| ||||
|
|
GESCHIEDENIS VAN DE
1940-1945 Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd om drie redenen heel weinig gepubliceerd op literair gebied: 1. De allesoverheersende oorlogssituatie. 2. De vervolging van joodse, communistische, socialistische en verdachte prominente (= vooraanstaande) auteurs. Jan Campert kwam bijvoorbeeld om in een concentratiekamp, A.M. de Jong werd doodgeschoten, Theun de Vries ontsnapte ternauwernood aan deportatie (= afvoeren naar bijvoorbeeld een concentratiekamp) en Simon Vestdijk werd geïnterneerd (= opgesloten) in een gijzelaarskamp (evenals een aantal andere schrijvers). 3. Een publikatieverbod voor niet-leden van de "Kultuurkamer": een nazistisch controle-orgaan. Veel auteurs wezen een lidmaatschap af en wensten hun creativiteit niet ondergeschikt te maken aan de (uiterst) verwerpelijke politieke ideeën van de bezetter. (Wie toch wilde publiceren deed dat clandestien. Een uitgeverij als De Bezige Bij dankt daaraan haar bestaan.) Verzetspoëzie Er is wel vrij veel verzetspoëzie gepubliceerd, ook wel genoemd "geuzenliederen", een benaming die stamt uit de 80-jarige oorlog tegen Spanje (1568-1648). De verzetsstrijders uit die tijd werden nl. geuzen genoemd. Hun belangrijkste geuzenlied is ons volkslied, het Wilhelmus (ca. 1570). Een befaamd verzetsgedicht uit WO2 is "De achttien dooden" (bekend geworden onder de aanvankelijke titel "Het lied der achttien doden" van (de al genoemde) Jan Campert). In het Geuzenliedboek 1940-1945 (1945, herdruk 1975) is de meeste verzetspoëzie
afgedrukt. Invloed WO2 De Tweede Wereldoorlog heeft veel invloed gehad op schrijvers van na 1945. De literatuur over deze oorlog kun je als volgt verdelen: 1. Boeken met oorlogservaringen van de auteur of hem bekende personen. Enkele representatieve (= geschikt om als voorbeeld te dienen) voorbeelden: Het achterhuis(Anne Frank), Kinderjaren (Jona Oberski), Het bittere kruid, (Marga Minco), Mijn kleine oorlog(Louis Paul Boon), Het meisje met het rode haar (Theun de Vries), Wierook en tranen(Ward Ruyslinck), De nacht der Girondijnen (J. Presser) en diverse publikaties van Etty Hillesum. 2. Boeken met de oorlog als decor of als middel om de visie op de oorlog of op het bestaanweer te geven. Voorbeelden: De aanslag (Harry Mulisch), De donkere kamer (W.F. Hermans), De ondergang van de familie Boslowits (Gerard Reve), Bezonken rood (Jeroen Brouwers), Kort Amerikaans(Jan Wolkers), Pastorale 1943 (S. Vestdijk), De kip die over de soep vloog (Frans Pointl). PROZA TUSSEN 1945 EN 1960 Inleiding In het begin van WO2 zijn de grote (Forum-)critici van het "interbellum" (= de periode tussen WO1 en WO2 - N.B. Dit is "potjeslatijn"; een juiste omschrijving is: "interbellicum tempus"(= tijd tussen de oorlogen)) om het leven gekomen: Ter Braak pleegde zelfmoord, Du Perron stierf aan een hartaanval en Marsman verdronk doordat zijn schip getorpedeerd (= door een torpedo (= soort raket) tot zinken gebracht) werd tijdens een vlucht naar Engeland. Toch zijn er aanvankelijk geen nieuwe ontwikkelingen, maar wordt de Forum-traditie voortgezet, zodat WO2 niet direct een breuk markeert. Nieuwe ontwikkelingen: de Blaman-Hermans-Van het Reve-lijn, (de B-H-R-lijn) Gerard Reve Eén van de nieuwe critici is (de jonge) Willem Frederik Hermans. Als in 1947 De avonden van Simon (=Gerard Kornelis) van het Reve verschijnt, is dát het boek waarin hij het "nieuwe" ontdekt van de toekomstige literatuur. Het "nieuwe" manifesteert zich door de mens "van onder af" te bekijken, zonder "grote gevoelens", idealen, verwachtingen en politieke, artistieke of wetenschappelijke belangstelling. Essentiële kenmerken van het boek zijn verder: 1. De nadruk ligt op wat je alleen kunt zien: de moderne jeugd wordt getoond als typisch produkt van een "ontintellectualiseringsproces" (= proces waarbij de nadruk steeds minder op het gebruik van het verstand komt te liggen). 2. De hoofdpersoon heeft geen illusies (= hoge verwachtingen) t.a.v. het leven: hij droomt vaak, maar nooit van een "beter bestaan". Het is in wezen een gevoelige jongeman, die zich alleen via cynisme (= wrede spot) staande houdt tegen de deprimerende (= ontmoedigende) buitenwereld. 3. De "absurditeit" (zinloosheid) van het bestaan wordt geobserveerd en beschreven. 4. Het is een getuigenis van een gedesillusioneerde (= ontgoochelde) generatie jongeren die de oorlog heeft meegemaakt: het beeldt uit "wat de tijd de jongeren heeft aangedaan". 5. De oorlog blijft onbesproken, wordt zelfs krampachtig verzwegen, maar is als het ware toch op iedere bladzijde aanwezig. De avonden werd als een schokkend boek ervaren, maar nam een sleutelpositie in binnen het literaire leven van na de oorlog. Het gevolg is dat de boeken van de jongere auteurs voortaan a priori beschouwd worden als exponenten (= belangrijke vertegenwoordigers) van de hierboven omschreven karakteristieken (= kenmerken). Anna Blaman Een ander boek dat veel commotie (= opschudding) verwekte, was Eenzaam avontuur (1948) van Anna Blaman. Uit de recensies (= beoordelingen) van deze roman blijkt dat de literaire kritiek nog grotendeels gebaseerd is op levens-beschouwelijke, vaak christelijke gronden, terwijl de nieuwe literatuur juist a- of anti-religieus is. Het morele (= zedelijke) oordeel speelt dus steeds mee en luidt veelal afkeurend. In de huidige visie is er overigens meer aandacht voor de complexe opbouw en voor de sombere zienswijze in het boek dat idealiserende en erotische liefde niet samen kunnen gaan. W.F. Hermans De auteur die in deze periode als het meest aanstootgevend wordt beschouwd is Willem Frederik Hermans. Zijn De tranen der acacia's (1949) wordt gezien als een boek waarin alle hogere waarden lijken te ontbreken en waarin de mens wordt gereduceerd (= teruggebracht) tot zijn (zondige) lichaam. De critici beschouwen het als een typisch product van de naoorlogse schrijversgeneratie, een generatie die geen morele maatstaven meer kent, omdat die verwoest zijn tijdens de bezettingsjaren. Dit ontbreken van morele maatstaven wordt door velen sterk afgekeurd. In deze tijd worden de opmerkelijke structuur (perspectiefwisseling) en de thematiek (de onkenbaarheid van de mens) van meer belang geacht. Hermans gaf in ieder geval een polemische (= strijdvaardige) visie op de bezetting en de bevrijding. Samenvatting Samenvattend is het proza van de "Blamans-Hermans-Van het Reve-lijn" als volgt te karakteriseren (= kenschetsen): 1. De hoofdpersonen hebben geen idealen. 2. Zij zijn anti-intellectualistisch en a-religieus. 3. De nadruk ligt op de lichamelijkheid. 4. Liefde bestaat vooral uit lichamelijke handelingen die geen oplossing bieden voor de problemen van het bestaan. Deze problemen hebben vaak betrekking op eenzaamheid of dood. 5. Morele, seksuele en religieuze taboes worden doorbroken. Overigens komen deze kenmerken ook al voor in proza vòòr WO2. Met name bij Simon Vestdijk (Else Böhler (1935) en - vooral - Meneer Visser's hellevaart(1936)). Existentialisme Het naoorlogse proza wordt wel "existentialistisch" genoemd. Een kenmerk dat zijn herkomst vindt in het (Franse) existentialisme (van o.m. Sartre en Camus), een stroming met als centraal idee: de mens en zijn bestaan, waarbij essentieel (= wezenlijk) is dat de mens de vrijheid heeft, maar ook verplicht is in elke nieuwe situatie te kiezen, als gevolg waarvan hij echter louter zelf de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven draagt, en niet bijvoorbeeld God of een andere metafysische (= bovennatuurlijke) macht. De mens leeft daarbij in een gruwelijke wereld,
maar houdt toch zijn lot in eigen hand. Van expliciete (= duidelijke) invloed van of zelfs ontlening aan dit existentialisme is geen sprake. Er is eerder een parallelle (= gelijksoortige) ontwikkeling in diverse landen als reactie op de oorlog. Invloed is wel uitgeoefend door Céline met zijn boek Voyage au bout de la nuit(= Reis naar het einde van de nacht) (1932), bij wie meer dan bij de Franse existentialistische auteurs de nadruk ligt op de uitzichtloosheid van het leven. Vlaamse auteurs Ontwikkelingen met betrekking tot de visie op de realiteit. Existentialisme Existentialistische kenmerken zijn kort na WO2 te vinden bij Claus en Boon. Anti-clericalisme Een reactie op het overheersende clericalisme (= de visie dat de macht toekomt aan de rooms-katholieke geestelijkheid) is te vinden in het werk van Walschap en Gijsen. Magisch realisme Een manifest (= duidelijk) vertegenwoordiger van het naoorlogse magisch realisme is de Vlaamse auteur Hubert Lampo. De stroming magisch realisme is gebaseerd op de idee dat ieder mens een aangeboren "collectief onbewuste" bezit als deel van zijn hersens. Dit deel zou - volgens de psychiater Jung (een leerling van Freud) - elementen bevatten die behoren tot de gemeenschappelijke erfenis van de mensheid. Deze elementen zijn onder meer het streven naar geluk, het zoeken van het paradijs, een Messias-figuur of een ideale geliefde. Ze worden archetypen genoemd ( =
oer(denk)beelden). Jung kwam op zijn idee omdat hij constateerde dat zulke elementen vóórkomen in mythen (= oude verhalen over bovennatuurlijke wezens) over de hele wereld en in alle tijden. Bovendien merkte hij op dat de elementen ook in dromen aanwezig zijn. Volgens Lampo worden deze archetypen, geactualiseerd (= tot leven gewekt) tijdens het creativiteitsproces (= scheppingsproces), waardoor ze in zijn boeken verschijnen. Zo wordt het "magische" dus geïncorporeerd (= opgenomen) in de realiteit. In de gewone werkelijkheid verschijnen plotseling vreemde, vaak verrassende elementen, die niet (direct) verklaarbaar zijn. Er bestaan ook andere vormen van magisch realisme, bijvoorbeeld dat van Daisne, die vooral de relatie "droom - werkelijkheid" onderzoekt. Engagement Een belangrijk vertegenwoordiger van de geëngageerde literatuur ("littérature engagée"), d.w.z. literatuur die betrokkenheid bij de maatschappij, en vooral aandacht voor sociale misstanden, toont, is Louis Paul Boon. Kenmerkend is zijn uitspraak: "Schop de mensen tot ze een geweten hebben." Later constateert hij echter teleurgesteld: "Wat heeft het alles voor zin!" PROZA TUSSEN 1960 EN 1985 Voorgeschiedenis Aantasting van het ontluisterende realisme zoals dat de naoorlogse jaren domineerde (= overheerste), met De avonden als het prototype (= eerste ontwerp), vond onder meer plaats door Bert Schierbeek (Het boek ik (1951)); maar ook door Hermans in minder bekende werken (Paranoia (1953), De God denkbaar Denkbaar de God(1956), Het evangelie van O.Dapper Dapper (1973)). Deze onrealistische literatuur wordt ook wel antimimetisch (= niet gericht op nabootsing van de werkelijkheid) genoemd. Met name Hermans verdedigt het standpunt dat de (omgangs)taal de werkelijkheid toch niet kan weergeven (alleen exacte wetenschappen kunnen met geformaliseerde (symbolen)taal iets van de realiteit tonen). De schrijver creëert volgens Hermans daarom altijd een mythisch (= zoals in mythen: oude verhalen over bovennatuurlijke wezens, waaruit filosofie en religie blijken; hier: op de eigen levensopvatting gebaseerd) wereldbeeld, conform zijn
persoonlijke visie. (Toch heeft hij in zijn belangrijkste boeken, bijvoorbeeld in De donkere kamer van Damocles (1958), wel degelijk realistische intenties (= bedoelingen)). Harry Mulisch is eveneens een tegenhanger van het deprimerende (= somber stemmende) realisme. Ook zijn uitgangspunt is een mythisch wereldbeeld, vol speelsheid, vooral m.b.t. de fictionaliteit (= het verzonnen karakter) van teksten, en barokke (= overdadige en speelse) fantasie (Archibald Strohalm (1952), Het stenen bruidsbed (1959)). Simon Vestdijk beschrijft met name de verhouding tussen fictie en realiteit in Het glinsterend pantser (1956), Open boek (1957) en De ziener (1959). Experimentele teksten in de jaren zestig Een auteur die in de jaren '60 de werkelijkheidsillusie (= het realisme) doorbreekt en dus het traditionele mimetische (= op nabootsing gerichte) standpunt (de roman is een spiegel van de realiteit) ondermijnt, is Sybren Polet (Breekwater, 1961). De verteller in dit boek onderbreekt de tekst herhaaldelijk met commentaar en onderstreept daarmee het fictieve (= verzonnen) karakter van zijn creatie. Ook andere auteurs breken met de mimetische traditie, bv. Boon (De Kapellekensbaan, (1953)). Ander proza in de jaren zestig De "Blaman-Hermans-Van het Reve-lijn" wordt intussen gewoon verder getrokken, o.a. door Jan Wolkers, door Hermans zelf (Nooit meer slapen (1966)), die als het enig reële in dit sadistische (= wrede) universum (= heelal) de menselijke bloeddorst laat zien, en de andere "godfather", Van het Reve, die in brieven (Op weg naar het einde (1963) en Nader tot u(1966)) merkwaardigerwijze de religie (het katholicisme) herintroduceert in de Nederlandse literatuur en mede een tendens (= ontwikkeling) tot "defictionalisering" (= het
weglaten van verzinsels) bevordert. Ook Mulisch propageert (= maakt reclame voor) deze tendentie (richting), met reportages (De zaak 40/61 (1962), Bericht aan de rattenkoning (1966) en Het woord bij de daad (1968)). Deze ontwikkeling zet echter niet door. Hollands realisme Rond 1970 komt er een reactie op het schaarse experimentele proza. Onder aanvoering van Heere Heeresma (Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972), Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973)) gaan auteurs, deels uit kringen rond het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures (= Bemoei je met je eigen zaken), "leesbare", licht ironische verhalen schrijven. Deze "kleine vertelkunst" is realistisch, maar met parodistische (= spottende) trekjes, niet zelden beperkt tot kleinburgerlijke milieus ("het Hollandse binnenhuisje") en heet dan ook wel Hollands realisme. Maarten 't Hart is de meest bekende vertegenwoordiger van deze richting. Raster Sinds 1977 blijft dit solitaire (= alleenstaande) tijdschrift avant-gardistische (= vooruitstrevende), experimentele teksten propageren (= bevorderen) en richt het zich tegen de traditie van het Hollands realisme. Verbeelding aan de macht In de jaren '80 is er een nieuwe ontwikkeling: aandacht voor de verbeelding in relatie tot de werkelijkheid en tot de macht van de tijd, zoals te vinden bij Cees Nooteboom (Rituelen(1980) en Een lied van schijn en wezen (1981)). De roman als gevecht met de allesvernietigende tijd waartegenover alleen de verbeelding te stellen is, komt thematisch ook aan de orde in het werk van Brakman, bij Kellendonk (Letter en geest (1982)) en bij Doeschka Meijsing (Utopia of de geschiedenissen van Thomas (1982)). Revisor-proza Academisme De tendentie (= ontwikkeling) van realisme naar verbeelding wordt wel aangeduid als Revisor-proza, genoemd naar De revisor, een in 1972 opgericht tijdschrift. Een andere term is "academisme", waarmee bedoeld wordt dat de Revisor-auteurs verhalen in elkaar trachten te knutselen zoals ze op de universiteit (academie) leerden proza te analyseren op basis van de literatuurtheorie. Het gaat de auteurs i.c. (= in casu = in kwestie) niet zozeer om literatuur als zelfexpressie (= uitdrukking van je eigen persoonlijkheid) en als identificatiemogelijkheid (= mogelijkheid tot herkenning) voor de lezer, maar om de vorm, de manier waarop het verhaal "behandeld" wordt, die ter discussie staat, zodat de lezer weet wat hij leest en kritisch kan blijven. Het inlevingsvermogen van de lezer kan hierdoor echter geblokkeerd worden. De literatuur blijft zo een vorm van onderzoek d.m.v. de verbeelding. In tegenstelling tot het radicaal (= zonder
beperkingen) avant-gardistische Raster-proza vertellen de Revisor-schrijvers wel een verhaal met herkenbare personages. De naam Revisor-proza is enigszins misleidend omdat naast bijvoorbeeld Kooiman, Kellendonk, Meijsing en Matsier ook oudere auteurs als Nooteboom, Brakman, Mulisch en Krol in die traditie schrijven en bijvoorbeeld Leon de Winter en Oek de Jong eveneens in deze richting werken. Kenmerken Kenmerkend voor dit proza is het gebruik van "zinvolle omwegen" om daar te komen waar de auteur zichzelf en de lezer wil hebben: 1. verhalen in verhalen 2. geleidelijke onthulling van de essentie (= kern) 3. labyrinthische (= doolhofachtige) structuren 4. associaties (= gedachtensprongen) 5. dubbele bodems 6. wisseling van tijden 7. verandering van perspectief (= vertelwijze) Mulisch Een hoogtepunt van de triomf van de verbeelding over de tijd is Mulisch' Hoogste tijd (1985), een antimimetisch (= niet gericht op nabootsing van de werkelijkheid) boek bij uitstek, met veel verwijzingen naar andere teksten: intertextualiteit - een tendens (= neiging) die de laatste jaren toeneemt in de literatuur. Daarbij wordt veel gebruik gemaakt van de klassieke mythologie (= de verzamelde mythen van Grieken en Romeinen) en van christelijke aspecten. Afronding Postmodernisme (= na het modernisme) De antimimetische tendentie, doorgebroken in de jaren '80, is misschien te zien als een Nederlandse variant van het postmodernisme, waarvoor kenmerkend is dat de auteur niet meer gelooft in de mogelijkheid van werkelijkheidsweergave. Deze stroming is wellicht ook te beschouwen als een vlucht uit een uitzichtloze en chaotische maatschappij via de creatie van een eigen besloten kunstzinnige wereld. Intussen is er als reactie hierop alweer een opleving van het realisme, m.n. bij A.F. Th. van der Heijden (in diverse delen van De tandeloze tijd (1983-heden)) en - merkwaardigerwijs - bij Revisor-vertegenwoordiger D.A. Kooiman (Montijn(1982)). POËZIE TUSSEN CIRCA 1950 EN 1960 De Vijftigers De waardering voor de poëzie van de Vijftigers of de experimentele poëzie vertoont overeenkomsten met die voor de Tachtigers: na heftige weerstand is er vrij snel sprake van erkenning en acceptatie (= aanvaarding). Experimentele groep - CoBrA In 1949 sluiten enkele dichters (Kouwenaar en Lucebert) zich aan bij een groep beeldende kunstenaars, de Experimentele Groep in Holland (met o.a. Appel en Corneille), opgericht in 1948. Hieruit ontstaat de internationale CoBrA-groep (Copenhagen - Brussel - Amsterdam). Net als bij de Tachtigers vinden vernieuwingen eerder plaats in de schilderkunst dan in de poëzie, en vormen beeldende kunstenaars en dichters (opnieuw) een bruisende vriendenkring. De dichters van de nieuwe generatie hebben alleen waardering voor Gerrit Achterberg (Dead end (1940)) en voor buitenlandse auteurs. Vijftigers: principes (= uitgangspunten) De principes van de Vijftigers worden uiteengezet in Vijf-5-tigers (1954), een bloemlezing met een inleiding van Gerrit Kouwenaar; het zijn de volgende: 1. Geen scheiding tussen vorm en inhoud. (Vgl. het dictum (= voorschrift) van Willem Kloos: "Vorm en inhoud zijn één."). De "traditionele mededelingspoëzie", het verwoorden van anekdotes (= korte, soms grappige verhaaltjes) en ideeën - vaak in sonnetvorm - wordt verworpen. 2. De kunst moet ongekunsteld zijn: spontane creativiteit (zoals in kindertekeningen, in prehistorische kunst en in kunst van primitieve volkeren te vinden is) moet de taal zijn oerkracht (een term die Kloos ook al gebruikte) teruggeven. Net als de prozaïsten (= prozaschrijvers) moeten de dichters "anti-intellectualistisch" zijn: tégen het intellect (= verstand) en vóór het lichaam. 3. Het gedicht is autonoom (= op zichzelf staand). Dat wil zeggen de dichter heeft geen bedoelingen tijdens het schrijven, maar ervaringen: de taal bespeelt de dichter en niet andersom. Er is geen logisch, maar een associatief (= op willekeurige, spontane invallen gebaseerd) verband. (Vgl. muziek, die ook primair (= allereerst) ondergaan wordt en niet geduid). De beelden zijn ook autonoom: ze roepen de realiteit niet op, maar zijn zelf het gedicht. Kortom: de moderne tijd ontneemt de dichter het geloof in ratio (= verstand) en logica (= correcte redeneringen), met als gevolg gedichten met onbegrijpelijke beeldspraak en vergezochte associaties, waardoor de communicatie belemmerd wordt. Nieuwe taal De Vijftigers verlangen een nieuwe taal die wel "adamitische taal" (de taal als die van Adam, de eerste mens) genoemd wordt. Ze bereiken die door neologismen (= nieuwe woorden), ongewone woordkoppelingen, destructie (= vernietiging) van de grammatica, betekenisloze klanken en het veronachtzamen van de regels voor leestekens, hoofdletters, rijmklanken en strofen (= coupletten). De dingen van de wereld worden a.h.w. opnieuw benoemd, zoals ook Adam alles een naam moest geven. De Vijftigers beschouwen de traditionele taal als onbetrouwbaar: als de taal vertrouwen
zou wekken bij de mens, zou bijv. zelfs oorlog te vermijden zijn. In de verstechniek komen veel alliteraties (= beginrijmen) en associaties voor. De (autonome) beeldspraak is vooral "lichamelijk": lichaam en lichaamsdelen als vorm van leven en van contact met de wereld, maar vaak irrationeel (= niet op het verstand gebaseerd) en niet verbindbaar met de ons bekende realiteit - een essentieel (= wezenlijk) kenmerk van de poëzie van de Vijftigers. Positie van de Vijftigers De Vijftigers gaven de mens in hun gedichten naast zijn lichaam zijn zintuiglijkheid en zijn onderbewuste, die hem tot een rijkdom van aardse ervaringen brachten. Zij wilden unieke ervaringen in unieke (= eenmalige) taalvormen weergeven. Hun originaliteit leidde veelal tot "onverstaanbaarheid". Hun sterk afwijkende levenshouding in het brave Nederland van de jaren '50 kan wellicht gezien worden als de voorbode van de anti-autoritaire (= tegen het gezag gerichte) jaren '60, die in vele lagen van de maatschappij zichtbaar worden. POËZIE TUSSEN 1960 EN 1985 De Vijftigers hebben twee tegenbewegingen opgeroepen: de Amsterdamse richting rond het tijdschrift Barbarber en de Rotterdamse rond het tijdschrift Gard Sivik. Het nieuwe realisme in Amsterdam In 1958 wordt door Bernlef en Schippers het tijdschrift Barbarber opgericht, een tijdschrift voor (niet-literaire) teksten. Kenmerken Kenmerkend voor het "nieuwe realisme" in de poëzie rond dit blad is de opvatting dat alledaagse gebeurtenissen in gewone taal gepresenteerd moeten worden, maar zó dat verwondering ontstaat door een nieuwe manier van kijken naar geïsoleerde (= afzonderlijke) aspecten uit de realiteit. Dit leidt tot de publikatie van onder meer krantenberichten, menukaarten, boodschappenlijsten, afbeeldingen uit kleurboeken, dienstregelingen, zinnen van een dictee, spreuken uit cafés en reclameteksten. (K. Schippers, Een klok en profil (1965), Bernlef, Kokkels
(1960)). Andere kenmerken zijn: 1. Geen ingewikkelde beeldspraak. 2. Geen exuberante (= overdadige) associaties. 3. "Gewoon" doen ("onpoëtische", anonieme (= naamloze), objectieve (= zakelijke) poëzie). 4. Heldere formuleringen. De Rotterdamse branche In Rotterdam zet Gard Sivik (opgericht 1955) zich in de jaren '60 af tegen de 50'ers, vooral bij monde van Armando, Verzamelde gedichten (waaronder Boksers) (1964) en Buddingh', Deze kant boven (1968)) Het tijdschrift propageert (= bevordert) het volgende: 1. Geen sentimentele (= overgevoelige) lyriek (= gevoelspoëzie), poëtische taal of poëzie van hoger niveau. 2. Gerichtheid op de hedendaagse werkelijkheid: poëzie als commentaar op gewone fenomenen (= verschijnselen). 3. Niet de kunst, maar de Realiteit met een hoofdletter. 4. Geïsoleerde flarden conversatie (= gesprekken). 5. Woorden uit de techniek. 6. Alledaagse ervaringen in gewone taal, leidend tot kortstondige verwondering. "Tirade"-poëzie Een reactie op het nieuwe realisme in Amsterdam en Rotterdam is de terugkeer van de emotie in de poëzie. Er wordt wel gesproken van neo-romantiek, waarvoor met name de intieme band tussen de emoties van de dichter en zijn poëzie kenmerkend is (maar met lichte ironie). Dé vertegenwoordiger van deze stroming is Rutger Kopland, Het orgeltje van yesterday (1968) (wiens werk later abstracter (= minder realistisch) wordt); ook Judith Herzberg, Zeepost(1963), behoort tot deze richting. Kouwenaar In de jaren '60 gaat de verhouding tussen woorden en werkelijkheid het werk van 50'er Kouwenaar beheersen. Het liefst wil hij zonder woorden de werkelijkheid oproepen (zoals in muziek), wat onmogelijk is voor een dichter. Zijn poëzie gaat vooral over de mogelijkheden/onmogelijkheden van het dichten. (St.-Helena komt later (1965) en Volledig volmaakte oneetbare perzik (1978)). Faverey Hans Faverey schrijft sinds 1968 over de (on)mogelijkheid van poëzie: gedachtenexperimenten, die met niets beginnen en in het niets eindigen, zoals in de bundel Gedichten (1968). Later komen vooral elementaire (= wezenlijke) tegenstellingen in zijn werk voor. (Chrysanten, roeiers (1977), Lichtval (1981), Zijden kettingen (1983)). Komrij Gerrit Komrij (debuut 1968: Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten) beschouwt het gedicht als iets autonooms, dat een eigen wereld vormt. De visie op het bestaan in zijn poëzie is er een waarin vergankelijkheid het leven bepaalt. De gedichten zijn geschreven in strakke vormen. Gedicht na 1960 Het gedicht na 1960 leidt vooral een eigen leven, los van de maker en de werkelijkheid; het roept een eigen wereld op die vervolgens weer wordt afgebroken. Besluit Na WO2 is er steeds minder sprake van bewegingen in de poëzie die ontstaan als reactie op voorafgaande bewegingen, wellicht door het naast elkaar bestaan van vele geaccepteerde richtingen in de huidige dichtkunst. |
|
|