Havo-versie
Vorige Start Volgende                      Nederlands - een vaklokaal op Internet

 

 

GESCHIEDENIS VAN DE
NEDERLANDSE LITERATUUR

TUSSEN 1170 EN 1985
VOOR 4 en 5 HAVO

 

 

INLEIDING

Onder Nederlandse literatuur verstaan we werken met kunstwaarde die oorspronkelijk geschreven zijn in de Nederlandse taal.

Het zijn de vaklieden die bepalen of een boek wel of geen literatuur is. Bij deze beoordeling spelen altijd begrippen als originaliteit en creativiteit van de auteur een rol. Belangrijk is het verder te bedenken dat literatuur in principe fictie (= door de schrijver verzonnen) is. Ook de tijd van ontstaan van een werk is dikwijls bepalend voor de waardering.

Voor de lezer is identificatie (= het herkennen van situaties uit je eigen leven) niet zelden beslissend voor zijn mening over een boek.

DE MIDDELEEUWEN: ±1170 - ±1550

Veel middelnederlandse literatuur is geschreven in dichtvorm, omdat de boeken uit die tijd niet bedoeld waren om gelezen te worden, maar om voorgedragen en beluisterd te worden. Bovendien is een tekst op rijm makkelijker te onthouden. En de voordrachtskunstenaars konden teksten in dichtvorm nu eenmaal beter onthouden en gemakkelijker voordragen.

Enkele algemene kenmerken van de middeleeuwen zijn:

1. God is centraal bij alles wat men denkt en doet.

2. Er is een sterk gemeenschapsgevoel, met één geloof: het katholicisme.

3. De cultuur is statisch, d.w.z. er is weinig verandering.

4. Het leven is in de beginperiode geconcentreerd op het platteland.

5. Er is een standenmaatschappij met drie standen:

1. adel,

2. geestelijkheid,

3. burgerij.

Tot ca. 1430 kunnen de middelnederlandse werken in drie periodes volgens de drie standen verdeeld worden.

Eerste periode: ±1170 - ±1300

Ridderlijke literatuur:

hiertoe behoren de ridderromans.

Er zijn twee soorten ridderromans:

1. niet-hoofse romans, met:

- ruwe ridders,

- ondergeschikte positie v.d. vrouw,

- trouw en ontrouw aan de leenheer.

2. hoofse romans, met:

- moedige en slimme ridders,

- verering van de vrouw.

Geestelijke literatuur: vooral heiligenlevens.

Burgerlijke literatuur: didactische werken (om de mensen iets te leren).

Tweede periode: ±1300 - ±1430

Ridderlijke literatuur:

abele spelen (toneelstukken met de hoofse liefde (verering v.d. vrouw) als thema).

Geestelijke literatuur:

legenden (verhalen met heilige figuren en minstens één wonder).

Burgerlijke literatuur: o.a. geschiedenisboeken en liederen.

Derde periode: ±1430 - ±1550

Dit is de periode van de rederijkers. Deze waren verenigd in rederijkerskamers: verenigingen ter beoefening van voordracht, toneel en poëzie.

Zij schreven en speelden drie soorten toneelstukken:

1. Mysteriespelen: over geloofsgeheimen.

2. Mirakelspelen: waarin wonderen voorkomen.

3. Moraliteiten of sinnespelen: waarin een wijze les wordt geleerd door allegorische figuren (personificaties van eigenschappen of begrippen).

DE RENAISSANCE: ±1550 - ±1670

Vanaf ca. 1550 verandert de Nederlandse literatuur onder invloed van de Renaissance. Dit is letterlijk wedergeboorte: de herleving van de klassieke, d.w.z. de Griekse en Romeinse, cultuur.

De mensen die de geschriften uit de klassieke tijd (±400 vóór - ±400 ná Christus) bestudeerden en opnieuw uitgaven, worden humanisten genoemd, (beroemd werd Erasmus).

De algemene kenmerken van de Renaissance zijn:

1. Individualisme: aandacht voor de mens als individu.

2. Werkelijkheidszin: genieten van het aardse leven.

3. Nationalisme: streven naar een eigen staat en een eigen taal.

4. Grote invloed van de klassieke cultuur.

5. Behoefte aan onderzoek, ontdekkingen en uitvindingen.

6. De burgerij en de steden worden belangrijker dan de adel, de geestelijkheid en het platteland.

7. Het scheppen van schoonheid staat voorop in de kunst (eerder dan het eren van God).

De vijf grote schrijvers uit die tijd zijn:

J. Cats, P.C. Hooft, G.A. Bredero, J. v.d. Vondel en C. Huygens.

Een belangrijk literair genre uit die tijd is het klassieke drama, een toneelstuk dat uit vijf bedrijven bestaat en als hoofdpersoon een tragische held heeft.

CLASSICISME EN VERLICHTING: ±1670 - ±1770

Zowel bij classicisme als bij verlichting neemt het menselijk verstand (de ratio) een centrale plaats in. We spreken in dit verband van rationalisme.

Classicisme houdt in:

strikte naleving van allerlei regels en voorschriften betreffende de vorm van literaire werken, zoals ordelijkheid, duidelijkheid en streven naar volmaakte vormgeving; de klassieke en Franse auteurs dienen hierbij als voorbeeld;

men komt samen in dichtgenootschappen (literaire verenigingen), die ervan uitgaan dat het maken van literaire weken te leren is als men maar enige aanleg heeft en zich aan regels en voorschriften houdt.

Verlichting houdt in:

vooruitgangsgedachte (optimisme): met het verstand kan men de waarheid achterhalen en alle problemen oplossen;

opvoedkundige bedoelingen: men probeert het volk dat nog in "duisterheid"(onwetendheid) leeft, te beschaven.

Twee belangrijke auteurs uit die tijd zijn: P. Langendijk en J. van Effen.

ROMANTIEK: ±1770 - ±1880

De romantische mens verwerpt de strakke vormen en regels van het classicisme en legt (als reactie op het rationalisme) het accent op het gevoelsleven. Hij is niet gelukkig met de tijd waarin en de plaats waar hij leeft. Hij kan zijn gevoelens op de volgende manieren uiten:

A. Zich afzetten tegen het gewone leven door:

1. individualisme (anders proberen te zijn dan anderen);

2. opstandigheid.

B. Vluchten uit het gewone leven:

1. vluchten in de natuur;

2. vluchten in het verleden;

3. vluchten naar verre landen;

4. vluchten in de humor;

5. vluchten in het geloof;

6. vluchten in de dood.

Er zijn vier perioden:

1. Het begin van de romantiek: 1770-1805,

met o.a. - B. Wolff en A. Deken;

- R. Feith.

2. De ontplooiing van de romantiek: 1805-1830,

met o.a. - A.C.W. Staring.

3. De volle romantiek: 1830-1855,

met o.a. - J. v. Lennep,

- E.J. Potgieter,

- H. Conscience,

- A.L.G. Bosboom-Toussaint,

4. Het naspel van de romantiek: 1855-1880,

met o.a. - Multatuli,

- Piet Paaltjens.

DE PERIODE 1880 - 1940

DE TACHTIGERS (rond 1880):

De Tachtigers zetten zich af tegen de romantische "domineespoëzie", simpele rijmen met een boodschap.

Hun uitgangspunten zijn:

1. Individualisme:

poëzie moet uitdrukking geven aan wat de dichter innerlijk het diepst ontroert.

2. L'art pour l'art:

bij het schrijven mag de schrijver alleen de kunst voor ogen hebben.

3. Vorm en inhoud zijn één:

de inhoud mag niet ten koste van de woorden en de versbouw gaan.

4. Estheticisme:

de schrijver moet in zijn taalgebruik vooral "schoonheid" nastreven.

5. Impressionisme:

hierbij gaat het om het weergeven van de sfeer of de stemming d.m.v. detailindrukken.

Het taalgebruik van het impressionisme wordt gekenmerkt door:

a. veel bijvoeglijke naamwoorden;

b. vergelijkingen;

c. neologismen (nieuw gevormde woorden).

De Tachtigers richten zich ook tegen het idealiserende proza van de romantiek.

Dat idealiserende proza wordt gekenmerkt door:

- edelmoedige en deugdzame hoofdpersonen;

- weinig karakteruitbeelding;

- het goede wordt beloond, het kwade bestraft.

De Tachtigers introduceren als reactie daarop het naturalisme.

De kenmerken van het naturalisme zijn:

- de hoofdpersoon is onevenwichtig en gaat vaak ten onder aan het noodlot;

- het (nood)lot van de hoofdpersoon wordt bepaald door de factoren:

- erfelijkheid;

- milieu (sociale omgeving en opvoeding);

- geen moreel oordeel: de personages worden onpartijdig gepresenteerd.

Het tijdschrift waarin de Tachtigers publiceren heet "De nieuwe gids".

Belangrijke Tachtigers zijn:

W. Kloos, A. Verwey, H. Gorter, F. v. Eeden, L. v. Deyssel,

M. Emants en L. Couperus.

Vanaf 1890

wordt de "l'art pour l'art-gedachte" steeds meer losgelaten:

In de jaren `90:

werken met filosofische inhoud

(P.C. Boutens, J.H. Leopold).

Vanaf 1900:

sociaal realisme:

geëngageerde (d.w.z. op de maatschappelijke situatie gerichte) literatuur

(H.. Heijermans, T. Thijssen).

PSYCHOLOGISCH REALISME (ongeveer 1900):

In deze periode wordt het innerlijk (gedachten, gevoelens, enz.) van de personages wordt zo realistisch mogelijk weergegeven.

(I. Boudier-Bakker, F. Coenen, J. v. Oudshoorn, C. Debrot en A. Helman).

NEO-ROMANTIEK (ongeveer 1910):

Kenmerken:

vlucht in de fantasie, in het gevoel en in het verleden (terugkeer van de historische roman, maar zonder idealisering van het verleden);

vage tijd- en plaatsaanduidingen, het gaat om de sfeer van een vroeger tijdperk en om de innerlijke beleving van de romanpersonages.

(L. Couperus, A. v. Schendel, A. v.d. Leeuw, A. de Wit, J.J. Slauerhoff en Nescio).

NIEUWE ZAKELIJKHEID (ongeveer 1930):

Kenmerken:

korte zinnen met weinig bijvoeglijke naamwoorden;

zakelijke en doelmatige beschrijvingen.

(F. Bordewijk en W. Elsschot).

1932 - 1935:

Het tijdschrift "FORUM":

dat de auteur oorspronkelijk is en een krachtige persoonlijkheid in het kunstwerk uitstraalt, is belangrijker dan de vorm van het kunstwerk: de "vent" is belangrijker dan de "vorm".

(M. ter Braak, E. du Perron en S. Vestdijk).

Periode 1940 - 1945

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd om drie redenen weinig gepubliceerd op literair gebied:

1. de oorlogssituatie;

2. de vervolging van auteurs;

3. een publikatieverbod voor niet-leden van de "Kultuurkamer".

Er is wel vrij veel verzetspoëzie gepubliceerd, ook wel genoemd "geuzenliederen".

Invloed van de Tweede Wereldoorlog:

De literatuur over de Tweede Wereldoorlog kun je als volgt verdelen:

1. boeken met oorlogservaringen van de auteur of hem bekende personen;

2. boeken met de oorlog als decor;

3. boeken met de oorlog als middel om de visie op de oorlog of op het bestaan weer te geven.

Proza tussen 1945 en 1960

Aanvankelijk is er geen nieuwe ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog, maar wordt de Forum-traditie voortgezet.

De nieuwe ontwikkeling treffen we aan in de Blaman-Hermans-Van het Reve-lijn, met de volgende boeken:

1947: De avonden (Gerard Kornelis van het Reve);

1948: Eenzaam avontuur (Anna Blaman);

1949: De tranen der acacia's (Willem Frederik Hermans).

Kenmerken zijn:

1. de hoofdpersonen hebben geen idealen;

2. zij zijn anti-intellectualistisch en a-religieus;

3. de nadruk ligt op de lichamelijkheid;

4. liefde bestaat vooral uit lichamelijke handelingen die geen oplossingbieden voor de problemen van het bestaan. Deze problemen hebben vaak betrekking op eenzaamheid of dood;

5. Taboes worden doorbroken.

Het naoorlogse proza wordt wel "existentialistisch" genoemd, d.w.z. dat de mens in een gruwelijke wereld leeft, maar toch zijn lot in eigen hand houdt (dus zelf (niet God) de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven draagt).

Bij een aantal auteurs is er sprake van geëngageerde literatuur, d.w.z. literatuur die betrokkenheid bij de maatschappij en vooral aandacht voor sociale misstanden toont.

Proza tussen 1960 en 1985

De jaren vijftig

Reeds in de jaren vijftig is er sprake van aantasting van het ontluisterende oftewel deprimerende realisme van de naoorlogse jaren door onrealistische oftewel antimimetische literatuur.

(Bert Schierbeek, W.F. Hermans en Harry Mulisch).

De jaren zestig

In de jaren zestig wordt de werkelijkheidsillusie (en dus het mimetische standpunt) doorbroken met experimentele teksten.

(Sybren Polet).

Intussen wordt in de jaren zestig de "Blaman-Hermans-Van het Reve-lijn" gewoon verder getrokken.

(Jan Wolkers, Hermans, Van het Reve en Mulisch (met reportages)).

De jaren zeventig

Rond 1970 ontstaat als reactie op het experimentele proza het Hollands realisme: realistische en soms parodistische beschrijving van vaak kleinburgerlijke milieus.

(Heere Heeresma, Mensje van Keulen en Maarten 't Hart).

Sinds 1977 blijft het tijdschrift "Raster" experimentele teksten propageren en richt het zich tegen het Hollands realisme.

De jaren tachtig

In de jaren tachtig is er een nieuwe ontwikkeling: aandacht voor de verbeelding in relatie tot de werkelijkheid, ook wel aangeduid als "Revisor-proza" of "Academisme". Hierbij gaat het de auteurs om de vorm, de manier waarop het verhaal "behandeld" wordt.

Kenmerken:

- verhalen in verhalen;

- geleidelijke onthulling van de essentie;

- dubbele bodems;

- wisseling van tijden;

- verandering van perspectief.

(Kooiman, Kellendonk, Meysing, Nooteboom, Mulisch, Leon de Winter en Oek de Jong).

In de jaren tachtig is er dus sprake van een antimimetische tendentie, ook wel postmodernisme genoemd. De auteur gelooft niet meer in de mogelijkheid van werkelijkheidsweergave.

Intussen is er als reactie hierop alweer een opleving van het realisme.

(A.F.Th. van der Heyden).

 
 

                     

Statistische gegevens   U bent bezoeker/ster       -   L. de Groot - 07-07-2002