|
Nederlandse anthropogene soorten
T. Meijer, 2007 © (webtext)
INLEIDING
De mens heeft een enorme invloed op flora en fauna. Het verdwijnen van
soorten door jacht of verwoesting van de leefomgeving is daar een duidelijk
voorbeeld van. Een ander voorbeeld is de (soms moedwillige) verspreiding
van soorten naar plaatsen waar die soorten van origine niet thuis horen.
Deze pagina geeft informatie over de soorten die in ons land leven maar hier
niet thuis horen en die door verschillend menselijk ingrijpen hier terecht zijn gekomen.
Ik noem deze soorten hier 'antropogene soorten' omdat hun huidige verspreiding
in verband met menselijk ingrijpen tot stand is gekomen. Voor deze soorten is ook
de minder juiste term 'exoten' in gebruik. Dit is minder juist omdat alleen het
feit dat soorten eigenlijk 'thuishoren' in ver weg gelegen streken niet
voldoende is om deze soorten als zodanig te karakteriseren. Het menselijk ingrijpen is de
kern, niet het feit dat de soort van elders komt.
WAT IS EIGENLIJK EEN ANTROPOGENE SOORT?
Daar bestaan verschillende meningen over maar het is duidelijk dat zonder meer aan de volgende voorwaarden (tegelijk!) voldaan moet zijn:
- Antropogene soorten zijn gekoppeld aan de periode (tientallen - duizenden jaren) waarin mensen
in het gebied van de betreffende soort aanwezig zijn.
- Een antropogene soort heeft in het gebied waarin de soort nieuw verschijnt geen directe
geologische voorgeschiedenis.
Het feit dat een soort op zeker moment in een bepaald gebied wordt 'ontdekt'
is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat van een antropogene soort sprake is.
Er zijn voorbeelden bekend van soorten die pas laat ergens 'ontdekt' zijn maar
waarvan nog niet zo oude fossielen aangeven dat de betreffende soort wel
degelijk in het gebied thuis hoort. De aanwezigheid van fossielen uit en voor
de periode waarin mensen in het gebied aanwezig zijn, is bewijs voor het niet-antropogeen
zijn van een soort. Het omgekeerde geldt ook: geen fossielen aanwezig vòòr de periode met
menselijke aanwezigheid in het gebied: dan is bijna zeker sprake van een antropogene soort. Het probleem
hierbij is natuurlijk wel dat in tegenstelling tot mollusken veel andere organismen
niet als fossiel bewaard blijven.
Een heel belangrijk aanvullend argument is de aan- of afwezigheid van verwanten in het
verdere geologische verleden.
- Een antropogene soort bereikt het nieuwe gebied alleen met 'hulp' van de mens.
In tegenstelling met wat velen denken is de natuur alles behalve statisch.
Migratie, geheel op eigen kracht, is heel normaal. 'Barrières' (niet noodzakelijkerwijs
geografische!) kunnen door natuurlijke oorzaken verschijnen, verdwijnen of minder worden, met
als gevolg een verandering (verkleining/vergroting) van de arealen van soorten. Als
'menselijke hulp' niet in het begrip 'antropogene soort' wordt opgenomen dan zijn alle
organismen die migreren naar een ander gebied in dat gebied (terwijl de mens daar op dat
moment aanwezig is) als antropogene soort op te vatten en verliest het begrip alle betekenis.
Met het hanteren van deze drie heldere voorwaarden blijft het begrip 'antropogene soort' toch nog een vrij vaag begrip.
Het is kunstmatig: gaat er van uit dat mensen niet tot de natuur behoren en dat de natuur in principe statisch is.
Dat zijn natuurlijk allebei misvattingen.
WAT IS 'HULP VAN DE MENS'?
- Het meest duidelijke geval is het bewust door mensen overbrengen van het betreffende organisme van het
oorspronkelijk leefgebied naar een gebied waarin dat organisme nog nooit eerder was voorgekomen.
Voorbeeld: konijn uit Europa naar Australië; coloradokever uit Amerika naar Europa;
Bithynia tentaculata van Europa naar Noord Amerika. Er zijn vele andere voorbeelden!
- Planten of dieren kunnen ook door mensen ergens naar toe gebracht zijn met het doel ze in beschermde omgeving te kweken,
uit welke omgeving ze vervolgens 'ontsnapt' zijn.
- Het onbedoeld/onbewust verslepen van organismen met transportmiddelen.
Voorbeeld: de strandgaper in de schepen van de Vikingen. Tegenwoordig is ballastwater in oceaantransportschepen
een enorm probleem.
- Het door mensen slechten van een barrière.
Voorbeeld: het Main-Donau kanaal gegraven aan het eind van de 19e eeuw wat de eerste migratiegolf van Dounau
soorten naar de Rijn veroorzaakte (Dreissena polymorpha, Lithoglyphus naticoides); het Suez Kanaal wat de
'Lessepsiaanse' migratie (Indische Oceaan naar Middellandse Zee) naar de Middellandse Zee veroorzaakte.
- Het scheppen van biotopen die nieuw in een bepaalde omgeving zijn. Dit is eigenlijk een variant van de vorige.
Voorbeeld: de introductie van de akkerbouw in Europa gaf steppesoorten uit Zuid-Oost Europa gelegenheid het
areaal uit te breiden (oa. Ceciliodes acicula); Het aanleggen van dijken (lees: kunstmatige rotskusten) in
een omgeving waar in de kuststreken nooit harde substraten geweest waren, gaf mariene rotsbewoners gelegenheid om het
areaal uit te breiden.
Vaak worden organismen uit deze laatste categorie 'cultuurvolgers' genoemd. Echter, het is de mens die het mogelijk
heeft gemaakt dat deze soorten zich ergens vestigden waar zij tevoren nooit aanwezig waren. Ze vallen dus wel
degelijk onder de 'antropogene soorten'.
Ik ben misschien een categorie vergeten, maar volgens mij zijn dit de belangrijkste.
WAT IS GEEN ANTROPOGENE SOORT?
- alle soorten die verschijnen in een gebied waar zij in historische tijd niet bekend van waren maar die wel als fossiel
uit dat gebied bekend zijn en waarvan ook geen menselijke hulp bij het verschijnen te bewijzen valt uit één van
bovenstaande categroriën is geen antropogene soort. Dat zijn natuurlijke immigranten.
Als zodanig kunnen een aantal mariene soorten worden beschouwd die tijdens de laatste decennia van de twintigste eeuw
in het Nederlandse deel van de Noordzee verschenen zijn. Zij waren uit dit gebied niet uit gedocumenteerde waarnemingen bekend.
Wel komen zij op andere plaatsen in het Noordzeegebied voor of leven ze in direct aangrenzende gebieden, bv ten Zuiden van het Nauw van Calais.
Het betreft een aantal soorten met een vrij Zuidelijk verspreidingsgebied. Deze soorten zijn vaak wel bekend uit afzettingen die
dateren uit de vorige warme tijd, het Eemien. Dit is natuurlijk geen bewijs voor het niet-antropogene karakter van hun huidige voorkomen maar
het geeft wel aan dat deze soorten uit aangrenzende gebieden zonder hulp van de mens het Noordzeebekken konden bereiken.
Het gaat om oa de volgende soorten: Calliostoma zizyphinum, Gibbula cineraria, Calyptraea chinensis, Mytilus galloprovincialis,
Acanthocardia paucicostata en Abra nitida. Zij hebben zich hier kunnen vestigen omdat het water van de Noordzee
wellicht iets warmer is geworden tijdens de periode waarin de waarnemingen werden gedaan. Of dat inderdaad zo is, weet ik niet
maar een eventuele opwarming van de zee wordt vrijwel zeker niet door de mens veroorzaakt (alle woeste broeikasverhalen ten spijt is
dat uitermate onwaarschijnlijk). Het is niet hard te maken dat het antropogene soorten betreft.
De zoetwaterslak Ferrissia wautieri wordt soms als antropogene soort genoemd. Deze soort is echter fossiel uit Nederland bekend
uit het Tiglien, het Eemien en het Holoceen. De Holocene vondsten zijn gedaan in afzettingen van uiteenlopende ouderdom die een relatie
van deze soort met menselijke invloed geheel uitsluiten. Het genus Ferrissia is sinds het Mioceen uit Europa bekend waarmee dit
een solide autochtoon Europees fauna-element genoemd kan worden.
De meeste verwanten van Assiminea grayana leven in de Pacifische Oceaan. Deze soort is gevonden in Holocene afzettingen die
ontsloten zijn geweest in een archeologische opgraving van een Romeinse havenplaats. Het is uitgesloten dat Assiminea door
de Romeinen uit de Pacifische Oceaan (waar de meeste verwanten leven!) is meegenomen naar Nederland. Deze soort kan dus niet als
antropogeen beschouwd worden.
Een ander laat ontdekte soort is het landslakje Helicodiscus singleyanus. Deze soort leeft ondergronds, wat waarschijnlijk de reden
is voor de late ontdekking. Men meent dat dit een antropogene soort van Amerikaanse herkomst is. Echter, deze soort is uit het Vroeg
Pleistoceen van Tsjechië bekend en is daarmee een Europees fauna element. Daarmee wordt de veronderstelde Amerikaanse herkomst
al direct een stuk onwaarschijnlijker mee.
Heel vaak wordt bij het bepalen of een soort 'antropogeen' is of niet, het fossiele voorkomen totaal niet in beschouwing genomen. Dat dit
een kortzichtige benadering is moge duidelijk zijn.
OVERZICHT VAN ANTROPOGENE SOORTEN IN NEDERLAND
De hier volgende lijst is een opsomming van de antropogene soorten die uit Nederland bekend zijn. De lijst is incompleet omdat er momenteel
in hoog tempo soorten bij komen.
Bij elke soort wordt de beschikbare informatie gegeven. Ook die is nog niet voor alle soorten compleet.
Er wordt aan deze lijst dus nog gewerkt!
Landsoorten
Zoetwatersoorten
Mariene soorten
LANDSOORTEN
-
Aegopinella nitens (Michaud, 1831) -- Brede blinkslak
-
Arion lusitanicus Mabille, 1868 -- Spaanse wegslak
-
Balea biplicata (Montagu, 1803) -- Grote clausilia
-
Boettgerilla pallens Simroth, 1912 -- Wormnaaktslak
-
Cecilioides acicula (Müller, 1774) -- Blindslak
-
Cernuella aginnica (Locard, 1882) -- Franse duinslak
-
Cernuella cespitum (Draparnaud, 1801) -- Grote duinslak
-
Cernuella jonica (Mousson, 1854) -- Griekse duinslak
-
Cernuella neglecta (Draparnaud, 1805) -- Afgevlakte duinslak
-
Cernuella virgata (Da Costa, 1778) -- Bolle duinslak
-
Cochlicella acuta (Müller, 1774) -- Slanke duinhoorn
-
Cochlicella barbara (Linnaeus, 1758) -- Bolle duinhoorn
-
Cochlodina laminata (Montagu, 1803) -- Gladde clausilia
-
Deroceras panormitanum (Lessona & Pollonera, 1882) -- Zuidelijke akkerslak
-
Deroceras sturanyi (Simroth, 1894) -- Oostelijke akkerslak
-
Helicigona lapicida (Linnaeus, 1758) -- Steenbikker
-
Helicodiscus singleyanus (Pilsbry, 1890) -- Aardschijfje
-
Helicodonta obvolute (Müller, 1774) -- Opgerolde tandslak
-
Helix aspersa Müller, 1774 -- Segrijnslak
-
Helix pomatia Linnaeus, 1758 -- Wijngaardslak
-
Hygromia cinctella (Draparnaud, 1801) -- Gekielde loofslak
-
Lauria cylindracea (Da Costa, 1778) -- Genaveld tonnetje
-
Lehmannia valentiana (Férussac, 1821) -- Spaanse akkerslak
-
Limax flavus (Linnaeus, 1758) -- Lichte aardslak
-
Milax gagates (Draparnaud, 1801) -- Zwarte kielnaaktslak
-
Monacha cantiana (Montagu, 1803) -- Grote karthuizerslak
-
Monacha carthusiana (Müller, 1774) -- Kleine karthuizerslak
-
Oxychilus alliarius (Miller, 1822) -- Look-glansslak
-
Oxychilus cellarius (Miller, 1822) -- Kelder glansslak
-
Oxychilus draparnaudi (Beck, 1837) -- Grote glansslak
-
Oxychilus helveticus (Blum, 1881) -- Zwitserse glansslak
-
Pyramidula rupestris (Draparnaud, 1801) -- Rotstol
-
Tandonia budapestensis (Hazay, 1881) -- Slanke kielnaaktslak
-
Tandonia sowerbyi (Férussac, 1823) -- Gele kielnaaktslak
-
Testacella haliotidea Draparnaud, 1801 -- Schildslak
-
Theba pisana (Müller, 1774) -- Zandslak
-
Trichia rufescens (Da Costa, 1778) -- Rosse haarslak
-
Trochoidea elegans (Gmelin, 1791) -- Sierlijke pyramideslak
-
Trochoidea geyeri (Soos, 1926) -- Kleine pyramideslak
ZOETWATERSOORTEN
-
Corbicula fluminalis (Müller, 1774) -- Toegeknepen korfmossel
-
Corbicula fluminea (Müller, 1774) -- Aziatische korfmossel
-
Dreissena polymorpha (Pallas, 1771) -- Driehoeksmossel
-
Ferrissia wautieri (Mirolli, 1960) -- Smurfslak
-
Lithoglyphus naticoides (Pfeiffer, 1828) -- Eeltslak
-
Melanoides tuberculatus (Müller, 1774) -- Slanke knobbelhoren
-
Menetus dilatatus (Gould, 1841) -- ****
-
Musculium transversum (Say, 1829) -- Late hoornschaal
-
Mytilopsis leucophaeata (Conrad, 1831) -- Brakwatermossel
-
Physella acuta (Linnaeus, 1758) -- Puntige blaashoren
-
Potamopyrgus antipodarum (Gray, 1843) -- Jenkins" waterhoren
MARIENE SOORTEN
-
Corambe obscura (Verrill, 1870) -- Zuiderzee-schijfslak
-
Crassostrea angulata (Lamarck, 1819) -- Portugese oester
-
Crassostrea denticulata (Born, 1791) -- Geschubde oester
-
Crassostrea gigas Thunberg, 1793 -- Japanse oester
-
Crassostrea virginica (Gmelin, 1791) -- Amerikaanse oester
-
Crepidula fornicata (Linnaeus, 1758) -- Muiltje
-
Ensis americanus (Gould, 1870) -- Amerikaanse zwaardschede
-
Hiatella arctica (Linnaeus, 1767) -- Noorse rotsboorder
-
Littorina arcana Hannaford-Ellis, 1978 -- Levendbarende alikruik
-
Littorina mariae Sacchi & Rastelli, 1966 -- Vlakke alikruik
-
Littorina neglecta Bean, 1844 -- Vergeten alikruik
-
Littorina nigrolineata Gray, 1839 -- Gestreepte alikruik
-
Littorina obtusata (Linnaeus, 1758) -- Stompe alikruik
-
Littorina saxatilis rudis (Maton, 1797) -- Echte ruwe alikruik
-
Melaraphe neritoides (Montagu, 1803) -- Kleine alikruik
-
Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758) -- Amerikaanse venusschelp
-
Mya arenaria Linnaeus, 1758 -- Strandgaper
-
Nucella lapillus (Linnaeus, 1758) -- Purperslak
-
Patella vulgata Linné, 1758 -- Schaalhoren
-
Petricola pholadiformis (Lamarck, 1818) -- Amerikaanse boormossel
-
Spisula solidissima (Da Costa, 1778) -- Reuze-strandschelp
|
|
|