|
Stijlfouten
1. Contaminatie
Contaminatie is de samenvoeging van twee correcte woorden of uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde betekenen, tot een onjuiste constructie. (Het woord betekent eigenlijk bederf of samensmelting).
Voorbeelden:
1. Hij is er niet mee op de hoogte.
2. Het woord boter is uit het latijn ontleend.
3. Dat werk behoort tot een van de beste boeken van Wolkers.
4. Dat kost duur.
5. Ik ben het verloren.
Samengevoegd zijn:
1. 'mee bekend' en 'van op de hoogte'
2. 'ontleend aan' en 'overgenomen uit'
3. 'behoort tot de beste' en 'is een van de beste'
4. 'is duur' en 'kost veel'
5. 'ben kwijt' en 'heb verloren'
2. Dubbele ontkenning
Dubbele ontkenning is het twee keer gebruiken van een ontkenning. Het gevolg is dat strikt genomen het tegenovergestelde beweerd wordt van wat in feite bedoeld is.
Voorbeelden:
1. De commandant had verboden dat er niemand op het strand zou komen.
(niemand moet zijn iemand)
2. Wij zullen al het mogelijke doen om te voorkomen, dat dit nietnog eens gebeurt.
(niet moet weg, want voorkómen betekent: zorgen dat iets nietgebeurt)
3. Wij hebben nooit geen klachten.
(óf: nooit, óf: geen)
3. Foutief gebruikte beknopte bijzin
Een beknopte bijzin is een bijzin zonder onderwerp en persoonsvorm.
Een foutief gebruikte beknopte bijzin is een bijzin die verwarring kan veroorzaken m.b.t. de betekenis van de zin.
Voorbeelden:
1. Ernstig aan het hoofd gewond vervoerde men de man naar het ziekenhuis.
(Het lijkt of 'men' gewond is).
2. Vrolijke kampliedjes zingende werden de aardappels geschild.
(Het lijkt of de 'aardappels' zingen).
De oplossing is het veranderen van de beknopte bijzin in een gewone bijzin, met een onderwerp en een persoonsvorm.
Dus: Men vervoerde de man, die ernstig aan het hoofd gewond was, naar het ziekenhuis.
Terwijl we vrolijke kampliedjes zongen, werden de aardappels geschild.
4. Foutieve inversie
Foutieve inversie is het ten onrechte plaatsen van het onderwerp achter de persoonsvorm. (Bij (correcte) inversie staat het onderwerp (terecht) achter de persoonsvorm).
Voorbeelden:
1. Gisteren heb ik hard gewerkt en ga ik vandaag luieren.
(De bijwoordelijke bepaling 'vandaag' moet, net als de bijwoordelijke bepaling 'Gisteren' vóór de persoonsvorm staan).
2. Gisteravond ben ik naar de film geweest en heb ik toen erg genoten.
(De bijwoordelijke bepaling 'toen' moet net als de bijwoordelijke bepaling 'Gisteravond' vóór de persoonsvorm staan).
3. De hond vloog de haas achterna, maar kon hij het dier niet inhalen.
(Het onderwerp 'De hond' staat vóór de persoonsvorm; het verwijswoord 'hij' moet dan ook vóór de persoonsvorm staan).
5. Foutieve samentrekking
Een foutieve samentrekking is het weglaten van zinsdelen die
1. niet dezelfde grammaticale functie,
niet dezelfde betekenis of
niet dezelfde plaats hebben t.o.v. de persoonsvorm.
Voorbeelden:
1. Die tent vond ik te duur en leek mij te groot.
(functie: Die tent is lijdend voorwerp in het eerste deel, maar onderwerp in het tweede deel van de zin.
Correct is: (...) en hij leek mij te groot).
2. Gisteren zijn we hier aangekomen en voelen ons nu al thuis. (plaats: Gisteren staat voor de persoonsvorm in het eerste deel; nu staat erachter.
Correct is: (...) en nu voelen we ons al thuis).
3. Hij zette zijn hoed op, de radio af en een heerlijk potje thee.
(betekenis: het werkwoord "zetten" heeft hier drie verschillende betekenissen.
Correct is: "zette" 3x gebruiken, maar dat is stilistisch niet fraai, dus beter is bijvoorbeeld: (...) deed de radio uit en maakte een heerlijk potje thee).
6. Hiaat
Een hiaat is het ontbreken van een woord of enkele woorden in een zin.
Voorbeelden:
1. Als we de geschiedenis nagaan, heeft de techniek zich wel enorm ontwikkeld.
(Correct is bijvoorbeeld: (...) dan blijkt dat de techniek (...)).
2. Als we naar zijn stijl kijken, dan maakt hij nog wel veel fouten. (Correct is bijvoorbeeld: (...) dan zien we dat hij (...)).
3. Ik ben overtuigd dat hij komt. ("ervan" ontbreekt).
4. Ze belde dat ze zou komen.
(Correct is bijvoorbeeld: (...) om te zeggen dat ze (...)).
7. Incongruentie of discongruentie
Incongruentie of discongruentie is het niet-overeenkomen (niet congruent zijn) wat betreft getal (enkelvoud of meervoud) van onderwerp en persoonsvorm.
Voorbeelden:
1. De politie, die al spoedig aanwezig waren, hebben enkele arrestaties verricht.
(waren moet zijn was; hebben moet zijn heeft).
2. Een aantal bestuursleden gingen niet akkoord.
(gingen moet zijn ging).
3. De kosten die de reparatie met zich meebrengen, worden vergoed.
(meebrengen moet zijn meebrengt).
8. Pleonasme
Pleonasme is iets overbodigs formuleren. (Het woord betekent eigenlijk overtolligheid of overvloedigheid).
Voorbeelden:
1. De weinige aanwezige bezoekers genoten van de wedstrijd.
(aanwezige is overbodig)
2. De rector pleegt aan het begin van het schooljaar gewoonlijk een speech te houden.
(gewoonlijk is overbodig, want pleegt betekent gewoonlijk iets doen).
9. Tautologie
Tautologie is twee keer hetzelfde formuleren.
Voorbeelden:
1. Met veel geestdrift en enthousiasme werd er gespeeld.
2. Maar de verdediger had deze opzet echter doorzien.
3. Het is nodig van een wisselspeler gebruik te moeten maken.
10. Symmetriefouten
Symmetriefouten zijn fouten tegen een gelijkwaardige constructie van een zin. Een symmetriefout ontstaat bijvoorbeeld als je enkelvoud en meervoud van zelfstandige naamwoorden , voornaamwoorden ("men", "je", "we") of onvoltooide en voltooide tijd in één zin gebruikt.
Voorbeelden:
1. Nederlanders spreken gewoonlijk meer talen dan de buitenlander.
2. We kwamen laat thuis en hebben pas om 9 uur gegeten.
3. Als we naar dit stencil kijken, ziet men ...
11. Verkeerde woordplaatsing
Verkeerde woordplaatsing is het noteren van een woord op een onjuiste plaats in de zin. Strikt genomen wordt de betekenis daardoor anders dan bedoeld is.
Voorbeelden:
1. Ik geef je in het vervolg de raad goed op te letten.
(waarom niet nu?)
2. Iedereen is niet zo slim als jij.
(Dus: niemand?)
12. Verwijsfouten
Verwijsfouten zijn fouten in het gebruik van verwijswoorden.
12.1. Het verwijswoord past niet bij het antecedent
(= woord(en) of zin waar het verwijswoord naar verwijst)
A. Qua getal (enkelvoud - meervoud)
Het komt nogal eens voor dat met een meervoudig verwijswoord naar een enkelvoudig antecedent wordt verwezen.
Voorbeelden:
1. De gemeenteraad heeft er lang over gesproken. Uiteindelijk hebben ze de definitieve beslissing uitgesteld.
2. De groep kon worden ingerekend. Het bleek dat ze bij elkaar voor meer dan anderhalf miljoen gulden aan artikelen hadden buitgemaakt.
B. Qua geslacht (mannelijk - vrouwelijk - onzijdig)
Voorbeelden:
1. Rotterdam (onzijdig) gaat haar (vrouwelijk) haventarieven herzien.
2. Het kabinet (onzijdig) heeft tijdens haar (vrouwelijk) wekelijkse vergadering ...
3. De politie (vrouwelijk) deed zijn (mannelijk) best.
C. Qua vorm
1. Dat - wat
De hoofdregel is dat je dat gebruikt.
Een veel voorkomende fout is: wat i.p.v. dat bij het-woorden (onzijdige woorden).
Voorbeeld:
Wanneer krijg ik eindelijk dat boek wat ik van je mocht lenen?
(wat moet dat zijn).
Uitzonderingen:
Je gebruikt wat i.p.v. dat in de volgende vier gevallen:
- als het antecedent een hele zin is:
Ze fietsen op het schoolplein, wat niet mag.
- als het antecedent in het woord opgesloten zit:
Ze kregen wat ze verdienden.
- na de woorden dat, datgene, al, alles, veel,
iets, niets:
Is dat alles wat je te zeggen hebt?
- na een overtreffende trap:
Dat is het laatste wat ik zou willen.
2. Waaraan - aan wie
Voorbeeld:
De man waaraan ik denk, is erg aardig.
Waaraan moet zijn aan wie, dat gebruikt wordt voor personen. In alle andere gevallen gebruik je waaraan.
12.2 Het verwijswoord heeft geen (duidelijk) antecedent
Soms slaat een verwijswoord op iets waaraan je wel hebt gedacht, maar wat niet letterlijk zo in de tekst staat:
Voorbeelden:
1. Het Nederlandse klimaat is er de oorzaak van dat astma hier zo moeilijk geneest. (ontbrekend antecedent: Nederland).
2. De Amerikanen zijn voor democratie, maar daar is de discriminatie het ergst. (ontbrekend antecedent: Amerika)
13. Verwisseling
Verwisseling is het onjuist gebruik van een woord dat op een
ander woord lijkt.
Voorbeelden:
hun (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en bezittelijk voornaamwoord)
hen (alle andere gevallen, met name: lijdend voorwerp en voorzetsel + hen).
(Fout is: Hun hebben...)
als (even groot als - dus bij de stellende trap)
dan (groter dan - dus bij de vergrotende trap)
omdat (om een reden, een menselijke overweging)
doordat (door een oorzaak, buiten de menselijke wil)
geneigd (de neiging hebbend)
genegen (bereid)
te danken aan (een positief beoordeeld gevolg)
te wijten aan (een negatief beoordeeld gevolg)
genoodzaakt (gedwongen in het algemeen)
verplicht (wettelijk gedwongen)
zodoende (door zo te doen)
daardoor/
daarom (door die oorzaak/reden)
indertijd (vaag bepaald tijdstip: vroeger)
destijds/toentertijd (precies bepaald tijdstip: toen)
schijnbaar (het lijkt zo)
blijkbaar (het is zo)
aansprakelijk (financiële verplichtingen hebbende)
verantwoordelijk (verplichtingen in het algemeen hebbende)
BEELDSPRAAK
Metafora en metonymia
Men spreekt van beeldspraak als iets vergeleken wordt met of vervangen door de naam van iets anders.
Er zijn twee hoofdgroepen:
A. metafora= de beeldspraak die berust op een overeenkomst;
B. metonymia = de beeldspraak waarbij het noemen met een andere naam niet geschiedt op grond van overeenkomst, maar op grond van een andere relatie.
Ad A.
Tot de metafora behoren:
1. de vergelijking met "als":
het te vergelijken object en het beeld worden beide genoemd en verbonden door "als" of "zoals".
Bijv.: De dood komt als een dief in de nacht.
2. de asyndetische vergelijking:
het te vergelijken object en het beeld staan zonder enig verbindingswoord naast elkaar.
Bijv.: Kom, leg uw hand op dit papier, mijn huid.
3) de metafoor in engere zin:
het te vergelijken object wordt vervangen door het beeld.
Bijv.: De hemel, waarin grauwe bergen lood stonden.
4) de personificatie:
een begrip of een voorwerp wordt voorgesteld als een levend wezen.
Bijv. Een rij auto's kroop langzaam over de snelweg.
5) de synesthesie:
het met elkaar verbinden van indrukken van verschillende zintuigen.
Bijv.: bittere woorden (smaak-gehoor).
schreeuwende kleuren (gehoor-gezicht).
Ad B.
Bij de metonymia gaat het om een nauwe relatie tussen het "beeld" en datgene wat verbeeld wordt.
De meest voorkomende gevallen zijn:
1. De maker i.p.v. het gemaakte voorwerp.
Bijv.: Bij mij thuis hangt een Picasso.
2. De plaats waar een product gemaakt wordt i.p.v.
het product.
Bijv.: Geef mij nog een Spa.
3. Het voorwerp dat iets bevat i.p.v. de inhoud.
Bijv.: Geef mij nog een kopje.
4. Het materiaal van een voorwerp i.p.v. het
voorwerp zelf.
Bijv.: Op gierend rubber ging hij door de bocht.
5. Een deel i.p.v. het geheel (pars pro toto).
Bijv.: Vele oren luisterden naar mijn verhaal.
6. Het geheel i.p.v. een onderdeel (totum pro parte)
Bijv.: Nederland won met 2-0.
Einde
|