Het jaar goed begonnen.

Een restje vakantiedagen mocht in januari worden opgemaakt. Eindelijk konden we een keer op stap met onze Unimog en onze Jans. Waar andere vakanties telkens maar net lang genoeg waren om de Mog te onderhouden en Jans te laten wennen aan het meerijden in de camper, konden we nu eindelijk een weekje weg.

 

Dinsdag.

We vertrokken een dag later dan gepland, want voor je helemaal ingericht bent….. Zelfs nu moesten we voor we echt wegreden nog even een paar flessen propaangas halen.

Tot bij Heerlen gingen we over de snelweg, waarna we naar Vaals sukkelden voor een boterham en een wandeling door de heuvels. Het voordeel van een toeristische omgeving, is dat er volop uitgezette wandelroutes zijn. Waarbij in de winter de overige vakantiegangers schitterden door afwezigheid. Voor de zekerheid maakten we wel een waypoint op onze GPS. Daarmee vindt je altijd de auto terug.

Jans was loops, maar de enige andere hond die we tegenkwamen was ook een teefje, zodat beide los konden blijven.

Verder ging het met de Mog, door heuvels en dalen naar de Hoge Venen. Bij het stuwmeer van Eupen parkeerden we voor de nacht. Op een gigantissch groot en helder verlicht parkeerterrein. Met voldoende ruimte voor ook nog eens een heleboel toeristenbussen. Maar nu hadden we er het rijk alleen. Dood- en doodstil was het, met geen ander geluid dan het loeien van de wind. Ik draaaide een flinke salade in elkaar, na het nuttigen waarvan we lekker op tijd onder de wol kropen.

 

Woensdag.

De enige van ons die geen spierpijn had was Jans, die als altijd buitengewoon blij de nieuwe dag begroette. Bij ons duurde het wat langer voor we onze draai gevonden hadden, en toe waren aan een wandeling rond het stuwmeer. Veertien kilometer, maar dat is niet zo ver als het lijkt, want de route was helemaal verhard. Wel verboden voor auto’s, en behalve een groepje Duitse wandelaars van het type bejaarde padvinder kwamen we niemand tegen. We voelden ons bevoorrecht dat we van deze schitterende omgeving konden genieten zonder het gezelschap van de horden dagjesmensen die er gewoonlijk op af komen.

Nog een bakje thee – wat is het heerlijk om self-supporting te zijn – en “let’s hit the road again”. In de Ardennen moest de Mog er stevig aan trekken. Dacht je te kunnen opschakelen als je met een bij 2700 toeren loeiende motor omhoog ging? Vergeet het maar. Dan zakte hij als een plumpudding in elkaar. Een splitterbak staat inmiddels hoog op ons verlanglijstje. Met halve versnellingen zouden we de heuvels veel soepeler kunnen overwinnen.

Nog een kinderziekte waar we last van hadden: de door Sjak zelf (op basis van een aluminium vlizo trap) ontworpen loopplank waarmee Jans de camper in- en uitklimt, bleek toch onhandig lang. Een hele ceremonie was het deze te voorschijn te halen en op te bergen. Gelukkig is het technisch geen probleem deze nog een stukje in te korten, maar na thuiskomst hoeft Sjak zich dus al weer niet te vervelen.

In Malmedy plunderden we de supermarkt, en ook Jans vond het hier wel geslaagd, want achter de winkel liep een spannend beekje.

 

 

 

Het was al donker toen we een parkeerplaats gingen zoeken, en het was meer geluk dan wijsheid dat we weer een superplek vonden. Hoog boven op de “Schwarzer Mann”, een bijna 700 meter hoge top in de Schnee Eiffel. Heerlijk afgelegen, en al weer wandelroutes bij de hand. De aangeschafte boodschappen stonden garant voor een heerlijk diner, en weer lagen we ruim op tijd onder de wol.

 

 

Donderdag.

Tijdens een wandeling rondom de “Zwarte Man” werden onze spieren weer flink op de proef gesteld. En hoe steiler de klim, hoe roder de hoofden. Jans had weer nergens last van, en dwarrelde om ons heen of ze elastiek gegeten had. Al dan niet over smalle randjes, want hoogtevrees heeft ze ook niet. Ze is altijd wel een blije hond, maar zo op vakantie is ze helemaal rondom gelukkig. Als we rijden moet ze op de camper passen, en dan gaat ze lekker slapen. We kunnen haar zien door een raampje achter in de cabine. Maar zodra we stil staan is het altijd weer een verassing waar ze dan weer mag wandelen. En als we binnenkomen, zitten we heel gezellig dicht op elkaars lip. “Er bij horen” is ongetwijfeld Jans haar grootste hobby.

Sjak stuurde me dit keer over allerlei geitenpaadjes door heuvelachtig agrarisch gebied richting Luxemburg. Ja, ik zat de hele vakantie achter het stuur. Hij heeft ervaring zat, maar ik moet nog veel leren. Gelukkig hoefde ik nooit lang in de verkeerde versnelling te zitten, want Sjak zou niet vergeten daar op te wijzen.

 

 

 

Bij het riviertje de Our stopten we voor een bakje thee, en Jans ging er vol overgave te water. Waarop we waren voorbereid, want we hadden een grote stapel handdoeken meegenomen. Die weer droogkrijgen was een ander verhaal. Weliswaar zit er een prima kachel in de camper, maar we konden niet lekker droogstoken, want dan zou het te warm worden voor de hond.

 

We volgden de Our bijna tot de monding, afwisselend langs de Luxemburgse en de Duitse kant. Vervolgens door “Klein Zwitserland”; een fraai stukje landschap, maar wel erg toeristisch geëxploiteerd. Inclusief bordjes “verboden voor campers” bij de parkeerplaatsen. Nu wilden we best een keer op een camping staan, maar die waren allemaal gesloten. Puur geluk eigenlijk dat we toch nog uitkwamen op een wereldplek: de parkeerplaats bij het kasteel van Bourscheid. Alweer een lokatie voorzien van gemarkeerde wandelroutes. Jans en ik namen vast een voorproefje in de schemering. Het eten was weer simpel maar heerlijk. Het recept: snij een komkommer een paar tomaten en een kleine salami aan stukjes, en meng die met een flinke schep mayonaise. Succes verzekerd.

 

Vrijdag.

Vol goede moed begonnen wij onze ochtendwandeling, over een pad dat steeds steiler richting rivierdal voerde. Door het bevroren bladerdek liepen wij wat onzeker, en zelfs Jans kwam er snel achter dat stoppen moeilijker was dan hard lopen. Na een poosje werd het pad zo steil, dat we het niet verantwoord vonden door te gaan, en keerden we op onze schreden terug.

De Mog kon er direct stevig tegen aan, want de rit begon met een lange steile klim. In de vierde versnelling sukkelden we omhoog. Gelukkig was er verder geen verkeer, want anders hadden we ongetijfeld in de file gezeten. Vooraan wel te verstaan. We zagen niet veel vandaag, want een dicht mistgordijn onttrok de heuvels aan het gezicht. Dat werd dus zweten, terwijl Sjak onverdroten bleef proberen meer dan 30 jaar ervaring als beroepschauffeur aan mij over te dragen.

We moesten inmiddels weer op huis aan, zodat we ook de Belgische Ardennen bij mist konden bezoeken. In België had je heel veel gelijkwaardige kruisingen, en dat maakte het leven voor mij niet veel makkelijker. Gelukkig troffen we zowel ’s middags als tegen de avond een bosgebied met helder weer, zodat we ons loopje niet hoefden te missen.

Het was ongetwijfeld als leerzaam bedoeld, dat Sjak me dwars door Luik stuurde. Als ik alleen met de Mog op stap ga, zoek ik zulke situaties toch nog maar even niet op.

Na een frietje stoofvlees, het enige onderweg gekochte kant en klaar voedsel, ging het laatste stuk over de snelweg naar huis. In totaal dus een uitstap van vier dagen. Weinig? Toch genoeg om er eens helemaal uit te zijn!

 

Terug naar vakantieverhalen

Terug naar onze Unimog

Terug naar de avonturen van Dex en Jans.

Terug naar de homepage van Sjak en Truus.