664 dat de Hoenderpoort de burgerij toegang tot de Lekdijk gaf.

Kokend water

    De torens hadden vooral een taak bij het verdedigen tijdens een aanval. Om te voorkomen dat de vijandige soldaten de muren van de stad konden beklimmen werden ze vaak door de verdedigers bekogeld met stenen of overgoten met zaken als kokend water en olie. Vanuit de ten opzichte van de muur ietwat uitstekende torens werden dan de vijanden weer bestookt met strijkvuur. Over de gehele Wijkse walmuur waren dan ook meerdere torens te vinden, elk met een eigen naam. Tussen de Veldpoort en de Hoenderpoort stond de toren Kostverloren, bij de Leuterpoort de Leutertoren, verder naar het Rijnpoortje de Wildemanstoren, de Sottentoren en de Nonnentoren. De Smeettoren stond tussen het Rijnpoortje en de Veldpoort, tussen de Vrouwenpoort en de Waterpoort stond de Kraantoren en tenslotte tussen de Waterpoort en de Leuterpoort de Warnixtoren.
    Om het verdedigingswerk heen lag de huidige singel, de stadsgracht. Oorspronkelijk was deze gracht overigens twee keer zo breed als de huidige singel. Zo konden eventuele vijanden goed op afstand worden gehouden.

Kanonnen

    Met de uitvinding van het kanon viel de middeleeuwse verdedigingstactiek in een keer in duigen. De kanonnen schoten al snel verder dan bijvoorbeeld een kruisboog en hadden natuurlijk ook een grotere vernietigingskracht. Zonder echt dichtbij te hoeven komen, konden aanvallers de stadsmuren aan flarden schieten. De hoge muren waarachter de verdedigers eerst zo veilig waren, waren nu plots juist een nadeel. Een hoge muur was bij beschadiging instabiel. Nu waren juist lagere en vooral zwaardere aarden wallen het beste beschermingsmiddel.
    Ook de torens van de oude tactiek voldeden niet meer. Overal waar het nodig was verrezen nieuwe bastions. Nu bleek ook, dat Wijk strategisch gezien niet meer van belang was. In 1532 kwam Karel V nog wel met een moderniseringsplan voor de verdediging van het Wijkse kasteel. Voorlopig bleef het echter bij tekeningen. Pas tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1577 werd en op het stuk rond het kasteel het een en ander aangepast aan de tijd.
    Ook voor het kasteel trad hierna echter het verval in. In 1610 lag er nog wel van de hand van Adriaan Anthonisz een plan voor het aanleggen van een verdedigingsbastion rond Wijk. Met de tekeningen is echter nooit wat gedaan. Na de Franse inval van 1672 werden grote delen van de ommuring vernield. Herbouw geschiedde met materialen afkomstig van het kasteel.

De landzijde van de Veldpoort (naar een gravure door D. v.d. Bueg, anno 1780).
Illustraties uit 'Wijk bij Duurstede' door H. Hijmans

Stadsmuur

    De poorten en torens waren, nu ze nergens meer toe dienden, gedoemd te verdwijnen. De tijdens de modernisering in 1577 rond het kasteel aangelegde wallen werden in 1759 weer afgegraven. In de negentiende eeuw werden tenslotte de poorten en torens stuk voor stuk afgebroken.
    De stadsmuur moest er ook aan geloven, alleen het stukje aan de Lek bleef. Vandaag de dag nog staat op dezelfde plaats nog een muur die dienst doet waterkering. Op de stadsmuur aan de rivier werden in de achttiende eeuw enkele theekoepels gebouwd. De koepels verschaften de burgerij van Wijk een mooi plekje om, onder het genot van een kopje thee te genieten van het prachtige uitzicht. Op de muur kwamen uiteindelijk drie van deze koepels te staan. Van deze drie werden er twee in 1879 afgebroken. Vandaag de dag vormt het terras van het Schipperhuis de herinnering aan de overgebleven koepel.

Veldpoort

    De laatste poort die was overgebleven was de Veldpoort. In 1879 werd ook deze echter afgebroken. Het oostelijke gedeelte van de vroegere stadsmuur werd eerst nog vervangen door een aarden wal. In 1853 verdween deze weer, toen onder leiding van J.D. Zocher daar een plantsoen werd aangelegd.
    Van alle poorten en torens is er dan ook uiteindelijk slechts een overgebleven: de Leuterpoort. Volgende week zullen we uitleggen waarom deze poort uniek genoeg is voor een eigen aflevering in de geschiedenis van Wijk bij Duurstede. De week daarop zien we dan waarom de Han Loijentoren na een verbouwing ook nog een belangrijke plaats in de geschiedenis van Wijk heeft gekregen.

Terug naar de 700 jaar index pagina.