Sjak en Truus in Noorwegen (1998).

Maandag 7 september.

Omdat we eerst nog even stiekem wilden trouwen, vertrokken we pas laat in de middag richting Noorwegen. Als vervoermiddel hadden we onze Landcruiser. We stopten bij Winterswijk om te overnachten, in een hotel waar de muizen door de eetzaal sjeesden.

 

Dinsdag 8 september.

Een lange dagafstand vandaag, naar Kiel, naar we de boot naar Göteborg. Een aardigheid over de Achterhoekse binnenwegjes, onder meer langs de jaknikkers van Schoonebeek. Minder aardig langs de Duitse autobahn, met zijn vele Staustelles.

Omdat we toch toevallig net getrouwd waren, hadden we op de boot een captains hut. Dat is een hut voor hele kleine kapiteintjes. Een chauffeur op deze boot is overigens een heer van stand, en krijgt beter eten dan de passagiers. Dat maken we ook wel eens anders mee,

 

Woensdag 9 september.

Van de boot af kwam eindelijk het echte vakantiegevoel, en al snel scharrelden we over kleine binnenwegjes de Zweedse kust langs. Bij Halden gingen we de Noorse grens over, en net daar voorbij beklommen we (te voet!) de vesting van Freeriksten. Een zware klim, maar de moeite waard. Het deels uit de 17e eeuw daterende ford is nog volledig intact; of je de kanonnen zo kan afschieten.

Hierna een stuk noordwaarts, langs de aan meren, rivieren en kanalen rijke "route 21". Hiervan bogen we af om in Askim te overnachten.

 

Donderdag 10 september.

Een dag in het teken van woud en wildernis, waarbij we regelmatig over onverharde geitepaadjes door de bush-bush slingerden. Grappig is dat tolwegen hier juist vaak onooglijke paden zijn, aan het gebruik waarvan de eigenaar graag wat centen overhoudt, zodat hij af en toe een kruiwagen puin kan kopen om de gaten te dichten. Zo ook het traject door het dal van de Kynna. Net de Veluwe, maar dan zonder andere mensen er in.

In Elverum stopten we om te overnachten in een blokkendoos met honderden bedden.

 

Vrijdag 11 september.

Het houthakkersmuseum in Elverum wordt geacht één der mooiste in Noorwegen te zijn, en heeft zelfs de Europese prijs "museum van het jaar" gehaald. Dat het beslist de moeite de moeite is konden we ervaren. Het doet denken aan het Biesboschmuseum, maar dan groter en professioneler, en uiteraard met Noorse achtergrond. In de kelder een stuk of 20 aquaria met verschillende aquatische ecosystemen met de bijbehorende vissen. De forel zat bijna overal. Elders in het gebouw werd beschreven hoe je al deze vissen kan vangen.

De autorit voerde een flink stuk noordwaarts, met diverse doorsteken tussen de nieuwe "route 3" en de oude hoofdwegen. Vooral de (tol-)weg naar de liefst 1666 meter hoge berg Tron zullen we niet licht vergeten. Steil omhoog tegen het gruis, en rond de in nevelen gehulde top met haarscherpe haarspeldbochten.

We stopten in het mijnplaatsje Röros, en troffen - voor de eerste keer - een schoon hotel. In het algemeen toont Noorwegen minder welvarend dan een jaar of 5 en 15 geleden, toen Sjak er ook was. Toen was alles overal kraakhelder. Ook zie je nu meer rotzooi langs de weg, en slecht onderhouden gebouwen.

 

Zaterdag 12 september.

We hoefden, of liever konden, niet vroeg op, want we wilden eerst de plaatselijke kopersmelterij bekijken, die pas om 11 uur openging. Deze is sinds 1988 niet meer actief, maar de kelder is als museum ingericht, met allemaal schaalmodellen van onderdelen van het produktieproces. Alles werkte, en wat met waterkracht werd aangedreven werd keurig door minuscule waterradjes van energie voorzien. Een aardigheid om te zien, en wat een leuke klus om zoiets (na) te maken.

De autorit volgde het Tydal, waarbij we na een klim van 1000 meter weer afdaalden naar zeeniveau. De natuur werd hier woester, de bergen grimmiger, de meren groter en stiller.

In Hegro, bij Stördal, vonden we een afgelegen motelletje, met een kabbelend beekje en eekhoorns als enige buren. Een doel voor fanatieke vissers, met vishaken op het behang.

 

Zondag 13 september.

Via een slingerend bergpad bereikten we de vesting van Hegra, die zich in zeer goede staat bevond. Anders dan in Freeriksten kon je hier ook de ondergrondse verdedigingswerken in. Net Pampus. Het ford heeft in de 2e wereldoorlog liefst 30 dagen tegen de Duitsers stand gehouden. Het is dat het eten op was, anders hadden ze zich nu nog niet overgegeven. Nu was het er overigens ook niet erg vreedzaam, want er werd fanatiek geschoten op bordpapieren beesten. Zeker een toernooi of zo.

Vervolgens reden we langs de Trondheimfjord naar Steinkjer, waarna we naar het westen bogen  en "route 715" volgden naar Arness. De weg voerde door een heel indrukwekkend landschap, met rondgekopte bergen boven diepe fjorden. Net Skye, maar uitgestrekter.

Hiermee hadden we tevens het noordelijkste punt van onze reis gehad. Terug zouden we zigzag de Westkust volgen. Deze is interessanter dan het oosten, en we wilden er lekker lang van genieten. Ons hotelletje in Arness stond pal langs de Ä -fjord; heel idyllisch.

 

Maandag 14 september.

Vroeg op dit keer, want we hadden een flinke dagafstand voor ogen, naar Kristiansund of verder, inclusief drie veerboten. In eerste instantie leek dit goed haalbaar; alles liep echt heel vlot. Na de prachtige rit naar Brekstad liep de pont naar Valset net binnen, en langs de Trondheimfjord volgden we de hoofdweg. Daarna echter, halverwege een tolweg binnendoor door de Langengdalen, bleken we steken in de modder. Dankzij twee kapotte emmers en een stapel grind die we vonden op de top van een lange en steile heuvel, kwamen we er weer uit, en konden we kilometers achteruitrijdend het pad weer verlaten. Gelukkig hadden we brood bij ons. We hebben een en ander niet op de gevoelige plaat vastgelegd, maar sindsdien was het zodra er iets tegenzat: "Maak er maar een foto van".

Na weergaloze uitzichten over de fjorden, vonden we in Aure een uiterst rustig hotelletje, dat we deelden met vijf wegwerkers van de Noorse Rijkswaterstaat.

 

Dinsdag 15 september.

Vandaag de "veerbootschade" ingehaald, met vier stuks, te beginnen met Vinsternes - Aukan, 2 eilanden later gevolgd door Leirväg - Seivika, en bijna direct daarop Kristiansund - Bremsnes. Razendsnel gaan die Noorse veerboten. Niet alleen zozeer dat we er telkens zo op konden rijden en direct vertrokken. Dat was toeval. Nee, ze varen echt heel stevig door, en het is leuk om daarbij de bergen ook vanaf het water te zien. Een hoogtepunt was de Atlantic-weg met  enorme bruggen, waarna we slinger-slangerden naar Molde, waar we ook een indrukwekkende brug overstaken, mèt een stuk tunnel. Alles voorzien van tol, uiteraard. Het laatste pontje ging van Sölnes naar Äfarnes, waarna we in Lerheim een hotelletje vonden op een boerderij, waar heerlijke verse zalm voor ons werd gebakken.

 

Woensdag 16 september.

 

Nadat we in Andelsnes gefoerageerd hadden, reden we de Trollstige op en neer; een steile klim met 11 haarspeldbochten, waarbij het regelmatig lijkt of je een waterval binnenrijdt. Van bovenaf was het uitzicht fantastisch, temeer omdat speciaal voor ons de bewolking even optrok. Even later zagen we vanaf de weg naar Dombas de achterkant van de berg Trollveggen; een steile rotswand van ca een kilometer hoog.

Een ander hoogtepunt was de rit door de Einunddalen, het langste dal van Noorwegen.  Een etappe van ruim 50 km. Door een heidelandschap zo veelkleurig dat het wel een Perzisch tapijt leek, en boven de boomgrens kleurden de bergen lichtgroen van het rendiermos. Net Dartmoor, maar dan tien keer zo ruig. Het weer paste bij de sfeer. De moors zijn nooit mooier dan bij regen. In Grimsbu vonden we een sober maar doelmatig motelletje.

 

 

Donderdag 17 september.

Weer reden we door heidegebied, maar nu bergachtiger. Eerst door het dal Grimsdalen, en na shoppen in Dombäs over de weg Slädalsvegen. We klommen en dalen veel, maar het beklimmen van de berg Blähö sloeg wel alles: in 15 kilometer van zeeniveau naar een hoogte van liefst 1617 meter! Net als op de berg Tron staat bovenop een antenne, waaraan we te danken hadden dat er een weg heen loopt. Andere toeristen vind je hier niet. Boven was het desolaat, koud (3o C, beneden liep je in korte mouwen), en je woei er bijna uit je kleren. De berg bestond uit niets dan verweerde en stukgevroren stenen, waarop niets groeide dan wat (korst?)mos. In de omgeving, vooral tussen Otta en Lalm konden we aan de talloze sporen van steenlawines zien wat ontbossing aanricht op zo'n ondergrond.

"Route 15" voerde ons door de Ottadalen naar Grotli, waar we overnachtten met uitzicht op de gletsjers Skridulaupbreen en Breidalsega.

 

Vrijdag 18 september.

"Route 258" waar we mee startten is tot eind augustus met meters sneeuw bedekt, waartussen een weg wordt vrijgemaakt. Nu was alles schoon, en konden we tussen de gletsjers doorrijden, en nog wat zien ook. Een stukje terug toen, richting Grotli, onder meer door tunnels van 2½, 3½ en 4½ kilometer lang. In de laatste konden we ternauwernood een paar flinke rotsblokken ontwijken. Wij terug natuurlijk, weer twee keer de tunnel door, om de weg vrij te maken. Bleken het toch blokken steenwol te zijn!

De rest van de dag volgden we Noorwegen's toeristenval nummer 1, namelijk "route 63", met de berg Dalsnibba, de Geirangerfjord, en de door ons al eerder beklommen Trollstige. Het uitzicht over de Geirangerfjord is hier schitterend, maar je bent er niet alleen. Regelmatig vroegen we ons af waarom alle toeristen zich op dezelfde plaats storten, terwijl het ergens anders even mooi is. Ook onderweg met de vrachtwagen verbazen we ons er vaak over vakantiegangers op een kluitje te zien, terwijl in de mooiste streken niets te doen is. Eerst waren we verwonderd dat de vele schapen op de hellingen niet uitgleden, tot we onderin enkele platte schapen zagen. De kudde eet van de berg. De berg eet van de kudde. Geiranger leek een spookstad, vol winkeltjes en restaurants, allemaal "Closed off season".

Een omweg die de meeste vakantiegangers niet maken, was de weg langs de Ta-fjord naar de Sakariasstuwdam. Deze is bijna 100 meter hoog, en sluit een nauw dal volkomen af. Nooit voel je je kleiner dan als je vanaf de dam langs de steile rotswand omlaag kijkt. Ook hier, trouwens in de hele omgeving, zag je talloze sporen van recente steenlawines. De bergen zijn versleten, verweerd en stukgevroren, kortom dringend aan renovatie toe. In 1934 is hier een berg in de Ta-fjord gevallen. De vloedgolf die volgde was bij aankomst op zee 62 meter hoog, en 41 mensen kwamen om.

 

Zaterdag 19 september.

"Island-hopping" vandaag, naar het badplaatsje Selje, en dan zoveel mogelijk over de smalle wegjes - vaak onverhard - die de kustlijn volgen. Met bootjes, bruggen, en bij Ålesund door een tunnel van liefst ca 10 meter diep kruisten we de fjorden. We reden door een landschap, zoals je het in Schotland hier en daar ook aantreft, maar daar is het na een poosje afgelopen. Hier kwam na elke bocht een ander en even indrukwekkend vergezicht.

En zo lekker stil!

Selje ligt afgelegen, en dat het toch een populaire badplaats is, is wellicht eraan te wijten dat er een expresboot uit Bergen komt. Er is een zandstrand, zij het smal, en net daarachter stond ons hotel. Normaal foeterden we op de zwoele Noorse nachten, die in combinatie met de veel te dikke dekbedden het slapen bemoeilijken. Maar nu vonden we het heerlijk met open balkondeur te kunnen slapen, luisterend naar het ruisen van de branding.

 

Zondag 20 september.

De Westkaap was ons eerste doel vandaag. Een desolate plek, met een gesloten souvenirshop, waarover de stormachtige wind spookachtig joeg. Het scheelde niet veel, of je werd van de fjell geblazen. Tegelijk was het uitzicht adembenemend. Een berglandschap, waarvan alleen de toppen boven water staken.

Zoveel mogelijk de kustlijn volgend, slingerden we naar Nordfjordeid, waar we het fjordenpaarden-informatiecentrum bekeken. Zoals we al vermoedden bestond dit uit een manege met fjordenpaarden, en was er verder geen informatie voorhanden. Het waren overigens mooie paarden, en in prima conditie.

Verder ging de rit, over steile bergpaadjes, langs wat heet te zijn Europa's diepste (600 m), West-Noorwegen's grootste en Scandinavië's helderste meer, en nog verscheidene net zo mooie en net zo heldere meren. We overnachten in Ørsta, een relatief grote plaats, zoiets als Zundert. De bedrijvigheid was hier groot, doordat de plaatselijke jeugd de hele avond rondjes reed per auto. Gelukkig sliepen we aan de achterkant van het hotel.

 

Maandag 21 september.

Eerst via Stryn naar Briksdal. Na de zondagsdrukte de vorige dag, was het een verademing niet meer zoveel tegenliggers te hebben op de nauwe karresporen. Op de boot naar Urke waren we zelfs de enige passagiers. Opvallend in dit gebied waren de spitse bergtoppen. Zeker minder versleten; de hellingen waren ook groener.

Vanuit Briksdal kan je lopend, of eventueel op een karjol met fjordenpaard, bij de gletsjer Briksdalbreen komen. Dit is een uitloper van de gletsjer Jostedalsbreen, die met 487 km2 de grootste is van het Europese vasteland. Een enerverende, maar vermoeiende wandeling, tijdens welke we regelmatig nat werden gespetterd door de waterval die door de gletsjer wordt gevoed. De gletsjer zelf bestaat ui meters dik ijs, met veel ingesloten lucht, en grote spelonken die in de zon spookachtig blauw weerkaatsen.

 

In Skei vonden we een hotel, met een uitzicht als een ansichtkaart.

 

Dinsdag 22 september.

Een dag in het teken van gletsjers. In het gletsjermuseum in Fjaerland konden we zien hoe gletsjers ontstaan en hoe ze zijn opgebouwd. De gletsjers hebben in de laatste ijstijd de fjorden gevormd. Daarvoor was Noorwegen zo plat als een pannenkoek. Je kon zelf experimenteren met echt gletsjerijs, wat vooral de deelnemers aan het toevallig aanwezige schoolreisje apprecieerden. In een schaalmodel kon je ervaren hoe het onder een gletsjer is. En de vanuit een helikopter gefilmde breedbeeldfilm was al helemaal een belevenis.

Een lange doodlopende weg voerde naar de Nigardsbreen, ook een uitloper van de Jostedalsbreen, en al net zo'n toeristenval als de Briksdalbreen. Tussen de gletsjer en de verharde weg bevindt zich slechts een meer, en in de zomer kan je nog met een bootje oversteken ook. Op de gletsjer zagen we verscheidene groepen wandelaars, als ze verstandig waren onder leiding van een gids. We volgden de doodlopende weg verder, en beklommen aan het eind ervan de stuwdam Styggevass, vanwaar we een fantastisch uitzicht hadden op het Jostedal-ijsveld, met een gletsjerfront zo breed dat de gletsjers die we eerder gezien hadden er volkomen bij in het niet vielen. Hier hadden we overigens het rijk alleen.

In Turtagro vonden we hoog in de bergen onderdak in een bergbeklimmersonderkomen. Logeer je bij vissers, dan krijg je behang met vishaken. Naar analogie hier dus bergbeklimmers op het behang.

 

Woensdag 23 september.

De weg naar Lom, de Sognefjell-road, voert over de hoogste bergpas van Noorwegen. De bergtoppen van de Jotunheimen die je hier ziet  zijn spits, zoals je ze in Zwitserland kan tegenkomen, en ook hierop bevinden zich verscheidene gletsjers.

Aan de andere kant van de Jotunheimen zakten we weer zuidwaarts. Onderweg stopten we bij de "riddersprong". Een 5 meter brede kloof met onderin een waterval, die zijn naam dankt aan een ridder die erover sprong met in zijn armen zijn geschaakte geliefde.

De Joutunheim-vegen voerde ons door een hoogvlakte, die toeristisch nogal geëxploiteerd wordt. Het is er wel mooi, daar niet van, maar waarom hier meer dan ergens anders?

De weg naar Forest deed aan de Ardennen denken. De hellingen zijn hier goed begroeid, maar te zien is hoe men met netten probeert erosie te voorkomen. Het pad naar Fagernes was spectaculairder, te beginnen met een klim met 28 haarspeldbochten. Kort voor Fagernes vonden we onderdak in zo'n door ons geliefd afgelegen hotel.

 

Donderdag 24 september.

De "panorama-route" voerde ons door het skigebied van het Gol-gebergte. Een gebied te vergelijken met Luxemburg, en toeristisch sterk geëxploiteerd. Na Hemsedal werd het terrein ruiger. De weg naar Laerdal voerde door een hoogvlakte. Het Laerdal zelf leek met watten gevuld; alleen de bergtoppen staken er bovenuit. Het leek of we in een vliegtuig zaten, toen we door deze wolkenlaag heen braken. Even was het mistig, en toen goed zicht, maar bewolkt. Bepaald de moeite waard was het wilde-zalmcentrum in Laerdal, waar de levensloop van de Atlantische zalm wordt uitgelegd. In een groot aquarium, dat in verbinding staat met de rivier, komt wilde zalm vanzelf binnenzwemmen.

 

De bergpas naar Aurland is ca 1400 meter hoog, en hier bakten we weer in de stralende zon. De afdaling naar Aurland vond echter in dichte mist plaats.

In Flåm namen we onze intrek in het hotel tegenover het station waar het bekende toeristentreintje naar Myrdal vertrekt. Een piepklein stationnetje, met een gigantische parkeerplaats, en de fjord was één en al aanlegsteiger voor de vele rondvaartboten.

 

Vrijdag 25 september.

Per trein gingen we op en neer naar Myrdal, de fameuze Flåm-baan. Deze overwint in 20 km. een hoogteverschil van ruim 800 meter, wat voor een trein heel veel is. Hiervoor moesten technische huzarenstukjes worden uitgehaald, zoals een bocht van 180o in een tunnel. Deze spoorlijn is in 1944 aangelegd, dus dat zullen de moffen wel gedaan hebben.

De rit per auto begon met een traject vol tunnels, waaronder één, bij Gudvangen, van ruim 11 kilometer lang. De Hollanders zijn echt niet de enige met grote infrastructurele werken!

Via Voss en Ulvik doorkruisten we een met bos begroeid gebergte. De pont naar Brimnes bracht ons naar de andere kant van de Eidefjord, waarna we in Kinsarvik overnachtten.

 

Zaterdag 26 september.

We zaten vlakbij Noorwegen's derde gletsjer (qua grootte), en vanaf het plaatsje Buar hadden we een goed zicht erop. Hier zagen we niet alleen de uitloper Buarbreen, maar ook het centrale ijsveld zelf, wat heel indrukwekkend is. We liepen er niet heen, want we wilden onszelf sparen voor "de Preekstoel" de volgende dag. Twee dagen na elkaar een wandeling die getrainde Noren twee keer twee uur kost, leek ons te veel van het goede.

Omdat alle zijwegen ervan dood lopen, volgden we de hele dag "route 13". Een doorgaande, dus drukke weg, maar evengoed niet overal zonder meer breed genoeg om tegenliggers door te laten. Weer heel veel tunnels hier, plaatselijk een stuk of tien achter elkaar, soms kilometers lang, en met heel veel bochten binnenin. Eén tunnel begon bovenin een berg, en voerde in een duizelingwekkende spiraal naar beneden, om te eindigen recht onder de plaats waar we er binnenreden.

In Jorpeland vonden we onderdak vlak bij de preekstoel. Jorpeland is een wat grotere plaats, waar de plaatselijke jeugd zich de ganse nacht luidruchtig te goed deed aan alcohol. Ook een manier van leven.

 

Zondag 27 september.

Op voorhand was het de vraag of we "de Preekstoel", een  uitstekend plateau op een loodrechte rotswand op 600 meter boven de Lysefjord,  zouden halen. Sjak was er eerder geweest, in dichte mist, maar had inmiddels gehoord dat het spoor er naar toe langs een afgrond loopt, en we twijfelden beiden of we dat wel zagen zitten.

Gelukkig viel het alles mee. We konden ruim een meter uit de kant blijven, zodat je de afgrond niet kon zien. Daarbij wierp de training van de afgelopen tijd vruchten af, want we volbrachten de zware klautertocht in drie uur, op èn af. De beloning was een schitterend uitzicht over de fjord.

 

In het Lysefjord-centrum bij de kade van Oanes dat we vervolgens bezochten, kregen we een beeld van de historie en de cultuur van de fjord. Niet alleen een expositie, maar ook een gefilmde animatie van het ontstaan van Noorwegen, een film in de bodem van een ballonmandje, en een slide-show. Een schitterende excursie!

 

Vlak bij Stavanger vonden we toch een heerlijk rustig onderkomen, in een conferentieoord van Phillips Petroleum aan de haven van het dorpje Tananger.

 

Maandag 28 september.

Na shoppen in Stavanger koersten we oostwaarts, langs "route 45". Tweemaal maakten we hiervan een uitstap een doodlopende weg in. De eerste over de berg Giljafjellet was heel spectaculair, met haarspeldbochten langs een afgrond. Het laatste traject van de tweede zijweg, naar het doodlopende uiteinde van de Lysefjord, bestaat uit wat wordt beschreven als de meest ongelooflijke serpentineweg van Noorwegen, waarbij in no-time 800 meter wordt overwonnen. Het spektakel bleek echter minder dan voorheen, doordat het spannendste stuk was ingestort, en vervangen door een tunnel.

Daarna was het afgelopen met de fjorden, en staken we een woeste hoogvlakte over, met desolate landschappen, niets dan gras en stenen. We stopten bij een pension bij Bykle.

 

Dinsdag 29 september.

De route naar Kristiansand via Dalen en Fyresdal voerde door een bosachtig berggebied, met vooral een mooi uitzicht op het meer Fyresvatn. Waar de bergen niet met bos bedekt waren, waren de rotsen opvallend glad; net geslepen asfalt. Dat doet heel sterk aan, maar toch ook hier talloze sporen van steenlawines. Kort voor Kristiansand zagen we eindelijk een eland, en maakten er een foto van. In de dierentuin. Dat wel.

 

Met tegenzin namen we afscheid van Noorwegen, en namen de boot naar Hirthals, waar we kort na middernacht aankwamen.

 

Woensdag 30 september.

Lekker geslapen in Hirthals. Dus weer in de auto, en op weg richting huis.

Na de bergen in Noorwegen is Denemarken wel een pietsie plat, maar ook hier volgen we nooit de grote wegen, maar we gaan langs de kust. Wel zo rustig, en als we na Denemarken Duitsland weer inrijden, doen we ook daar een hoop binnenwegen aan. We zetten over bij Brünsbuttel, dat is over de Elbe, en zijn daarna nog net op tijd in een hotel. Voor ze sluiten.

 

Donderdag 1 oktober.

Weer lekker geslapen en ontbeten, en dan door naar de familie Tielrooy in Assen, want daar was Truus al twee jaar niet meer geweest. Ze kon er haast niet van slapen.

Na een boterham en een bakkie leut toch maar weer naar het zuiden. Eerst nog even lekker eten in Hoevelaken. Daarna naar Breda en Rijsbergen.

Thuis om 23:30 uur, na ca 7.500 kilometer.

 

 

Terug naar vakantieverhalen

Terug naar de homepage van Sjak en Truus.