Het liberalisme van het Net

Het Internet is geen technologie, maar een politieke structuur: een uiting van het liberalisme. Samenvatting van Internet as hyper-liberalism (1996).


Ideologieën

Dertig jaar na Daniel Bell's The End of Ideology, stapelen de nieuwe ideologieën zich op. De agressieve promotie van Internet, het "netisme", is daar een voorbeeld van. "Zoveel mogelijk mensen moeten het net op" zegt Ron Gonggrijp van provider xs4all in Amsterdam. Zoveel mogelijk mensen moeten de vrije markt op, zeggen ze ook, van Adam Smith tot Frits Bolkestein en Rick van de Ploeg. Internet is geen technisch, maar een politiek begrip. De aanhangers van het Net vormen een politieke beweging, een liberale beweging.

De geschiedenis en de techniek wijzen niet onvermijdelijk richting één communicatie netwerk. De technische haalbaarheid van miljoenen gescheiden communicatie-structuren is nog nooit zo groot geweest. Alles tot één Net koppelen, dat is een bewuste keuze. Het volgt de logica van de koloniale overheden toen ze de boeren dwongen tot productie voor de markt, namelijk, "niemand is vrij zich buiten de vrije markt te bevinden". Tegenwoordig willen overheden, bedrijfsleven, sociale bewegingen en kunstenaars allemaal het Net verplichten. Het gaat om meer dan het streven naar winst, en ook een non-profit Net zou fout zijn. De verplichting zelf, de expansionisme, universalisme en onvrijwilligheid, maken de liberale structuren onethisch, van markt tot Internet.

Het model voor Internet is ongetwijfeld het 19-eeuwse liberalisme: Internet is opgebouwd als electronische vrije markt. Activisten in de VS beroepen zich expliciet op Anglo-Amerikaanse liberale tradities, maar ook hier citeren ze uit de liberale ideologie. Bijvoorbeeld over zelfregulering en minimale regels: ze willen een nachtwakersstaat in electronische vorm. De vraag is echter niet hoe de Net-gemeenschap haar leden zelf reguleert en beschermt, eerder: wie beschermt de rest van de wereld tegen Internet?

Markt van ideeën

Het grootste vermeende voordeel van het Net ontlenen de net-isten ook aan het liberalisme. Liberalen zien ideeën en meningen als ruilobjecten: heeft een liberaal een mening, dan wil hij deze zo snel mogelijk "uitwisselen". In een liberale informatiesamenleving kan iedereen een stroom van meningen "uitwisselen" via het Net, als een Nick Leeson van de meningen.

Allen zouden daarin gelijk zijn: ook hier een klassiek liberaal argument, namelijk dat één formele gelijkheid (communicatie) rechtvaardigt alle andere ongelijkheden. In werkelijkheid, zoals met de markt, lijden de mensen met de zwakste uitgangspositie het meest onder een onbeperkte interactie. De winnaars op wereldschaal staan bij voorbaat vast: de welvarende hoogopgeleide elites die het Net al eerste gebruikten. En evenals bij de markt mag de verliezer zich niet aan het gevecht onttrekken: niemand mag de arena van interactie verlaten. Onbewust maar tekenend is het medium benoemd met metaforen van het vangen van prooi: "net", "web". Als de prooi wegloopt is het liberalisme ten einde: daarom mag er van liberalen maar één economie zijn, de vrije markt economie. Zo ook met het Internet: alle voorstanders zijn erover eens, er mag maar één Internet zijn, het Net moet alle communicatie opslokken, een monopolie per definitie.

Digitale burgers

Hier wordt de betekenis zichtbaar van begrippen als digitale stad, digitale polis, en digitale burger. Het liberalisme is sterk geworden in samenwerking met een andere grote 19-eeuwse ideologie, het nationalisme: in de praktijk dient de natie als arena voor de liberale economie. Omgekeerd kan de markt het nationalisme bevorderen. Via transacties kunnen burgers elkaars leven bijsturen, op weg naar het nationale gemiddelde: eenheid door interactie. Onder de voorstanders van het Net gaat het liberalisme naadloos over in communitarisme en organicisme. Voorlopig zal dat gegeven vooral het nationalisme voeden, want ook digitale democraten stuiten op een bekende tegenstelling tussen grote en kleine gemeenschappen. Eerst beweren ze dat het Net de wereld verenigt, dan bepleiten ze electronisch stemmen per nationale staat. Hun keuze is al gemaakt: ook op dit gebied is het Net stevig in de negentiende eeuw verankerd. Voor zover nog toegepast, zijn burgerschap en polis, ook op het Net, etnisch-nationaal geregeld.

Een thuisland voor het Net

Het Net is geen wending in de wereldgeschiedenis, maar een voortzetting van eeuwenoude principes: dat mensen in samenlevingen moeten leven, aan elkaar geplakt door de lijm van identiteit, aan elkaar gebonden door netten van interactie, handel, communicatie en concurrentie. Internet intensiveert zulke langdurig stabiele structuren. In historisch opzicht is het een keuze voor het verleden, geen onvermijdelijke opmars van de techniek. Als technologie is het Net vergelijkbaar met het waterkanon: nuttig voor de bestaande orde, maar nauwelijks bruikbaar ertegen. Als structuur dreigt het Net de vrije markt te evenaren, in bereik en intensiteit, als sociale stabilisator.

Een groep of ideologie heeft niet het recht om een dergelijk historisch veto op te leggen. Het is dan ook legitiem, in politiek en ethisch opzicht, om het Net door te snijden. Als eerste stap daartoe zou Europa (en daarmee bedoel ik meer dan de Europese Unie) de verbindingen met de VS kunnen afsluiten, een opzettelijk post-interactief streven. Er ontstaat dan een vrije keuze, en als de EU tot die keuze kan bijdragen, dan is het in de vorm van een emigratie programma voor principiële aanhangers van het Net in Europa. Als er op aarde een plek moet blijven voor mensen die de overgang naar een post-interactief wereld weigeren, een thuisland voor het Net, dan is de VS daartoe de meest geëigende plaats. Vermoedelijk zullen de net-isten deze optie afwijzen: ze willen geen keuze, ze willen het Net, één Net, één Wereldnet, en niets minder. Het lijkt erop, dat er met het Net geen coëxistentie mogelijk is: op dit gebied wijst de intensivering van de ideologie op toenemende conflicten.


Index