Raadsadres: xenofobie

Verzoek ('raadsadres') aan de gemeenteraad van Amsterdam, om het bestaan van xenofobie en xenofoben te erkennen, 19 januari 2008.


Ik verzoek de gemeenteraad om het bestaan te erkennen, van xenofobie en xenofoben. Het actieplan Wij Amsterdammers II: investeren in mensen en grenzen negeert de begrippen. Vreemdelingenhaat zou uitsluitend voorkomen bij "rechtse gabbers". Ook het Programakkoord 2006 - 2010, en het Bestuursakkoord stad en stadsdelen 2006 - 2010, hebben niets te melden over xenofobie.

Dit is typerend voor het beleid, en de bestuurlijke houding: de allochtonen krijgen de schuld van de falende integratie, het gebrek aan sociale cohesie, de radicalisering, en de polarisatie. Het beeld dat naar voren komt uit Wij Amsterdammers is dat - afgezien van enkele honderden nationalistische jongeren - de autochtone bevolking in principe geen problemen heeft, met de aanwezigheid van allochtonen. Xenofoben bestaan niet, voor de gemeente Amsterdam.

De werkelijkheid is anders. De Nederlandse samenleving van eind jaren '40 was etnisch homogeen, en is daarna door massa-immigratie fundamenteel veranderd - waarschijnlijk meer zo, dan door de Duitse bezetting. Deze demografische transformatie is nooit voorgelegd aan de bevolking, die het ook nooit hadden goedgekeurd. Uit het feit, dat alle politieke partijen in de Tweede Kamer een restrictief immigratie-beleid voorstaan, kan worden afgeleid dat de autochtone bevolking de immigratie als principe afwijst. Een draagvlak voor Nederland als immigratieland bestaat niet, en heeft nooit bestaan. Als het economisch veel beter zou gaan in de herkomst-landen, en als alle allochtonen geheel vrijwillig Nederland zouden verlaten, dan zal de meerderheid van de autochtone bevolking dat als een verbetering zien. Ze hebben een onderliggende principiële voorkeur, voor een etnisch homogene Nederlandse staat.

Ook de Nederlandse nationale identiteit bleek niet flexibel genoeg, om miljoenen niet-Nederlanders op te nemen in de nationale gemeenschap. De komst van twee miljoen allochtonen heeft daarom tot grote spanningen geleid, zoals te verwachten viel. In de jaren '80 en '90 ontstond een consensus-beleid inzake de multiculturele samenleving, maar geen onderliggende maatschappelijke consensus. In de laatste tien jaren is duidelijk zichtbaar geworden, dat de autochtone samenleving de immigratie nooit verwerkt heeft. Voor een deel van de bevolking vormt het blijkbaar een trauma.

Uit vele reacties in de media en op internet, en uit de steun voor populisten zoals Pim Fortuyn, Geert Wilders en Rita Verdonk, blijkt dat een deel van de bevolking niet alleen de immigratie als zodanig afwijst, maar een vijandige houding heeft tegenover de immigranten en hun kinderen - de 'allochtonen'. Afkeer, angst, woede, agressie, minachting, en vluchtgedrag zijn typerend voor de xenofoob. De brede toegang tot het het internet in Nederland heeft hun xenofobe standpunten, die in de media vroeger onzichtbaar waren, zichtbaar gemaakt. Pim Fortuyn en zijn opvolgers hebben ook duidelijk gemaakt, dat je voor een deel van het electoraat nooit te ver kunt gaan, in aanvallen op 'de buitenlanders'. De ervaring in andere landen is dat dergelijke politici een aanhang van 15% tot 20% kunnen verwerven. Dat komt ook overeen met de huidige steun voor de PVV van Geert Wilders, en Trots op Nederland van Rita Verdonk.

Dit duidt erop dat ongeveer een-vijfde van de bevolking xenofoob is, en ik verzoek de gemeente dat ook te erkennen - in elk geval te erkennen, dat een aanzienlijk deel van de autochtone bevolking (en niet slechts een handvol radicalen) xenofoob is.

Het gedrag van de xenofoob tegenover buitenlanders, vertoont overeenkomsten met het gedrag van mensen, die aan medisch erkende fobieën lijden. De meeste psychologen en artsen zijn nog niet bereid, om xenofobie als een klinische fobie te aanvaarden, laat staan behandelen. Uit onderzoek wordt echter steeds duidelijker, dat een aanleg voor fobieën erfelijk is. In het verleden had een vecht- of vluchtreactie, tegenover niet-leden van de eigen groep, evolutionair voordeel. Het bestaan van een xenofobie-gen is daarom niet ondenkbaar. Het zou inhouden dat sommigen mensen een aanleg hebben, om een fobische reactie (angst, afkeer, stress en agressie) te vertonen, als ze geconfronteerd worden met mensen, die (naar hun eigen maatstaven) van buiten de eigen groep afkomstig zijn.

Dat zou een eenvoudige verklaring opleveren voor de toename van xenofobie bij toenemende immigratie, maar het bestaan van een xenofobie-gen is niet wetenschappelijk aangetoond. Daarom verzoek ik de gemeente ook niet, om zich daarover uit te spreken.

Wat ik wel verzoek, is dat de gemeente afstand neemt van het huidige beleid (waarin xenofobie en xenofoben onzichtbaar zijn), en dat de gemeente wel het bestaan erkent, van een aanzienlijk groep autochtone Nederlanders, die absoluut niet willen samenleven met allochtonen, en dat ook niet kunnen. Dat heeft grote gevolgen voor het beleid inzake integratie, inburgering, en sociale cohesie.

De gemeente moet dan erkennen, dat 'de integratie' gedoemd is tot mislukken, niet vanwege de onwil van de allochtonen, maar vooral omdat een deel van de autochtone bevolking al vijandige reageert, op louter aanwezigheid van allochtonen. De gemeente moet erkennen dat inburgering - verplichte kennis van de autochtone taal, samenleving en cultuur - niets zal veranderen aan deze houding van de xenofoben, omdat deze geen rol spelen, bij de afkeer en angst die de xenofoob ervaart. Om vergelijkbare redenen zullen meer onderwijs, meer banen, of minder criminaliteit onder allochtonen, de xenofoben niet minder xenofobisch maken. Xenofoben hebben vele klachten over allochtonen, maar die klachten zijn juist een uiting van de xenofobie. Wordt er iets aan gedaan, dan vindt de xenofoob iets anders, om erover te klagen. Heeft de Marokkaan geen werk, dan parasiteert hij: heeft hij wel werk, dan pikt hij 'onze banen' in. Heeft hij geen diploma, dan is hij dom en lui: heeft hij wel een diploma, dan moet hij zijn eigen land helpen opbouwen.

Het enige, wat wel een einde zal maken aan de negatieve reacties, is dat de xenofoob niet meer geconfronteerd wordt met de buitenlanders, of met de dreiging van hun aanwezigheid. Dat wil zeggen: alle allochtonen het land uit, en een muur of hek om Nederland heen. Dat is onder de huidige politieke omstandigheden niet denkbaar (al zijn er wel voorbeelden in de Europese geschiedenis). Toch moet de gemeente ook erkennen, dat een deel van de bevolking dat graag zou willen, en dat ze blijvend gefrustreerd zijn, door de onmogelijkheid om dit doel te bereiken via de politiek.

De gemeente moet erkennen dat niet slechts enkele honderden jongeren, maar een groot deel van de autochtone bevolking, politiek gedreven wordt door verbittering, woede en frustratie. Dat komt doordat er, in hun ogen, niets verandert. Ondanks Pim, Geert en Rita zijn de allochtonen niet minder aanwezig. De gemeente moet ook erkennen, dat het draagvlak voor geweld tegen allochtonen, veel groter is dan het beperkt aantal daders zou impliceren.

Een erkenning van het bestaan van de xenofobie, en van het bestaan van een grote groep xenofoben in Amsterdam, kan als een van de uitgangspunten dienen, voor een herziening van het gemeentelijk beleid. Dat laat nog een groot probleem buiten beschouwing: de immigratie naar Nederland betekende ook de komst van de Islam. Dat bracht ook fundamentele waarden-conflicten, en nieuwe vragen over de toekomstige nationale en Europese identiteit. Het lijkt mij beter om deze problemen, en de opkomst van het anti-Islamisme als maatschappelijke stroming, apart te behandelen.



Paul Treanor


Index