Het
grenslandpad (2002).
|
|
Wandelen door Nederland? Hoe komen Sjak
en Truus op het idee?Tja, toevallig kwamen ze er achter dat ze pal langs een
lange afstands route wonen, en ze wilden toch een keer dicht bij huis blijven.
Het bleek een schot in de roos. Voorbereiding.
Voor we de
deur achter ons dicht konden trekken, moesten er een aantal praktische
problemen worden opgelost. Meest in het oog springend was natuurlijk de
noodzaak om te trainen. Als je in twee weken tijd 300 kilometer wilt
wandelen, zul je moeten oefenen, anders zit je na een paar dagen geblesseerd
thuis. Nu lopen we toch al graag als we de kans krijgen, maar een paar
maanden voor de vakantie begonnen we de afstanden wat te vergroten, tot we
een kilometer of vijftien makkelijk aankonden. Met rugzak, want op de grote
tocht zouden we ook onze bagage mee moeten sjouwen. Door de week had Sjak
verder geen mogelijkheden, want hij is met zijn vrachtwagen altijd onderweg.
Ik kon af en toe nog wel een ommetje maken. Pas de eerste week van de
vakantie – de week voor vertrek – konden we wennen aan de afstanden die we
tijdens de tocht zouden afleggen. Zo’n 20 – 25 kilometer per dag. Maar nu nog
met rustdagen er tussen. |
Niet onbelangrijk
was verder dat ik altijd makkelijk blaren krijg, vooral met hoge schoenen. En
de “Nijmegen Vierdaagse schoenen” waar ik wèl goed mee uit de voeten kan, waren
bijna tot op de draad versleten, èn niet meer in de handel. Gelukkig ontdekte
ik kort voor vertrek een winkel
in Breda waar men mij op zeer professionele wijze een paar lage
wandelschoenen kon aanmeten, die veel weghadden van mijn favoriete schoen. De
dag na aankoop liep ik er 3 ½ uur mee, en geen centje pijn. Waarbij de
voetenzalf die ik me had laten verkopen ook aan kan hebben geholpen.
Wat zou het
makkelijk zijn als je zo’n wandeltocht zou kunnen boeken als verzorgde reis.
Voor het zo bekende Pieterpad kan dat. Maar voor het Grenslandpad mag je alles
zelf uitvogelen. Om te beginnen waar je onderweg kan eten en slapen. Liefst zo
dicht mogelijk langs de route, want te voet betekenen een paar kilometer al
gauw een uur extra. Vooral in Zeeuws Vlaanderen waren de mogelijkheden erg dun
gezaaid. Zo dun, dat we uiteindelijk besloten de eerste drie nachten na vertrek
in hetzelfde hotel te blijven, dat we de eerste en de derde nacht met de bus
zouden kunnen bereiken. Dit hotel boekten we van tevoren. De rest zouden we
onderweg regelen, want je weet maar nooit of je de tocht volbrengt. Blaren of
extreem slecht weer zouden roet in het eten kunnen gooien. Dat het erg
belangrijk is te weten waar je onderweg kunt eten en rusten, en vooral of de
aanwezige uitspanningen open zijn, had ik al ondervonden toen ik als training
een keer een middenlange
afstands wandeling liep. Volgens de kaart zou ik op ongeveer driekwart
hiervan langs een restaurant komen. Maar toen ik daar na 4 uur lopen aankwam,
bleek het alleen open voor besloten gezelschappen. Dat zou ons op het
Grenslandpad niet overkomen! Dus stak ik er heel wat uurtjes in om met Internet
en telefoongids zoveel mogelijk de openingstijden te achterhalen van de
etablissementen waar we ons onderweg mogelijk zouden kunnen laven. Een lijst
hiervan, waarop we tevens potentiële overnachtingadressen opnamen, ging in onze
bagage.
Die bagage, tja,
dat is een verhaal apart. Alles wat we nodig hadden, moest mee op onze rug. Om
het niet te zwaar te maken, schaften we ons high tech buitensportkleren aan.
Licht van gewicht, snel te wassen, en vooral snel droog. Alleen de sokken
bleven een probleem. Onze “bridgdales” hadden al jaren bewezen onze voeten
droog te houden, maar als ze zelf nat zijn blijft dat voorlopig zo. We namen er
maar ruim voldoende mee, en hoopten op goed weer, zodat we ze aan onze rugzak
te drogen konden hangen. Een letterlijk en figuurlijk heel gewichtig item was
een eerstehulp setje voor blaren, en als we selfsupporting wilden zijn was vier
liter water per dag toch wel het minimum. We lieten thuis wat we konden, maar
met het drinkwater er bij had Sjak toch ruim 10 kilo op zijn nek, en ik ruim
zes. Waar we tevoren ook braaf mee rondliepen. En dat moest wel even wennen.
We hadden
verwacht dat er in Sluis een groot bord zou staan om de start van het
Grenslandpad te markeren, maar zoiets konden we nergens ontdekken. Ook de
plaatselijke autochtonen was iets dergelijks nooit opgevallen. Gelukkig waren
er wel de rood-witte blokjes die de route markeren, en we hadden de officiële
beschrijving, waarin de route tevens is ingetekend op topografische kaarten.
Eigenlijk kon er dus niets mis gaan.
We kwamen al
snel in de sfeer, want na een korte wandeling langs het kanaal konden we
onszelf overzetten met de zelfbedieningspont “Ik Kobus”. Dat soort bootjes had
ik op de Floriade wel eens gezien, maar ze komen dus ook nog in het wild voor.
We kwamen al
snel in het Belgische Meetjesland. Een kleinschalig akkerbouwgebied. Je vindt
er veel kreekrestanten, achtergebleven na de vele overstromingen die het land
in het verleden teisterden. De route voerde over oude dijken, smalle paadjes,
en onverharde landbouwwegen. Voor één traject werd in de routebeschrijving
gewaarschuwd dat het na regen modderig zou zijn, en omdat het in het weekend
had gespoeld, begon ik hem aardig te knijpen op mijn lage wandelschoenen. Maar
het viel mee. Eigenlijk was er best over te lopen.
Rond het
middaguur kwamen we door het plaatsje Middelburg. Een bescheiden dorpje, qua
grootte slechts een fractie van zijn Nederlandse naamgenoot. Dankzij mijn
onderzoek vooraf, wisten we dat het plaatselijke eetcafé gesloten zou zijn,
maar een bushokje bood een uitgelezen alternatief om er onze meegebrachte
boterhammetjes te verorberen.
Voort ging het
weer, door het akkerland. Een stuk dat was omschreven als “een moeilijk te
herkennen pad dwars door een akker” bleek zich dwars door een perceel mais te
kronkelen. Heel sfeervol allemaal, maar we kwamen er niet erg snel mee vooruit.
Dat werd anders toen de route het Leopoldkanaal ging volgen. Een prachtig
gelegen watergang, maar helaas niet zo schoon. En dat is dan nog zachtjes
uitgedrukt.
Bij Sint
Laureins zat onze eerste dagmars er op, en stapten we op de bus die ons naar
ons hotel in Bassevelde zou brengen. We deelden deze met horden schoolkinderen.
Waar de chauffeur meer aandacht voor had dan voor wat er op de weg gebeurde.
Tot hij een keer wèl een blik naar voren wierp, en vervolgens een gigantische
noodstop maakte, waardoor Sjak van zijn staanplaats achterin naar de voorste
regionen werd geslingerd. Van de gelegenheid maakte Sjak gebruik om de
chauffeur in zeer duidelijk Nederlands uit te leggen dat wat meer aandacht voor
het verkeer geen overbodige luxe was. Althans woorden van gelijke strekking. De
schooljeugd was gelijk stil.
In ons hotel was
een welverdiende douche ons deel, waarna we begonnen met wat een dagelijks
ritueel, zou worden, namelijk kleren wassen in de wasbak. Goed dat we hier drie
nachten zouden blijven, want zou de volgende ochtend de boel niet droog zijn,
dan konden we het laten hangen.
De eerste bus
zou pas rond het middaguur vertrekken, en omdat we de vorige dag hadden ervaren
dat al die kronkelpaadjes niet erg opschieten, lieten we ons ’s morgens vroeg
per taxi naar Sint Laureins brengen, Uit de door mij vooraf verzamelde
informatie, was gebleken dat we onderweg geen eettenten zouden tegenkomen, maar
onze gastvrouw had ons verzekerd dat er bij de brug bij Sint-Jan in Eremo wel
een stuk of vijf waren. Er zou op zijn minst een cafeetje open zijn, waar men
ons een tosti zou kunnen bereiden. Geen brood mee dus, maar voor de zekerheid
kochten we in Sint Laureins een paar droge worsten. Die hadden we natuurlijk
voor vertrek naar de paters moeten brengen om ons te verzekeren van mooi weer.
Maar de voorspelling was toch prima, en we gingen er van uit dat Sinte Clara
het wel zou accepteren als we ze op haar gezondheid zouden opeten.
Nadat we nog een
stuk langs het Leopoldkanaal waren gelopen, bogen we af en volgden we de oevers
van een aantal kreekrestanten. Bij één hiervan, de Boerenkreek, werden we
geacht een visserijpad vlak langs het water te volgen. In de praktijk hield dit
het midden tussen pootje baden en modderworstelen, tussen riet en mais. Na
verloop van tijd was “onbegaanbaar” de enige kwalificatie die op wat ons pad
moest zijn van toepassing was, en zwoegden we langs een akkerrand naar de
verharde weg. Jammer maar helaas. Het pad zal wel zijn omgeploegd.
De
etablissementen bij Sint-Jan in Eremo bleken allemaal gesloten, en een poosje
later stonden we langs het Leopoldkanaal in de stromende regen onze worstjes op
te eten. Sinte Clara moest ons nog even hebben. Gelukkig was ze niet
haatdragend, want de bui duurde niet lang. En onze high tech kleren bewezen hun
waarde, door in een mum van tijd weer op te drogen. Alleen in onze schoenen
bleef het soppen. ’s Avonds op televisie hoorden we Erwin Kroll vertellen dat
het op een spatje na in het hele land prachtig weer was geweest. Een wel zeer
plaatselijke bui dus, speciaal voor ons.
Dankzij frequent
verwisselde proppen krantenpapier en het heteluchtkacheltje in de badkamer, waren
zelfs onze schoenen weer droog, en gingen we met volle moed weer op pad. De
route voerde weer over verscheidene oude dijken, waarvan één, de Doornendijk,
in ons boekje werd omschreven als één van de mooiste onverharde dijken, met
schitterende panorama’s. Waarvan we helaas niet veel gezien hebben. Was in het
begin het pad nog redelijk. Na een poosje waadden we door manshoge brandnetels,
die dwars door onze high tech kleren prikten alsof we niets om het lijf hadden.
Zonde om terug te gaan, dachten we, want we waren al zo ver. Maar bij de
brandnetels kwamen braamstruiken en meidoorns, en we snappen tot de dag van
vandaag niet hoe we er uiteindelijk door zijn gekomen. Sjak mompelde al iets
van de bus naar huis, als de rest van het Grenslandpad ook zo zou zijn. Aan het
eind van het pad wachtte nog een hindernis, in de vorm van een smal hoog hek,
dat vervaarlijk wiebelde toen we er overheen klommen. En als anticlimax stond
er aan de andere kant een bordje dat de route hier was verlegd. Als we dat
geweten hadden!
De dijkwegen die
volgden waren gelukkig beter begaanbaar. Hier kwamen we voor het eerst mede-
Grenspadwandelaars tegen. Wij natuurlijk benieuwd hoe zij het probleem oplosten
hoe telkens schone sokken voorhanden te hebben. Maar zij hadden hier geen last
van, want ze liepen maar een dagje, en gingen ’s avonds met de auto weer naar
huis.
Rond de middag
kwamen we dwars door Sas van Gent, zodat we heel luxe in een taveerne konden
neerstrijken om wat te eten. Onderwijl verwoede pogingen ondernemend om met
proppen krantenpapier onze schoenen te drogen. Het natte gras had ze weer
aardig doorweekt.
Na het
oversteken van het Kanaal van Gent naar Terneuzen, moesten we langs een pad
langs alweer een kreekrestant: de Canivlietsche Kreek. Maar we waren even allergisch
voor onverharde paden, en gaven voor een keer de voorkeur aan de weg langs de
andere oever. Wat achteraf niet nodig bleek, want waar het originele pad op de
weg uitkwam, bleek het een goed onderhouden grasweg. Het leek er op dat
Nederland op dit gebied zijn zaakjes beter voor elkaar heeft dan België.
Ons plan was
hierna van de route af te wijken, om vanaf Zelzate met de bus naar Bassevelde
te gaan. Maar dan zou de volgende etappe, naar Hulst, meer dan dertig kilometer
worden, en we begonnen te twijfelen aan de haalbaarheid hiervan. Dus liepen we
door tot het dorpje Overslag, en lieten ons vandaar per taxi naar het hotel
brengen.
Na het passeren
van nog enkele kreekrestanten, kwamen we langs de fortenlinie, met
overblijfselen van forten uit de tijd van de Spaanse overheersing. Vooral op de
topografische kaart kan je die heel goed zien liggen. Via een toeristisch
fietspad, passeerden we er in totaal zes. Een enkele was heel goed bewaard.
Anderen waren alleen te herkennen doordat de loop van de grachtengordel in het
landschap zichtbaar was. Het pad was op zichzelf een genoegen om op te lopen.
Verhard met schelpen, dus we konden ons concentreren op het fraaie landschap.
Nou ja, er lag nogal wat schapenstront.
We hadden
gepland bij het laatste ford onze boterhammen op te eten. Maar juist hiervan
was vrijwel niets over. Er bovenop stond een boerderij, en de berm was veel te
smal om te zitten, en rijkelijk van brandnetels voorzien bovendien. Met
tegenzin liepen we verder, maar even later geloofden we onze ogen niet, want
een paar honderd meter verder stond een enorme picknicktafel. Je kan nog eens
geluk hebben.
De middag bracht
ons lange polderwegen, waar de populieren met hun kale stammen weinig
bescherming boden tegen de inmiddels onbarmhartig brandende zon. De toren van
Hulst kwam al snel in zicht, maar leek maar niet dichterbij te komen. Vooral
psychologisch zwaar was het, dat we op een gegeven ogenblik linksaf moesten,
terwijl Hulst toch duidelijk meer naar rechts lag. Eenmaal in Hulst aangekomen
volgden we de contouren van de oude vesting, langs de goedbewaarde bolwerken.
Mooi om naar te kijken, maar het tempo was er een beetje uit. Wat waren we blij
dat we bij ons hotel aankwamen. Dit zat propvol, mede dankzij een groot aantal
hotelbon-gasten. Deze kregen een amuse voor het eten, waarschijnlijk om goed te
maken dat ze hier meer voor moesten betalen dan de andere gasten. Die zich op
hun beurt af konden vragen waarom ze met de amuse werden achtergesteld, want zij betaalden grof
geld voor de kamer. Ons kamertje was niet al te groot, maar via een deur konden
we bij de brandtrap komen, waar we onze kleren te drogen hingen.
Toen we onze
sokken uitdeden, wachtte ons een teleurstelling. De eerste blaren. Niet bij mij
dit keer, maar onder één van Sjak zijn voetzolen. Daar hadden we helemaal niet
op gerekend. Zorgvuldig ontsmetten en doorprikken dan maar, met de handleiding
van het blarensetje bij de hand. Van alles wat je vervolgens onder je voet
plakt heb je last met lopen, dus besloten we te volstaan met er alleen voor de
nacht een pleister op te plakken.
Eén van Sjak
zijn blaren was weer volgelopen, dus nog een keer prikte hij deze door. En voor
we weer “en route” gingen, liepen we Hulst nog even in om bij de apotheek extra
naalden en ontsmettingsdoekjes te halen. In de omgeving van Hulst maakte ooit
Reynaert de Vos de boel onveilig, en dat willen de Hulstenaren weten ook. We
zagen althans verscheidene beelden die naar dit verhaal verwijzen. Nadat we de
rondwandeling langs de bolwerken hadden voltooid, volgden we weer talloze
dijkwegen en –paadjes. Rond de middag kwamen we vlak bij het dorp Lamswaarde,
waar zich volgens mijn research drie restaurants moesten bevinden. Nou, dat
klopte wel. Niks blij met een bankje. We dineerden of we iets te vieren hadden.
Jammer dat Lamswaarde zo ver van huis ligt, want je zou er speciaal naar toe
rijden om te gaan eten.
Nog meer
dijkwegen waren ons deel, maar geleidelijk kregen we ook steeds meer zicht op
de primaire Westerscheldedijk, waar we af en toe de contouren van een schip
bovenuit zagen steken. Vlak voor Perkpolder liepen we zelfs over de kruin
ervan. Hier kwamen we voor de tweede keer andere Grenslandpadders tegen. Net als
de vorige tegenliggers liepen ze het pad niet in één keer, maar hadden de trip
opgesplitst in weekends. Twee per jaar. Dan doe je er lekker lang over. En je
hebt geen problemen met blaren en vuile was.
Bij de haven van
Perkpolder namen we de bus, die ons een stukje terug bracht naar Kloosterzande.
Hier logeerden we in een typisch dorpshotel, boven een bruin café, dat geen
sluitingstijd kende. Hoezo stugge Zeeuwen? Gelukkig sliepen wij aan de
achterkant van het gebouw.
Zo levendig de
vorige avond, zo dood- en doodstil was Kloosterzande nu. Tja, op zondag heeft
dat met het geloof te maken. Maar de bus reed wel, en de veerboot bracht ons
vervolgens naar Kruiningen. Een late start dit keer, want we hoefden niet
verder dan Rilland. Uit nood geboren overigens, want tussen Rilland en Bergen
op Zoom was geen onderdak te vinden.Vlak bij de veerhaven zijn de restanten van
een doorbraakgeul uit 1953 omgevormd tot natuurgebied. Moeilijk voor te stellen
hoe destijds hier de kolkende golven het land verzwolgen. Tot voorbij Waarde
volgden we de Westerscheldedijk, waarbij we overigens van de Schelde zelf
weinig te zien kregen, want de dijk zat er tussen. Ook om de Schor van Waarde
te zien, moet je op de kruin klimmen. Hierna ging het weer over begroeide oude
dijken, met een weids uitzicht over het Zeeuwse land. Voor de eerste keer zaten
we met ons pakje brood in het gras. Maar niet lang, gezien de in grote getale
aanwezige wespen.
In Rilland
logeerden we in een tot conferentiehotel omgebouwd klooster. Maar op zondag
valt er niet veel te confereren, zeker niet in het Calvinistische Zeeland, en
voorlopig waren we de enige gasten. We waren tevoren gewaarschuwd dat de
culinaire uitspattingen beperkt zouden blijven tot een uitsmijter, maar in
eerste instantie leek zelfs deze niet leverbaar. Pas toen we al een schaaltje
nootjes achter de kiezen hadden, bleek men toch eieren te kunnen bakken, dus
die aten we ook nog maar op. Wat we achteraf beter niet hadden kunnen doen,
want er arriveerden nog twee gasten, met wie we hadden kunnen meerijden naar de
chinees in Krabbendijke. Indrukwekkend overigens, om de tot feestzaal
omgebouwde kloosterkapel te zien. En de enorme leren stoelen in de lounge,
bevielen ons uitstekend. Ze gaven een fraai uitzicht op de autosnelweg Goes –
Bergen op Zoom, waar de hectiek van de file in schril contrast stond met de
serene rust van waar wij zaten. Waarbij we ons realiseerden, dat als er door de
week groepen zijn, het ook hier met de rust gedaan zal wezen.
Tegen deze dag
hadden we op gezien. Een grote afstand, met veel lange rechte stukken, langs
enorme percelen akkerland. Eerst volgden we weer de Westerscheldedijk, tot bij
de rioolwaterzuivering Bath, Dan kilometers langs het Schelde-Rijnkanaal. Zowel
dit kanaal als het naastgelegen Bathse Spuikanaal waren één en al blauwalgen.
Op het spuikanaal lagen ze als een blauwgroene deken op het oppervlak. In het
Schelde-Rijnkanaal waren ze met het water vermengd, zodat het door de
scheepsschroeven opgespatte water leek op groene limonade (Sirop de Menthe). In
eerste instantie kregen we overigens weinig schepen te zien. Die zaten eerder blijkbaar
in de sluis. Pas de laatste kilometers konden we met eigen ogen waarnemen dat
we langs een druk bevaren kanaal liepen. Maar goed ook, want Sjak heeft geen
vakantie gehad als hij geen bootjes heeft gezien.
Een hele lange
weg met kinderkopjes volgde, met daarnaast een gigantisch veld knolselderij.
Daarachter zou het natuurreservaat “Het Markiezaat” zich moeten bevinden, maar
daarvan kregen we voorlopig nog niet veel van te zien. We merkten dat onze
conditie al aardig op peil was, want bijna ongemerkt liepen we de kilometers
onder ons weg, en zagen al snel de hoge zandgronden van de Brabantse Wal
opdoemen. Vlak ervoor stond – hoe is het mogelijk, precies rond etenstijd – een
bankje waar we comfortabel onze boterhammetjes naar binnen konden werken.
Hierna slingerde
de route zich over het overgangsgebied tussen zand en klei, waar we
verscheidene malen de Brabantse Wal beklommen, en er een goed uitzicht op
hadden. Sjak was iets minder blij met het geklauter, want hij had last van zijn
scheenbeen, en weet dit aan het schuinsliggende pad. Gelukkig voor hem was het
bosgebied rond Bergen op Zoom daarna zo plat als een pannenkoek. In dit gebied,
precies op de helft van de route, lag de jeugdherberg van Bergen op Zoom, dus
het lag voor de hand dat we er overnachtten. Sjak was nog nooit eerder in een
jeugdherberg geweest, en het was er aanzienlijk minder Spartaans dan hij had
gevreesd. Voor het geld, bleek overigens, hoef je tegenwoordig niet meer in een
jeugdherberg te gaan slapen, want een 2-persoons kamer was er precies even duur
als het nabijgelegen (maar lopend een uur gaans) motel de Wouwse Tol. Waar je
vast niet zoals wij nu de handdoeken apart moet huren, en zelf je bed moet
opmaken. Maar het was er heerlijk rustig, en we sliepen er buitengewoon.
Overigens nadat Sjak weer een paar blaren had doorgeprikt. Dit keer aan zijn
andere voet.
In het Brabantse
land waren we waarlijk in een heel andere wereld terechtgekomen. De horizon was
nu altijd dichtbij. En we moesten veel vaker naar de juiste route zoeken. Maar
een kniesoor die daar op let. Lopen door het bos heeft sfeer. Eerst
doorkruisten we het gemeentelijke landgoed Lievensberg en het particuliere
Wouwsche Plantage. Dan door het dorp Wouwse Plantage, en over een lang blubberpad
langs de Zoom. Hier ontmoetten we voor de derde keer tegenliggers op onze
route. Dat gebeurde niet frequent. Kennelijk is het Grenslandpad niet erg
bekend. Maar dit waren “echte” wandelaars. Met zware rugzakken, en met tenten
en slaapzakken. Zij liepen alle grenzen van Nederland af. Voor hen was het
voorlopig de laatste dag. Zeeland hielden ze nog tegoed.
Had ik altijd
gedacht dat de Zoom een riviertje is. Maar dan had ik het toch mis. Het is één
van de vele watergangen die rond de veertiende eeuw zijn gegraven ten behoeve
van de turfwinning, voor ontwatering en om de turf af te voeren. Oorspronkelijk
heette de Zoom dan ook “Moervaart”. Dergelijke turfvaarten zijn er in
West-Brabant heel veel te vinden. Maar van de uitgestrekte veengebieden die de
streek ooit onbewoonbaar maakten, is niet veel meer terug te vinden. Jammer,
want anders hadden we er een groot hek omheen kunnen zetten, en er een uniek
nationaal park van maken.
We hadden geen
brood meegenomen, want we kwamen rond de middag dwars door Nispen, waar we op
een terrasje thee met vlaai en worstenbroodjes nuttigden. Iets anders was er
trouwens niet. We hadden gepland vlakbij Nispen in een hotel te overnachtten,
bij een camping. Maar deze bleek net te zijn opgeheven. Dus besloten we door te
lopen tot Schijf, en Sjak zijn ouders te vragen ons daar op te halen. Dan
konden we thuis slapen.
|
Net voorbij
Nispen kwamen we langs de Molenbeek, lange tijd bekend als zo ongeveer de
meest verontreinigde watergang van West Brabant. Maar nu lag hij er schitterend
en schoon bij. Ook de man die er toevallig net voor het Hoogheemraadschap
monsters uit het water haalde, was enthousiast over de kwaliteit. Langs de
Natte of Eldersche Turfvaart ging het nu - we bleven voorlopig in het
voormalig veengebied – en langs het idyllisch gelegen Rozenven. Dat er net nu
overigens niet zo aantrekkelijk uitzag, wat er werd net aan natuurherstel
gedaan, en in dat kader was de hele omgeving plat gebulldozerd. |
|
Van Nispen naar Schijf
is een heel eind als je langs de weg moet, maar te voet ga je in één rechte
lijn dwars door de Rucphense bossen. Een wat eenzijdig bosgebied, waar het
wemelde van de putjes scheppende militairen. Het brede zandpad was erg mul, en
ook omdat Sjak zijn scheenbeen nog steeds behoorlijk zeer deed, kwamen we niet
erg snel vooruit. Precies tegelijk met mijn schoonouders arriveerden we in
Schijf. Ook een dorp met een turfrijk verleden. Het dankt zijn naam eraan dat
ter plaatse de turf in extra dunne blokken werd gesneden, zodat deze sneller
zouden drogen. Met het drogen krompen ze nog eens, zodat ze meer op schijven
gingen lijken.
We gingen eerst
maar eens naar de huisarts om naar Sjak zijn been te laten kijken. Hij bleek
wondroos te hebben, veroorzaakt door infectie van zijn blaren. Met een doos
penicilline en een paar grote stukken “second skin” voor onder zijn voeten
konden we weer gaan. Het kon geen kwaad als hij verder liep – de Kennedymars
als hij wou – maar het zou nog wel een paar dagen flink pijn doen. We besloten
nog wel te gaan lopen, maar niet te ver. Van Schijf naar Rijsbergen zou normaal
gesproken een halve dagetappe zijn.
Na een paar
kilometer open landschap kwamen we langs het trappistenklooster waar we
eigenlijk de worst voor Sinte Clara heen hadden moeten brengen. Blijkbaar had
ze het toch geaccepteerd dat we deze op haar gezondheid zelf hadden opgegeten,
want na die ene plagerige bui had ze toch maar voor mooi weer gezorgd.
Het landgoed de
Pannenhoef was weer een heel ander type bosgebied dan wat we tot nu toe hadden
doorkruist. Er is veel aan natuurherstel gedaan, onder meer door het opnieuw
uitgraven van verscheidene vennen. Met behulp van smalle plankbrugjes kruisten
we twee waterlopen: de gegraven Turfvaart, en de van oorsprong natuurlijke
Bijloop. Moeilijk uit elkaar te houden toch, deze twee. Ze liggen vlak bij
elkaar, en gaan zelfs ergens met een duiker onder elkaar door.
Tussen de
aardbeien en de koeien liepen we het laatste stuk naar Rijsbergen. Sjak was
blij dat we er waren. Hij had zijn portie wel gehad. Pas toen we thuis waren,
kwamen we overigens op het idee dat hij wel eens paracetamol zou kunnen slikken
tegen de pijn. Beter laat dan nooit. De second skin aan zijn voeten bleek al los
te laten, dus tapete ik die grondig vast. Na deze behandeling leek het wel of
zijn voeten in het gips zaten. Douchen zat er voorlopig even niet in.
Omdat we het in
verband met Sjak zijn zere been nog een dag rustig aan wilden doen, lieten we
ons naar Strijbeek brengen. Het overgeslagen traject zouden we na terugkomst
inhalen. We doorkruisten nu eerst de Strijbeekse Hei; een afwisselend gebied,
met verscheidene vennen. Waarna we onszelf onderdompelden in de uitgestrekte
Chaamse Bossen. Om te lezen is het misschien saai, maar uitgerekend toen we ons
onderhand afvroegen of we dit keer staand ons brood zouden moeten opeten,
kwamen we uit bij een bankje waar we het comfortabel zittend konden savoureren.
Langs de bosrand, met fraaie doorkijkjes op de weilanden rond Chaam.
Allesbehalve saai!
We hoefden ons
niet af te vragen waar zich de jeugdherberg bevond waar we zouden overnachten.
Een stuk voordien al ontmoetten we een groep vakantiekampers, die onder
deskundige leiding verwoede pogingen ondernamen om het bos af te stoken. We
bleken de herberg te delen met ruim tachtig moeilijk opvoedbare kinderen, de
meeste met ADHD (Altijd Druk, Heel Druk). Het zou misschien wel rumoerig zijn,
werd ons verteld. Maar dat viel alles mee. De discipline stond hoog in het
vaandel, en geen kind kreeg de kans om op een negatieve manier de aandacht naar
zich toe te halen. Bovendien lag onze kamer wat afgelegen. Een kamer overigens,
die aanzienlijk (meer dan de helft) goedkoper was dan die in Bergen op Zoom.
Blijkbaar is er geen sprake van een landelijk tarief.
Moesten we nu
brood meenemen? Na zeventien kilometer zou er vlak bij de route een uitspanning
moeten zijn, waarvan ik het telefoonnummer niet had kunnen vinden, dus of hij
open zou zijn? We waagden het er op, maar namen voor de zekerheid een paar
pakjes stroopwafels mee.
De Chaamse
Bossen sloten naadloos aan op het recreatieterrein Het Zand in Alphen, waar we
langs een enorme – nu verlaten – zwemplas liepen. Dan was het opletten
geblazen, want de route was verlegd. De bekende rood-witte streepjes leidden
ons althans op andere paden dan die in de gids. Halverwege het open landschap
tussen Het Zand en de bossen onder Goirle kwamen we weer op de route volgens de
kaart.
We liepen een
stuk door het beekdal van de Leij, en passeerden nipt de Reghte Heide. “Onze”
uitspanning was open, zodat de stroopwafels in de rugzak konden blijven. Waarna
we het landschap van de Kempen binnenliepen. Ooit waren dit de armste
zandgronden die je je kan denken, met uitgestrekte heidevelden, en een heel
hoge natuurwaarde. Veel hiervan is verdwenen. Ontgonnen met kunstmest, of
beplant met bos, dat stuthout voor de mijnbouw moest leveren. Dit bos vonden we
terug in de vorm van een groot aantal landgoederen die we doorkruisten. Waarbij
het Grenslandpad diverse malen de loop volgde van één der vele laaglandbeken
die vanouds voor de afwatering van Brabant zorgden. Veel van deze
oorspronkelijk sterk kronkelende beken zijn in de loop van de vorige eeuw
rechtgetrokken, om het bouwland sneller te ontwateren. Inmiddels is men er
achter dat deze maatregel heeft geleid tot verdroging van het gebied zelf, en
wateroverlast bij de benedenlopen. Dus worden er nu her en der beken
hermeanderd, ofwel ze krijgen hun bochten terug.
In het immense
landgoed van Gorp en Rovert, waar tevens het op één na grootste veebedrijf van
Nederland gelegen is, volgden we een stuk het riviertje de Leye, dat hier de
grens met België vormt. Bij het gehuchtje Rovert weken we van de route af, en
liepen ruim een uur langs een hele lange, vooral heel drukke weg, die naar
Hilvarenbeek voerde, waar we in een hotel overnachtten. Het eten was hier
heerlijk, en dat was kennelijk algemeen bekend, want half Hilvarenbeek zat er
binnen. Allemaal mensen die duidelijk een avondje uit waren. Op het laatst
lieten we het toetje maar zitten, want we wilden onderhand naar bed.
Ondanks de
paracetamol was Sjak nog aardig kreupel, en om het niet al te zwaar te maken,
lieten we ons per taxi terug naar Rovert brengen. Het landgoed van Gorp en
Rovert was goed voor nog uren wandelplezier, waarna we het al even bekende
landgoed De Utrecht betraden. Dit is in 1898 opgekocht en vervolgens ontgonnen
door de gelijknamige verzekeringsmaatschappij, die inmiddels Amev heet.
We aten een
uitsmijter – de plaatselijke specialiteit – van uitspanning de Bockenreyder,
genoemd naar roversbenden die hier ooit de streek onveilig maakten. Hier waren
we bepaald niet alleen. Talloze wandelaars en fietsers maakten op deze mooie
zaterdag van dit etablissement hun vertrekpunt. En omdat onze route een flink
stuk langs een fietspad liep, moesten we goed uitkijken om niet te worden
overreden. De meeste recreanten gingen – net als wij – de richting op van het
natuurreservaat de Mispeleindsche Heide. In dit natte gebied bevinden zich twee
grote vennen: de Flaes en het Goor. Een “fles” is een oude naam voor een
stilstaand water in heide of bos. Deze naam en afleidingen ervan, zoals flaas,
vlas, vlies en vloos, kom je regelmatig tegen.
Nog een stukje
bosgebied, en we kwamen bij de Landschotse Heide. Uitgestrekt, en rijk aan
vennen. We trokken er dwars doorheen, wat naast unieke vergezichten ook
vermoeide benen opleverde, want we ploegden door heel mul, los zand. Het
grenslandpad liep vervolgens rechtdoor, maar wij bogen naar het noorden, naar
Middelbeers, waar we zouden slapen bij een adres van “Vrienden op de fiets”. Dit is een
stichting die jaarlijks een lijst uitbrengt van inmiddels bijna 2000 adressen,
waar wandelaars en fietsers tegen een geringe vergoeding kunnen slapen. We
logeerden er bij heel gezellige mensen; één van de betere overnachtingadressen.
Zelfs ondanks dat de “twijfelaar” waarin we zouden slapen bepaald niet berekend
was op Sjak zijn fors postuur.
Toch wel
geradbraakt door het veel te kleine bed, namen we afscheid van onze hartelijke gastvrouw
en gastheer, en zochten onze route weer op. De bossen rond Middelbeers, Vessem
en Wintelre bleken op zo’n doordeweekse zondag niet alleen populair bij
wandelaars. Ze werden ook druk gefrequenteerd door motorcrossers. Net aliens
uit een science fiction film, met angstaanjagende maskers, die ze moet
beschermen tegen de door henzelf aangerichte stofstormen. Wat ons aangaat,
hadden ze ook thuis mogen blijven.
Vlak bij
Wintelre liggen het Grootmeer en het Klein Meer, die anders dan de meeste
vennen niet zijn verzuurd, dankzij de lozing van kalkrijk spoelwater van een
waterleidingmaatschappij. Zo kan een afvalwaterlozing ook gunstige gevolgen
hebben. Vandaag geen luxe lunch, maar we hadden weer het geluk dat zich op het
juiste moment een bankje aandiende. Zonder geluk vaart niemand wel.
Bij de
prehistorische grafheuvels van Toterfout kwamen we weer in een meer open
landschap, en net toen kregen we een bui regen op ons hoofd. Te lui om onze
regenkleren aan te trekken, wachtten we onder een boom tot het minder werd. En
jawel hoor, al snel trok de bui weg, richting Eindhoven, waarvan de contouren
inmiddels aan de horizon waren verschenen. Maar bij de stad aangekomen draaide
de bui om, en even later stonden we weer te schuilen.
Een oud kerkepad
bracht ons naar de bebouwde kom van Veldhoven. Het lopen door de stad drukte
ons er met de neus op dat de tocht bijna voorbij was. We weken er van de route
af om bij het conferentieoord te komen waar we dit keer sliepen. Een poepsjiek
onderkomen, maar dankzij het weekendtarief nauwelijks duurder dan de
jeugdherberg van Bergen op Zoom. We waren er nog maar nauwelijks binnen, of het
begon te spoelen van de regen. Waren wij even mooi op tijd.
Een halve
dagetappe maar, en door de deprimerende bebouwing van Veldhoven hadden we er
geen hoge verwachting meer van. Maar het viel mee. In het stroomdal van de
rivieren de Dommel en de Keersop hadden we weer het rijk alleen. Was het lekker
stil. En lekker eenzaam. Zelfs in Valkenswaard liepen we bijna altijd langs het
groen, al was het toen de weilanden op waren een begraafplaats.
Maar op de
Markt, waar het Grenslandpad eindigt. Had daar geen fanfare moeten zijn? En
gladiolen? Niets van dit alles. Gewoon op de bus naar Eindhoven, en dan met de
trein. Wat een hectiek op het station. Iedereen heeft haast. Omroepberichten
over vertraging. Horden reizigers, die zich massaal op de deuren storten zodra
er weer een trein binnenkomt. We konden het nog even niet volgen. Waren die
mensen allemaal knettergek? Wat een contrast!
Nog een halve
dagetappe om het af te leren. We hadden dit stuk in eerste instantie immers
overgeslagen. Toch wel fijn, dat we eenmaal thuis toch nog even in de sfeer
konden blijven. Als je in het buitenland op vakantie bent geweest, gaat dat
niet zo makkelijk. Maar nu mochten we nog even. Eerst onverharde paden langs
tuinderijen en dure villa’s. Dan een stuk asfaltweg, om aan de andere kant van
de snelweg te geraken. De route voerde niet door het veelbezochte Mastbos, maar
langs de rand van een smalle strook bos nabij de Galderse Meren. Waar grote
parkeerplaatsen er aan herinneren dat hier ’s zomers druk wordt gerecreëerd. Dan
kruip door sluip door tussen de akkers, waarna een stuk het fietspad langs de
rivier de Boven-Mark werd gevolgd. Langs een natuurherstelproject rond een oude
beekmeander. Er is echt iets moois van gemaakt. Onder meer hebben fietsers de
keus of ze de op de Boven-Mark uitmondende Kerzelse Beek willen doorwaden, of
dat ze liever over de brug gaan.
En tja, toen
waren we in Strijbeek, en was de tocht echt voorbij. Blij waren we, dat we het
volbracht hadden. Toch maar even 309 kilometer in 15 dagen. Toch niet niks.
Maar jammer dat het voorbij was.
Hoewel. Voorbij?
Er zijn volop middenlange afstands wandelingen, die op één dag goed te doen
zijn als je eens vrij bent. En anders zijn er nog kaart en kompas. Altijd al
liepen we graag een ommetje. Maar het is steeds vaker een hele dag. Om ons weer
heerlijk onder te dompelen in eenzaamheid.
Terug naar de homepage van Sjak en Truus.