IJsland: water en vuur (2003).

Wat een onderneming: Sjak en Truus, broer Johan en oom Abel gingen met zijn vieren naar IJsland. Even spande het er om dat we op tijd konden vertrekken, want Abel’s trein kampte met gigantische vertragingen, waarna we vervolgens elkaar niet konden vinden. In het vervolg toch maar een mobiele telefoon meenemen? Gelukkig kwam alles op zijn pootjes terecht, en kon dit verslag geschreven worden.

 

Dinsdag.

Abel had nog nooit gevlogen, dus vooral voor hem was het best spannend om in een vliegtuig te stappen. Gelukkig konden hij en Sjak een plaatsje bij de nooduitgang bemachtigen, zodat ze in elk geval voldoende beenruimte hadden. Beide heren zijn fors aan de maat. Voor Sjak was zijn luchtdoop ook nog niet zo lang geleden, zodat hij zich goed kon voorstellen dat het voor Abel eerst wat eng was. Maar waar we al op gehoopt hadden: Abel vond het allemaal prachtig, en wil zeker vaker met het vliegtuig op vakantie. Het is een belevenis om na een snelle rit over de startbaan de lucht in te gaan, en auto’s en huizen snel kleiner te zien worden. Dan te zien hoe het mistig wordt, als je door de wolken vliegt. Waarna je het zonnetje ziet schijnen, en onder je een zachte witte wolkendeken ziet. In totaal duurde de vlucht bijna drie uur, maar mede dankzij de ronddravende stewardessen die ons van eten en drinken voorzagen, hoefden we ons niet te vervelen.

Op het vliegveld Keflavik namen we onze huurauto in ontvangst, waarin Sjak voorlopig achter het stuur plaats nam. Anders dan we verwachtten een diesel, en dat was een meevaller. Niet alleen is de benzine op IJsland dubbel zo duur, en is een dieselmotor veel zuiniger. Het rijdt ook plezieriger in de bergen. Doordat een dieselmotor een veel hogere compressie heeft, remt deze motor heuvelaf veel beter.

Op naar onze eerste overnachtingplaats. Al snel waanden we ons in een compleet andere wereld. Uitgestrekte vlakten met slordig neergesmeten lava, begroeid met niets dan een beetje mos. Als ergens een vulkaan dood en verderf heeft gespuwd, duurt het heel lang voor er weer een beetje begroeiing is. Desolaat, dat woord geeft de sfeer het beste weer.

Reykjavik lieten we links liggen. We houden niet zo van wereldsteden. Even verderop passeerden we het plaatje Hveragerdi, waar de plaatselijke heetwaterbronnen gebruikt worden om kassen te verwarmen, die doen denken aan de serres die je vroeger in het Westland vond. Hier zagen we voor het eerst pluimen stoom uit de grond omhoog dwarrelen.

Halverwege Hveragerdi en Selfoss was ons eerste hotel. Tevens manege. Heerlijk rustig en afgelegen, ook al lag het maar een paar honderd meter van de hoofdweg van IJsland. Deze weg nummer 1, een ringweg langs de IJslandse kust, is als één van de weinigen geheel geasfalteerd. Tot groot genoegen van Abel, werd ons verteld dat er “helaas” alleen macaroni op het menu stond. Ha, “pijpjes”, dat is spekkie naar zijn bekkie. Maar laat het nu veranderen! In gemarineerde zalm en lamsfilet. En zo lekker klaargemaakt, dat zelfs Abel niet meer naar zijn pijpjes taalde.

 

Woensdag.

Lekker uitslapen. Weliswaar zouden we om acht uur ontbijten, maar voor ons gevoel was het al tien uur. Lang leve het tijdsverschil. Voor we de eigenlijke rit begonnen, foerageerden we in de supermarkt van Selfoss. De volgende dag zouden we het onbewoonde binnenland doorsteken, en daar is onderweg niets te krijgen. Dit keer kroop Truus op de bestuurdersplaats, en dat zou nagenoeg de hele vakantie zo blijven. Sjak moet de rest van het jaar al genoeg chauffeuren, en vrouwen kunnen toch niet kaartlezen.

Verscheidene hoogtepunten stonden er vandaag op het programma. Als eerste het Pingvellir National Park, waar het Europese en het Noordamerikaanse continent slechts door een verzakking zijn gescheiden. Langs een breuklijn hiervan is een toeristisch pad aangelegd. Terwijl de mannen deze geologisch zo interessante weg bewandelden, reed Truus de auto gauw naar de volgende parkeerplaats. En liep de anderen tegemoet, want je moet natuurlijk wel aan je kilometers komen.

Het rijden door het park was een ervaring op zich. Het is bosachtig terrein, maar toch kan je heel ver kijken, want de bomen zijn niet veel hoger dan een meter. Een bijzondere ervaring. Aan de rand van het park aten we sandwiches bij een benzinestation. Bijna overal waar je kan tanken, kan je eten ook.

 

 

De volgende attractie zagen we al van verre, want dat betrof de geiser “Strokkur”, die onregelmatig een tientallen meters hoge kolom kokend water de lucht in spuit. Een gebeurtenis die je niet snel vergeet. We hadden geluk, want toen wij er bij stonden te kijken, spoot hij liefst vier keer kort na elkaar. Je ziet het aankomen. Eerst begint het water harder te koken en te zieden. Dan vormt het een bol, waaruit een straal omhoog spuit. Met een hoop stoom er omheen natuurlijk. Dan stroomt met geweld het water terug het gat in, en is het weer even rustig. De andere geiser, de oude “Geysir” hebben we ook zien spuiten. Niet zo hoog, maar wel vrij lang. Door een aardbeving in 2000 is deze eerder doodgewaande geiser weer tot leven gewekt. Ooit ging hij wel drie keer zo hoog als de Strokkur.

We waren bepaald niet de enigen die naar de geisers kwamen kijken, en hetzelfde gold voor de nabij gelegen waterval Gullfoss. Deze “gouden waterval” dankt zijn naam aan de regenboog die je er kunt aantreffen als de zon schijnt. Op een strategisch hoog gelegen punt, met uitzicht op de waterval, was hier een parkeerplaats met het onvermijdelijke bezoekerscentrum annex souvenirshop. Langs een trap kon je verder afdalen tot de voet van de waterval. Terwijl de mannen hiermee begonnen, reed Truus de auto weer snel naar de onderkant van de trap. Gemak dient de mens.

Omdat het nog zo lekker vroeg was (lang leve het tijdsverschil), reden we nog een rondje over de vele gravelwegen in de omgeving. Een heuvelachtig graslandterrein, waar we naast de vele IJslandse pony’s ook koeien en schapen zagen grazen.

Ons hotel lag nog afgelegener dan het vorige, en na deze enerverende dag hadden we er zeker geen problemen mee in slaap te komen.

 

Donderdag.

Het binnenland. De meeste toeristen komen er niet. Niks geasfalteerde wegen en koffietentjes langs de weg. Puin- en gravelwegen, die alleen met vierwiel aangedreven voertuigen te berijden zijn. Die maar een paar maanden per jaar open zijn. En waar voor de vele rivieren veelal geen bruggen beschikbaar zijn, en het er doorheen rijden is vaak niet zonder gevaar. Nu hoefde het voor ons nou ook weer niet zo avontuurlijk, en we hadden een route gevonden met slechts 1 niet al te grote doorwading: de “Kjolur”. Vol goede moed togen we op weg. Met een volle tank dieselolie en een overlevingspakket van brood en kaas en voldoende drinkwater. En voorzien van water- en winddichte kleren, want waar de GSM wel geen bereik zou hebben, moet je lopend hulp kunnen halen als je in de problemen komt.

Het duurde niet lang of het leek wel of we op de maan rondreden. Voor zover het oog reikte niets dan rotsen, en van de weg zag je nauwelijks de contouren. Diepe ondergelopen kuilen zorgden er voor dat om de haverklap de auto overspoeld werd met lemig water. Wat zijn charme had, en het vehikel kreeg er een aardige schutkleur door. Snel ging het niet, maar tjonge, wat was dit indrukwekkend.

Links en rechts passeerden we enorme gletsjers, en we doken verschillende zijpaden in om deze beter te kunnen bekijken. Op 1 hiervan kregen we al vrij snel een riviertje te overbruggen, of liever gezegd, om doorheen te rijden. Maar een eindje verderop stuitten we op een aanzienlijk bredere stroom. Waar we voor stopten om te overleggen of we het aandurfden. En een stukje achteruit reden, toen we zagen dat mensen vanuit een eerder gearriveerd voertuig aanstalten maakten video-opnamen te maken. Van de waterval achter de oversteek. Dachten we. Tot we ons realiseerden dat het plan was ons te filmen terwijl we met meer of minder succes de oversteek zouden wagen. Toen we hiertoe verder geen aanstalten maakten, vertrokken ze, en hadden we het rijk weer alleen. Om veilig te kunnen oversteken, zou iemand het water in moeten om te voelen hoe diep het was, en of er geen stenen lagen die het carter zouden kunnen beschadigen. En aangezien niemand zich hiervoor als vrijwilliger opwierp, maakten wij ook maar rechtsomkeert.

We aten onze boterhammetjes op een hoge berg, waar een parkeerplaats was aangelegd met uitzicht op een aantal met elkaar in verbinding staande gletsjermeren. Met stuwdammen er tussen, want je moet toch ergens je elektriciteit vandaan halen. Die in IJsland overigens ook gewonnen wordt uit thermische bronnen. Het afvalwater hiervan – by the way – wordt in een meer gepompt, en is als “Blue Lagoon” een toeristische attractie. Beweerd wordt dat het gezond is er in te zwemmen, en de vakantiegangers trappen hier massaal in. In Nederland zou het nog niet geloosd mogen worden.

Maar terug naar ons uitzichtpunt. We hoefden er niets voor te doen om hier een frisse neus te halen, want zelfs met onze extra fleece jacks woeien we bijna uit de kleren. Alleen Abel lachte iedereen uit, want die had de jas van Sjak zijn warmtepak aan. Daarmee kan je ’s winters zitten vissen zonder het koud te krijgen, dus daarmee ben je goed geëquipeerd.

De middagetappen was rijtechnisch een fluitje van één cent vergeleken  met ‘s  morgens. Vrij vlak, weinig stenen, en breed genoeg om een tegenligger door te laten. Hier groeide ook wat gras, en graasden schapen. Maar dit zou niet lang meer duren, want mensen op IJslandse pony’s maakten zich op om de kuddes naar hun winterverblijf te drijven. Waarschijnlijk de enige manier om de schapen voor de winter “op het droge” te krijgen. De meeste ruiters met een paar reserve-pony’s en een hond. Sprekend border collies, die IJslandse honden, maar groter en grover.

We waren mooi op tijd bij de vooral nu oh zo geciviliseerde lijkende ringweg, en besloten hier maar snel weer van af te wijken, en nog een omweg te maken langs de contouren van het schiereiland Skagaheidi. Door een landschap dat doet denken aan Cumbria of Schotland, afgewisseld met uitzichten op de Atlantische Oceaan. Tjonge wat mooi, en wat indrukwekkend weer. En rustig, want waar we in het binnenland nog een enkele toerist tegenkwamen, deelden we hier de weg slechts met enkele wegwerkers.

In het vissersplaatsje Saudarkroki logeerden we in het oudste hotel van IJsland. Opgericht in 1884, omdat in de haven  veel schepen met emigranten richting Amerika vertrokken. Een belevenis op zich.

 

Vrijdag.

De kortste weg is niets voor ons. We volgden weer zoveel mogelijk de kust naar Husavik, en waanden ons in Noorwegen. Fjorden en bergen. Wat een landschap. In Husavik zouden we twee nachten blijven, want we wilden walvissen kijken en een uitstap maken naar het meer van Myvatn. Helaas was de laatste walvissafari voor vandaag geannuleerd, en was er voor de volgende dag alleen één rond het middaguur voorzien. Dan maar van Myvatn een halve dag excursie gemaakt. Eigenlijk jammer, want niet alleen is dit een uniek natuurgebied, met naast heel veel muggen een ongekende vogelpopulatie.

Ook geologisch is de omgeving heel bijzonder, en een langer bezoek waard. Grillig neergesmeten rotsen zagen we, en lava, van oude vulkaanuitbarstingen. En een paar enorme uit as bestaande kraters, waar destijds de eerste astronauten oefenden voor ze naar de maan gingen. En de “Devil’s kitchen”, waar Beëlzebub zelf in poelen kokende modder omeletten bereidt van rotte eieren. Op een terrein, helgeel van de zwavel, waar het overal stoomt, fluit en sist.

 

Zaterdag.

Eerst maar boodschappen doen, want de volgende dag zouden we weer door het binnenland rijden, en daar is niets te krijgen. En op tijd een bodempje leggen in onze magen, want dan heb je minder kans dat je er last van krijgt als het schip wat schommelt.

De walvistocht werd uitgevoerd met een schitterend houten bootje, dat helaas wel erg overbevolkt was. Net voor ons vertrok van een andere pier een soortgelijk vaartuigje, met maar vier passagiers aan boord. Dubbel zuur voor ons, was dat we eerst met die andere maatschappij hadden willen varen, maar dat had men ons in het hotel uit het hoofd gepraat. Bij het inschepen kregen we zeeziekpillen uitgereikt. Dat was zo gek nog niet, want al was het prachtig weer, er stond genoeg deining om het scheepje af en toe vervaarlijk te doen overhellen.

Wat Abel de uitspraak ontlokte, dat hij blij was in Friesland te wonen, en niet in IJsland.

Eén walvis hebben we gezien. Of beter: walvisje. Een dwergvinvis, die ergens aan de horizon heel even zijn rug liet zien. Gelukkig kwamen we ook nog in een school dolfijnen terecht. Leuk om te zien, maar denk maar niet dat je ze terugvindt op de gemaakte foto’s.

Een rustige nacht zat er dit keer niet in, want in het hotel werd op uitbundige wijze een bruiloft gevierd, en dat dreunde nog lang na.

 

Zondag.

Het zou een lange dag worden, dus vertrokken we bijtijds, en reden flink door. Langs de grootste stad van het noorden: Akureyri. Groot is overigens een relatief begrip; het is maar iets groter dan Wolvega. Dan zuidwaarts, en na verloop van tijd zouden we dan op een aantrekkelijke binnenlandroute belanden, met verschillende rivierdoorsteken. En Sjak zou vrijwillig te water gaan om te kijken hoe diep het was. Helaas, zover kwam het niet, want we kregen een lekke band. Waar Sjak overigens niet minder nat van werd, want die lag binnen de kortste keren op zijn rug in een plas water onder de auto te foeteren dat de krik niet paste. Oh, oh, oh, wat zonde dat we daar geen foto van gemaakt hebben! Het probleem met de krik werd met een paar stenen opgelost, waarna de band er in een mum van tijd verwisseld was, en je van Sjak zijn jas wel soep kon koken. En tja, die binnenlandroute werd niks, zonder reserveband. Terug naar Akureyri dus, waar – in de lijn van de verwachting – alle garages gesloten waren. Langs de ringweg dan maar. In eerste instantie ook niet onaardig. Nieuw Zeeland leek het wel, met hoge bergen en vlechtende rivieren. Maar de laatste uren voor ons overnachtingadres in het gehuchtje Stadarskali waren op zijn zachtst gezegd saai. En de weg druk! Zeker elke tien minuten een tegenligger! Ons onderkomen lag iets van deze weg af, dus toch lekker rustig. En aangezien Sjak en Truus vandaag vijf jaar getrouwd waren, verheugden we ons op een heerlijk diner in het “eigen restaurant met uitgebreide kaart” uit de folder. De praktijk leerde dat er niets te eten verkrijgbaar was. Dat werd een hamburger bij een naburig benzinestation.

 

Maandag.

Ook voor het ontbijt werden we naar het benzinestation verwezen, waar we ons gelijk lieten uitleggen waar we onze reserveband konden laten repareren. Dat was gelukkig al in het volgende dorp, en een uurtje later zat er al weer lucht in, en konden we weer onze geliefde afgelegen routes opzoeken. Helaas duurde de pret in eerste instantie niet lang, want wat begon de auto toch te zoeken?! Zo hard woei het toch ook weer niet?

Nee, nu was een andere band bezig leeg te lopen. Dat werd snel handelen, want zolang er nog flink wat lucht in zat, paste de krik nog onder de as.

Dus dook Sjak met gang op zijn rug onder de auto, terwijl Truus rondsloop met het fototoestel. Wat zou dat prachtig worden, met een fjord en bergen op de achtergrond! Niet dat Sjak precies amused was toen hij het geklik hoorde. “Wat doet die camera hier?!” Ach, achteraf is het toch altijd leuk als zoiets op de gevoelige plaat is vastgelegd.

Dat werd dus weer de garage in het volgende dorp. We konden onderhand een vergelijkend warenonderzoek doen. Dit keer zat de boosdoener nog in de band, namelijk een “spike” van een spijkerband. Tja, dat krijg je als je met van die dunne bandjes rijdt. Waarom voorziet zo’n verhuurder zijn terreinwagens niet van terreinbanden? Sjak zijn eigen Toyota zou van zo’n onnozel nageltje niet lek raken. Een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel. Met zo’n onzeker fundament kun je met zo’n huurwagen eigenlijk niet het terrein in. Terwijl de monteur de boel weer in het gareel bracht, smeedden wij plannen hoe we het een volgende keer zouden aanpakken. Om te beginnen onze eigen auto meenemen. En een plaksetje. En een compressor die op de sigarettenaansteker werkt. Kunnen we daar gelijk onze luchtkastelen mee oppompen…..

We maakten nog een flinke ronde door het noordwestelijk fjordengebied. Waar we ons klein konden voelen tussen diepe wateren en hoge bergen. Ook hier weer vlechtende rivieren. De vergelijking met Nieuw Zeeland drong zich weer op. Geisers en vulkanen zijn spectaculairder, maar daar gaan alle toeristen heen. Hier hadden we nagenoeg het rijk alleen. Ooit hopen we hier weer te komen, en langer dan.

We eindigden de dag in het plaatsje Stykkisholmur, waar we twee dagen zouden blijven, zodat we op ons gemak het schiereiland Snaefellnes zouden kunnen bekijken.

 

Dinsdag.

Snaefellnes is niet zo groot, en we besloten dat we voor we gingen rondtoeren nog wel een rondvaart konden maken, of zoals dat zo mooi heet: een natuurcruise. De betreffende boot vertrok pas om 11 uur, zodat we ruim de tijd hadden om boodschappen te doen. En Abel liet zijn haar kortwieken door een heuse IJslandse kapster. Die haar vak uitstekend verstond, want tjonge, wat was hij daarna een fijne mijnheer.

Het was rustig op de catamaran waarmee de excursie werd uitgevoerd. Een handvol vogelaars, te herkennen aan de vele camera’s met lange lenzen, drie nonnen, en dan wij natuurlijk. Een mooie tocht was het, waarbij in het IJslands en in het Engels uitgebreid werd uitgelegd welke vogels inmiddels schitterden door afwezigheid, doordat ze inmiddels naar hun winterverblijf waren vertrokken. Onder meer hielden we even stil bij een eiland waarop in de zomer de papegaaiduikers zich verdringen, en nu alle aandacht werd uitgestort op een eenzame aalscholver. Wel kregen we nog een visarend te zien, en het is best indrukwekkend zo’n groot beest te zien vliegen.

Een grote attractie was dat met een sleepnet een hoeveelheid bodemleven werd opgehaald, en dat de vele Sint Jakobsschelpen die hier bij zaten werden opengemaakt, zodat iedereen kon proeven. Nou ja, proeven. Met zo’n handvol passagiers, was het bijna een volwaardige maaltijd. Naast schelpen om te eten, was er heel wat om te bekijken. Onder meer de nodige krabben en zee-egels, een aantal zeesterren, en zelfs een heremietkreeft. We zagen één van de nonnen rondlopen, met in haar handen een plastic zakje met een grote zeester geklemd. Zelden heb ik iemand zo gelukzalig zien kijken.

De autorit ging weer door schitterende natuur, met als hoogtepunt een off-road track vlak langs een gletsjer. Pauze met een banaan op een parkeerplaats vlak bij de uiterste punt van het schiereiland. Vanwaar we ook nog langs een pad naar het strand konden afdalen, waar heel sinister de resten lagen van een vergaan schip.

 

Woensdag.

De laatste echte vakantiedag alweer. De terugreis telt eigenlijk niet. Na het oversteken van Snaefellnes reden we eerst uren door een betrekkelijk saai landschap. Maar als toetje had Sjak nog een hele mooie route gevonden: de Kaldidalur, vanwaar we nog uitgebreid uitzicht hadden op de gletsjer Langjokull. En dan nog langs het Pingvalla Meer. We keken er nog maar eens goed naar, al dat schoons, want het zou wel even duren voor we het weer zouden zien.

Bij Reykjavik kwamen de files, en wasten we voor de zoveelste keer de auto. Maar nu met de bedoeling hem niet meer vuil te maken. Waarna we naar het dorp Keflavik reden om te overnachten.

 

Donderdag.

Vier uur uit bed. Je moet er wat voor over hebben om naar huis te kunnen. Tot onze verbazing stond er ondanks het vroege tijdstip een uitgebreid ontbijt klaar. Daar hadden we niet op durven rekenen.

Bepakt en bezakt naar het vliegveld. Auto inleveren. Na er ruim 2700 kilometer in te hebben doorgebracht. In de rij om in te checken. De pret liep steeds meer op zijn eind.

Dit keer zaten we allemaal bij de nooduitgang, dus de vlucht was comfortabel genoeg. Maar de vakantie zelf, tja, die was weer voorbij. Op de volgende keer dan maar. En we hopen dat oom Abel er nog eens vaker bij zal zijn.

 

Terug naar vakantieverhalen

Terug naar de homepage van Sjak en Truus.