1880 - 1940
Vorige Start Volgende                      Nederlands - een vaklokaal op Internet

 

 

 

 GESCHIEDENIS VAN DE
NEDERLANDSE LITERATUUR
TUSSEN 1880 en 1940

 

 

 

POËZIE 1880 - 1940

1. DE BEWEGING VAN TACHTIG

Algemeen

Dit is een stroming in de literatuur die ontstond in de jaren '80 van de 19de eeuw. Jongeren, vooral schrijvers van rond de twintig, zetten zich af tegen de bestaande literatuur die beheerst werd door dominee-dichters. Met deze stroming begint de moderne Nederlandse literatuur.


Een voorloper

De criticus Conrad Busken Huet (1826-1886) beoordeelde in 1878 de romantische (= uit de romantiek) "domineespoëzie" al negatief. Hij was aanvankelijk ook dominee, maar zwoer later zijn ambt af. Huet sprak van "dichtkunst van de huiselijke haard" (binnenkamerpoëzie), die internationaal gezien niets betekent. Dat komt door de beperkte, typisch Hollandse keuze van de onderwerpen, de "deugden": huiselijkheid, zedigheid, vaderlandsliefde, koningsgezindheid en geloofsijver.

Huet is bekend gebleven door Lydewijde (een roman over overspel en hartstocht; erotisch realisme dat als schokkend werd ervaren in die tijd) en door Litterarische fantasien en kritieken(25 deeltjes).

Bekende vertegenwoordigers van de door hem verworpen domineespoëzie zijn:

Ten Kate, Ter Haar en Beets (die als de student Hildebrand meer dan een eeuw lang nationale roem verwierf met zijn Camera Obscura, een boek met humoristische verhalen over de Hollandse burgerij, dat vroeger verplicht was voor iedere middelbare scholier).

Er was trouwens in de 19de eeuw wel een dominee-dichter die in een geheel andere - ironisch - melancholische -stijl schreef: Piet Paaltjens.


Inleiding gedichten Perk

Gedichten (1882) van Jacques Perk (1859-1881), in hoofdzaak sonnetten, wordt gekenmerkt door (verdriet om het) isolement én trotse zelfbewustheid. Willem Kloos (1859-1938), wiens poëzie dezelfde kenmerken heeft, noemt in de "Inleiding" bij Perks Gedichten de grote voorbeelden voor de 80'ers: Shelley (1792-1822), Keats (1795-1821) en Wordsworth (1770-1805), alledrie Engelse dichters uit de romantiek.

Belangrijke ideeën uit deze vermaarde "Inleiding" zijn o.m.:

1. De in de literatuur reeds lang bestaande stelling "vorm en inhoud zijn één". Een reactie op de populaire, romantische domineespoëzie waarbij het vooral om de inhoud (de boodschap) gaat, ten koste van de woorden en de versbouw (de vorm). En derhalve een pleidooi voor een adequate (= juiste) vormvoor de emoties (de inhoud) van de dichter. De dominee-dichters beheersten de techniek van het dichten (de versbouw, de vorm) wel, maar gebruikten die alleen voor het verwoorden van de "deugden" (de inhoud, de boodschap volgens hen) en niet voor hun persoonlijke emoties.


2. Kloos' aanval op de - overigens niet bij name genoemde - dominee-dichters, die hij het afficheren (= tentoonspreiden) van maatschappelijke en religieuze deugden verwijt, m.n. de eerder genoemde "deugden": huiselijkheid, zedigheid, vaderlandsliefde, koningsgezindheid en geloofsijver.

3. Opvattingen over het dichterschap van de nieuwe beweging:

a. Onmaatschappelijkheid van de kunstenaar (die ver van het gewone leven staat).

b. Lijdzaamheid (= het zonder protest ondergaan van pijn en smart) in de poëzie.

c. Het dichterschap als religie.

d. De dichter als Christusfiguur.


Overige ideeën van de Tachtigers

Uit latere en andere publikaties blijken nog de volgende ideeën van de 80'ers:

1. "L'art pour l'art" (de kunst om de kunst): een reeds lang bestaande buitenlandse opvatting m.b.t. de kunst. Er wordt mee bedoeld dat de kunstenaar bij het schrijven alleen de kunst voor ogen mag hebben en dus niet bv. de maatschappelijke en religieuze deugden van de dominee-dichters.

2. Kunst is "Schoonheid": de schrijver moet in zijn taalgebruik en zijn beeldspraak slechts het "Schone" nastreven. Deze visie heet wel het estheticisme.

3. Het gevolg van het estheticisme is het "schilderen met woorden" oftewel de "woordkunst". De stroming die hierbij hoort, is het impressionisme. Bij het impressionisme gaat het om het weergeven van de sfeer of de stemming, d.m.v. indrukken. Het taalgebruik wordt gekenmerkt door:

a. neologismen (nieuwe taalvormen);

b. bijvoeglijke naamwoorden;

c. vergelijkingen.

De term stamt uit de schilderkunst. Het begrip "impressie" houdt daar in "de directe, subjectieve indruk". Die wordt geschilderd, en niet een objectieve, natuurgetrouwe kopie.


Polemiek (= strijd) en pastiche (= parodie van literair werk)

In Grassprietjes (1885) imiteerden en parodieerden (= bootsten spottend na) o.a. Frederik van Eeden (1860-1932) en Kloos de domineespoëzie, en met het door critici geprezen lange, epische (= verhalende), romantisch-religieuze imitatie-gedicht Julia (1885) toonden de makers (o.m. Kloos en Albert Verwey (1865-1937)) de onbevoegdheid van de Hollandse literaire kritiek aan. (Het opzettelijk slechte, in de kroeg met veel drankmisbruik gemaakte gedicht was als grap bedoeld in de - blijkbaar niet ijdele - hoop de critici te misleiden.)


De nieuwe gids

Dit tijdschrift van de Tachtigers verschijnt vanaf oktober 1885, zonder al te veel commotie (= opschudding). De titel is vooral een reactie op het bijna 50 jaar oude tijdschrift De gids (anno 1837). Het blad biedt jonge auteurs een mogelijkheid om te publiceren.

Belangrijke medewerkers waren onder meer Kloos, Verwey, Van Eeden en Lodewijk van Deyssel (1864-1952).


Kloos' literatuuropvatting


Kloos noemt in de eerste jaargang van De nieuwe gids (1885-1886) twee condities voor een goed gedicht:

1. De juistheid der klankexpressie (= rijmklanken en rijmsoorten).

2. De noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.

Bij de bespreking van Verzen (1890) van Herman Gorter (1864-1927) ontwikkelt Kloos ook het idee dat de mens opgesloten zit in zijn eigen taal, wat voor normale communicatie geen probleem is, maar wel voor een dichter, die immers in zijn poëzie moet tonen dat kunst "de aller-individueelste (= persoonlijkste) expressie (= uitdrukking) van de aller-individueelste emotie" (= gevoel) is.

Dit is dus een duidelijke verandering in Kloos' visie: niet langer gaat het hem kennelijk om de "objectieve" eis van de noodzakelijke en zuivere beeldspraak, maar om een subjectief principe: dat van hyperpersoonlijk taalgebruik.

De dichter nu moet, volgens Kloos, de taal "nieuwe frisheid" geven, zoals de oermens creatief en origineel was tijdens het ontdekken van de taal.


Gorter bereikt dit door:

1. originele woordcombinaties;

2. verwaarlozing van de wetten van de grammatica en de poëtica;

3. vreemde beeldspraak.


De betekenis van Tachtig

Grootste verdienste van de 80'ers: het ongekend krachtig uitdragen van nieuwe ideeën:

1. I.p.v. de maatschappelijke en religieuze deugden, bezongen door de dominee-dichters, kwam de "eredienst aan het Schone", dat de religie verving.

2. De dichter is de "eenzame uitverkorene" buiten de maatschappij, terwijl de dominee-dichters juist het stralend middelpunt ervan waren.

3. Hij cultiveert (= brengt tot een hoog niveau van beschaving) zijn eigen emoties en is volstrekt onmaatschappelijk.




2. SYMBOLISME IN DE NEDERLANDSE POËZIE

De jaren negentig


De 80'ers kenden slechts weinig lezers, maar hun literatuur werd vrij snel geaccepteerd in literaire kringen.


In 1892 blijken er echter ernstige meningsverschillen over socialistische, humanitaire, religieuze en esthetische opvattingen te bestaan tussen de redacteuren van De nieuwe gids. Kloos roept zichzelf in 1893 uit tot enige redacteur, waarmee de neergang van het tijdschrift begint.


Symbolistische kenmerken

1. Gerichtheid op een hogere wereld, met moeilijk duidbare symbolen (= beelden die naar iets anders verwijzen), met ambiguïteit (= dubbelzinnigheid) en suggestie (= het opwekken van iets; vooral bepaalde stemmingen).

2. Gedichten over het dichten zelf.

3. Afstandelijkheid t.a.v. het "volle" leven (het innemen van de "ivoren-toren-positie" = afgezonderde, hoogverheven plaats met verachting van het alledaagse leven).

4. Intellectuele (= verstandelijke) arbeid als conditie (= voorwaarde) voor het schrijven van gedichten.


Internationaal gezien is het symbolisme wel belangrijk, maar er zijn weinig representanten (= vertegenwoordigers) in de Nederlandse literatuur. Sommige dichters vertonen op enkele plaatsen in hun werk één of enkele kenmerken van deze stroming, maar dat lijkt niet voldoende om hen als symbolist te etiketteren (= aan te duiden).

De meest saillante (= opvallende) vertegenwoordiger is de auteur Jan Hendrik Leopold (1865-1925). Bij hem is vooral sprake van het suggereren (= opwekken) van stemmingen: "stemmingssymboliek". De suggesties evoceren (roepen op) en omspelen de essentie (= de kern). Daarnaast schrijft Leopold ook over het dichten zelf en over een hogere wereld. Strijdig echter met het symbolisme is dat hij bij dit laatste punt twijfelt aan de mogelijkheid van "metafysische transcendentie" (= bovennatuurlijke grensoverschrijding, contact met en deelname aan een hogere wereld).Vooral voor wat betreft de stemmingen die de natuur oproept kan Verzen van Gorter als een authentieke (= oorspronkelijke) bron voor het Nederlandse symbolisme beschouwd worden.

Andere auteurs bij wie symbolistische kenmerken voorkomen, zijn: Pieter Cornelis Boutens (1870-1943), Verwey, Johannes Andreas Dèr Mouw (1863-1919) en Adriaan Roland Holst (1888-1976).


Conclusie

In de jaren '90 zoeken diverse dichters een metafysisch fundament (= bovennatuurlijke basis). Bij de Nederlandse auteurs ontbreekt echter veelal een essentieel element van het symbolisme om hen als vertegenwoordigers van deze stroming te kunnen beschouwen: de meerduidigheid van het symbool, aangegeven door suggestie.


3. NEOCLASSICISME (= nieuw classicisme)

Deze stroming in de poëzie propageert het klassieke vers, met traditionele (= gebruikelijke) beelden en het gebruik van dichterlijke techniek. Denk daarbij aan eindrijm en metrum (= maat) en aan het correct gebruik van strofen (= coupletten), interpunctie en spelling.

Auteurs: Jacques Bloem (1887-1966) en Geerten Gossaert (1884-1958).


4. "1916" IN DE NEDERLANDSE LITERATUUR


Modernisme

Het internationale modernisme (een verzamelnaam voor artistieke avant-garde-bewegingen (= voorhoedebewegingen) als expressionisme, surrealisme e.a. rond de Eerste Wereldoorlog) heeft weinig succes gehad in ons land.


Veeleer was er hier sprake van verzet tegen de 80'ers, m.n. tegen de sentimentele (= overgevoelige) ik-lyriek (= persoonlijke gedichten met veel emoties), ten faveure (= ten gunste) van een iets meer "objectieve" (= onpersoonlijke) tendentie (= ontwikkeling), een meer universele (= algemene) poëzie, met vrijheid van metrum en rijm.


Auteurs (hoewel onderling zeer verschillend): Herman van den Bergh (1897-1967), Hendrik de Vries (1896-1989), Hendrik Marsman (1899-1940) en Slauerhoff.


De poëtica van Nijhoff

In oppositie (= tegenstelling) tot de expressieve (= gevoelens uitdrukkende) poëtica van Kloos wenst Martinus Nijhoff (1894-1953) het volgende voor de dichtkunst:


  • 1. Herstel van het woord in zijn oorspronkelijke, zintuiglijke (= gericht op de zintuigen) kracht.
  • 2. Poëzie los van de maker (de zgn. autonomiethese, d.i. de opvatting dat de poëzie een eigen bestaansrecht heeft, los van de gevoelens van de dichter).
  • 3. Poëzie apart van de werkelijkheid.
  • 4. Het "goddelijke" van de poëzie (mogelijk dankzij de positie buiten de realiteit).


5. FORUM

"Forum" over proza en poëzie

Rond 1930 richten Menno ter Braak (1902-1940) en Edgar du Perron (1899-1940) zich tegen de vergoddelijking van de poëzie. Formele (= naar de vorm) volmaaktheid vinden zij van minder belang dan de oorspronkelijkheid van de dichter: de "vent" is boeiender dan de "vorm".


Ter Braak en de poëzie die hij afwees

Ter Braaks visie:

1. Dichten is een puberteitsverschijnsel en lijkt op de blindheid van een alcoholische roes.

2. Slechts een enkeling (bv. Dèr Mouw) komt op latere leeftijd tot wijsgerige poëzie. Vooral de "zangerigheid", het "taalceremonieel" (= plechtigheden volgens vaste regels) van veel "sierpoëzie" is vaak een masker voor een weinig interessante persoon.

Toch waardeerde Ter Braak poëzie van echte persoonlijkheden wel: die van Vasalis (geb. 1909), van Du Perron, van Slauerhoff en van Simon Vestdijk (1898-1971).


6. CRITERIUM-POËZIE

Het gewone woord

Ter Braak onderscheidt anno 1937 twee contrasterende (= tegengestelde) richtingen binnen de poëzie van zijn tijd:

1. De wereld van het "verlangen, het bloed en de engelen" (erfgoed van Roland Holst, Bloem en Marsman): hoogverheven onderwerpen en hoogdravend taalgebruik.

2. De wereld van het "gewone woord" (Jan Greshoff (1888-1971) en Du Perron als aartsvaders).

Synthese (= samenvoeging) zou de oplossing moeten zijn voor deze tegenstellingen.

Het romantisch realisme van "Criterium"

In het tijdschrift "Criterium" (opgericht in 1940) komt de synthetiserende term "romantisch realisme" (= werkelijkheidsbeschrijving met tevens kenmerken van de Romantiek) voor, maar een echt programma was er niet. De synthese kwam in feite niet tot stand. Vasalis wordt wel als de meest duidelijke vertegenwoordigster van deze richting gezien.


De Amsterdamse school

Deze wordt gevormd door Jacob van Hattum (1900-1981), Ed Hoornik (1910-1970) en Gerard den Brabander (1900-1968).

Sociale bewogenheid is kenmerkend. Maar er is sprake van ambivalentie (= tweeslachtigheid): de realiteit van crisis en wereldoorlog maken romantische dromen onmogelijk. Daardoor houdt de dichter onvervulde, romantische verlangens.


Achterberg

In december 1938 schiet Achterberg zijn hospita - met wie hij een verhouding had - dood. Ook verwondt hij haar 16-jarige dochter met wie hij waarschijnlijk ook een relatie wilde beginnen. Hij wordt ontoerekeningsvatbaar verklaard, ter beschikking van de regering gesteld en opgenomen in diverse inrichtingen. Toch ontwikkelt hij zich tot een van onze grootste dichters.

In het dichtwerk van Gerrit Achterberg (1905-1962) zijn de volgende thema's essentieel:

1. Pogingen om de beperkingen van het hier en nu te doorbreken en door te dringen in een geheel andere wereld.

2. In erotisch opzicht: een zoektocht naar de vrouw, de gestorven geliefde; een soort "overspel van dood en leven", een overwinning van de dood in het gedicht.

3. Een poging om het volmaakte gedicht te schrijven.

Bij deze dichter vindt een symbiose (= samengaan) plaats van romantische en symbolistische opvattingen.

Innoverend (= vernieuwend) in zijn poëzie zijn de middelen die hij gebruikt: termen uit de exacte wetenschappen en uit ambtenarentaal.


PROZA 1880 - 1940


1. HET NATURALISME

Het idealiserende proza


Rond 1880 meenden vrijwel alle critici dat kunst een "verheffende functie" had. Edele gevoelens moesten zegevieren. Een natuurgetrouwe weergave van de realiteit werd niet verlangd: de alledaagse werkelijkheid moest veeleer vergeten worden.


De romans uit die tijd tonen dit beeld ook:

  • 1. De hoofdpersonen dienen altijd als voorbeelden van edelmoedigheid en deugdzaamheid, en zijn ook voorzien van uiterlijk schoon.
  • 2. De schurken zijn getekend door morele (= zedelijke) slechtheid.
  • 3. Het goede wordt beloond, het kwade bestraft.
  • 4. Er is weinig karakteruitbeelding, maar er zijn veel gebeurtenissen, met verrassende wendingen, met hartverwarmende taferelen, met wonderbaarlijke reddingen, met verzoeningen, valse beschuldigingen en een geheimzinnig verleden.
  • 5. De alwetende verteller manipuleert (= stuurt in een bepaalde richting) de lezers vooral door edele en onedele figuren (helden en schurken) scherp te scheiden.


Emants

Marcellus Emants (1848-1923) richt zich rond 1880 als eerste tegen het idealiserende proza, bevolkt door helden met deugd i.p.v. bloed in hun aderen.


Het naturalisme bij Zola

De Franse auteur Emile Zola propageerde (= maakte reclame voor) een wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid: zoals een patholoog-anatoom (= ontleedkundige: deskundige bij onderzoek van lijken i.v.m. de oorzaak van overlijden) lijken ontleedt, zo moet de auteur levende wezens analyseren. Hij moet daarbij zoeken naar aspecten die het menselijk bestaan beheersen, zoals erfelijkheid en milieu (afkomst in biologische en in sociale zin).

Dit zijn ook de principes (= uitgangspunten) van het determinisme, de leer die ervan uitgaat dat de mens door deze factoren wordt bepaald.

De benaming voor deze richting in de literatuur is naturalisme (in fel contrast dus met het idealisme).


Drie naturalistische romans in 1888

In 1888 verschijnen de eerste naturalistische romans in ons land: Louis Couperus'(1863-1923) Eline Vere, Van Deyssels Een liefde en Emants' Juffrouw Lina.


Kenmerken van de naturalistische roman

  • 1. Middelpunt van de roman is "een nerveus gestel" (een overgevoelig figuur), wiens verlangens niet bevredigd worden.
  • 2. De roman toont de "geschiedenis van een ontnuchtering": de kille realiteit overwint de romantiek; passief berusten in het ongeluk of zelfmoord resteren daarna. Vaak gaat de hoofdpersoon ten onder aan het noodlot. Dit past bij de opvatting dat de mens in wezen geen invloed op zijn eigen leven heeft, maar dat dit beheerst wordt door het "fatum" (noodlot): het fatalisme.
  • 3. De onevenwichtigheid van de hoofdpersoon wordt verklaard uit "determinerende (= bepalende) omstandigheden", m.n. erfelijkheid en milieu.
  • 4. Vooral bij sterke invloed van het milieu komt "haat van de auteur tegen de burgerij" naar voren.
  • 5. Belangstelling voor seksualiteit, m.n. masturbatie (= zelfbevrediging) en bordeelbezoek (waarbij beschrijving van lustgevoelens overigens taboe blijft).
  • 6. Opmerkelijk "taalgebruik": natuurgetrouwe dialogen naast woordkunst (= het "schilderen" met woorden, zoals in het impressionisme).
  • 7. Eigen "vertelwijze": vooral de hij-vorm; personaal (= personale vertelsituatie); geen moreel oordeel.
  • 8. "Objectiviteit": onpartijdige presentatie van de personages, d.w.z. de schrijver geeft zo nodig tegenwicht aan de subjectieve visie van het personale perspectief (= vertelwijze).


Verwante stromingen

Naast het naturalisme kunnen we onderscheiden het realisme: de stroming die een precieze beschrijving van de werkelijkheid wil geven.

Als deze werkelijkheidsbeschrijving vooral gericht is op de maatschappelijke situatie (vaak de ellendige omstandigheden waarin de lagere-volksklassen verkeerden) spreken we van sociaalrealisme.

Auteurs: Herman Heijermans (1864-1924), Theo Thijssen (1879-1943), Jac. van Looy (1855-1930).

De auteur Stijn Streuvels (1871-1969) hoort wat betreft zijn thematiek - het leven van de arme boeren en landarbeiders - bij het sociaal realisme, terwijl zijn stijl impressionistisch is.

Wordt m.n. de psyche van de mens (gedachten, gevoelens, ideeën e.d.) beschreven, dan wordt hiervoor de term psychologisch realisme gebruikt.

Auteurs: Ina Boudier-Bakker (1875-1966), Carry van Bruggen (1881-1932), Frans Coenen (1866-1936), J. van Oudshoorn (1876-1951), Gerard Walschap (1898-1989), Cola Debrot (1902-1981) en Albert Helman (geb. 1903); de laatste twee auteurs schrijven over de Nederlandse koloniën, met name Suriname en de Nederlandse Antillen. Helmans werk vertoont ook romantische en sociale aspecten, waardoor het tevens sociaal-romantisch-realistisch is.




2. MYSTIEK EN MAATSCHAPPIJ


Mystiek

Het mystieke is in de jaren '90 een opvallende pendant (= tegenhanger) van het materialisme (= de leer die alleen de stoffelijke wereld erkent, dus niet de bovennatuurlijke).

Het begrip mystiek moet overigens anders geduid worden dan in de Middeleeuwen (waarbij het meestal gaat om een zeer persoonlijke liefdesrelatie met een hogere macht). Het omvat eind 19de eeuw alle pogingen om contact te krijgen met een wereld die buiten het bereik van het zintuiglijk waarnemingsvermogen ligt.

Van Deyssel bv. wijst in de jaren '90 het naturalisme af en ontwikkelt zich in de richting van de mystiek.

Couperus zoekt in die tijd eveneens een uitweg uit het fatalisme: in sprookjes (Psyche (zie ook: Mystiek), Fidessa), een verhulde autobiografie (Metamorfoze) en fictieve (= verzonnen) "koningsromans" (Majesteit, Wereldvrede) vindt ook hij een metafysische (= bovennatuurlijke) mogelijkheid voor het leven van de ziel.

Ook Gorter is in deze jaren op zoek naar een levensbeschouwing, en vindt deze tenslotte in het socialisme.

Van Eeden tenslotte creëert een soort synthese (= samenvoeging) in Van de koele meren des doods: pas na de dood van het (materialistische) ego (= ik) kan de mens zijn ware ik ontdekken in een hogere werkelijkheid.




3. NEOROMANTISCHE EN NEOCLASSICISTISCHE ONTWIKKELINGEN

Doorwerking naturalisme

Vooral de maatschappijkritische elementen komen voor in twee hoogtepunten van het naturalisme: Inwijding (1901) van Emants en De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Couperus.


Maar er wordt in die tijd ook ander proza geschreven: neoromantisch van karakter.


Neoromantiek

Kenmerken

1. Prioriteit (= voorrang) van droom boven werkelijkheid, vaak met vage tijd- en plaatsaanduidingen, en "vlucht" in fantasie, gevoel en verleden.

2. Terugkeer van de historische roman, maar soms met wreedheid en bloeddorstigheid, en steeds zonder idealisering van het verleden, zoals in de romantiek.

Auteurs: Couperus (Psyche, Fidessa, De komedianten, De berg van licht), Arthur van Schendel (1874-1946) in zijn 'eerste periode', Aart van der Leeuw (1876-1931), Augusta de Wit (1864-1939), Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) en Nescio (1882-1961), wiens werk ook veel realistische aspecten vertoont.


4. HET TIJDSCHRIFT "FORUM": VORM OF VENT


"Forum": de eerste jaargang

In het tijdschrift Forum (1932-1935) wordt de "vorm-of vent"-gedachte al in het eerste nummer uitgewerkt. De persoonlijkheid (d.i. de "vent") wordt hét criterium (= uitgangspunt) bij de beoordeling van een kunstenaar. Multatuli is de toetssteen voor werkelijke grootheid. Polemiek (= strijd) is het credo (= de geloofsbelijdenis) van de redactie (Ter Braak, Du Perron en Maurice Roelants (1895-1966)). Dogmatiek (= vaste regelgeving) wordt verworpen. Grote woorden ook. Een vent maakt de vorm ondergeschikt aan wat hij te zeggen heeft.


Ter Braak en het proza dat hij afwees

Ter Braak richt zich vooral tegen het gemoedelijke "huiskamerrealisme" van de psychologische roman, de nabloei van het naturalisme zoals die geëtaleerd (= getoond) wordt in de "damesromans" (romans van dames als Ina Boudier-Bakker), waarin het burgerlijk familieleven domineert (= de hoofdzaak is).

Het moderne van Ter Braak en Du Perron

Dit ligt vooral in:

intellectuele (= verstandelijke) flexibiliteit (= soepelheid), waarvoor m.n. prozavormen die reflectie (= overpeinzingen) vereisen, geschikt zijn (brief, dagboek, essay);

2. scepsis (= twijfel) jegens verstarrend taalgebruik;

het cultiveren (= op hoog niveau van beschaving brengen) van ironie.

De beide auteurs behoorden tot de eersten die het gevaar van het nazisme onderkenden en het bestreden. De politieke situatie was beslissend voor de overwinning van de "vent" in het "vorm-vent-debat".


Arthur van Schendel (1874-1946)

In zijn oeuvre is er een ontwikkeling van neoromantisch werk in het begin van deze eeuw (o.a. Een zwerver verliefd en Een zwerver verdwaald) met leeftijdloze hoofdfiguren, met een vaag verleden en in een vage ruimte ("het zuiden") en een vage tijd ("de middeleeuwen") - "de eerste periode" - naar de "Hollandse romans", in de jaren '30, spelend in een burgerlijk milieu, met realistische beschrijvingen, nauwkeurige plaatsaanduidingen en de invloed van een onontkoombaar noodlot.


Ter Braak waardeerde Van Schendel: ondanks bepaalde technische tekortkomingen overtuigen zijn boeken.


Bordewijks en Elsschots beknoptheid

De compacte (= opeengedrongen) stijl van Ferdinand Bordewijk (1894-1965) en Willem Elsschot (1882-1960) waardeert Ter Braak, in contrast met die van de huiskamerroman. Deze stijl van schrijven wordt gekenmerkt door:

1. korte zinnen;

2. weinig adjectieven;

3. zakelijke en doelmatige beschrijvingen.


De term die hiervoor gebruikt wordt, is functionalisme of nieuwe zakelijkheid.

Naast zakelijkheid is er in Bordewijks werk ook sprake van grillige beeldspraak: het groteske (= belachelijke), fantastische of surrealistische (= op de werkelijkheid gericht, maar met beelden uit het onderbewuste), met als kenmerken: karikaturen (= spottende overdrijvingen van bepaalde eigenschappen), satiren (= bespot-tingen), dromen en visioenen. De thematiek is samen te vatten als: ondeugd of de overdrijving van deugd voert tenslotte tot de ondergang.

De hoofdpersonen zijn vooral dragers van ideeën (net als bij Van Schendel).

In het oeuvre van Elsschot domineren vooral het alledaagse leven en de harde zakenwereld. Met ironie en cynisme weet Elsschot het bedrog te ontmaskeren. Veel van zijn boeken zijn autobiografisch.

Het prozawerk van een enkele auteur (Marsman, Felix Timmermans (1866-1947)) vertoont kenmerken van het vitalisme, een stroming met:

1. vitaliteit (= levenslust);

2. idealisering van de jeugd;

3. interesse in techniek.

Een schrijver die functionalisme, vitalisme en realisme combineert in zijn werk is A. den Doolaard (1901-1993).


Vestdijk

Angst is het wezen van Vestdijks schrijverschap in de beginperiode

(Terug tot Ina Damman (1934) en Meneer Visser's hellevaart (1936)).

Ter Braak en Du Perron bewonderden Vestdijk.


Einde

 
 

                     

Statistische gegevens   U bent bezoeker/ster       -   L. de Groot - 07-07-2002