|
Taaldaden
Hoofdstuk 1 Gericht lezen
1. Leesstrategieën (pag. 12 - 25)
Lezen doe je met een bepaald doel. Je manier van lezen stel je daarop af:
je hanteert een leesstrategie.
Er zijn een viertal strategieën te onderscheiden:
1. oriënterend lezen (eerste indruk opdoen)
2. globaal lezen (hoofdzaken zoeken)
3. intensief lezen (alle gegevens uit de tekst halen)
4. zoekend lezen (een bepaald gegeven uit de tekst zoeken)
2. Samenvatten (pag. 26-49)
1.Algemene informatie
1.1.
De samen te vatten tekst telt doorgaans 2000 tot 2500 woorden en heeft het niveau van een artikel uit een
opinieblad of een kwaliteitskrant.
1.2
Deze tekst moet gereduceerd worden tot maximaal 500 woorden.
N.B. Dit maximum is ook een optimum: heb je veel minder woorden gebruikt dan heb je beslist belangrijke
informatie vergeten.
1.3
De samenvatting moet uiteraard de gedachtegang van de auteur weerspiegelen en wel door het
vermelden van alle noodzakelijke informatiein de vorm van stukjes tekst die informatie-elementen
genoemd worden. N.B. Elk informatie-element wordt gewaardeerd met een maximumaantal punten; in het
totaal zijn er 90 punten te behalen; vooraf krijgt iedereen 10 punten; de hoogste score is dus 10+90= 100
punten; normaal gesproken wordt de score door tien gedeeld om het eindcijfer te bepalen; soms echter
beslist de examencommissie dat er enkele tiende punten bij komen, met name als de gemiddelde landelijke
score na het examen erg laag is.
1.4
De volgende aspecten hebben een negatieve invloed op de score:
1.
Taalfouten: er geldt een maximale aftrek van 20 punten; voor elke normale spelfout en voor elke duidelijke
interpunctiefout wordt 1 punt afgetrokken; ieder werkwoordsfout en iedere formuleringsfout leidt tot een
aftrek van 2 punten . N.B. Hoe meer je letterlijk of bijna letterlijk overneemt van de tekst, hoe minder
kans je hebt op fouten ! Vat dus nooit samen in eigen woorden ! Dat is ook niet de opdracht:
samenvatten in eigen woorden is in feite geen samenvatten, maar herschrijven van een tekst in verkorte
vorm.
De opdracht geeft ook expliciet aan dat het toegestaan is essentiële woorden of stukken van een zin
letterlijk over te nemen. Let op: een complete zin mag je dus niet overschrijven, maar met een kleine
mutatie mag dat weer wel.
2.
Te veel woorden: er is een marge van 29 woorden; je mag derhalve maximaal 529 woordenhebben;
vanaf 530 woorden vindt een aftrek plaats van 3 punten per 10 woordenof een deel daarvan; bij 530
woorden is de aftrek dus 3 punten; bij 539 woorden ook; maar bij 540 woorden is deze 6 punten; bij 550
woorden 9 punten; bij 560 woorden 12 punten enz. N.B. Er is geen maximumaftrek; het komt dan ook voor
dat iemand een negatieve score behaalt (het eindcijfer wordt dan een 1); ter overweging: een regel telt
gemiddeld ca. 10 woorden; heb je 10 regels te veel, dan is je aftrek al 30 punten ! De moraal zal duidelijk
zijn: je moet je aantal woorden tellen, tellen en tellen! Dat kun je bv. per alinea doen, waarna je af en toe
de aantallen van de alinea's bij elkaar optelt.
2.Werkwijze
De geadviseerde methode om een samenvatting te maken bestaat uit vier fasen:
Primaire oriëntatie
2. Eerste lezing
Tweede lezing, met klad en correctie
4. Net
Ad 1.
Een allereerste indruk van de tekst krijg je door te lezen wat er boven deeigenlijke tekst als informatie
vermeld staat; markeer daartoe bv. auteur, titel, medium, tijd van verschijnen, intentie van de publicatie en
functie van de auteur; tijdsduur: een of enkele minuten. N.B. Deze oriëntatie is geen onderdeel van het
eindresultaat dat je bij het examen moet inleveren, maar dient om het samenvatten te vergemakkelijken;
deze oriëntatie levert overigens vaak weinig op.
Ad 2.
De bedoeling is dat je actief leest: al lezende moet je signalen markeren,proberen de vraag-, doel- of
probleemstelling uit de inleiding en de conclusie aan het slot te markeren en inleiding, kern en slot met
strepen scheiden; tijdsduur: ca. 30 minuten.
N.B. De intentie is dat je zo vrij snel achter de opbouw en de opbouwelementen van de tekst komt en achter
de intentie en de gevolgtrekking van de auteur. Je moet beslist niet lang nadenken over de vraag of iets nu
een signaal is of niet. Signalen zijn overigens de signaalwoorden die bekend zijn van de alineaverbanden
en alle typografische middelenals: vet, cursief, onderstreping, s p a t i ë r i n g en HOOFDLETTERS. Om
misverstanden te vermijden: je mag natuurlijk best informatie die je direct opvalt als essentieel ook
markeren, maar het systeem is erop gericht dat je daar niet speciaal naar gaat zoeken: dat kost in deze fase
te veel tijd.
Ad 3.
Noteer kort de hoofdgedachte van elke alinea. In theorie zou die te vinden zijn in de eerste, de tweede of
de laatste zin. De praktijk wijst helaas anders uit; toch blijft dit een goed uitgangspunt. Je schrijft nu dus het
klad.
Na het schrijven van het klad is controle en correctie van taalgebruik, inhoud en aantal woorden geboden.
Ad 4.
Voor het overschrijven in het net moet je minstens een half uur reserveren. De tijdsduur voor klad,
correctie en net is totaal twee en een half uur overigens (het examen duurt dus drie (klok)uren).N.B. Let
goed op je tijd: elk jaar zijn er weer leerlingen die (een deel van) het klad moeten inleveren omdat ze het
niet meer in het net kunnen schrijven door tijdgebrek. Dat is uiteraard niet bevorderlijk voor het cijfer!
ZET HET AANTAL WOORDEN ONDER JE SAMENVATTING !!!
Hoe ziet een goede samenvatting eruit ?
TITEL
Samenvatting van: (dubbele punt) auteursnaam (inclusief voorletters of voorna(a)m(en )) , (komma) titel
(onderstreept) (punt).
Voorbeeld:
Samenvatting van: Ben Knapen, De Daffodil en de Nederlandse natie.
2. Twee regels overslaan.
Samenvatting van de eerste alinea
N.B. In het klad moet je de alineanummers uiteraard in de kantlijn zetten; in het net doe je dat niet.
Eén regel overslaan.
Samenvatting van de tweede alinea.
Eén regel overslaan
Samenvatting van de derde alinea
Eén regel overslaan
Enz.
Hoofdstuk 3
Kritisch lezen (Taaldaden, deel 2, pagina 50 e.v.)
3.1 De betrouwbaarheid van informatieve teksten.
Essentialia.
1. Informatieve teksten bevatten feiten.
2. Deze feiten dienen gecontroleerd te worden.
3. Dat is echter vaak niet mogelijk.
Hoe bepaal je dan toch of de informatie betrouwbaar is, c.q. de feiten kloppen?
Via het communicatiemodel.
N.B. De toepassing van dit model leidt niet tot zeker- heid, maar slechts tot waarschijnlijkheid m.b.t. de
betrouwbaarheid van een informa tieve tekst!
6. Dit model bestaat uit vier componenten:
1.onderwerp
2.schrijver
3.medium
4.lezer
Controlepunten communicatiemodel.
De volgende aspecten moet je controleren:
Ad 1. onderwerp:
- controleerbaarheid (vooral bronnen en informanten)
- omvang en ingewikkeldheid (niet van de tekst, maar van de materie)
- controversialiteit (hoe controversiëler,hoe moeilijker te controleren)
Ad 2: schrijver:
- wijze van informatieverwerving (bronnen en informanten)
- deskundigheid (vakkennis; opleiding; beroep; positie; functie)
- houding t.o.v. het onderwerp en in het algemeen (ideologie,politieke voorkeur bv.)
Ad 3: medium:
-verwoording en presentatie (neutraliteit en objectiviteit)
-niveau
N.B. Er zijn vier niveaus:
1.wetenschappelijke publikaties (schoolteksten zijn dat nooit)
2.populair-wetenschappelijke publikaties (aanvaardbaar)
3.kwaliteitskranten en opiniebladen (aanvaardbaar)
4.populaire kranten,dames-en familiebladen (niet aanvaardbaar)
-partijdigheid (ideologie,politiek bv.)
-datum van verschijnen (hoe ouder,hoe meer kans op gedateerdheid)
Ad 4: lezer:
- controlemogelijkheden (bronnen,informanten)
- deskundigheid (zie bij 2: schrijver)
- houding t.o.v. onderwerp en in het algemeen (zie bij 2:schrijver)
N.B. Je moet altijd twee soorten lezers onderscheiden:
1. de beoogde lezers
2. de toevallige lezers
In je eindoordeel (conclusie) stel je nu vast in welke mate de aangeboden informatie in een tekst
betrouwbaar is, op basis van de uitkomsten van de toetsing via het communicatiemodel.
N.B. Dit model wordt ook gebruikt voor betogende teksten:die bevatten -naast meningen en
argumenten-immers ook informatie.
3.2. De aanvaardbaarheid van betogende teksten (p. 62 e.v. )
1. Een betoog is aanvaardbaar als de centrale stelling of de eindconclusie aanvaardbaar is.
2. Deze stelling of conclusie is op haar beurt aanvaardbaar als de argumentatie acceptabel is.
Er zijn vier redenen om een betoog niet te aanvaarden:
1. De argumentatie is niet houdbaar
2. De stap van argumentatie naar stelling is onaanvaardbaar
3. Alle andere pro-argumenten worden verworpen
4. Contra-argumenten wegen zwaarder
N.B.
Reden 1, 2 of 3 leidt tot een niet-bewezen stelling of conclusie;
reden 4 tot een onjuiste stelling of conclusie.
3.2.2 De ontleding en beoordeling van een betoog (p. 67 e.v. )
1. Zoek eerst de centrale stelling of de eindconclusie
2. Stel vervolgens de hiërarchie van de argumenten daarbij vast: hoofdargumenten, subargumenten ,
subsubargumenmten enz.
Noteer 1. en 2. in een zgn. waaierschema, dat de basis is voor de beoordeling van het betoog
Uitgangspunt is het argumentatiemodel met vier kritische vragen (vgl. de vier redenen om een betoog niet te
aanvaarden) :
1. Is het argument op zichzelf aanvaardbaar ?
2. Is de stap van argument naar stelling aanvaardbaar ?
3. Zijn eventuele andere pro-argumenten aanvaardbaar ?
4. Zijn eventuele contra-argumenten weerlegbaar ?
5.Te gebruiken tekens:
= correct, geaccepteerd, aanvaardbaar
/ = incorrect, verworpen, onaanvaardbaar
? = aanvaardbaarheid niet te bepalen
( niet uit te maken of dan wel / geldt )
= stap van pro-argument naar stelling of conclusie
_ _ = stap van contra-argument naar stelling of conclusie
= eigen argument ( niet van de auteur )
3.2.3 Problemen bij het beoordelen van betogen (pag. 77 e.v.)
1. Hoe beoordeel je argumenten op zichzelf ?
Subjectieve argumenten of persoonlijke waardeoordelen via je eigen normen en opvattingen
Objectieve of feitelijke argumenten door:
de betrouwbaarheid van de informatie te schatten; hulpmiddel: het communicatiemodel
(uiteraard globaal en meestal in gedachten )
bronnen over hetzelfde onderwerp te raadplegen (wat echter lang niet altijd mogelijk is)
Hoe beoordeel je de stap van argumenten naar stelling of conclusie ?
Zie punt 1. hierboven en gebruik verder je "gezonde verstand" om tot een logische visie te komen. Kijk uit
voor ongemotiveerde generalisaties . Voorbeelden moeten representatief zijn.
Hoe kom je achter alle relevante pro-en contra-argumenten ?
De enige oplossing is het raadplegen van zoveel mogelijk bronnen en informanten.
Dat is in de (school)praktijk meestal niet mogelijk.
4. Hoe weeg je de pro's en contra's tegen elkaar af ?
1.Via je persoonlijke waarden en opvattingen
2.Door het bepalen van de mate van betrouwbaarheid van de informatie
( bv. via het communicatiemodel ; vgl punt 1; Hoe beoordeel je de argumenten op zichzelf ? )
Einde
|