Relaas van de klachtencommissie politie Drenthe,
zoals bedoeld in artikel 5 van de klachtenregeling politie Drenthe
(Hierna: de commissie).

Politiefunctionarissen Westerman, Dijkhuis en Huizenga hebben - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

De voorzitter geeft aan dat de commissie een onafhankelijk adviesoordeel aan de korpsbeheerder zal geven. Het gaat, voor wat de commissie betreft, in deze zaak over de vraag hoe de politie zich jegens klager heeft gedragen. Het gaat niet om de rechtmatigheidsvraag. De beantwoording van de laatste vraag is aan de rechter.

De heer Huizenga: Tegen de heer F.J. Beukeveld loopt geen GVO. Wel komt er een strafzaak. Het proces-verbaal tegen de heer Beukeveld is sinds gisteren bij justitie. Ik heb drie processen-verbaal van de RCID (regionale criminele inlichtingendienst) bij mij. Daar- uit blijkt wat de aanleiding is geweest voor de inval in de discotheek Lord Nelson. De officier van justitie heeft er geen bezwaar tegen dat ik een zakelijke weergave hieruit geef ten behoeve van het onderzoek van de commissie.

De heer Westerman: Collega Huizenga is de verdovende middelen man. Hij had tijdens de inval de operationele leiding. Ik was als plaatsvervangend wijkchef verantwoordelijk voor de inval. De heer Dijkhuis is hier, omdat hij in de stukken wordt genoemd.

De voorzitter begint met klacht 1 over het boeien:
De heer Huizenga: De heer F.J. Beukeveld is niet geboeid. Hij hoefde ook niet te knielen. De lokale politie was er bij. Van de heer Beukeveld is bekend dat hij niet agressief is. Wel moest hij op een bepaalde plaats in de horecagelegenheid blijven. Hij was dus niet vrij om te gaan waar hij wilde. De oorzaak van het boeien van de andere aanwezigen was, dat wij vooraf het vermoeden hadden dat een persoon in de horecagelegenheid was, die in het verleden zeer agressief is geweest. Ook is bekend dat het gebruik van hard drugs kan leiden tot paranoïde reacties. Tijdens de voorbespreking is daarom besloten in verband met de veiligheid van de collega's de aanwezige klanten te boeien. Ook konden wij op die wijze de mensen beter onder controle houden. Bij iedere klant bleef tevens een politiefunctionaris.

De heer Dijkhuis: De heer Westerman en ik waren op dat moment in uniform. De politie was dus kenbaar aanwezig. Wij waren daar ter observatie. De heer Beukeveld is niet geboeid. Hij is wel gefouilleerd.
Na een opmerking van de voorzitter dat dat niet in het proces-verbaal is vermeld geeft de heer Huizenga aan, dat het wel in het hoofd proces-verbaal is vermeld. Het ambtelijk verslag waaruit men heeft geput is voor intern gebruik. Daarin is niet alles vermeld, maar dat hoeft ook niet. De burgemeester heeft gevraagd of hij van dat ambtelijke verslag gebruik mocht maken. De officier van justitie heeft dit toegestaan.
De voorzitter vraagt of het gebruikelijk is dat de burgemeester een proces-verbaal gebruikt voor een bestuurlijk doel. De heer Huizenga zegt dat de burgemeester hier met toestemming van de officier van justitie kennis van kan nemen.

De heer Westerman zegt dat er een hele lange geschiedenis aan vooraf is gegaan.
De heer Patijn vraagt of klager dat wel weet.
De heer Huizenga: Ik heb aan de heer Beukeveld gevraagd om een verklaring af te leggen. Hij is niet gekomen. Formeel kan ik hem niet daartoe dwingen. De advocaat heeft gezegd dat de heer Beukeveld daar niet toe in staat is. Nadat het mondelinge verzoek geen resultaat had, heb ik nog een brief aan de advocaat van de heer Beukeveld gestuurd op 24 september j.l.. Van de advocaat kreeg ik te horen dat de heer Beukeveld niet komt. Daarom heb ik, zonder hem te horen het proces-verbaal maar afgesloten.

De heer Westerman: Toen wij binnenkwam hebben wij de situatie bevroren. Alle mensen zijn gescheiden van elkaar. Ik heb aan de heer Beukeveld gezegd wie ik was en wat mijn functie was en dat wij vooraf overleg hadden gehad over de inval met de officier van justitie. De heer Beukeveid stond naast de bar. Ik heb hem toen gezegd wat wij gingen doen. Hij was hiermee akkoord.

De heer Huizenga: Ook ik heb bij binnenkomst direct gezegd wie wij waren en waarvoor wij kwamen. Bij elke inval dragen de collega's die het eerst naar binnen gaan een kogelvrij vest. Aan de voor- en achterzijde daarvan staat het woord: 'Politie'. In verband met het gebruik van cocaïne hebben wij de laatste jaren in Coevorden steekpartijen, vuurwapengeweld en een moord gehad.

De heer Patijn constateert dat het dus geen vrijgezellenfeestje was.

De heer Huizenga: Wij zijn met 16 mensen naar binnen gegaan om een fysiek overwicht te hebben. Per bezoeker was er een politieman die de bezoeker naar de muur leidde, boeide en fouilleerde. Een aantal klanten verkeerde duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Omdat het binnen donker was heb ik bij de bar het grote licht aangedaan. De heer Beukeveld is niet geboeid. De collega's kennen hem. Hij doet niets. Dit was de reden om hem niet te boeien. Wel was hij geïsoleerd van de anderen. Er stonden steeds collega's om hem heen. Hij is helemaal beduusd op een kruk gaan zitten. Hij heeft gelaten in een hoek gezeten.

Met zes collega's heb ik de aanwezigen gefouilleerd. Van hetgeen iedere collega aantrof is een foto gemaakt, waarop de klant, de collega en de aangetroffen goederen stonden. Nadat de mensen waren gefouilleerd en hun gegevens waren genoteerd zijn zij naar buiten geleid. Het knielen van degene die het langst geknield is geweest heeft hooguit 10 minuten geduurd.

De voorzitter vraagt of hetgeen men aan middelen vond niet tegenviel.
De heer Huizenga: Neen, 15 gram cocaïne is een grote hoeveelheid. Als iemand gefrustreerd was, betreft het een subjectieve uiting van een agent.

De heer Westerman: De collega's waren allemaal specialisten. wij wisten wat wij konden aantreffen.
De heer Dijkhuis: Ik vraag mij af wie dat gezegd kan hebben.
De heer Posthumus: De heer Lammers zou dat gezegd hebben.
De heer Patijn zegt, dat klager aangeeft dat het maar om 8 gram zou gaan.
De heer Huizenga: Dat is nonsens. Het was 15 gram. Bij één persoon is al 6 gram aangetroffen en nog eens 2 gram in zijn jas. In eerste aanleg was het 23 gram, inclusief verpakking. Ik heb later het geheel zonder verpakking gewogen. Dit was 15 gram.

Met betrekking tot klacht 3 wil ik nog opmerken dat bij een inval in een horecagelegenheid alle ruimten worden bekeken. Twee collega's zijn direct naar boven gegaan en hebben daarbij van een luik een slotje vernield. Toen bleek dat er niemand boven was en er dus ook niemand weg kon. Later zijn wij verder gaan zoeken naar middelen.
De heer Westerman: Wij wisten dat daar niemand was ingeschreven. Met de officier van justitie was overlegd dat als daar iemand zou wonen de zaak bevroren zou worden. De officier van justitie zou dan een GVO vorderen.
De voorzitter memoreert dat mevrouw H. Beukeveid zei, dat zij daar kort tevoren met haar kinderen was geweest en dat het geen bende was.
De heer Huizenga: Die ruimte is tot ongeveer twee jaar geleden in gebruik geweest. Ik trof daar ondermeer aan een waterpijp, een snuifkoker en citroenzuur. Ik heb daar een dikke bende aangetroffen.
De heer Westerman: Wij troffen allerlei attributen aan die worden gebruikt bij het gebruik van verdovende middelen.

De heer Huizenga: Drie dagen later belde een zekere D. L. of hij uit die ruimte wat spulletjes mocht weghalen. Achteraf bleek D. ook in het café te zijn geweest tijdens de inval. Hij gaf een adres in Ommen op. Hij heeft niet gezegd, dat hij in de ruimte boven het café woonde. Collega Johannes is toen met de heer L. meegegaan. Het bleek dat hij een sleutel had van de slot op het luik.

Met betrekking tot klacht 4 wil de heer Huizenga toch nog het volgende kwijt: Die klacht is totale nonsens. Die voorstelling van zaken lijkt nergens op. De door ons ondernomen actie hebben wij dagenlang voorbereid. Pas op 28 mei omstreeks 22.00 uur kreeg ik kennis van de actie in Heerlen, dus bijna een dag na de inval.

De voorzitter gaat naar klacht 8. Hij geeft aan dat het vooral gaat over het woord steek- wapens en de hoeveelheid aangetroffen middelen.
De heer Huizenga zegt dat dit een kwestie is van de persvoorlichter de heer Zinsmeijer. De heer Johannes heeft de eerste mutatie gemaakt. De voorzitter geeft aan dat het meervout van steekwapen in de beleving van klager niet correct is.
Op een vraag van de heer Posthumus over eventuele toezeggingen over het niet in de pers komen van de inval aan de heer Beukeveid antwoordt de heer Dijkhuis: De heer Beukeveid heeft wel gezegd, dat hij het liever niet in de pers wilde hebben. Wij hebben hem toen gezegd dat wij hem niet konden garanderen dat het niet in de pers kwam.

Bij de behandeling van klacht 9 zegt de voorzitter dat hij aan de heer Beukeveld heeft gevraagd of deze de bewoordingen zoals deze in de mutatie van 3 juni 1999, opgemaakt door de heer Dijkhuis, zijn vermeld, heeft gebezigd. De heer Beukeveld heeft dit ontkend en aangegeven dat de heer Dijkhuis dat zelf had gezegd.
De heer Dijkhuis: Begin jaren 80 heb ik veel controle verricht in het kader van de sluitingstijden van de horecagelegenheden. In die tijd heb ik de heer Beukeveld wel 4 of 5 keer hiervoor bekeurd. Ook van andere collega's heeft hij wel eens een bekeuring gehad. De heer Beukeveld had altijd zijn verhaal klaar. Andere collega's waren daar wel eens gevoelig voor en lieten het bij een waarschuwing. Als ik wel proces-verbaal opmaakte gooide de heer Beukeveld de deur dicht. Dat is alles. Ik heb de bedoelde mutatie gemaakt en een afschrift daarvan aan mijn buurman gegeven. Dit was voor intern gebruik. De heer F.J. Beukeveid zei: 'Die inval heb jij zeker op je geweten.' Ik zei hem dat ik daar niets mee van doen had. De mutatie is van hier uiteindelijk in het bezit van de heer Beukeveld gekomen. Ik heb deze mutatie getypt. Het was niet de bedoeling dat de heer Beukeveld deze zou krijgen. De mutatie zegt meer van collega's die zich door de heer Beukeveld lieten ompraten. De woorden: 'Met die collega's kon je nog wat ....... zijn mijn woorden en niet die van de heer Beukeveld.

Met betrekking tot klacht 11 geeft de voorzitter aan dat de wetenschap die daarin is verwoord de basis is voor het strafvorderlijk optreden en dus is voorbehouden aan het oordeel van de rechter. De heer Huizenga leest informatie voor uit RCID-rapportages. Met betrekking tot het gestelde dat de heer F.J. Beukeveld cocaïne zou gebruiken zegt de heer Huizenga dat hem dit is verteld, maar dat hij zijn bron in het kader van de klacht niet wil noemen.

Met betrekking tot klacht 14 wijst de heer Huizenga op de samenhang van de aangetroffen voorwerpen. Het gebruik is vrij, ook van hard drugs. Het bezit blijft echter wel strafbaar. Voorwerpen die duiden op het gebruik worden daarom in het algemeen niet in beslag genomen.
De heer Patijn geeft aan dat het woord 'gebruikersruimte' wel een bepaalde lading heeft. De heer Huizenga: Het is een optelsom van aangetroffen goederen. Een waterpijp wordt over het algemeen gebruikt voor drugs. Een snuifkoker voor cocaïne of heroïne. Ook het citroenzuur en een lepel wijzen in die richting. Een  getuige geeft ook aan dat er in die ruimte wordt gebruikt. Het ambtelijk verslag was alleen voor intern gebruik. Het is niet gebruikelijk dat wij alle informatie geven waarover wij beschikken.

Met betrekking geeft de heer Huizenga aan: In het magazijn hing een jas. Niemand zei daarvan eigenaar te zijn. Later bleek deze jas, met daarin 2 gram cocaïne van de heer Assen te zijn. Op dat moment troffen wij bij vier personen middelen aan. Ook werd nog een verpakking van cocaïne aangetroffen. Die bleek van de heer Ar te zijn. Op de grond lag snuifcoke. Achter de bar vonden wij nog twee pakketjes met snuifcoke. Hiervan claimde ook niemand eigenaar te zijn. Een snuiffles met 4 gram was wel in het café. Ook zat er coke in een handtasje van mevrouw Ho.

Naar aanleiding van klacht 17 vraagt de voorzitter waarom in het proces-verbaal iets over de bouwtechnische staat van het perceel is vermeld. De heer F.J. Beukeveld veronderstelt dat op die wijze de burgemeester geïnformeerd kon worden in verband met mogelijke planologische beslissingen.
De heer Huizenga: Deze vermelding is niet om die reden gedaan. Het is een ambtelijk relaas. Er was een nooddeur, waar men in verband met een geplaatste speelautomaat, geen gebruik van kon maken. Boven lagen de stroomdraden bloot. Ik vond dit een reden om te vermelden.
De heer Westerman: De wijkchef heeft wekelijks overleg met de burgemeester in het kader van de openbare orde. De inval is toen wel met de burgemeester besproken. Deze was geschrokken van de persberichten. De wijkchef vroeg of het proces-verbaal naar de burgemeester mocht. De officier van justitie heeft beslist dat daartegen geen bezwaar bestond.
 

Voor een chronolisch overzicht van de strijd tegen corrupte ambtenaren wordt u aangeraden met deze hyperlink te beginnen.