Piet Cleveringa, Tom Meijer en Hein de Wolf
Precieze gegevens over een onderzoek of nauwkeurige beschrijvingen van
waarnemingen blijven meestal niet bewaard. Archivering kost tijd en ruimte
en dus geld. Na afsluiting van een onderzoek wordt het "bewijsmateriaal"
weggezet in een doos en deze wordt na verloop van tijd meestal met "het
oud papier" meegegeven.
Soms zijn basisgegevens van een onderzoek of waarnemingen in een
publikatie terug te vinden. De artikelen van Pieter Harting zijn daar een
goed voorbeeld van. De beschrijvingen van zijn waarnemingen met betrekking
tot de ondergrond van Amsterdam (1852) en Amersfoort (1886) hebben anno
1994 niet aan waarde ingeboet. Bij o.a. de geologische kartering 1:50.000
van Nederland zijn ze nog steeds bruikbaar.
Harting had belangstelling voor de geologie van de ondergrond.
Wetenschappelijke interesse was niet het enige motief voor zijn
onderzoekingen: Harting zocht naar "suyver" drinkwater. In dit artikel
wordt dat toegelicht.
Pieter Harting
Pieter Harting studeerde medicijnen in Utrecht. Door het vrijwillig in
dienst gaan en deelnemen aan de Tiendaagse Veldtocht in 1830 tegen België
kende zijn studie een korte onderbreking. Toen hij zijn studie hervatte
volgde hij ook colleges in de natuurwetenschappen. Uiteindelijk rondde hij
toch de medicijnenstudie af en vestigde hij zich als arts in Oudewater
1835. Een gelukkige tijd beleefde hij daar met zijn gezin niet, want het
opbouwen van een patiëntenkring verliep door tegenwerking van de
plaatselijke geestelijkheid niet voorspoedig. Iedere geloofsrichting had
een eigen arts en Harting was een vreemde eend in de bijt.
Aan die moeilijke tijd kwam in 1841 een eind, toen hij gevraagd werd om
hoogleraar in de chemie aan het Athenaeum te Franeker te worden. Alsof de
duvel ermee speelde werd twee jaar het Athenaeum opgeheven. Gelukkig kreeg
hij vrij snel daarna in Utrecht een aanstelling als buitengewoon
hoogleraar aan de faculteit der wis- en natuurkunde. Omdat hij als
buitengewoon hoogleraar dezelfde rechten had als een hoogleraar, mocht hij
colleges geven in die vakken waartoe hij meende "bekwaamheid" te bezitten.
Harting had belangstelling voor de microscoop (hij schreef een handboek in
verschillende delen in het Duits) en de botanie. De anatomie van plant en
dier werd door hem uitvoerig onderzocht en beschreven. Tussen 1851 en 1882
schreef hij meer dan 2000 korte artikelen voor het "Album der Natuur", een
tijdschrift, dat de geïnteresseerde leek belangstelling voor de
natuur wilde bijbrengen. Hij was daarnaast een actief drankbestrijder,
schreef artikelen over de verbetering van het lot van de werkende klasse,
besteedde aandacht aan het volksonderwijs (uitbreiding en
verplichtstelling) en hield zich bij tijd en wijle met politiek bezig. Hij
steunde o.a. de boerenoorog in Transvaal en stak z'n politieke voorkeur
bij spreekbeurten niet onder stoelen of banken.
De combinatie arts, geoloog en "sociaal bewogene" lijkt op het eerste
gezicht vreemd. Maar als je "De bodem onder Amsterdam onderzocht en
beschreven" (1852) en "Het Eemdal en het Eemstelsel" (1886) van Harting
leest en de vermelde gegevens combineert met gegevens, die in een
publikatie over het drinkwater in Amsterdam (Versch drinkwater voor de
hoofdstad, Peter Paul de Baar, 1993) te vinden zijn, wordt duidelijk, dat
Harting zich ook om praktische redenen voor de geologie interesseerde. Het
"wel en wee" van de gewone man lag hem na aan het hart.
Harting en de geologie
Harting hield zich met de geologie in ruimere zin bezig. Kontakten met
boormeesters leverden hem informatie over de ondergrond van Nederland op.
Een belangrijk kontaktpersoon was C.P. Fries uit Zeist, een smid die zich
in boormateriaal gespecialiseerd had. Via hem kreeg Harting o.a.
geologische gegevens over de ondergrond van Amsterdam. Tussen 1837 en
1842, maar ook een paar jaar later, werd op diverse plaatsen met meer of
minder succes geprobeerd waterputten te boren. Harting schrijft daar in
1886 het volgende over:
"Voor ongeveer vijftig jaren begon men te Amsterdam eenige diepe putten te
boren, eerst op de Nieuwe Markt, in 1837 tot 1842, waar de boor tot 172
Meters doordrong, vervolgens bij het Luthersche Weeshuis, op het Bikkers
Eiland, de Noorder Markt, de Bloemgracht, de Lauriergracht, de
Passeerdergracht, waar de diepte der putten onder den beganen grond
afwisselde tusschen 36 en 52 Meters. In alle deze putten werden dezelfde
elkander in de diepte opvolgende lagen gevonden. Tezamen maken zij de
klei- en zandmergelformatie uit, die van boven door eene veenlaag overdekt
wordt, waarvan de dikte tusschen 0 en 4,75 Meters afwisselt. Fossilen,
meerendeels schelpen van Lamillibranchien en Gastropoden treden op in de
lagen VII zand, op diepten van omstreeks 13 tot 18 Meters, VIII, harde
kleimergel, op diepten van omstreeks 37 tot 44 Meters.
Onder de schelpen zijn verreweg de meeste overeenstemmend met soorten, die
nog tegenwoordig in de zee langs de kusten van ons vaderland worden
aangetroffen. Slechts eenige weinige soorten die in den Amsterdamschen
bodem als fossilen voorkomen, leven niet meer in de zee langs onze kust,
maar in zeeën, die op eenigen afstand ten noorden en ten zuiden gelegen
zijn.
Toen dit onderzoek plaats had, was het nog niet mogelijk eenigen samenhang
aan te wijzen met terreinen elders in ons vaderland."
Afgezien van de plaatsen en de diepten tot waar geboord werd, geeft het
citaat inzicht in het geologisch denken van dat moment. Allereerst valt de
aandacht op voor de grondsoorten, die men al borend tegenkomt. Het
vervolgen van de afzettingen (correleren) over een zekere afstand is het
tweede opmerkelijke. Het correleren berust vooral op de overeenkomsten in
fossielinhoud (met name de schelpen) van de grondsoorten. De
overeenkomsten met nog levende fauna's is Harting niet ontgaan. Dit
laatste staat in de geologie als het actualiteitsprincipe bekend (het
gebruik van het heden als sleutel tot het verleden).
Opvallend in het boek zijn verder de vermeldingen van bijzondere
waarnemingen en de bepalingen, die aan het sediment en het grondwater
verricht zijn. Het opborrelen van gas tijdens een boring en het aansteken
ervan is een voorbeeld van zo'n bijzondere waarneming (P. Cleveringa et al
1994).
Het opmerken van een laag, die rijk is aan diatomeeën (eencellige
kiezelwieren), is een ander voorbeeld. Omdat hij met een microscoop werkte
kon hij, als één van de eersten in zijn tijd, de in het
sediment aanwezige diatomeeën determineren. Op grond van de
soortensamenstelling concludeerde hij, dat de diatomeeën in een brak
milieu geleefd hadden. Door latere geologen werd dit niveau "Laag van
Harting" genoemd.
Maar ook "de zamenstelling van het in den bodem bevatte water",
ontging Harting niet:
"Van meer gewigt was het te onderzoeken of de hoeveelheid van het
chlorsodium in het water uit eenen en denzelfden put veranderlijk is,
omdat de beantwoording hiervan in verband staat met de vraag naar den
oorsprong van het water. Ik verbond hiermede eene bepaling van het gehalte
aan vaste stoffen en van dat der verbrandbare en onverbrandbare. Alle de
cijfers hebben betrekking op 1000 deelen water.
| Put in het Luthersche Weeshuis | |
|---|---|
21 Januarij 1851:
|
|
| Put op de Passeerdergracht | |
26 april 1851:
|
|
| Put op de Noordermarkt | |
11 Januarij 1851:
|
|
a. watervoerende lagen worden ergens aan het oppervlak gevoed door o.a. regenwater; b. in door de ondergrond stromende water worden allerlei stoffen opgenomen en getransporteerd. Zij bepalen de kwaliteit van het water en de temperatuur.Om het bovenstaande te onderbouwen nog een tweetal citaten uit het "Eemdal en het Eemstelsel":
opwelt, dat, als regenwater in den bodem gedrongen, langzaam naar de
diepere lagen is doorgesijpeld en daar tegengehouden wordt door de
kleilaag, welke de reeds meermalen genoemde schelpenlaag overdekt.
Zodra de kleilaag doorboord is, begint het water uit de put op te wellen en dat neemt nog toe, wanneer ook de schelpenlaag doorboord en het daaronder
gelegen diluviale zand bereikt is. Te Amersfoort alleen zijn daarin
ongeveer een tachtigtal putten geboord, voorts aan de Treek, het landgoed
van den heer mr. W.H. De Beaufort, bij Leusden, aan de school te Ederveen,
het logement "de Klomp", den tol tussen "de Klomp" en Ede, te Woudenberg,
te Bruinenburg onder Woudenberg, te Scherpenzeel, te Barneveld op het
dicht bij de Zuiderzee gelegen buitengoed "Vanenburg" van de baron Van
Pallandt, onder de gemeente Putten; dit is tot dusverre het meest
oostelijk gelegen punt der Geldersche Vallei, waar het Eemstelsel is
aangetroffen. Voorts te Spakenburg aan den mond van de Eem, te Bunschoten,
te Hooglandt op het buitengoed van den heer W.C. Verlooren; te Baarn,
dichtbij den oever van de rivier de Eem, en voorts in de provincie Noord-
Holland te Amsterdam, op de diepte van 27 tot 41,5 Meters onder AP, te
Purmerende....."
|
19 Juli .............. 2 Augustus.......... 19 Augustus.......... 10 September......... 15 October........... 7 November.......... 10 December.......... 16 Januari........... 10 Februari.......... 11 Maart............. 15 April............. 9 Mei............... |
10° C 10½° C 11° C 11,6°C 11¼° C 11° C 11° C 11° C 11° C 11° C 10¾° C 10¾° C |
Baar, P. P. de, 1993. Versch drinkwater voor de hoofdstad. Gemeente
Waterleidingen Amsterdam, ter gelegenheid van het 140 jarig bestaan,
december 1993, 96 pp.
Cleveringa, P., W. de Gans en H. de Wolf, 1994. Aardgas onder Amsterdam
(in voorbereiding)
Commelin, C. 1693. Beschryvinge der Stadt Amsterdam. Amsterdam.
Harting, P., 1852. De Bodem onder Amsterdam onderzocht en beschreven. -
Verh. eerste kl. Kon.-Ned. Inst. Wet., Letterk. Sch. Kunst., 3e
reeks, 5: 73-232.
Harting, P., 1886. Het Eemdal en het Eemstelsel. - Album der Natuur, 1886,
p. 95-99.
Kluiters, J., en F. van Daalen, 1988. Zuid-Kennemerland natuurlijk.
Vijfduizend jaar mens en natuur tussen duinen en polders. - Schuyt
en Co. 200 pp.
Sliggers, B.C. 1987. De loop van het Spaarne. De geschiedenis van een
rivier. - Schuyt en Co. 168 pp.
Wolf, H. de. 1993. History of diatom research in The Netherlands and
Flanders. - In: Proceedings of the Twelfth International Diatom
Symposium, 1992. Ed. H. van Dam. Developments in Hydrobiology 90, p.
1-9.
Wolf, H. de. 1994. Diatomeeënonderzoek van de boring Spaarne. -
Intern Rapport No. 583, Afdeling Diatomeeën, Rijks Geologische
Dienst, Haarlem.