Nieuw Zeeland.
Woensdag 3 oktober 2001.
Daar stonden we dan op Schiphol. Met
een hoeveelheid bagage of we moesten verhuizen. Voor wat de reis van ons leven
zou gaan worden. Nieuw Zeeland lonkte naar ons. Maar voor we er zouden zijn,
zouden we ons door de rijstebrijberg van de vliegreis moeten worstelen.
Een soort busje met vleugels
(Airbus) bracht ons naar Londen Heathrow. Wat leuk. We zagen de files op de
rondweg M25, waar we anders zo vaak in staan met de vrachtwagen. We
verkneukelden ons er op, dat we er dit keer lekker niet voor zouden hoeven
wachten. Niet? We werden direct afgestraft. Prompt werd omgeroepen dat we een
tijdje zouden blijven rondcirkelen, vanwege de drukte. Dus konden we alle
files, en nog veel meer bekende punten nog een tijdje blijven bekijken. Maar na
verloop van tijd zette het verkeer op de M25 zich weer in beweging, en landde
ons vliegtuig op Heathrow.
We moesten op het vliegveld een
flinke afstand afleggen om bij de aansluitende vlucht van Air New Zealand te
komen. Gelukkig hoefden we al onze koffers niet mee te sjouwen. Dat is voor de
luchtreiziger in principe heel goed geregeld. Je levert de boel in op Schiphol,
en ziet het in Auckland pas weer terug. Wel hadden we voor het geval de bagage
niet op tijd zou aan komen (dat schijnt nogal eens te gebeuren) een extra
koffertje met een paar verschoningen als handbagage meegenomen. Maar dat hadden
we ook kunnen laten, want om veiligheidsredenen moest de handbagage hier
grotendeels alsnog in het ruim.
Ons vliegtuig vertrok om een uur of
vijf, vloog tien uur, en maakte toen nog steeds om een uur of vijf een
tussenlanding in Los Angeles. We vlogen met de aardbol mee. Het bleef ook de
hele tijd helder daglicht, waardoor het ons niet moeilijk viel wakker te
blijven. We hadden uitgerekend dat we het snelst aan het dag-nacht ritme van
Nieuw Zeeland gewend zouden zijn, als we pas de tweede helft van de vlucht
zouden gaan slapen.
Tegen onze verwachting in moesten we
in Los Angeles het vliegtuig uit. Dat vonden we in eerste instantie wel fijn.
Lekker even de benen strekken. Maar zo simpel lag het niet. We moesten met al
onze bagage, die voor dit doel gelost werd, langs de douane sjouwen, de boel
weer inleveren, en dan nog een heel circus waarbij je op verschillende plaatsen
in de rij moest staan om weer bij het vliegtuig te komen. Net zeskamp. En lang
waren ze, die rijen. We hadden verwacht dat na de aanslagen in New York het
vliegtuig niet zo vol zou zitten. Maar men had de vluchten van vijf
maatschappijen gecombineerd, en het was tot de laatste stoel bezet. Het zal dan
ook geen verbazing wekken dat het vliegtuig niet op tijd weer kon vertrekken.
Na de derde warme maaltijd van deze
extra lange dag, werd het eindelijk donker, en konden we proberen wat te
slapen.
Donderdag 4 oktober 2001.
Dat schrijf ik nou wel zo mooi op:
donderdag 4 oktober 2001. Maar die dag zijn we kwijt. Die is er voor ons nooit
geweest. Nieuw Zeeland krijgt elke nieuwe dag het eerst te zien. En de bewoners
van Los Angeles horen bij de laatste mensen op onze aardkloot die de zon weer
zien ondergaan. Terwijl we boven de Stille Oceaan voortraasden, en wij ons in
de meest vreemdsoortige houdingen wrongen in een vergeefse poging tot slapen,
passeerden we de tijdsgrens, en sloegen zomaar een dag over.
Vrijdag 5 oktober 2001.
Bij het krieken van de dag kwamen we
in Auckland aan. Een heel ander soort vliegveld dan die waar we tot nu geweest
waren. Kleiner. Gemoedelijker. Wel moesten we bij aankomst in Nieuw
Zeeland laten zien dat onze wandelschoenen schoon waren. Die zaten onderin
verschillende koffers, zodat we de hele boel konden uitpakken. Leuk, als je
zo’n regel tevoren niet weet.
We moesten een paar uur wachten op
het busje van het verhuurbedrijf, maar er werd ons direct aangeboden dat we
onze bagage zolang achter de balie hiervan mochten zetten, zodat we op ons
gemak wat rond konden kijken.
De auto bleek een enorme Ford
Exploder te zijn. Vier wiel aangedreven, zoals we hadden besteld. Met het stuur
aan de verkeerde kant, wat bepaald onhandig is. Voorlopig mocht Sjak zich ermee
redden. We deden nog wat boodschappen, waarna we direct naar ons eerste hotel
reden. Net buiten Auck-land, midden op het platteland.
Een beschrijving van alle hotels en
dergelijke waar we gelogeerd hebben, staat op pagina onderdak.
Misschien nuttig voor wie ook eens naar Nieuw Zeeland wil. We hebben alle
accommodaties hier heel schools een cijfer gegeven. De verschillen zijn vrij
groot. En er is niet altijd een relatie tussen prijs en kwaliteit.
Zaterdag 6 oktober 2001.
Na een lange
nacht slapen in deze dood en doodstille omgeving, voelden we ons weer een
beetje mens. We hadden de indruk dat de verschijnselen van de “jetlag” niet
veel anders zijn dan de vermoeidheid waarmee Sjak te kampen heeft als hij een
paar nachten achter elkaar met de boot naar Engeland moet. Dat het dag-nacht
ritme heel anders is, daar merkten we eigenlijk niets van. Maar zeiden we:
“Voor we weer helemaal boven Jan zijn, zullen we nog een goede nacht nodig
hebben.”
We vertrokken in
noordelijke richting, en volgden net als de voorgaande dag een flink stuk Nieuw
Zeelands drukste weg en enige autobaan. Overigens vergeleken met de Nederlandse
wegen heel rustig. Het landschap dat we doorkruisten liet zich nog het meest
met Luxemburg vergelijken. Alleen hebben veel bomen een onbekend silhouet, en
vreemde blaadjes. En we zagen allerlei wonderlijke vogels. Veel mina’s;
roze/groene “spreeuwen”, met grote witte vlekken op de vleugels. En pukeko’s;
een soort blauwe waterkipjes. En zelfs een papegaai.
Ik reed dit keer
ook een stuk met de Ford. Geen betere plaats om daarmee te beginnen dan de
brede rustige wegen van vandaag. Toch doodeng in het begin; de auto aan de
verkeerde kant van het stuur.
In Matakohe
bekeken we het Kauri museum. Hier krijg je een goed beeld hoe vroeger het hout en de hars van de
kolossale Kauri boom werden geoogst, en wat er zo al van werd gemaakt.
Ons bed stond
dit keer in een budgethotel in Whangarei. Om naar het thuisfront te mailen hoe
het ons verging, zochten we hier ’s avonds een internetcafé op. Hierbij kregen
we bepaald geen welvarende indruk van
deze stad. Gebouwen en mensen maakten een haveloze indruk. En aan de auto's was
goed te horen dat Nieuw Zeeland geen APK keuring kent. Veel waren nodig aan een
nieuwe uitlaat toe. Nogal wat jongelui zwalkten al om een uur of acht
stomdronken over straat. En toen een groepje rokend langskwam, vulde onze neus
zich onmiskenbaar met de geur van hasj. Nieuw Zeeland is dus niet altijd zo
onbedorven.
Zondag 7 oktober 2001.
We trokken
verder in noordelijke richting, en al snel stuurde Sjak me over allerlei
bochtige gravelwegen. De in de atlas aangegeven "four wheel track"
die hij had opgezocht bleek helaas zonder vergunning niet toegankelijk. Nu zat
ik toch al genoeg te zweten. Dat onze Ford was voorzien van een automatische
versnellingsbak was meestal een groot gemak. Maar als je steil omlaag moet, is
het niet zo makkelijk om terug te schakelen.
|
|
In het
Waipaura Forest waanden we ons in een tropisch regenwoud. Het gebied is
bekend om de Kauri bomen die er groeien, maar die vormen in de weelderige vegetatie
de minderheid. En buiten dit natuurreservaat zie je er geen één meer. Die
zullen wel gauw gekapt zijn toen het nog kon. De oudst aanwezige Kauri boom
is overigens naar schatting twintig eeuwen oud. Na een
overheerlijke sandwich met uitzicht op een soort fjord nam Sjak het stuur
weer over, en ging het verder noordwaarts. Hier werden de bergen steeds
hoger, maar ze bleven tot op de top weelderig begroeid. Hierdoor viel het
landschap met niets te vergelijken wat wij in Europa kennen. In dit milde klimaat
bestaat geen boomgrens. Ons onderkomen
stond dit keer vlak langs de Ninenty Mile Beach, mijlenver van de bewoonde
wereld. |
Maandag 8 oktober 2001.
We reden dit keer
naar het uiterst noordelijke punt van Nieuw Zeeland: Kaap Reinga. Niet dat het
er zo bijzonder is. Een vuurtoren, en een bord met afstanden naar plaatsen als
Londen, Tokio en Los Angeles. Maar een echte touristenval. De bussen reden af
en aan. Afijn. Wij kunnen ook zeggen dat we er geweest zijn. Al die bussen
reden terug over het stand van de Ninenty Mile Beach. Dit is officieel een weg,
en goed begaanbaar ook. Maar hij stond op de lijst van four wheel tracks waar
we van het verhuurbedrijf niet mochten komen. Huur je daarvoor nu een vier wiel
aangedreven auto?
We scharrelden verder langs de noordkust naar
het plaatsje Russel, waar we overnachtten.
Dinsdag 9 oktober 2001.
Net een werkdag
van Sjak. Net of we met de Scania onderweg waren. Er stond niets op het
programma dan via de voornaamste hoofdweg naar Auckland te rijden, waar we
hetzelfde hotel zouden hebben als de eerste nacht. Waar we op zich niet rouwig
om waren, want het was er goed bevallen.
Omdat het ons
niet lekker zat dat de ford heuvelaf niet goed terugschakelde, reden we ermee
langs de garage. Het is toch niet normaal, dat een auto in er in de eerste
versnelling als een idioot van tussen gaat heuvelaf? Nou, daar was men het in
de garage roerend mee eens. De versnellingsbak deugde van geen kanten.
Aangezien het een grote reparatie zou worden, kregen wij een andere auto, die
met een auto-ambulance vanuit Auckland gebracht werd. Alsof we dat stuk niet
hadden kunnen rijden. Maar stel je voor. De gemiddelde toerist zou het probleem
misschien niet eens opmerken, en zichzelf in de bergen te pletter rijden.
De andere auto
was overigens in zijn totaliteit een stuk beter. Hij schakelde veel
efficiënter, was niet zo zijwindgevoelig, de deursloten werkten goed, en de
(leren) stoelen zaten een stuk comfortabeler. De Ford Exploder steeg in onze
achting.
Dit keer
naderden we Auckland vanuit noordelijke richting, en pas nu viel het ons op dat
de skyline een paar hoge flats toonde. Voor de rest is de stad net een
volkstuincomplex. De meeste huizen in Nieuw Zeeland zijn laag en van hout, waardoor
ze doen denken aan de schuurtjes waarin bij ons enthousiaste tuinders hun
gereedschap in bewaren.
Woensdag 10 oktober 2001.
|
Om op het
Coromandel schiereiland te komen, volgden we relatief grote wegen. Daarna een
stuk langs de kustweg, die schilderachtig de grillige kustlijn volgde.
Halverwege staken we dwars over, langs een gravelpad dat ons door een
subtropisch regenwoud voerde, dat tot hoog in de bergen reikte. Vooral de
vele boomvarens gaven de omgeving een exotische aanblik. Daarbij zongen de
vogels hier heel anders dan bij ons. Het klonk meer als in Burgers Bush.
Kauri bomen zagen we ook; welgeteld drie. Nauwelijks te geloven dat ooit heel
Nieuw Zeeland er mee bedekt was. Buiten het Kauri reservaat zijn ze bijna
effectief uitgeroeid. |
|
Ik heb overigens
aardig zitten zweten op dit pad. Smal, bochtig en onoverzichtelijk. Niet alleen
kan je er elk ogenblik tegenliggers verwachten. Op zich niet onredelijk. Er
werd nog aan de weg gewerkt ook. Met grote walsen en “graders”. Bovendien bleek
deze auto in zijn eerste versnelling net zo’n haast te hebben om beneden te
komen als de andere. Of hij in zijn vrij stond. Sjak vroeg zich al af of de verhuurder
(Maui) dit bewust onklaar had laten maken, om het enthousiasme om off-road te
rijden te temperen. En dan het gebruik van een aantal wegen verbieden om
ongelukken te voorkomen. Ook op dit schiereiland mochten we niet overal komen,
terwijl dat oorspronkelijk wel op ons verlanglijstje stond. Onder meer daarvoor
hadden we deze 4WD gehuurd. Gelukkig constateerde Sjak bij nadere inspectie dat
de auto rondom was voorzien van schijfremmen. Dat betekent dat je bij steile
afdalingen veel langer kan remmen voor de remmen door oververhitting dienst
weigeren. Dat maakt het leven een stuk gemakkelijker. Maar helemaal origineel
is het niet.
We hadden
verderop langs een ander pad weer dwars het schiereiland over willen steken,
maar dit bleek helaas afgesloten. Er stond een bord bij dat het gedeeltelijk
was weggespoeld. Dan maar over de hoofdweg naar het plaatsje Coromandel. Nou
ja, hoofdweg. Ook gedeeltelijk een gravelpad. En ook hier werd aan de weg
gewerkt.
In Coromandel
wisselden we van plaats. Terug langs het stuk kustweg waarop we nog niet
gereden hadden. En dwars over langs hetzelfde gravelpad. Nu Sjak reed, kon ook
ik er ontspannen van genieten.
We sliepen in
Whangamata.
Donderdag 11 oktober 2001.
De route naar
Rotorua, het IJsland van Nieuw Zeeland, zouden we grotendeels de grote weg
volgen. Behoudens een uitstap langs een 4WD track die Sjak had gevonden op de
een jaar eerder door ome Toon meegebrachte uitstekende landkaart. Het pad naar
de track was zeker leuk. Maar de aanblik
van het spoor zelf deed ons fluks van gedachten veranderen. In deze baggerpoel
zou Sjak zich zelfs met zijn eigen Landcruiser niet wagen. Hooguit met een
lier, èn een extra vakantiedag.
In Te Puke bekeken
we het kiwi-museum. Je kreeg hier veel informatie over de teelt van Nieuw Zeelands
nationale vrucht, maar wel met een hoog Efteling-gehalte. Zo werd de rondrit
over het terrein uitgevoerd met een treintje met kiwi-vormige wagentjes, en was
er een klimtoren in de vorm van een kiwi. Het publiek bij de rondleiding werd
overigens gedomineerd door een grote groep Japanners. Het hakke-takke
takke-hakke was niet van de lucht.
We zouden twee
nachten in Rotorua blijven.
Vrijdag 12 oktober 2001.
Dit keer stond er een “experience of a lifetime” op ons menu. We gingen per helikopter naar White Island; een actieve vulkaan, ongeveer dertig kilometer uit de kust. Op zich is het al een belevenis om in zo’n wentelwiek het luchtruim te kiezen. Na ongeveer drie kwartier vliegen landden we op de vulkaan, en begaven ons voorzien van gasmasker en helm naar de krater.
|
|
We hadden
geluk. De wind stond van ons af, zodat we uitzicht hadden op het binnenste van
de vulkaan. Met kokende stoom, en een poel met vloeistof die bij ons zeker
als chemisch afval gekwalificeerd zou worden. Verder was het hele eiland
bedekt met gaten waaruit stinkende stoom zich een weg baande, en kleurde de
zwavel het landschap geel. Had je dit in Holland, dan werd dit de grootste
saneringsoperatie ooit. |
De helikopter
vertrok van de “Agridome”. Net zoiets als bij ons vroeger de Flevohof. Toen we
terugkwamen deden we er nog mee met een farmtour, en bekeken een
schapenshow. Omdat er voor de farmtour
maar zes belangstellenden waren, hoefden we niet in een karretje achter een
trekker, maar werden we vervoerd met een busje. Een vierwiel aangedreven
Toyota, met handgeschakelde versnellingsbak. Als je ooit een camper zou willen
maken, was dat een goed uitgangspunt. Het viel me op dat de deelnemers aan de
farmtoer voer kregen en aangemoedigd werden hiermee de schapen en herten uit de
hand te voeren. Terwijl er Engelse toeristen bij waren, die nota bene vertelden
dat ze zelf van de boerderij komen. Is men helemaal niet bang van mond en
klauwzeer? Verder viel het op dat er een koppel Lakenvelder koeien liep.
Desgevraagd werd verteld dat dit in Nieuw Zeeland een heel algemeen ras is. En
ik maar denken dat het typisch Hollands is, en bijna uitgestorven.
De schapenshow
was nagenoeg gelijk aan een soortgelijke show die Sjak ooit in het Lake
district heeft gezien. Alle negentien in Nieuw Zeeland voorkomende
schapenrassen werden er op een podium gepresenteerd, er werd er één in een mum
van tijd van zijn wol ontdaan, en er werd getoond hoe met honden wordt gewerkt.
Heel leuk.
Onderweg naar
een internetcafé in Rotorua stad kwamen we langs een park met ook al kokende zwavelbronnen.
Je struikelde hier over die heteluchtkanonnen.
Zaterdag 13 oktober 2001.
Net als in
Rijsbergen heb je in Rotorua een Hellegat. Maar waarbij het bij de onze om een
rustige buitenweg gaat, is het in Nieuw Zeeland een park met allerlei kokende
zwavel- en modderpoelen. Een must om te bekijken natuurlijk. Maar na de vulkaan
van de vorige dag, leek het bijna gewoon.
In Ohope stopten
we bij de begraafplaats waar Sjak zijn tante Sjan begraven ligt. Waarna we ons
realiseerden dat we gezien de tijd niet meer de kustweg naar ons doel voor deze
dag, Gisborne, konden volgen. We vonden een alternatief in de vorm van een
gravelpad van liefst 45 kilometer lang, en dat was zeker zo leuk. Het volgde in
grote lijnen de loop van enkele heftig meanderende bergbeken, die we soms
vlakbij en soms vanaf grote hoogte konden zien stromen. Beken die bijna alleen
uit een bovenloop bestaan, want als ze uit de bergen komen zijn ze bij de zee
ook.
Ik was er niet
rouwig om dat Sjak reed, zodat ik onbekommerd van het uitzicht kon genieten. De
weg was smal en bochtig, en doordag hele stukken waren weggespoeld, reed je
soms vlak langs de afgrond. Niet een weg voor de gemiddelde toerist. Zou je een
tegenligger tegenkomen, dan moest er één achteruit, want uitwijken was er hier
echt niet bij. Maar Sjak had geluk. De enige andere auto die ons pad kruiste,
stond stil in de kant.
In Gisborne
logeerden we “Bed and Breakfast” bij particulieren thuis.
Zondag 14 oktober 2001.
Voor we
vertrokken kregen we goedbedoelde adviezen met betrekking tot de te volgen
route. Maar men wilde ons vooral naar de stranden hebben, waarop men blijkbaar
erg trots is. Die hebben we in Holland ook, dus kozen we voor de route naar
onze volgende overnachtingplaats bij Napier weer voor een weg door het groene
heuvellandschap, met zijn vele bergbeken. Qua landschap leek het een kruising
tussen Wales en het Zwarte Woud. Waarbij de
flora en fauna als je wat beter kijkt toch wel flink afwijkt. Boomvarens
zag je hier bijna niet meer, maar wel andere exoten als Eucalyptus en Yucca.
Maar ook bomen waarvan je je afvraagt of de aanwezigheid ervan wel helemaal
origineel is, zoals berken, en vooral veel populieren. De meest voorkomende
plaagdieren kwamen we bij bijna elke bocht tegen. Wilde geiten in levende lijve.
Opossums platgereden.
Ook hier gingen
we af en toe binnendoor, maar nu gelukkig niet zo vaak dicht langs de afgrond.
Maandag 15 oktober 2001.
Om ons volgende
reisdoel, Ohakune, te bereiken, hoefden we alleen de kortste weg te nemen. Deze
liep dwars door de bergen, en was gedeeltelijk onverhard, dus precies wat we
zochten. In het hotel wilde men er ons overigens van weerhouden deze weg te
nemen. Met een 4WD, nou ja, dat kon net. Maar zo slecht was de weg niet. We
kwamen er zelfs grote vrachtwagens tegen.
Het eerste stuk
moest er flink geklommen worden, maar daarna bleven we op een hoogvlakte. Net
de Yorkshire Dales. En in Waipoura stopten we om het oorlogsmuseum te bekijken.
In de verte
zagen we inmiddels een besneeuwde bergtop, Mount Ruapehu, en daar vlakbij
zouden we slapen. In een typisch ski-hotel terecht. Hier kwamen we er eindelijk
toe een eindje te lopen. Voor het eten een boswandeling. Erna naar het dorp,
waar het Internetcafé gesloten bleek. Maar bij elkaar toch mooi twee uur
gezonde exercitie.
Dinsdag 16 oktober 2001.
Een prachtige
route stond vandaag weer op het menu. Dwars door het Wanganui National Park.
Waarbij we grotendeels de Wanganui River volgden. Deze is heel wat breder dan de
beken die we eerder hadden gezien, maar ook deze manifesteerde zich duidelijk
als bovenloop. Snelstromend, en een bedding met heel veel keien. We hadden er
een prachtig uitzicht op. Vaak wel erg direct, want ook hier was de weg hier en
daar weggespoeld. Het doet ook een beetje vreemd aan. Hoge bergen, maar een
zandige bodem. Dan kan een bui regen flinke aardverschuivingen te weeg brengen.
Ik was maar blij dat Sjak net aan de beurt was om te rijden.
Naarmate we
vanuit de hoogvlakte afdaalden, veranderde de vegetatie, en reden we weer door
een regenwoud met vooral veel boomvarens. Dat doet heel exotisch aan.
In Wanganui
sliepen we weer "Bed and Breakfast" bij particulieren thuis.
Woensdag 17 oktober 2001.
Voor de
overtocht naar het Zuidereiland reden we over de grote weg naar Wellington.
Door een landschap dat niet veel van Friesland verschilt. Alleen af en toe wat
geaccidenteerd. Onderweg reden we de
auto door de wasstraat, zodat hij er weer pico bello uitzag. We herkenden hem
zelf niet meer, zo vies was hij inmiddels.
Bij de
boot-terminal stond zowaar een internet-automaat, en dat was handig, want we
moesten toch wachten. Even later stonden we in de rij voor de boot, en was het
net of Sjak aan het werk was.
We zouden ons nog
gelukkig prijzen dat ik een tijd bezig was geweest met internetten. Anders
hadden we gehoord bij het groepje personenwagens die als eersten de boot op
mochten, en die stonden naast een vrachtwagen met schapen, waaruit de urine
welig naar buiten spatte. Stel je voor. Op die pasgewassen auto! Nu stonden we
veilig achterin.
Op het
Zuidereiland was het landschap anders dan we tot dusver gezien hadden. Meer
geplooide bergen, zoals in de Ardennen.
|
In Blenheim
waren nog twee gasten; een wat ouder echtpaar uit Blenheim zelf, en het was
heel gezellig. Een van de dingen die ik die avond heb geleerd, wil ik de
lezer niet onthouden. Het is een recept voor Pukeko. Je weet wel, Dat soort waterkip,
maar dan blauw. Het is heel simpel: Je neemt een steen en een Pukeko, en legt
die in het vuur. Als de steen zacht is, eet je de Pukeko. Of nog beter: gooit
de Pukeko weg, en eet de steen. |
|
Donderdag 18 oktober 2001.
We volgden de kustweg
die ons slingerend van Picton naar Havelock voerde. Hier parkeerden we in de
haven, en stapten naar binnen bij de "Mussel Boys". Drie keer raden
wat we daar gegeten hebben. Terug in de haven waren we net op tijd om te
voorkomen dat onze auto met een heftruck werd verplaatst. Men wilde strepen
trekken, en wat in de weg stond werd niet zo zachtzinnig naar een andere parkeerplaats
gesleurd.
Ons plan om nog
naar het uiterst noordwestelijke puntje van het eiland te rijden moesten we
gezien de tijd opgeven. Het was voornamelijk de grote weg die ons naar onze
volgende stop voerde, vlak bij Lake Rotoroa. Een paradijselijk plekje, met
bergen en bossen met vogeltjes rond een groot meer. We hadden er wel een week
bleven blijven om te wandelen. Het bleef bij een ommetje van een half uur.
Vrijdag 19 oktober 2001.
De oostkust was
ons doel vandaag. We zouden de volgende dag walvissen kijken in Kaikoura. De
weg hierheen voerde ons grotendeels door een ruig berglandschap. Het deed aan
Noorwegen denken, met als opvallend verschil dat hier nauwelijks rotsen zijn,
maar de bodem zandig is. Je hebt het idee dat de bergen bij een flinke regenbui
zullen wegspoelen.
Niet alleen de
bergen, ook de roofvogels waren hier een stuk groter dan we ze eerder zagen.
Roofvogels genoeg trouwens, in Nieuw-Zeeland. Vaak zitten ze op de weg, om zich
te goed te doen aan de platgereden opossums. We hebben al een paar keer
meegemaakt dat zo'n kromsnavel zijn prooi niet achter wou laten als wij aan
kwamen rijden, en probeerde zijn prooi mee te nemen als hij wegvloog. In alle
gevallen was het toch te zwaar, en moesten ze weer loslaten.
|
|
De weg liep
een flink stuk langs een rivier die niet meanderde, maar zich met een aantal substromen
door een hele brede bedding vlocht. Zou het een keer hard regenen, dan had
het water alle ruimte. Maar dat dit niet vaak gebeurt, was te zien aan de
vegetatie op de hoger gelegen delen van de bedding. Later zagen we ook
kleinere beken die zich op deze manier door het landschap vlechten. |
We troffen in
Kaikoura een heerlijk rustige "Bed and Breakfast". En in de Ierse pub
net om de hoek werd heerlijk eten klaargemaakt.
Zaterdag 20 oktober 2001.
Kaikoura is een
echte toeristenplaats, en zoals te verwachten op zaterdag was het er druk. Maar
er was dan ook van alles te zien. Eerst gingen we maar eens bij de zeeleeuwen
kijken. Die beesten zijn de toeristen gewend, en je kan er vlak bij komen. Het
pad omhoog naar de kliffen bewees vervolgens dat onze conditie nog niet was om
van naar huis te schrijven. Maar we konden nog een eindje doorlopen op het
horizontale vlak, waarbij we een prachtig uitzicht hadden. En bij de VVV
bekeken we een diashow over walvissen. Hieruit leerden we ook waarom je juist
hier walvisexcursies kan maken. Het water is hier heel diep vlak bij de kust,
en doordat warm tropisch water en voedselrijk koud oceaanwater hier samenkomen,
is er meer dan voldoende te eten. Waarna het inmiddels tijd was voor ons
boottochtje waarmee we echte walvissen zouden kijken.
Helaas waren
alle boottochtjes gecancelled. Men zei vanwege het ruige weer, hetgeen ons
bevreemde, want voor zover wij konden zien was de zee zo glad als een
babykontje. Maar verder buitengaats kon het natuurlijk anders zijn. De
beheerder van de theehoek vertelde overigens dat het probleem was dat de
walvissen te ver uit de kust zaten. Op zich ook een goede reden. We konden
overboeken op de eerste boot de volgende dag, in de hoop dat die wel zou gaan.
Zo niet, dan zouden we toch lekker vroeg op zijn.
Kaikoura is in
heel Nieuw Zeeland bekend om zijn crayfish; een soort kreeft. Volgens een
tijdschrift had de Ierse pub bij ons om de hoek nog eens de lekkerste van
allemaal ook. En inderdaad; heerlijk!
Zondag 21 oktober 2001.
Een dag vol
afwisseling en extremen. Van kilometersdiepe oceaan tot kilometershoge bergen.
Vroeg op, want
we zouden proberen of de walvistrips vandaag wel doorgingen. En dat gingen ze.
's Morgens vroeg vertrokken kort na elkaar alle drie de boten, en wij zaten op
de tweede. Niet vlot overigens, want je moest eerst langs een loket met een
gigantische rij ervoor. Het deed denken aan het overstappen in Los Angeles,
waar we immers uren bij de douane hadden staan wachten. Maar tenslotte gingen
we toch weg. De zee was vrij kalm, maar het was maar een klein bootje, en het
lag niet zo rustig in het water. Gelukkig had ik zeeziekpillen bij me. Anderen
waren niet zo gelukkig, en vertoonden alle tinten groen die je kan denken. En
passant zagen we allerlei beesten. Stormvogels en albatrossen, dolfijnen en
orka’s. Maar de walvissen waar het om ging bleven onvindbaar, en er werd al
omgeroepen dat we een refund zouden krijgen.
|
Maar men bleef
zoeken, en tenslotte kregen we toch te zien hoe een enorme walvis vlak bij de
boot een luchtje kwam scheppen. Een gigantische belevenis. Zo'n enorm
gevaarte. Er waren overigens ook Japanners aan boord, en je zag hoe die in
gedachten uitrekenden hoeveel speklapjes ze er uit zouden kunnen snijden.
Japan vangt immers nog walvissen. Later bleek dat dit vandaag de enige walvis
was die zich had vertoond. De later geplande tochten waren weer geannuleerd. |
|
De route naar
ons volgende adres in Arthurs Pass bood weinig mogelijkheden binnendoor te
rijden. We volgden de grote weg, die in eerste instantie de kust volgde. Leuk
en afwisselend, en overal zaten er zeeleeuwen op de rotsen. Daarna werd het
landschap vlak. Net Flevoland. Pas voorbij Christchurch werd het weer
heuvelachtig. Dreigende donkere heuvels, met ronde koppen. Net Cumb
Maandag 22 oktober 2001.
We hadden wel
een week willen blijven om in de omgeving in de bergen te wandelen. Maar we
wilden toch heel Nieuw Zeeland zien? Voort ging het weer naar de westkust.
Eerst nog een stuk door het ruige berglandschap waar we hadden gelogeerd. Maar
allengs werd het een stuk platter. We volgden de kust tot het plaatsje Franz
Josef, aan de voet van de gelijknamige gletsjer, waar we zouden logeren. We
deelden de enige weg met talloze anderen. Het was een nationale vrije dag, en
prachtig weer. Maar zo ie zo konden we merken dat de hele omgeving één grote
toeristenval was. Maar ook juist daardoor konden we twee kleine museumpjes
bezoeken. Eén over kiwi's. De vogel dit keer. Twee levende dieren, en een
videoband. Ook het bush-centrum was niet groot, maar het aardige hiervan was
dat je er opossums in levende lijve kon zien. Attractieve beestjes om te zien.
Maar dat moet je hier niet te hard zeggen.
|
|
In Franz Josef
liepen we voor het eten naar de voet van de gletsjer. Eerst een stukje pad,
maar verder moest je je weg zoeken door de bedding van de gletsjerrivier. Een
afwisselende wandeling, waarbij je soms van steen naar steen springend
stroompjes moest overbruggen, en soms over een smal paadje langs een steile
oever schuifelde. Door het warme weer was het ijs volop aan het smelten, en
om de haverklap braken er met donderend geraas stukken af. Waarna smalle
stroompjes opeens wilde beken werden. Gelukkig niet blijvend, want anders was
de terugtocht een probleem geworden. Toch een mooie ervaring. Je voelt je één
met de elementen. |
Dinsdag 23 oktober 2001.
Queenstown was
onze volgende stek, waar we drie nachten zouden blijven. Ook hier hadden we
geen andere mogelijkheid dan de hoofdweg te volgen. Dat was op het
Noordereiland toch beter geregeld. Evengoed was het best mooi. Eerst bergen,
waarvan de toppen in nevelen waren gehuld. Dan lagere heuvels, zoals je in
Engeland ziet als we met de vrachtwagen naar Crewkerne gaan. Vervolgens bos,
waarbij we ons in The Forest of Dean waanden. We filosofeerden erover waarom we
nu eigenlijk naar de andere kant van de wereld waren gevlogen. Het meeste van
de landschappen vindt je in Engeland immers ook. Voor walvissen en een vulkaan
zou je naar IJsland kunnen. Alleen regenwoud wordt moeilijker. Je hebt
natuurlijk Burgers Bush, maar dat is niet helemaal echt. We kwamen tot de conclusie,
dat voor velen Nieuw Zeeland het ideale vakantieland is, vanwege het aangename
klimaat en het feit dat je geen begenadigd chauffeur hoeft te zijn om op een
heleboel prachtige plekken te komen. Niet dat het voor ons niet een schitterende
bestemming is. Maar de lange reis maakt dat we er toch maar niet elk jaar heen
gaan.
Allengs werden
de bergen hoger en steiler, en leek het of we in Noorwegen zaten. Een droog
gebied dat volgde leek net Spanje. Alleen de sherry-stieren die daar boven de
bergen uittorenen ontbraken hier.
Queenstown zelf
is één grote toeristenval. Maar onze accommodatie lag er een stuk buiten, aan
de oever van een groot meer. Met een prachtig uitzicht, en een wandelpad naast
de deur. Hier konden we onze bergschoenen goed gebruiken. Rotsen, stenen en
boomwortels vroegen de aandacht, en het ging altijd steil omhoog of omlaag. Het
luie zweet kwam er wel uit. Maar het was goed dat we gegaan waren, want het
eten in Nieuw Zeeland was als regel wel zo lekker, dat we anders zeker dicht
zouden groeien.
Woensdag 24 oktober 2001.
Heerlijk, twee
hele dagen die je nog kan invullen. We reden eerst langs het meer naar het
plaatsje Glenorchy, waar wede nodige afspraken maakten voor onze activiteiten.
Dezelfde middag een rit te paard naar de rivier de Dart. En voor de volgende
dag boekten we vast een combinatie tocht met een jetboot, te voet en een
vierwielaangedreven bus. Maar eerst reden we enkele doodlopende wegen op en
neer, die ons aan de rand van het Arpiring National Parc brachten. Dit gebied
reikt helemaal tot in het westen van Nieuw Zeeland, en is nauwelijks ontsloten.
Je vindt er fjorden, zoals de Milford en de Doubtful Sound, waar je alleen per
boot of helikopter kan komen. Te voet kom je ook een heel eind, maar dan moet
je heel veel tijd hebben, en een betere conditie dan de onze.
Het was heel wat
dat Sjak op een paard ging zitten. Als kind was hij er wel eens zonder zadel op
geklommen, maar daarna niet meer. En ik moet eigenlijk wel voorzichtig zijn
voor mijn rug. Maar als je alleen stapt, kan er niet zoveel verkeerd gaan. We
hadden een paardenbedrijf geselecteerd dat goedgekeurd was door de
“International League for Protection of Horses”, en dat maakte dit gelukkig
goed waar. De paarden zagen er prima uit, liepen vlijtig met een losse teugel
achter elkaar aan, en voor Sjak was een stevige Clydesdale beschikbaar. Op het
groepje van zeven klanten gingen er twee gidsen mee, en om degenen die dat
wilden de kans te geven een stukje te galopperen, werd de groep af en toe gesplitst.
Wij hielden het liever op stap. De rit op zich was geweldig leuk. We kregen de
kans een vlechtende rivier goed te bestuderen, want we gingen de bedding van de
Dart in, waar we verscheidene deelstromen overstaken. En diep ook. De paarden
kwamen tot de buik in het water. Goed te zien was dat de rivier de hele bedding
niet altijd nodig heeft, want de hogere delen waren begroeid, voornamelijk met
wilgen. Kennelijk waren de gidsen nog niet zo heel ervaren, want op een gegeven
ogenblik maakte één van hen aanstalten een stroom op een wel erg ongelukkig
punt over te steken. In een buitenbocht, waar het heel hard stroomde, en je de
bodem niet kon zien. Paard en amazone gingen prompt kopje onder. Gelukkig kon
ze er om lachen, toen we vroegen of ze het nog eens wou doen, voor de foto.
In de hoop dat
het spierpijn zou helpen voorkomen, maakten we aansluitend een wandeling rond
Glenorchy. Vlak terrein dit keer, en dat vonden we helemaal niet erg. Daarna
terug naar de lodge, waar het eten ons wachtte. We hadden twee medegasten dit
keer. Een Amerikaans stel op huwelijksreis. Met het typisch Amerikaanse
probleem dat het vakantiegeld in heel korte tijd moet worden opgemaakt. Die
charterden even een helikopter om zich de volgende dag door het gebied te laten
vliegen. En hij ging Bungy jumpen, want hij wou toch kunnen zeggen dat hij dat
gedaan had.
Donderdag 25 oktober 2001.
In verband met
onze jetboot tour moesten we vroeg op. Dat zou geen eieren worden, dachten we, want
in het hotelreglement staat dat deze voor half negen niet worden geserveerd.
Maar dat viel mee. We kregen ze toch.
In Glenorchy
dachten we eerst dat er maar een paar
passagiers voor de jetboat waren. Alle andere aanwezigen gingen op de heenweg
in de boot. Zij zouden de terugweg in opblaasbare kano’s afleggen. Tot de bus
uit Queenstown arriveerde. Toen was er een hele groep. De hele kudde kreeg
alvast een plastic cape uitgereikt, en we laadden onszelf in een vierwielaangedreven
bus. Een Spartaans uitgevoerd vehikel. Sober maar doelmatig, met de nadruk op
sober. Zelfs de chauffeur had geen geveerde stoel. Maar daardoor reed hij wel
voorzichtig. Op zichzelf was de rit niets nieuws voor ons. Een gravel track,
met hier en daar een doorwaadbare plaats. Maar telkens als we een minuut of
tien gereden hadden, stopte de chauffeur, moesten we er allemaal uit, en begon
hij van alles te vertellen. Vooral toen iemand via het bakkie had doorgegeven
dat één van de jetboten onderweg aan de grond was gelopen, begon hij behoorlijk
tijd te rekken. Gelukkig zag het pad waarover de boswandeling zou voeren er
heel aantrekkelijk uit. Maar ook hier werd na vijftig meter gestopt voor
uitleg. Ons vermoeden dat de route zonder dit geen half uur wandelvreugd kon
geven kwam uit. Met een beetje doorstappen was zes of zeven minuten genoeg.
Na het ritueel
van het uitreiken van zwemvesten, gingen we er met de jetboot van tussen. En
werkelijk, dit was een gigantische belevenis. We gingen nog een heel eind
stroomopwaarts de rivier de Dart, en dan weer terug naar Glenorchy. Door het
vlechtende karakter van de rivier, weet je nooit welke stroom je in zal
schieten, en dat maakt het spannend, vooral omdat je vaak rakelings langs
rotsen scheert, en er regelmatig met adembenemende snelheid een pirouette wordt
gemaakt. Het laatste alleen als er iemand keek; onze schipper had wel graag
publiek. Maar hij beheerste het vaartuig formidabel. Ook stopte hij telkens na
een paar minuten. Wel te begrijpen, want het monster verslindt per minuut
anderhalve liter benzine (die in Nieuw Zeeland overigens maar iets meer dan een
gulden kost). Wat wil je. Voor een 6 liter V8 motor die 340 pK levert, zou een
modale vrachtwagen zich nog niet hoeven schamen.
De Dart is een
typische gletsjerrivier, en doordat de sneeuw met dit weer in hoog tempo smolt,
had hij typisch de kleur van blauw gletsjerwater. Een heel verschil was te zien
toen we een eindje een zijrivier ingingen. Deze was door regenwater gevoed, en
kraakhelder tot op de bodem.
Nadat we bekomen
waren met een kopje thee, gingen we naar Queenstown, om hier nog wat rond te
kijken. Onder meer in het plaatselijke vogelopvangcentrum. Men was hier net
begonnen te experimenteren met een vogelshow. Immers was dit in Australië een
probaat middel gebleken om het grote publiek nauwer bij het
vogelbeschermingswerk te betrekken. Met als figuranten een eend, een duif, een
hagedis en een opgezette kiwi, deed men vreselijk zijn best. En daar was
waardering voor ook. Voor de levende kiwi’s had men een heus
nachtdierenverblijf, waar het overdag donker is. De rest van de vogels zaten in
losse kooien. Persoonlijk had het ons leuker geleken als men de hele tuin
overdekt had en alles losgelaten. Zoveel vogels zaten er nou ook weer niet.
Tenslotte
stapten we in een kabelbaantje, dat ons tot op de top van een naburige berg
bracht. Hetgeen zonder veel zweet een prachtig uitzicht opleverde. Wel een
toeristenval binnen de toeristenval die Queenstown toch al is, maar gelukkig
waren er maar een paar mensen boven. Je kon er van alles doen ook, onder meer
bungy jumpen. Dat hadden we wel eens willen zien, maar blijkbaar was daar toch
niet zo veel belangstelling voor. We hadden onderweg ook al eens bungy-locaties
gezien op hoge bruggen, maar je ziet er nooit een hond.Gelijk hebben ze. We
namen een foldertje mee voor de Amerikaan. Stel voor dat hij weinig tijd had,
en toch nog gauw even wou springen.
Vrijdag 26 oktober 2001.
We hadden
gedacht met een veerpontje het meer over te steken, en dan binnendoor naar Te
Anau te rijden. Maar het pontje bleek een toeristisch stoombootje dat alleen
passagiers meenam, dus dat feest ging niet door. Het werd de grote weg.
|
We logeerden
nabij Te Anau op een boerderij, waarbij we min of meer in het gezin werden
opgenomen. De boer liet ons uitgebreid het bedrijf zien, waarbij we tevens
aan onze lichaamsbeweging kwamen, want bovenop een heuvel moesten enkele
hekken worden opengezet. Dan kon hij later de honden naar boven sturen om de
schapen op te halen. Het alternatief is een vierwielige motorfiets, waar je
de schapenboeren heel veel mee ziet rijden. Eén of meer honden achterop. |
|
De
bedrijfsvoering straalde vakmanschap uit, en het vee - schapen en vleeskoeien -
zag er prima uit. De schapen worden als ze drachtig zijn gescand, zodat bekend
is hoeveel lammeren ze zullen brengen. Hierop worden ze gesorteerd, zodat dit
aantal per weiland gelijk is. En in het najaar worden de schapen met slechts
één lam opgeruimd, zodat het percentage meerlingen steeds hoger wordt.
Indrukwekkend was het geavanceerde weegsysteem, waarmee zonder al te veel
handelingen het gewicht van de slachtrijpe lammeren kan worden bepaald. Zo weet
de boer of hij hiervoor de juiste prijs krijgt. Ook de scheerschuur was
doelmatig ingericht, met drie werkplekken. Het scheren zelf wordt uitgevoerd
door aannemers, die met scheerploegen de bedrijven langsgaan. Verder beschikte
men over een eenvoudige wolpers.
Zaterdag 27 oktober 2001.
Om de Doubtfull
Sound, een grote fjord, te zien moesten we onszelf overleveren aan het
massatoerisme. De enige manier om in dit gebied te komen is net een kompleet
verzorgde dagtocht, die op zich overigens uitstekend was georganiseerd.. Vertrek
vanuit het plaatsje Manipouri, vanwaar eerst per boot het gelijknamige meer
wordt overgestoken. De omgeving heeft hier veel weg van Zweden of
Oost-Noorwegen, met vrij vlakke begroeide heuvels. Eerst was de boottocht niet
veel aan. We zaten achterin in het hoekje achteruit te varen, met uitzicht op
een stel vreselijk kleverig flikvlooiende Duitsers.
Aan de overkant
staken we per bus de Wilmot Pass over.
Het is hier ontzettend vochtig, met een regenval van een meter of zeven per
jaar. De heuvels zijn dan ook begroeid met regenwoud, gedomineerd door
"beech trees". Dit zijn bomen met heel kleine blaadjes. Net Buxus.
De reden dat
hier een goed begaanbare weg ligt, is dat is er hier een grote ondergrondse
elektriciteitscentrale is gevestigd. De fjord ligt een stuk lager dan het meer,
en om dit te exploiteren heeft men de hele berg ondergraven. De toegangsweg
erheen loopt door een tunnel van ruim twee kilometer lang. We zijn er in
geweest met de bus, wat heel indrukwekkend was.
|
|
De boottocht zelf
was werkelijk prachtig. Alleen al om de sfeer van de fjord, met de inmiddels
veel hogere bergen. Inmiddels wel met een duidelijke boomgrens. We gingen nog
even buitengaats om zeeleeuwen op een rots te zien bakkeleien met elkaar. En
zagen ook verscheidene pinguïns over de eilandjes waggelen. En als klap op de
vuurpijl kruiste een school dolfijnen ons pad. lijkbaar vonden ze het best
gezellig met de boot mee op te zwemmen. En toen we omdraaiden, hadden ze de
grootste lol met de golfslag die dit veroorzaakte, en sprongen hoog boven het
water uit. |
Zondag 28 oktober 2001.
We hadden lang
zitten dubben of we wel naar de Milford Sound zouden gaan. Hij is bekender dan
de Doubtfull Sound, en je kan er heel veel toeristen verwachten. Toch maar wel,
want je komt hier niet zo vaak meer in de buurt. Tijdens de rit erheen bleek
dat we inderdaad niet de enigen waren, want we zagen talloze toeristenbussen.
Die stoppen bij elke parkeerplaats, en dan moet iedereen uitstappen om foto's te
maken. Naarmate we onze bestemming naderden werden de bergen hoger en ruiger.
Vooral de afdaling die volgde op een lange donkere tunnel vond plaats in een
indrukwekkend landschap, dat voor de Noorse Westkust niet veel onderdoet. Je
voelt je er heel klein.
Het gehucht
Milford Sound bestaat voornamelijk uit een grote parkeerplaats en een
vertrekhal voor rondvaartboten. Het pad hiertussen loopt gedeeltelijk over een
verhoogde vlonder, en dat is leuk, want dan kijk je min of meer direct in de
kruinen van de bomen. Deze zijn, net als overigens de stam, met een dikke laag
mos bedekt, waaruit altijd water sijpelt, ook als het niet levert. En ze zitten
vol met epifytisch levende planten. Een heel groen geheel.
We maakten nog
een rondvaart ook. Er waren liefst vier maatschappijen die dit aanbieden, en
wij vonden een kleintje, die geen busladingen mee kan nemen. We zaten zelfs met
maar tien passagiers op de boot, en dat ligt ons wel. Ook hier zagen we nogal
wat zeeleeuwen, of eigenlijk moet je zeggen pelsrobben, en ook een aantal
pinguïns. Ook had je hier observatieglaasjes in de bodem, en als de boot even
stilhield kon je hierdoor het onderwaterleven bestuderen. Net of je de vis in
een aquarium ziet zwemmen, maar het zijn toch heus wilde. Toen de kapitein naar
beneden kwam om na te gaan of er nog vragen waren, vroeg ik wat voor motor er
in de boot lag, en mochten we mee in de machinekamer komen kijken. Net iets
voor Sjak, want die heeft iets met boten en met motoren, dus dit is de ultieme
combinatie. Het was overigens een 14 liter Detroid V8 van 530 pK. Niet veel
anders dan de motor in Sjak zijn vrachtwagen zou je zeggen, maar deze was
tweetakt. De kapitein was overigens tevens eigenaar van de boot, zeg maar een
"eigen schipper". Hij had het vaartuig zelf ontworpen, en wist heel
goed waar hij mee bezig was.
Weer geland
zagen we op de parkeerplaats een tweetal kea's rondhuppelen. We hadden al vaak
gehoord dat deze papegaaien een grote voorkeur hebben voor het slopen van auto's.
Zo van: iedereen vindt ze schattig, tot ze aan je raamrubbers beginnen. Ze
begonnen ze inderdaad heel enthousiast de sierstrip van een auto te slopen.
Leuk om naar te kijken. En onze auto stond gelukkig een heel end verderop.
Maandag 29 oktober 2001.
We wendden de
steven naar het zuiden, en al snel maakte het heuvellandschap plaats voor een
omgeving zo plat als Nederland. We hoefden niet verder dan Invercargill, maar
reden hier in eerste instantie voorbij. Bluff was eerst ons doel. Een kustplaatsje
bekend om zijn oesters. In een cafeta
Anders bij het
noordelijkste punt van Nieuw Zeeland (Cape Reinga) hier geen bussen vol
toeristen. Dat men hier toch wel degelijk op is ingesteld, bleek uit de
uitstekende wandelpaden langs de kust en over de Bluffse Berg. Kosten nog
moeite waren gespaard om begaanbare paden te maken. Moeilijke stukken waren met
vlonders of trappen overbrugd. En damwanden zorgden ervoor dat het pad niet
verzakte. Alle ingrediënten dus voor een gezonde wandeling. Waarbij we gezien
het heuvelachtige terrein volop kans kregen de oesters er af te lopen.
Dinsdag 30 oktober 2001.
Een opmerkelijk
stukje uit de krant die 's morgens op de deurmat lag. Althans voor ons komt het
merkwaardig over. In de Blue Mountains lagen naar schatting 420 herten dood,
tengevolge van vergif dat er met vliegtuigen was verspreid tegen opossums. De
reden dat deze methode ter discussie stond was niet de rigoureuze manier waarop
je hiermee in het ecosysteem ingrijpt. Nee, het ging er om dat de hertenjacht
er onder te lijden zou hebben. We hadden al vaker het idee dat Nieuw Zeeland op
milieugebied (nog?) niet zo nauw kijkt. Dat er in de nationale parken op
Crayfish wordt gevist, had ons ook al verbaasd.
We vervolgden
onze weg langs de kust. Eerst nog door een vlak landschap. Maar allengs werd
het meer geaccidenteerd, en leek het net Luxemburg. Maar dan met af en toe een
meer of de kust.
En heel veel
schapen. Daarvoor is het momenteel een minder plezierige periode, want het is
de tijd voor het afhakken van de staarten van de lammeren. Men amputeert in
Nieuw Zeeland heel makkelijk alles wat men te veel vindt aan een beest.
Melkkoeien mogen van hun staart niet meer dan een centimeter of dertig houden.
Niet genoeg om vliegen mee weg te slaan. En van herten verwijdert men jaarlijks
de geweien als ze halverwege zijn uitgegroeid. Die maakt men te gelde door ze
als aphroditicum te verkopen naar Korea. Als alternatief voor neushoornhoorns.
We genoten ervan
dat we nu niet meer temidden van hordes toeristen verkeerden. Desondanks was
het gebied dat we doorkruisten, de Catlins, alleszins de moeite waard.
We logeerden dit
keer in Nieuw Zeelands enige kasteel: Larnach Castle, vlak bij Dunedin. Ons
reisbureau had ons hier ondergebracht, omdat het midden op het Otago
Schiereiland ligt, dat we uitgebreid wilden bekijken. We bleven er twee dagen.
Woensdag 31 oktober 2001.
We begonnen onze
dag met een bezoek aan de albatros-kolonie. Daarbij we deze imposante vogels
overigens niet in levende lijve te zien kregen. Ze moesten nog eieren leggen,
en net in die periode is het "observatorium" (kijkhut) gesloten. Wel
kregen we een film met toelichting, wat op zich ook heel interessant was. Het
verbaasde ons overigens hoe vergaand men in het wel en wee van de vogels
ingrijpt. Onder meer worden te magere jongen bijgevoerd op het nest, als de
ouders niet thuis zijn.
De kolonie was
gevestigd boven een oud ondergronds fort. Daar zijn we wel in geweest, om het
kanon te bekijken dat hier aan het eind van de negentiende eeuw was geplaatst
om de Russische dreiging het hoofd te bieden.
Weer buiten
kuierden we nog een eindje langs de kust. De albatrossen mochten dan schitteren
door afwezigheid. Andere vogels waren er genoeg. Onder meer een kolonie
gevlekte shags; een soort aalscholvers. En je zag overal pelsrobben, zoals op
veel plaatsen langs de kust.
Een kolonie
geeloogpinguïns was het volgende waar we een kijkje namen. Deze was helemaal
ondergraven met tunnels en kijkhutten, en je mocht er alleen onder leiding van
een gids komen. Je kan er de broedende vogels van korte afstand in hun
nestkastje zien zitten. Ja, nestkastjes. Ook hier was sprake van vergaande
menselijke bemoeienis met in principe wilde vogels.
Donderdag 1 november 2001.
We reden verder
naar het noorden. Lake Tekapo was ons doel, en doordat we een route langs nogal
wat onverharde wegen hadden gepland, was het een hele rit. Wel mooi. We staken in
totaal drie bergpassen over, afgewisseld met brede valleien en ruige
hoogvlakten. En we hadden er het rijk nagenoeg alleen. Anders dan aan de
Westkust kan je hier kiezen of je langs de hoofdweg wilt of binnendoor. We
reden uren zonder iemand te zien.
De eerste
bergpas was overigens voor mij. Ik bedoel: ik zat toen achter het stuur.
Eigenlijk veel te spannend. Dat het uitzicht mooi was, weet ik alleen doordat
Sjak het vertelde. Een smal pad, met aan de ene kant een diepe afgrond, en aan
de andere kant een steile bergwand. En door de vele bochten kon je niet zien of
er wat aan kwam. Als Sjak had aangeboden het stuur over te nemen, had ik nog
geen half woord nodig gehad. Maar zoiets zegt hij dan hooguit achteraf.
Gelukkig kon ik 's middags wel van de omgeving genieten op de volgende
bergpassen.
Vrijdag 2 november 2001.
|
Voor we
richting Christchurch reden, waar we de rest van de vakantie zouden blijven,
gingen we nog op en neer naar het dorpje Mount Cook, aan de voet van de
gelijknamige berg. Nog even proeven van de sfeer van het hooggebergte. Daarna
zaten we al snel in “platland”, net onze IJsselmeerpolders. Gelukkig vonden
we nog een schilderachtige omweg, die ons langs lieflijke heuvels voerde. |
|
In Christchurch
zaten we in een pension langs een vrij drukke weg. Maar daar hadden we de
vorige nacht al wat aan kunnen wennen. Drie dagen in deze stad leek ons nu
veel. Op hoeveel plaatsen waren we niet graag een dag langer gebleven? Maar
toen we destijds besloten hier zo lang te blijven, hadden we gedacht rond te
kunnen rijden op de vele 4WD routes in de omgeving. Wisten wij toen veel dat
die voor een FORD (Fix Or Repair Daily) niet haalbaar zijn? Maar op de kaart
hadden we een aantrekkelijk wandelgebied gevonden, en ook het Akaroa
schiereiland zag er op het eerste oog aantrekkelijk uit. Helemaal zeker weet je
dat niet. We hadden een uitstekende kaart, maar het ontbreken van hoogtelijnen
was toch wel een gemis.
Zaterdag 3 november 2001.
We begonnen de
dag met een bezoek aan het “Antarctisch Centrum”; een museum over de zuidpool,
en het onderzoek dat hier plaatsvindt. Hier was werkelijk heel veel werk van
gemaakt. Niet alleen heel veel informatie. Veel ruimten waren zo ingericht dat
je helemaal in de sfeer komt. Je hoort de wind huilen in het “kamp van Scott”.
Gehuld in extra overjassen kun je in een ruimte door de sneeuw baggeren, en met
een windmachine het begrip “gevoelstemperatuur” ervaren.
|
|
En er waren
zelfs originele “Hägglund” voertuigen, waarmee je een ritje mee kon maken.
Zoiets hadden wij voor onze vakantie beter kunnen gebruiken dan de Ford
waarmee we ons hadden beholpen. Met hun rupsbanden deinsden ze niet terug
voor de steile heuvels en smalle kloof in het circuit. En in de waterbak kon
je ermee varen. Wij zaten in de aanhangwagen. Samen met een groep kinderen
die een verjaarsfeestje vierden. Die begonnen al vast te gillen als ze
dachten dat er weer een bocht kwam. |
Vervolgens was
het Banks schiereiland ons doel. En dit bleek warempel een topper te zijn qua
natuurschoon. Hoge groene bergen, en langs de kust steile kliffen. Zoals in
Donegal. En volop keuze voor wat betreft de te volgen route. We scharrelden
helemaal naar de punt langs smalle gravelwegen, die langs diepe afgronden hun
weg door de bergen zochten. Gelukkig nam Sjak het nu wèl van me over toen het
heel eng werd.
Het verste punt
waar we kwamen was het plaatsje Akaroa, en hier wilden we even tanken. Maar de
bemanning van het plaatselijke pompstation was al vertrokken, en de automaat
accepteerde onze bankpassen niet. En zouden we Christchurch halen? Misschien
wel niet. Dat werd een hele zoektocht. Een winkelier gaf de tip dat de eigenaar
van het tankstation wel in de kroeg zou zitten. In de kroeg? Om half zeven al?
Nou, volk zat er genoeg op dit vroege uur, maar niet de tankman. Uiteindelijk
werd de monteur van de garage opgespoord, en die voorzag ons van benzine.
Inmiddels was
het aardig laat geworden, en we besloten dat we onderweg wat zouden eten. Inderdaad
troffen we een aantal restaurants op onze weg. Maar allemaal tevens café, en
tot de laatste stoel toe vol. Ach, we hadden het kunnen weten. Hadden we niet
een week eerder op de bank moeten eten, omdat de mensen waar we logeerden de
halve finale rugby moesten zien? Dan was nou de hele finale. Wel was het lekker
rustig op straat. En waar we logeerden konden we ondanks het late uur nog
aanschuiven.
Zondag 4 november 2001.
Eerst maar eens
de stad in voor nog wat boodschappen. We hadden het snel gezien. Het is ook
niet onze hobby in Breda te winkelen. Dan alles inpakken. De koffers zaten
voller dan op de heenreis.
En 's middags op
en neer naar Kaikoura. Nog één keer een rit door de heuvels. En nog een keer
genieten van het eten in de Ierse pub.
Maandag 5 november 2001.
Om wat
geleidelijker aan de andere tijd te wennen, sliepen we zo lang mogelijk uit.
Daarna naar het vliegveld, waar we vast incheckten. Waren we de bagage vast
kwijt. Dan de auto wassen, inleveren, en door naar het vliegveld. Bij de
Security bleek helaas dat ik zo stom geweest was mijn zakmes uit mijn
handbagage te halen. Jammer maar helaas. Daar schilt de veiligheidsbeambte nu
haar aardappelen mee. Voor we vertrokken waren we nog speciaal naar kantoor
gereden om het op te halen, want het lag nog in mijn bureau. We hebben het
onderweg nooit gebruikt. En nu zijn we het kwijt. Had ik maar beter moeten
opletten.
We hadden een
hele mooie vlucht. Het was onbewolkt, en we zaten langs het raam. Eerst zagen
we het gebied waardoor we de dag ervoor naar Kaikoura waren gereden. Inmiddels
met sneeuw op de heuvels. En dat in november! Ook konden we het gebied van de
Marlborough Sounds bekijken, dat we in verband met tijdgebrek hadden overgeslagen.
En het oostelijk deel van het Noordereiland. ook hier zagen we besneeuwde
bergtoppen, bij het skigebied waar we de heenreis hadden geslapen. Veel meer
dan er lag toen wij er waren.
De vlucht was
comfortabeler dan op de heenweg. Doordat ik langs het raam zat, kon ik wat
slapen. Sjak geloof ik ook een beetje. Hoewel ik hem meestal zag TV kijken als
ik me omdraaide. Laat ik het zo zeggen: op de boot Oostende -Ramsgate rust je
nog beter uit. Het was wel balen dat de voetsteun van mijn stoel niet terug
wou. Dat dwingt je telkens in dezelfde houding.
In Los Angelos
moesten we weer alle bagage ontvangen en ermee door de douane. Maar dit keer
ging het wel vlotter dan op de heenreis. Een uur en een kwartier in de
verschillende rijen, en het leed was geleden. Nog ruim een uur een uur wachten
en we vlogen weer verder. Volgens dienstregeling; precies op tijd.
Dinsdag 6 november 2001.
De vlucht van
Los Angeles naar Londen verliep op wieltjes. Als je niet meerekent dat we bijna
afgestookt werden in het vliegtuig. Toen ik 's morgens informeerde of de kachel
wellicht kapot was, bleek dat een paar heren (waarschijnlijk afkomstig uit een
warm land) hadden geklaagd dat het koud was. Maar de kachel ging alsnog omlaag,
en toen de heren weer begonnen te bibberen, kregen ze het advies een deken om
te doen.
Maar in Londen
bleek de aansluitende vlucht geannuleerd, zodat het veel later werd. De dame
van British Midlands beweerde dat dit was in verband met het slechte weer in
Amsterdam. Maar daar was niets ergers geweest dan motregen, dus dat was een
smoes. Ondanks dat er twee vluchten waren samengevoegd, zat het toestel nog
half leeg. Het zal dus wel een economische reden hebben.
En dan kom je
weer thuis. Wat een tegenvaller. En dan eerst nog jetlag ook. Maar: ooit gaan
we weer. Het is het waard.
Terug naar de homepage van Sjak en Truus.