Tekstbegrip 1
Start Volgende                      Nederlands - een vaklokaal op Internet

 



 
DEEL 1
Antoine Braet, Taaldaden,
een leergang schriftelijke en mondelinge taalbeheersing, deel 1 en 2


Afdeling 1 De betekenis van de tekst


Hoofdstuk 1 Betekenis (pag. 14-18)
Er zijn vier methoden om in een tekst de juiste betekenis vast te stellen van onbekende woorden:
1. de contextmethode;
2. de analogiemethode;
3. de woordenboekmethode;
4. de encyclopediemethode.


Hoofdstuk 2 Verwijzing (pag. 18-21)
Verwijzing buiten de tekst
In teksten doen schrijvers uitspraken over de werkelijkheid. Het is van belang dat de juistheid van uitspraken of de aanvaardbaarheid van meningen kan worden vastgesteld. Beperkende tijds- en plaatsbepalingen kunnen daarop van invloed zijn.
Het begrijpen van de tekst is daarbij een vereiste.
Begrijpen van teksten (zinnen) betekent dat de lezer:
de woordbetekenissen kent;
weet waarnaar de tekst verwijst in de werkelijkheid.


Verwijzing binnen de tekst
Een schrijver kan tijdens het schrijven gebruik maken van verwijzingen naar wat hij eerder geschreven heeft of naar wat hij nog zal schrijven. Die mogelijkheid bespaart de schrijver herhalingen, maar dwingt hem nauwkeurig te zijn met zijn taal.


Verwijsmiddelen
Verwijzen binnen de tekst vindt plaats met behulp van verwijswoorden. Verwijswoorden staan in de plaats van antecedenten: woorden, zinsstukken of zinnen die eerder in de tekst staan. Soms hebben verwijswoorden betrekking op woorden of zinnen die erna komen.
Als regel geldt dat het verwijswoord vervangen moet kunnen worden door het antecedent (soms met een kleine aanpassing). Dit betekent dat het antecedent altijd zo letterlijk mogelijk uit de tekst moet zijn overgenomen (met verwijzing naar regelnummer(s)). Dit geldt ook voor tekstpassages die na het verwijswoord komen.


Hoofdstuk 3 Subjectief taalgebruik (pag.24-37)
Taalgebruik is zelden neutraal en zakelijk, vaker partijdig en emotioneel: taalgebruik is doorgaans subjectief, woorden hebben gevoelswaarde.


Woorden met een (vaste) gevoelswaarde en
woorden met een wisselende gevoelswaarde (een bijbetekenis)
Woorden die gekozen worden om iets uit te drukken dragen veelal een gevoelswaarde met zich mee. Dat kan een vaste gevoelswaarde zijn (zoals in "dictator") of een wisselende gevoelswaarde (een bijbetekenis zoals in "conservatief"), een gevoelswaarde die sterk bepaald wordt door de context.
Beeldspraak, ironie, sarcasme, cynisme, eufemisme en andere stijlfiguren
Gevoelswaarde komt op "artistieke" wijze tot uitdrukking in het gebruik van stijlfiguren:
Beeldspraak of vergelijking
een subjectief oordeel geven door het begrip waar het om gaat te vergelijken met iets anders.
Ironie
een vorm van lichte spot waarbij vaak het tegengestelde gezegd wordt van wat bedoeld is.
Sarcasme
een vorm van agressieve bespotting, doorgaans met onvriendelijke bedoelingen.
Cynisme
een vorm van spot die vernederend en minachtend is.
Eufemisme
een verzachtende uitdrukking die iets naars mooier voorstelt.
Hyperbool
een vorm van (sterke) overdrijving.
Retorische vraag
een mededeling in de vorm van een vraag: een vraag derhalve waar geen antwoord op verwacht wordt.
Woordspeling
een onverwacht effect creëren door een speels gebruik van woorden of woordcombinaties.


Hoofdstuk 4
Betekenisproblemen voor de onervaren schrijver
Zie daarvoor het hoofdstuk Stijlfouten uit de syllabus en
eventueel bijlage 2 Controle taalverzorging uit Taaldaden 2,
pag. 219-231.


Afdeling 2 De opbouw van de tekst


Hoofdstuk 5: de alinea (blz. 52-53)
Elke goede alinea draait om één hoofdgedachte: één hoofdonderwerp plus een belangrijke uitspraak daarover.
De hoofdgedachte wordt geformuleerd in één zin: de kernzin.
Deze kernzin staat meestal in het begin (de eerste of tweede zin) of aan het slot van de alinea.


Hoofdstuk 6: De alineaverbanden


6.1 Het opsommend en tegenstellend verband (blz. 55-58)


A. Bij het opsommend alineaverband wordt er een reeks opgesomd (bijv. een reeks voordelen of een reeks nadelen).
Signaalwoorden:ten eerste, ten tweede enz., verder, nog, ook, bovendien, vervolgens, een andere.
Signaalzinnen:aankondigingen en terugblikken:
Bijv.: Ik zal hieronder een reeks bezwaren opsommen. (aankondiging)
Ik heb hierboven een reeks bezwaren opgesomd. (terugblik)
Er zijn verschillende soorten opsomming:
- verwisselbaar (de plaats van de onderdelen doet er niet toe)
- onverwisselbaar (de onderdelen van de opsomming kunnen niet van plaats verwisseld worden:
- temporeel (naar tijd gerangschikt)
- hiërarchisch (de alinea's stan in een bep. rangorde):
- climax (van onbelangrijk naar belangrijk)
- anticlimax (van belangrijk naar onbelangrijk)


B. Bij het tegenstellend alineaverband is er sprake van een tegenstelling tussen twee of meer alinea's.
Signaalwoorden:maar, evenwel, echter, niettemin, hoewel, toch.
Signaalzin:bijv.: Hieronder komt het contrast tussen rijk en arm aan de orde.


Het opsporen van alineaverbanden:
Je moet altijd tegelijk naar signaalwoorden én naar hoofdgedachten zoeken.
Bij het zoeken van signaalwoorden kunnen zich de volgende problemen voordoen:
1. Een signaalwoord kan ontbreken. Je moet dan uit het verband tussen de hoofdgedachten het alineaverband afleiden.
2. Soms staan er in openingszinnen schijnbare signaalwoorden, die geen verband tussen de alinea's aanduiden, maar een verband binnen de eerste zin van de alinea.
Tot slot: speur naar aankondigende en terublikkende signaalzinnen.


6.2 Het uitleggend verband (voorbeeld en vergelijking) (blz. 70-71)
Bij het uitleggend verband wordt voorafgaande theorie met een voorbeeld of vergelijking verduidelijkt.
Het verband tussen de alinea met de theorie en de alinea met het voorbeeld of de vergelijking noemen we uitleggend.
Signaalwoorden:bijvoorbeeld, ter illustratie, vergelijk, neem, stel, zo, zie, ter adstructie, een analoog geval, enz.
Let verder op overgangen van abstract naar concreet, van theorie naar praktijk, van algemeen naar bijzonder geval.


6.3 Het oorzaak of reden aangevend verband;
het voorwaarde aangevend verband (blz. 76-79)
Het oorzaak of reden aangevend verband:
Bij dit alineaverband wordt er in de ene alinea een oorzaak of reden gegeven en in een andere alinea een gevolg.
Er zijn twee mogelijkheden:
1. eerst de oorzaak of reden en daarna het gevolg;
2. eerst het gevolg (te verklaren verschijnsel) en daarna de oorzaak of reden.
Het verschil tussen oorzaak en reden:
- bij een reden neemt de mens een beslissing of het gevolg zal optreden of niet;
- een oorzaak leidt buiten de wil van de mens om tot een gevolg.
Signalen:daarom, daardoor, dientengevolge, oorzaak, reden, gevolg, tegen het licht van, de achtergrond hiervan, in samenhang met, heeft geleid tot, brengt met zich mee, gaat gepaard met.
Wanneer een schrijver een reeks verklarende oorzaken of redenen aanvoert, komt bij dit verband ook een aankondigend of terugblikkend signaal voor.
Bijv.: "Dit verschijnsel laat zich op drie manieren verklaren."
Na deze aankondiging volgt dan en opsomming van oorzaken of redenen.


Het voorwaarde aangevend verband:
In plaats van oorzaak/reden - gevolg, kan er sprake zijn van
voorwaarde - vervulling. Ook hier twee mogelijkheden:
1. eerst de alinea met de voorwaarde, daarna de alinea met de mogelijke vervulling;
2. eerst de alinea met de wenselijke vervulling, daarna de alinea met de voorwaarde.
Signalen:op voorwaarde dat, als, wanneer, indien, tenzij, mits, dit maakt het mogelijk.
Omdat voorwaarden vaak in reeksen optreden, zie je bij het voorwaardelijk verband geregeld aankondigingen en terugblikken.
Bijv.: "Dit geldt onder de volgende voorwaarden." (aankondiging)
"Hierboven hebben we drie voorwaarden genoemd." (terugblik)


6.4 Het beoordelend verband (blz.86-87)
Bij het beoordelend verband wordt er in de ene alinea een weergave gegeven van wat de schrijver gehoord, gezien of gelezen heeft, en in een andere alinea een beoordeling(commentaar) daarvan.
Signalen:je moet dit verband afleiden uit :
1. omschrijvingen als "hierbij zou ik toch wel een opmerking willen plaatsen";
2. beoordelende woorden als: - goed/slecht
- mooi/lelijk
- verwerpelijk
- geweldig
enz.


Let op:meestal zit het beoordelend verband niet keurig tussen twee alinea's in. Het kan tussen twee aparte teksten voorkomen en het kan binnen één alinea voorkomen of zelfs binnen één zin.


6.5 Het argumenterend verband (blz.94-96)


We onderscheiden twee soorten:
1. stelling - argument:de ene alinea bevat een stelling (mening of uitspraak), de alinea die daarna komt, bevat het argument om de lezer van de juistheid van die stelling te overtuigen;
2. argument - conclusie:hier wordt de alinea met de stelling als conclusie na de alinea met het argument geplaatst.
Signalen:
Bij stelling - argument: namelijk, want, immers, baseren we op,
blijkt/volgt/spreekt uit.
Bij argument - conclusie: dus, hieruit volgt, concluderend,
kunnen we afleiden.


Let op:
- Vaak wordt het argumenterend verband niet met een signaal aangeduid.
- Als er sprake is van meerdere argumenten, dan vormen die met elkaar een opsommend verband.
Soms is er dan ook een aankondiging, bijv.: "Hiervoor heb ik drie argumenten."
- Soms geeft de schrijver naast hoofdargumenten ook subargumenten (ondergeschikte argumenten) om die hoofdargumenten aannemelijk te maken.
- Naast pro-argumenten worden er bij een stelling soms contra-argumenten gegeven, die de schrijver dan weer probeert te weerleggen.
- Wanneer een alinea met een voorbeeld niet bedoeld is als verduidelijking, maar als argument bij een alinea met een stelling, dan is er sprake van een argumenterend verband (en niet van een uitleggend verband).


6.6 Het samenvattend verband (blz.103-105)


Het samenvattnd verband verbindt een samenvattende alinea met twee of meer voorafgaande alinea's. Zo'n samenvattende alinea staat aan het eind van een tekst of aan het eind van een (afgerond) gedeelte van een tekst.
Een samenvattende alinea kan twee vormen aannemen:


1. de terugblikkend - aanduidende vorm: de schrijver verwijst terug naar het voorafgaande. Van dit voorafgaande wordt alleen het onderwerp aangeduid.
2. de herhalend - weergevende vorm: de schrijver herhaalt kort de hoofdgedachten van het voorafgaande (dus niet alleen het onderwerp wordt aangeduid, maar ook wat daarover gezegd is, wordt weergegeven).
Signalen:De belangrijkste aanduider is de plaats van de alinea, nl. aan het slot van een tekst(deel).
Signalen zijn verder: samenvattend, dus, met andere woorden, alles overziend, kortom, enz.
Let op:Soms staat aan het eind van een tekst(deel) een slotconclusie, waarin uit het voorafgaande iets afgeleid wordt. Er is dan sprake van een argumenterend verband.
Signaal: bijv.: concluderend (mogen we stellen).
Soms zijn de signalen gelijk aan die van een samenvatting.


6.8 Nogmaals de alinea: verbanden tussen zinnen (blz.116)
Tussen de zinnen van een alinea bestaan dezelfde verbanden als tussen alinea's. Ook zinnen kunnen opsommend, tegenstellend, uitleggend enz. verbonden worden.


Verbanden tussen zinnen
Tussen de zinnen van een alinea bestaan dezelfde verbanden als tussen alinea's.


Hoe herken je alineaverbanden?


1. Algemeen
1. Kijk naar de signaalwoorden in de kernzinnen (als het goedgebouwde alinea's zijn: 1e, 2e of laatste zin).
2. Probeer de hoofdgedachten in de kernzinnen te begrijpen. Tracht vervolgens het verband tussen deze hoofdgedachten vast te stellen door te kijken naar punt 2. hierna.
 


Hoofdstuk 7 De compositie van de tekst (pag. 120-156)


Zinnen worden samengevoegd tot een alinea. Alinea's worden geordend tot een tekst. De manier waarop alinea's geordend zijn, bepaalt de compositie van de tekst.


De grootste samenstellende delen van een tekst zijn de inleiding, het middendeel (de kern) en het slot.


Inleiding
pakkende inzet gericht op de lezer
aanduiding van
onderwerp/vraagstelling
(aankondiging opbouw middendeel)
Middendeel
behandeling van het onderwerpgericht
onderwerp
Slot
samenvatting of conclusie gericht op de lezer
aanzet tot actie
indringende stijl


Tekstkern
De tekstkern betekent voor de hele tekst wat de kernzin betekent voor de alinea: hij drukt de hoofdgedachte van de tekst uit.
Niet-betogende teksten hebben doorgaans het onderwerp en de vraagstelling in de inleiding staan en een antwoord op de vraagstelling in het middendeel.
Betogende teksten hebben doorgaans het onderwerp, de vraagstelling èn het antwoord op de vraagstelling (stelling of conclusie) in de inleiding staan, en de argumentatie voor de stellingname in het middendeel.


De vraagstelling uit de inleiding geeft het beste aan waar de tekst over gaat; de vraagstelling bepaalt ook welk compositiepatroon de tekst kan hebben.


Taaldaden onderscheidt vijf mogelijkheden om inleiding, middendeel en slot op te bouwen; dit zijn de zgn. compositiepatronen:


1. Verleden, heden en toekomst (ontwikkelingspatroon)
Inleiding
Onderwerp: Een gegeven met ontwikkeling in de tijd.
Vraag : Wat is er in de tijd gebeurd/veranderd?
Middendeel
Antwoord : Beschrijving van de ontwikkeling.
Slot
Samenvatting of conclusie.
Kenmerkende alineaverbanden:
temporele opsomming in het middendeel.


2. Verdeel en heers (indelingspatroon)
Inleiding
Onderwerp: Een samengesteld gegeven; aanduiding omvangrijke en ingewikkelde stof.
Vraag : Welke aspecten, onderdelen, soorten, e.d. zijn er?
Middendeel
Antwoord : Behandeling van de aspecten, onderdelen, enz.
Slot
Samenvatting of conclusie.
Kenmerkende alineaverbanden:
(aankondigende) opsomming en subopsomming in het middendeel.


3a. Verschijnsel en verklaring (verklaringspatroon)
Inleiding
Onderwerp: Het te verklaren verschijnsel.
Vraag : Welke oorzaken, welke redenen?
Middendeel
Antwoord : Behandeling oorzaken en redenen.
Slot
Samenvatting of conclusie.
Kenmerkende alineaverbanden:
oorzaak/reden aangevend verband tussen inleiding en middendeel.


3b. Probleem en oplossing (oplossingspatroon)
Inleiding
Onderwerp: Iets wat een probleem is.
Vraag : Wat is de oorzaak en hoe is dit probleem op te lossen?
Middendeel
Antwoord : Behandeling van oorzaken en oplossingen.
Slot
Samenvatting of conclusie.
Kenmerkende alineaverbanden:
probleem (=gevolg) in de inleiding en oorzaak plus oplossing (middel om oorzaak te bestrijden) in het middendeel.


4. Voor en tegen (waarderingspatroon)
Inleiding
Onderwerp: Iets met voor- en nadelen.
Vraag : Wat zijn de voor- en nadelen?
Middendeel
Antwoord : De behandeling de voor- en nadelen.
Slot
Afweging: Wat weegt het zwaarst?
Kenmerkende alineaverbanden:
tegenstelling tussen positieve en negatieve eigenschappen in het middendeel.


5. Beweren en bewijzen (betogend patroon)
Er zijn twee mogelijkheden bij dit compositiepatroon:


1.
Inleiding
Onderwerp: Iets waarover je van mening kunt verschillen.
Vraag : Een vraag of vragen daarover.
Middendeel
Antwoord : Antwoord(en) met argumenten.
Slot
Samenvatting of conclusie.


2.
Inleiding
Onderwerp: Iets waarover je van mening kunt verschillen.
Vraag : Een vraag of vragen daarover.
Antwoord : Kort(e) antwoord(en)
Middendeel
Ondersteuning: argumenten.


Slot
Conclusie = herhaling van antwoord(en).
Kenmerkende alineaverbanden:
argumenterend verband tussen inleiding/slot en middendeel; opsomming argumenten en tegenstelling tussen pro's en contra's.
De compositiepatronen 1 en 2 komen voor in tamelijk objectieve teksten: beschrijvingen en uiteenzettingen.
Patronen 3 en 4 komen voor in beschouwingen waarin oplossingen, verklaringen en waarderingen gegeven zijn.
Compositiepatroon 5 komt voor in veelal subjectieve teksten: betogen waarin een persoonlijk standpunt verdedigd wordt.
Opmerking:
Niet zelden combineert een schrijver compositiepatronen. Kies bij de beantwoording van de vraag naar het compositiepatroon de meest dominante compositievorm.


Hoofdstuk 8 Richtlijnen voor de opbouw van een zakelijk opstel en een mondelinge voordracht (pag. 157-173)


(zie voor een precieze uitwerking Het opstel elders in deze syllabus)


Fasering:
1. Noteer gedachten die n.a.v. een onderwerp opkomen: de brainstorm(bedoeld als primaire inventarisatie van onderdelen die opgenomen kunnen worden in de tekst).
2. Stel de aard van het onderwerp vast (op basis van de brainstorm) en maak een keus voor het compositiepatroon.
3. Maak een selectie uit de brainstormlijst van gedachten die opgenomen kunnen worden in de tekst en breng die gedachten in een logische ordening (denk aan de alineaverbanden).
4. Bedenk een inleiding en een slot voor het opstel overeenkomstig de eisen die aan die delen gesteld worden.
5. Schrijf het opstel (eerst in klad); gebruik het invulschema voor fase 3 en 4.
6. Controleer het opstel op taalgebruik.
Op basis van deze fasering geeft Taaldaden op pag. 162 een bruikbaar invulschema.


Afdeling 3 Het doel en het publiek van de tekst


Hoofdstuk 9 Het doel van de tekst (pag. 176-207)


Tekstdoelen
Teksten worden geschreven met een doel.
Om een gesteld doel bij een publiek te bereiken, bedient de schrijver/spreker zich van taaldaden: hij belooft, hij biedt aan, hij deelt mee, hij vraagt, hij beloont, etc.
Aan het beoogde doel en het type taaldaden kan de soort tekst worden herkend. De volgende tekstdoelen zijn te onderscheiden:


Tekstdoel


expressief
doel: het kenbaar maken van gevoelens of een bepaalde houding


diverterend
doel: het vermaken van de lezer


informatief
doel: het vergroten van de zakelijke kennis van de lezer


persuasief/
directief
doel: het beïnvloeden van de lezer


tekstsoort
gelukstelegram, dagboek, recensie
roman, verhaal, cartoon
reisverslag, nieuwsbericht, schoolboektekst, wetenschappelijk artikel
opiniërend stuk, pamflet, gebruiksaanwijzing, goede-raad-rubriek


taaldaad
gelukwensen, beoordelen, zijn hart luchten
vertellen, grappen maken
beschrijven, berichten,
uiteenzetten,
verklaren
betogen, aansporen tot, adviseren
aanwijzingen geven
N.B. Teksten voor schoolgebruik zijn vaak òf informatief òf persuasief.
Informatieve teksten bestaan uit feiten, meningen en argumenten;
persuasieve teksten bevatten dezelfde elementen maar daarbij dienen de argumenten om te overtuigen (bijv. bij een controversiële kwestie of i.v.m. de noodzaak tot verandering of tot actie).


Verhalende opstellen
Bij een goed verhalend opstel is gelet op:
stijlfouten
stijlkwaliteit
het vertelperspectief
de tijdsvolgorde
de uitwerking van figuren en omstandigheden
de dialoog
de thematische samenhang
doel- en publiekgerichtheid


Hoofdstuk 10 Het publiek van de tekst


Een schrijver bereikt zijn publiek alleen als het zijn tekst kan en wil lezen. In het algemeen moet de schrijver ervoor zorgen dat zijn tekst begrijpelijk, belangwekkend en aangepast is. Stem daarom de tekst af op het referentiekader van het publiek (pag. 218).
Bij de beoordeling van de publiekgerichtheid van een tekst geeft de lezer commentaar op:


Begrijpelijkheid
Criteria:
1. woordkeus
2. zinsbouw
3. abstractie/stijl
4. opbouw
5. presentatie
6. referentiekader/
afstemming


Belangwekkendheid
Criteria:
1. functionaliteit
(= doelgerichtheid)
2. attractiviteit
(= aantrekkelijkheid)


Aangepastheid
Criterium:
1. levensvisie van de lezer
(aleen bij controversiële teksten)Schaduwzijden van publiekgerichtheid
1. simplificatie (= vereenvoudiging)
2. divertiment (= amusement)
3. sensatie (= opschudding)
4. conservatisme (= behoudzucht)


Een spoedcursus 'Schrijven van reclameteksten'
De onderdelen van een reclametekst zijn doorgaans:
kopregel
hoofdtekstblok
merknaam
slagzin of slogan
coupon
Reclameschrijvers doen een beroep op het gevoel van de consument
(appeal); zij gebruiken daarbij 'verborgen verleiders'.
Reclametaal is vlot en leuk, eenvoudig en begrijpelijk.

 

 

 

 
 

                     

Statistische gegevens   U bent bezoeker/ster       -   L. de Groot - 07-07-2002