700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Wijk en Rhenen ruziën over tolheffing

Wijkse Courant 16 februari 2000

    Wijk bij Duurstede - Al ten tijde van Dorestad en ook later in Wijk waren twee belangrijke instellingen in de stad gevestigd: de tol en de munt. Volgende week het verhaal van de muntslag. Vandaag staat de ruzie met Rhenen, over de vraag waar de tol geheven mocht worden, centraal.

    Voor H. Hijmans was het ontstaan van tol een geciviliceerd overblijfsel uit de tijd der roofridders. In zijn boek over Wijk bij Duurstede uit 1951 gaf hij aan dat roofridders schepen plunderden of de schippers een schatting oplegden. Deze schatting werd later de tol, ofwel een instituut 'waar de handel allerminst behoefte aan had', zo schreef Hijmans.
    Een interessant idee, ware het niet, dat de tol al bestond vóór de tijd der roofridders. Hijmans wist namelijk ook al dat de tol in Dorestad gevestigd was. Door stond één van de belangrijkste tolkantoren van het Frankische rijk.
    Ook na de verwoesting van Dorestad bleef de tol warschijnlijk nog lange tijd op dezelfde plaats gehandhaafd. De gunstige ligging van de plek is hiervoor de belangrijkste reden geweest. De Romeinen hadden zich al op de kruising van de Rijn en Lek gevestigd. Deze plek was ideaal voor controle van de vevoerswegen naar andere delen van het land.
    Toen in 1122 de Kromme Rijn werd ingedamd, veranderde de situatie natuurlijk volledig. Het was niet langer echt aantrekkelijk om de tol op deze plaats te handhaven. In die tijd was de bisschop de baas in het gebied. Het klinkt zeer aannemelijk dat deze vorst de tol ging heffen in de plaats waar de rivier zijn gebied in kwam stromen: Rhenen.
    Waarschijnlijk bleef de tol tot de jaren zeventig van de vijftiende eeuw in Rhenen gehuisvest. In de periode tussen 1470 en 1476 verplaatste David van Bourgondië de tol weer naar Wijk. Zoals inmiddels bekend mag zijn, was David bisschop van Utrecht en resideerde hij in Wijk. Net als in Dorestad het geval was geweest, probeerde de bisschop allerlei bestuurlijke instituten naar één plaats te halen.

Tol naar Wijk

    Ergens voor 1477 verhuisde de tol naar Wijk. Dit is enkel bekend geworden, omdat op 28 juli 1477 een verzoek van drie leden van de Staten van Utrecht tot terugplaatsing van de tol naar Rhenen door David werd ingewilligd. Rhenen toonde zich niet blij met de verplaatsing en protesteerde. Het protest was vergeefs omdat Karel de Stoute, een broer van David en vooral vorst van Bourgondié, achter de verhuizing stond. In 1477 stierf Karel echter en nu zag Rhenen zijn kans schoon.
    De verplaatsing van de til van Rhenen naar Wijk en andersom werd een steeds terugkerend verhaal. Rond 1525 moet de tol wer naar Wijk zijn geplaatst. Het gebied van de bisschop werd bedreigd door de Gelderse graven. Rhenen lag precies onder handbereik van deze aanvallers. Om de tol veilig te stellen was een verhuizing naar Wijk logisch.
    Karel V wordt in 1943 de baas over heel Nederland. De twist tussen de Geldersen en de bisschop verdwijnt en Rhenen vindt een terugverhuizing van de tolrechten niet meer dan logisch. Bij de landvoogdes Maria van Hongarije, die Nederland regeerde namens Karel V, vonden de Rhenenaren een luisterend oor.

Maria zwicht voor Rhenen

    In de ordonnantie van 20 januari 1545 besloot Maria de tol weer naar Rhenen terug te plaatsen. Eén van de redenen hiervoor was dat de schippers uit Maurik anders een stuk tolvrij over de rivier konden varen. Dit sneed totaal geen hout, want ni konden zij stroomafwaarts een stuk gratis varen. Waarschijnlijk is de landvoogdes gewoon gezwicht onder de grove inspanningen die Rhenen deed om de oude rechten terug te krijgen. Deze keer bleef de tol elf jaar in Rhenen. In 1557 werd het stadje echter getroffen door de pest. Tol heffen was op dat moment niet langer mogelijk.
    De tol verhuisde weer terug naar Wijk. Vanaf het tijdstip van de verhuizing heeft Rhenen er weer alles aan gedaan om de tol terug te krijgen. Nadrukkelijk werd gewezen op de oude verdragen waarin het tolrecht aan Rhenen was vergeven.

Ordonnantie op de Rijntol anno 1679.
Illustratie uit 'Wijk bij Duurstede' door H. Hijmans.

Tolhuis

    Verder kwam Rhenen met getuigenissen van mensen uit de scheepvaart, waarin verklaard werd dat Rhenen geschikter was als aanlegplaats. Wijk en Rheden deden allerlei financiële inspanningen ziaks de verbetering van de aanlegsteigers en de aankoop van huizen die als tolhuis werden ingericht.
    Waarschijnlijk gebeurde dit, opdat ook de inwoners van de stad een graantje konden meepikken. Voor directe inkomsten zullen de inspanningen van de stadsbesturen niet bedoeld geweest zijn. Deze gingen namelijk inmiddelijk naar de landsheer.
    Het gevecht van Rhenen was overigens tevergeefs. De tol was en bleef in Wijk bij Duurstede. Wel bleef de mogelijkheid voor de schippers uit Maurik, Lingen en Eck, om een gedeelte van de rivier tolvrij te bevaren, de tolbazen een doorn in het oog. In juli 1603 werd daarom besloten in Rhenen een vertegenwoordiger van de tollenaar te plaatsen. Op dat moment was de tollenaar al een betaalde ambtenaar geworden.
    Lange tijd was het de gewoonte om de tol te verpanden of te verpachten. Vooral de bisschoppen namen geen moeite om de tol binnen te krijgen maar legden de inning in handen van anderen, zolang zij maar een bepaald bedrag ontvingen. Verpanden of verpachten, dat maakte de bisschoppen in de periode 1277-1484 niet veel uit. Na 1484 werd verpachten de populairste vorm en na 1528 verdween het verpanden zelfs helemaal.

Schout en tollenaar

    De eerste achterhaalde gesalarieerde ambtenaar met de naam tollenaar was Anthonis van Covelens. Hij werd op 21 februari 1529 aangesteld. Het dagelijkse werk kiet Van Covelens, die ook schout van Wijk was, overigens aan zijn tolknecht over. Deze vorm van tol bleef gehandhaafd tot de zogenaamde Franse tijd.
    In deze periode ron 1800 ging de Wijkse tol samen met die van Arnhem. Hierbij werd de laatstegenoemde als tolplaats gehandhaafd. Anno 1826 kwam er wel weer een tol voor de boten die over de Kromme Rijn naar Utrecht voeren.
    Deze tol werd in het leven geroepen om onderhoud aan de weg van Wijk via Cothen naar Doorn te kunnen betalen. Sinds 1621 betaalden de mensen voor dit doel al tol op de statenbrug in Nederlangbroek. In 1826 kwam er hiervoor een tolplaats net buiten Wijk bij.
    Deze tol bleef gehandhaafd tot 1870. Toen maakten de tollen plaats voor een landelijk belastingstelsel.

Terug naar de 700 jaar index pagina.