700 jaar stad Wijk bij Duurstede

Regenten heersen over Gasthuis

Wijkse Courant 9 februari 2000

    Wijk bij Duurstede - Deze week volgt wederom een aflevering over 'de andere jarige' van Wijk. In deel één werd de stichting van het Ewoud en Elisabeth Gasthuis (E&E) in 1400 door Willem van Abcoude al beschreven. Deze keer komt in vogelvlucht de verdere geschiedenis van het Wijkse bejaardenhuis langs.

    Over de historie van het gasthuis in de eerste periode na de stichting is nog maar weinig bekend. Wel is duidelijk, dat E&E een grootgrondbezitter werd. Veel mensen volgden nemelijk het voorbeeld van Willem van Abcoude. Om hun eigen zielenheil veilig te stellen, lieten ze een stuk grond na aan het Gasthuis.
    Samen met de Wijkse St. Jankapittel, de Utrechtse kapittels van de Dom en Oudmunster en het Maria Magdalena Convent, bezet het E&E grote stukken grond in het kromme Rijngebied. Toen de protestanten tijdens de Reformatie in de zestiende eeuw de machtsposities begonnen in te nemen, was het gasthuis één van hun prooien.
    In de jaren rond 1580 verdween het katholieke karakter van het Gasthuis. Naast uiteraard het Wijkse stadsbestuur hadden de provinciale staten van Utrecht ook belangstelling voor het Gasthuis. Met name voor de uitgebreide landgoederen die inmiddels bij E&E in bezit waren. Een ruime schenking van Wijk bij Duurstede aan enkele leden van het provinciale bestuur bezegelde de overwinning van het Wijkse stadsbestuur.

Stevige grip

    Het Wijkse stadsbestuur zorgde er vervolgens voor, dat het een stevige grip kreeg op het bestuur van het Gasthuis. De gasthuismeesters, met posities die voorheen bekleed werden door katholieke priesters, waren in meerderheid gekozen uit de groep van Wijkse regenten. Om dit te verzekeren werd bepaald dat de gasthuismeesters gekozen werden door het stadsbestuur, na nominatie door de gasthuismeesters zelf.
    Het E&E had een belangrijk aandeel in de armenzorg van de stad. Naast het Gasthuis, waren er ook nog de diaconie en de armenpot. Tot 1543 was de armenpot onderdeel geweest van het werkterrein van het Gasthuis. In dat jaar werd een aparte armenpot ingesteld. Een college van hoofdaalmoezeniers hield controle over deze drie instellingen. Waarschijnlijk was de tweede burgemeester voorzitter van dit college, waarvan na 1673 ook leden van de kerkenraad deel uitmaakten.
    Ook de uitvoerende macht kwam in handen te liggen van het stadsbestuur. Waar in de oprichtingsakte veel macht lag bij Heer van Wijk, daar geschiedde nu bijna niets meer zonder toestemming van het stadsbestuur. Het stadsbestuur kon bijvoorbeeld het reglement wijzigen wanneer zij dat nodig achtte, wat in januari 1644 ook gebeurede. Zelfs de bepaling welke gewassen op de gasthuisgrond mocht worden verbouwd, lag in handen van de regeerders van de stad.

Bestuur als makelaar

    Het grote grondbezit van het Gasthuis, maakte van het stadsbestuur een soort makelaar. Op 28 juli 1663 werd bijvoorbeeld besloten om zes 'morgen' grond in Odijk te verkopen. In juli 1671 gingen de regeerders akkoord met de verhuur van een stuk grond door het Gasthuis uit de boedel van de weduwe van Samuel de Romare. Het bestuur van het Gasthuis kon zulke beslissingen dus nooit zonder toestemming van het stadsbestuur nemen.
    Ook bij het aannemen en ontslaan van personeel, lag de besluitvorming niet bij het bestuur van het Gasthuis. Al in de stichtingsakte had Willem van Abcoude bepaald, dat beslissingen omtrent het personeel in handen lagen van hemzelf en het gerecht van Wijk. Als meest directe opvolgers van de Heer van Wijk, lag deze macht na de reformatie bij het stadsbestuur.

Het Gasthuis (naar een anomieme tekening anno 1728, Rijksarchief Utrecht).
Illustratie uit 'Wijk bij Duurstede' door H. Hijmans.

Seksueel misbruik

    Het ontslaan van personeel ging dus niet zomaar. Dat blijkt onder meer uit het ontslag van de binnemoeder van het Gasthuis, Cornelia Mesen, in april 1694. Zij was hoofd van het huishouden binnen het Gasthuis en had zich schuldig gemaakt aan diefstal van onder meer een pispot vol met boter én aan seksueel misbruik van enkele mannen.
    Op 23 maart waren op voorstel van de regent van het Gasthuis, Peter Benier, twee verklaringen tegen Mesen bij de notaris op papier afgelegd. De regentenvergadering reageerde op 7 april echter lauwtjes. De zaak werd aangehouden. Pas twee weken later, nadat Benier het nodige overtuigingswerk had verricht, wenste de vergadering dan toch een besuit te nemen. Mesen werd ontslagen. Bij het ontslag kreef zij nog wel zes weken salaris mee en geld voor een paar schoenen.

Desintresse

    De toch enigzins weifelende houding van de regenten, toont misschien wel een heersende desintresse aan voor de kant van de regenten met betrekking tot het Gasthuis. Een extreem voorbeeld van weinig intresse is het vehaal van Jacob Kohl. In zijn lange loopbaan vol openbare functies (onder andere drie keer burgemeester), werd Kohl ook regent van het Gasthuis. Hij woonde echter een aantal jaren lang geen vergadering bij. Uiteindelijk werd Kohl daarom uit het regentschap van het Gasthuis ontheven.

Portretten

    Eind zeventiende eeuw ging het bestuur van het Gasthuis een wat litaire, bijna knusse sfeer uitademen. Op 1 juli 1699 besloten de regenten van het Gasthuis om hun portretten te laten schilderen. Vanaf dat moment werd ook het gebruik ingesteld, dat elke nieuwe regent pas aan de vergaderingen mocht deelnemen als hij zijn portret had laten maken. Deze traditie heeft standgehouden tot in de twintigste eeuw. Op het laatst werden er geen geschilderde portretten meer gemaakt. Toen tekende een fotograaf voor de vereeuwiging van de regenten.
    De bovengenoemde portrettraditie, is net als veel andere relikwieën uit de geschiedenis van het Gasthuis, bewaard gebleven. Tegenwoordig ligt het archief in het gemeentearchief van Wijk bij Duurstede.
    Al vanaf het prille begin werden de bestuursstukken bewaard. De oprichtingsakte bijvoorbeeld werd onmiddellijk opgeslagen in een kist met drie sloten: één voor de priester, één voor de gasthuismeesters en één slot was in handen van de schepenen. In deze kist gingen waarschijnlijk alle belangrijke stukken en dit is lang zo gebleven. Vanaf 1681 zijn er waarschijnlijk zelfs twee kisten geweest. In 1844 werd besloten een ijzeren brandkast te kopen.

Archief afgeloten

    Tot 1854 was inzage in het archief zelfs voor het stadsbestuur onmogelijk. Het bestuur van het Gasthuis wenste de kast dicht te houden. Inmiddels was al het vermodeden gerezen, dat de oprichtingsakte was verdwenen. Toen in 1855 moest worden gekeken of de akte nog in overeenstremming was met de nieuwe Wet op de Armenbestijding, werd dat vermoeden bevestigd. Ook bleken de aanpassingen van 1644 en 1750 onleesbaar. Om alles in orde te maken, werd een archiefcommissie ingesteld. Plotseling kwam in januari 1870 regent W.M.J.C. Lapidoth aanzetten met de originele oprichtingsakte. Hoe hij eraan kwam, is nooit duidelijk geworden.
    In 1878 werd vervolgens een serieuze inventarisatie gemaakt. De Utrechtse gemeneentearchivaris S. Muller Fz. werd ingeschakeld en hij gaf het werk door aan zijn klerk G. Serton. Vijftien maanden lang besteedde Serton al zijn vrije tijd aan het werk. Uiteindelijk had het Gasthuis een geordend archief; één waar het op basis van zijn leeftijd toen al recht op had.
    Helaas ontbreken vele stukken uit de correspondentie en ook van de bouwtekeningen bijvoorbeeld. Maar in het archief op het stadskantoor ligt toch een belangrijk en relatief volledig archief.

Terug naar de 700 jaar index pagina.