700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Denkend aan Wijk

Papejong

      In 1962 kwam ik als jochie van vijf jaar uit het Wijkerbroek in de Muntstraat wonen. Voor zover ik weet stam ik uit een oud Wijks geslacht, want mijn vader, grootvader en overgrootvader zijn allemaal in het Wijkerbroek geboren. In die tijd spraken we al met trots over onze stad Wijk.
      Ik groeide op in een zeer katholieke sfeer. Ik zat op de katholieke jongensschool met zo'n veertig jongens in de klas. Je had toen nog een jongens- en een meisjesschool. Je kon in de pauze wel met elkaar praten maar dan wel vanachter een hek, want met elkaar spelen was uit den boze. De eerste jaren ging je iedere dag om acht uur naar de kerk. Ik was misdienaar, was bij het zangkoor en bij de Welpen, een soort Scouting maar dan puur katholiek. Zelfs de voetbalclub Dorestad was katholiek. Veel contact met mensen van een ander geloof had je dan ook niet. Mijn vader hield 'die fijnen', zoals hij ze noemde, op afstand. Maar dat was wederzijds. Zo waren onze directe overburen de heer en mevrouw Nijendaal. Ik zie Nijendaal nog zitten in zijn attelier bezig met een schilderij. Dat was wel interessant maar eigenlijk nog interessanter was de plank waarop een doodshoofd en allemaal mensenbeenderen lagen. Het hele sfeertje was nogal somber dat kwam ook al door de afstandelijke houding van de Nijendaals. Ze deden nogal nors tegen ons. Eens kwam ik, na heel veel moed verzameld te hebben, vragen om mijn voetbal die over het hek geschopt was. Hier kwam de strijd tussen de geloven duidelijk naar boven, want mevrouw Nijendaal sprak: "Hoe durf je bij nette mensen de bal in de tuin te schoppen." Ik kreeg mijn bal niet terug en na wat gesputter van mijn kant zei ze: "Je bent toch zo'n net katholiek kind. Scheer je weg Papejong."
      Onze vaders hadden boven op de vier meter hoge muur van de Nijendaals nog een meter gaas geplaatst, maar toch ging er regelmatig een bal overheen en belandde in de tuin. We kregen de bal nooit terug. Dan zeurden we om geld om bij 'Tutepotjie' of bij Pauw Maigret een nieuwe bal te kopen. Totdat we op een goede dag met alle jongens uit de straat bij de politie moesten komen. We dachten dat we voor kattenkwaad minstens een nacht de bak in moesten, want toen had je nog ontzag voor politiemensen zoals De Bruin en Nabertjie. Maar wat bleek, niks bak. We mochten uit tweenhonderd voetballen, opgespaard door de Nijendaals, onze eigen exemplaren zoeken.
      Voetballen was natuurlijk niet het enige wat we deden. We waren regelmatige te vinden in de vele boomgaarden rondom Wijk. Schaatsen kon je op de Bermput aan de Middelweg, op de Singel en op de uiterwaarden die vaker onderliepen want de stuw was er nog niet. Op de gracht was het leukst want er was de Koek en Zopie tent van Van Haren en het ijs werd soms geveegd of als het slecht was door de brandweer opgespoten. De lampen van het Klank en Lichtspel op de baan deden de rest.
      Langzaam veranderde Wijk met veel import. Oude huizen werden gekocht en opgeknapt. De import werd door de autochtonen niet echt gewardeerd; bemoeials en moderne rakkers waren het. De import is inmiddels wel in de meerderheid. Met al zijn voordelen en nadelen. Er is meer te doen op allerlei gebied maar toch mis ik nog wel die boomgaarden en de rust van de tijd dat je nog zonder overreden te worden op straat kon spelen en dat iedereen elkaar hielp. Dat iedereen die uit Wijk kwam Wijk ook echt 'stad' noemde omdat je daar trots op was. Ik mis al die mooie prachtige fruitbomen en hoop dat we nu genoeg gebouwd hebben.
     

Hans Pouw

Terug naar de 700 jaar index pagina