700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Muntslag in Dorestad en Wijk

Wijkse Courant 23 februari 2000

    Wijk bij Duurstede - Het gevecht om de tolheffing, een recht uit oude tijden waar Wijk en Rhenen decennia lang om streden, stond vorige week nog centraal. Zoals al aangekondigd, komt vandaag een nòg ouder, niet geheel onbelangrijke zaak aan bod: het slaan en gebruik van munten.

    De Romeinen gebruikten ze al, en ook na de instorting van het Romeinse Rijk verdween de gewoonte niet van de vervaardiging van munten. Ook Dorestad was één van de plekken waar munten werden gemaakt. Een traditie die later in Wijk navolging kreeg.
    H. Hijmans noemde het instellen van tollen in zijn boek over Wijk nog een negatieve ontwikkeling. Over het ontstaan van geld was de grootvader van de Wijkse geschiedschrijving meer tevreden. De Romeinen zagen al dat de handel behoefte had aan een ruilmiddel en zij begonnen munten te slaan. Na de instorting van het Romeinse rijk bleven de oude Romeinense munten nog vrij lang in gebruik.
    Op een gegeven moment was er echter behoefte aan nieuwe munten; van de oude waren er nog maar weinig over. Net als in de Romeinse tijd was in de zevende eeuw nog geen sprake van een fabriek waar munten werden vervaardigd.
    Op bestelling van de regeerders maakten particuliere goudsmeden de munten. Aanvankelijk sloegen de muntmeesters de eigen naam op de munt. Later kwam de naam van de vorst erop te staan.
    Om de zevende eeuw werkten enkele beroemde muntmakers in Wijk bij Duurstede. Het eerste gedeelte van de eeuw werkte Rimoaldus in Dorestad en Maastricht.

Gouden Munt, triens, uit circa 640 na Chr. Op de voorzijde de gestileerde
kop van een Frankische koning en het randschrift "Dorestat fir" (in Dorestad
geslagen). Op de keerzijde een onderstreept kruis en het randschrift "Madelinus
M(onetarius)" (Madelinus Muntmeester). De munt meet 13 mm en is iets kleiner
dan een dubbetje.

Illustratie uit het boek 'Van Dorestad naar Wijk bij Duurstede'. Uitgeverij Uniepress Abcoude.

    Nadat Pippijn van Herstal Dorestad in 697 veroverde, kwam de muntmaker Madelinus, ook uit Maastricht, in het plaatsje aan de Lek werken. Ook voor mensen van ver weg waren de Dorestadse muntmakers een voorbeeld. Op munten die gevonden zijn in het Zweedse Birka, stonden tekens die lange tijd een raadsel vormden. Na gedegen onderzoek is echter gebleken, dat de tekens nabootsingen zijn van de letters die op munten uit Dorestad stonden.
    De munten uit Dorestad zijn over grote afstand verspreid geraakt. Tot aan Rusland toe zijn uit de oude handelsplaats afkomstige geldstukken gevonden. Onder de Karolingische vorst Pippijn de Korte (754 - 768) kwam een nieuwe vorm van muntslag op: een uniforme wijze van muntslag voor het gehele rijk. Onder zijn zoon Karel de Grote (768 - 814) werd dat voortgezet.
    Ook in Dorestad werden munten vervaardigd voor deze vorsten. Naast de tekens die verwezen naar de vorst, staat er op veel van de gevonden munten uit deze tijd ook een strijdbijl weergegeven. deze strijdbijl symboliseert de plaats van herkomst: Dorestad. De instorting van Dorestad betekende ook een voorlopig einde van het slaan van munten in dit gebied.
    Voortaan werden de munten voor Nederland gemaakt in Keulen. In de tiende eeuw schonk de toenmalige Duitse keizer aan de bisschop van Utrecht het recht tot muntslag. Dit mocht ook geschieden buiten de grenzen van de stad Utrecht. Zo kwam de munt uiteindelijk weer in Wijk terecht.
    Misschien zijn ook wel de beroemde guldens van David van Bourgondië in Wijk gemaakt. Vast staat in ieder geval dat deze bisschop in 1474 de munt vanuit Rhenen naar Wijk verplaatste. Net als bij de tol volgde natuurlijk een protest van de Rhenenaren. De Rhenenaren wezen op het feit, dat door de verhuizing enkele muntmeesters in Rhenen zonder broodwinning waren komen te zitten. De bisschop willigde het verzoek niet in. De munt bleef in Wijk.
    Dit was overigens maar voor even. In 1484 verhuisde de muntslag opnieuw. Dit keer wat verder weg, naar het Overijsselse Hasselt.
    Het slaan van munten was in die tijd natuuulijk ook al een serieuze zaak. De muntmeester viel onder strenge controle van de waardeins. Zij hielden er toezicht op dat niet met de munten gerommeld werd. Het gehalte van de metalen werd mede bepaald door de controle van het gewicht van de munt.
    De straf die stond op het vervalsen van munten was niet misselijk. Als je geluk had, kwam je er met een stevige boete vanaf. Als iemand het heel bond had gemaakt, dan werd die persoon in een ketel vol met water gestopt en gekookt. Tot 1528 werden er in Wijk bij Duurstede geen munten meer geslagen. In dat jaar schonk Karel V de stad weer het recht om munten te slaan. Wederom was deze verlening echter van korte duur. Uiteindelijk werd op 3 december 1556 zelfs het munthuis verkocht. Sindsden zijn er in Wijk dus geen munten meer vervaardigd.
    Het enige wat nog doet herinneren aan het feit dat in de zevenhonderd jaar oude stad ooit munten zijn geslagen, is de naam van een straat. Inderdaad de Muntstraat.
    Het was lange tijd onderwerp van een historische discussie, waar het munthuis in deze stad heeft gestaan. In 1983 ging de voormalige gemeentearchivaris Rob Butterman er nog van uit, dat de werkzaamheden hadden plaatsgevonden in het pand Amstelwijk aan het einde van de straat. Butterman baseerde zich hierbij op een verkoopakte uit mei 1545, waarin Karel V enkele van zijn domeinen in de stad verkocht aan het stadsbestuur.
    Omdat uit de fraaie verkoopsoorkonde die nog in het archief lag, bleek dat het niet om zomaar een huis aan het einde van de muntstraat ging, veronderstelde Butterman dat het om het munthuis ging. De veronderstelling van Butterman wordt inmiddels echter als verkeerd beschouwd.
    Mede door te verwijzen naar de kaart van Jacob van Deventer uit ongeveer 1560, wordt tegenwoordig aangenomen dat het munthuis meer naar het midden van de straat heeft gestaan. De plek die dan in aanmerking komt, is de locatie waar nu het gebouw van De Schakel staat, oftewel de oude huishoudschool.

Terug naar de 700 jaar index pagina.