700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Denkend aan Wijk

Verhalen

      Als geboren en getogen Wijkse ben ik nog altijd verknocht aan Wijk. Nu kan dat ook haast niet anders, want al vanaf kindsbeen werd mij door mijn vader, niet zonder trots, ingeprent dat Wijk bij Duurstede de bakermat van de Kostermannen was...
      Eén van de Kostermannen was mijn opa Marinus, die in 1912 met een voor die tijd gedurfd koopmanschap een boerderij kocht aan de Achterstraat en daar zijn timmerbedrijf begon. Hier groeiden mijn vader Kees, zijn drie broers Karel, Adriaan, Frans en zus Wies op.
      Oma Maria Kosterman was een Langbroekse. Opa moest een zware strijd leveren met de lokale vrijgezellen om haar als niet-Langbroeker te kunnen trouwen!
      Oma leefde haar leven tot haar volle genoegen naast de kachel. Onverstoorbaar volgde ze vanaf die plek het wel en wee van haar gezin. Al viel er een bom naast haar stoel, Oma keek niet op of om. Ze lachte graag en veel. Om de dolle streken van haar zoons, maar ook om de vele verhalen. Want vertellen, dat kunnen de Wijkenaren.
      Zo rouleren er in de familie hilarishce verhalen over het lijken kisten. Want als bekwaam timmerman werd het aan opa Kosterman toevertrouwd voor de doden een laatste behuizing te maken. Aan zijn zoons droeg hij de belangrijke taak over om de doden te kisten. De zoons vonden dit al niet zo'n prettige klus maar één voorval spande hierbij de kroon. Het gebeurde dat in een klein huis met een smalle trap de kist niet naar boven kon en dus moest de overleden dame naar beneden gesjouwd worden. Twee broers namen dit letterlijk zware karwei op zich want de dame was bepaald geen lichtgewicht. Met de nodige inspanning sjouwde het tweetal de overledene de trap af. Hierbij was het hen ontgaan dat haar hand achter de trapleuning bleef steken. Bij het verder afdalen schoot de hand weer los en zwiepte deze tegen het hoofd van één van haar dragers. Dit ontlokte hem de legendarische kreet: "Nou heb ik mijn hele leven al een hekel aan dat rotwijf gehad en nu ze dood is slaat ze me alsnog voor mijn kop!"
      Nu kunnen Wijkenaren niet alleen prachtig vertellen, ze kunnen nog veel beter overdrijven. Nog steeds doen de verhalen van een helaas verscheiden Wijkenaar het het goed aan de borreltafel. Zo beweerde hij met klem: "Het was bij ons vroeger thuis zo smèrig, zelfs de ratten hadden een overal aan." Minder bekend, maar daarom niet minder leuk was de volgende: "Mijn zoon hep zijn radio altijd zo hard staan, verschrikkelijk. Ik zeg: jochie, mo-je soms uitzenden naar Siberié? Man, man, de schnitzels lagen te rillen in de diepvries!"
      Maar de grootste lachsalvo's levert steevast het verhaal op van de reis naar zijn dochter in Canada, waar hij met zijn Canadese schoonzoon een Indianenreservaat bezocht. Hij vertelde: "Ik kwam bij een wigwam en daar stond zo'n groot opperhoofd, met van die veren op zijn kop. Wat denk je dat hij zee?" Even een verwachtingsvolle stilte. En dan: "Hij zee: Hé, vuile vieze Wijkse, wat mot jij hier?"
      Maar ook kwajongensstreken zijn de Wijkenaren niet vreemd. Iedereen die een beetje bekend is in Wijk denkt dan gelijk aan de veel te vroeg overleden Tonny Vermeij, beter bekend als 'de lange kip'. Hij presteerde het om een niet zo'n scheutige boer op te bellen vanuit het café, als ware hij een radiopresentator van een in die tijd bekend telefoonspelletje. Als de man binnen tien minuten met twee kippen naar het café zou komen zou hem een grote prijs wachten. De boer kwam inderdaad hijgend met twee kippen onder de arm het café binnenrennen maar de 'radiopresentator' was hem natuurlijk allang gesmeerd. Nu had Tonny, getuige zijn bijnaam, iets met kippen. Want toen de feministiche aanhang van het veelbesproken vrouwencafé De Bonte Kip met zijn allen Tonny's stamkroeg binnenkwamen, groette hij nuchter met: "Zo Barnevelders!"
      Gelukkig voegt de tijd steeds nieuwe verhalen toe. Zeer onlangs nog, toen Hennie Peek Wijk 700 zou inluiden als stadsomroeper. Het paard ging er met de koets waar hij inzat vandoor en de koets sloeg om, waarbij Hennie en koetsier over elkaar heen buitelden. Toen hij van de schrik bekomen was grijnsde Hennie weer zijn bekende grijns en lachte: "Ik verloor mijn bril maar de koetsier zijn gebit."
      Dat Wijk 700 hier nog maar veel prachtige verhalen aan mag toevoegen!
     

Wil Kosterman

Terug naar de 700 jaar index pagina