700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Katholicisme nooit helemaal verdreven

Wijkse Courant 12 april 2000

    Wijk bij Duurstede - (door Frank Brouwer) De vorige twee verhalen uit de geschiedenis van de jarige stad, vertelden wij u over de Grote Kerk op de Markt. Tot 1580 was dit het huis van de katholieke kerk. Na het verbod op de katholieke eredienst, werd de kerk het domein van de protestanten. Het katholicisme werd echter nooit helemaal verdreven. Deze week het verhaal van de totstandkoming van de huidige katholieke kerk aan de Kloosterleuterstraat.

    Verantwoordelijk voor het in 1580 ingestelde verbod op de katholieke eredienst waren de Staten van Utrecht. Dit verbod betekende vooral, dat alle kerken in handen kwamen van de protestantse gemeenten, ook in Wijk bij Duurstede was dit, zoals vorige week al is duidelijk geworden, het geval. Nadat de katholieken jarenlang de protestantse groeperingen achtervolgd en uitgemoord hadden, was het nu een beetje omgekeerd. De nieuwe christelijke religie wist echter nooit het gehele volk achter zich te krijgen. Omdat het lidmaatschap van de protestantse kerk een grote bijbelkennis en een strakker religieus leven inhield, kozen uiteindelijk veel mensen toch weer voor het aloude en bekende katholieke geloof.

Rooms-katholieke kerk met pastorie aan de Achterstraat (naar een anonieme gravure anno 1790).
Illustratie uit "Wijk bij Duurstede" van H. Hijmans.

Klooster

    Ook in Wijk wisten de katholieken zich langzaam maar zeker te herstellen. In het diepste geheim kon na 1596 het oude geloof weer beleden worden in het uit 1399 stammende klooster van de Witte Vrouwen, ofwel het Dominicanessenklooster. Tijdens de reformatie waren de muren van dit vroeger altijd volledig afgesloten klooster, door de aanhangers van het nieuwe geloof afgebroken. De protestanten vonden het niet langer dragelijk, dat de nonnnen volledig afgesloten leefden. Zij wilden weten wat er binnen de muren gebeurde. In de eerste jaren na de reformatie hadden de enkele nonnen die er nog waren, geen priester de hen de mis voordroeg. In 1596 echter werd pater Bernardus van Goes naar Wijk gestuurd. Hij zou de laatste biechtvader der nonnen worden. In zijn in 1611 geschreven memoires vertelde Van Goes over de gevaren die voor hem in Wijk bestonden. De nieuwe pater kon pas 's avonds als de poorten van het klooster gesloten waren zijn kleine kamer verlaten. Bij nachtelijk bezoek moest hij snel weer verdwijnen.
    De preken van de pater werden ook in het diepste geheim gehouden. Van Goes schreef hierover: "Hadden ze ons betrapt, zij zouden mij onder de uitjouwingen der jongens verjaagd, de leken tot een grote boete hebben opgelegd en het klooster geplunderd hebben. Zo scherp werd steeds de kloosterpoort bewaakt, dat de katolieken die de heilige mis wilden volgen reeds des avonds van te voren moesten komen."

Pestepidemie

    Tijdens de pestepidemie van 1604 vielen er onder de nonnen vele slachtoffers. Elf zusters en een dienstbode kwamen te overlijden. Alleen de negentigjarige superpriorin, de zeventigjarige priorin, een zuster en een lekenzuster bleven over. Zij werden tenslotte naar andere plaatsen overgeplaatst en het protestantse stadsbestuur nam het klooster over. uiteindelijk werden de gebouwen in 1640 afgebroken.
    Het katholicisme was daarmee nog niet uit Wijk verdreven. Vanaf 1631 was er in het stadje weer een priester aanwezig, die in het geheim bij mensen thuis de heilige mis voordroeg. Regelmatig klaagden de leiders van de protestantse gemeenschap bij het stadsbestuur over het gedrag van de katholieken. Waarschijnlijk omdat een groot gedeelte van de bevolking terug ging naar het katholicisme en verjaging van de katholieke leiders wel eens tot een bevolkingsopstand kon leiden, werden de geheime missen door het stadsbestuur gedoogd.

De huidige R.K.-kerk, St. Jan Baptist, aan de Kloosterleuterstraat.
Illustratie uit "Wijk bij Duurstede, geschiedenis en architectuur",
Uitgeverij Kerkebosch BV, Zeist.

Pater van Rheeden

    Belangrijk voor de katholieke spirit in het stadje was pater Theodorus Adolf van Rheeden. Deze geboren protestant, was op zijn vierentwintigste tot de orde der jezuïeten toegetreden en acht jaar later tot pater gewijd. In 1695 ging hij bij familie in Wijk bij Duurstede wonen. Tot aan zijn dood was hij de leider van de katholieken. In de derde kwart van de zeventiende eeuw wist Van Rheeden het voor elkaar te krijgen, dat er weer een katholieke kerk in Wijk kwam. Veel stelde deze overigens niet voor. In 1664 wist de pater een woonhuis tot kerkje te bevorderen. Gewend als zij waren hun erediensten op schuilplaatsen te houden, was dit voor de katholieken zeker een vooruitgang.
    Tot het openlijk mogen belijden van hun geloof kwam het op dat moment niet. De protestantse predikanten dienden zelfs een klacht in bij het stadsbestuur en op 13 februari 1665 kwam een speciaal opgestelde commissie bij de pater op bezoek. De commissie stelde toen vast, dat er in het huis niets verkeerds aan de hand was.
    Een prentje uit de achttiende eeuw toont een katholieke kerk in de Achterstaat. Onbekend is wanneer deze schuur tot kerk werd omgeturnd. Tot in de negentiende eeuw heeft dit gebouw dienst gedaan. In het tweede decennium van de negentiende eeuw kregen de katholieken weer de mogelijkheid een eigen kerk te bouwen. De kerk kwam te staan op zijn huidige plaats, op de plek waar tot 1640 het klooster van de Witte Zusters had gestaan. De koning droeg na veel aandringen 2500 gulden bij voor de bouw en de provincie kwam met vijfhonderd gulden over de brug. Lokale katholieken hebben enorm hun best moeten doen om de resterende gelden bij elkaar te krijgen. Twee kinderen deden hiervoor zo hun best, dat bij de inwijdng de klok naar hen werd vernoemd: de Johannes Cornelius.

Geldnood

    Omdat de rijksoverheid aan de bouw bijdroeg, kwam de leiding voor het bouwen in handen van het departement van Rijkswaterschap. Dit departement had zo zijn eigen stijl van bouwen. Een stijl die gekenmerkt werd door een efficiënte bouw, waartegen veel versiersels werden aangeplakt.
    Uiteindelijk kwam deze nieuwe katholieke kerk pas in 1834 af. Allerlei rampen en geldnood hadden de bouw enigzins vertraagd. Door het typische torentje kreeg de kerk in de volksmond de naam peperbus mee.
    Na de gereedkoming werd er aan de kerk veel aangepast. In de zogenaamde neogotische stijl werd in 1907 naar tekeningen van Wolter te Riele uit Deventer een nieuw koor en dwarsschip gebouwd. Dertig jaar later gaf het kerkbestuur aan de ook uit Deventer komende architect A.J. Vosman de opdracht een verdere aanpassing mogelijk te maken. Het waterschapsgedeelte van de kerk viel toen weg.

De R.K.-kerk vanuit het noord-oosten rond 1925, nog mét het peperbustorentje.
Wat over bleef was voor H. Hijmans een gruwel voor het oog. Bij de verbouwing werd de de peperbus namelijk afgebroken en kwam de huidige toren daarvoor in de plaats. Waar volgens Hijmans de peperbus prima in het stadsbeeld paste, kwam er nu een lompe en on-Wijkse toren voor in de plaats.
    Binnen in de kerk is het fraaie altaar waarschijnlijk van de hand van de Doornikse meester Marc Le Febore (1708-1797). Het werk bestaat onder andere uit een uit zilver gedreven, rijkversierde expositietroon.

Terug naar de 700 jaar index pagina.