| ||||
|
|
GESCHIEDENIS VAN DE
Korte inleiding Boven dit papier staat Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Wat geschiedenis zo ongeveer is, weten we allemaal, maar wat verstaan we onder Nederlandse literatuur? De volgende omschrijving is bruikbaar: teksten met kunstwaarde die oorspronkelijk geschreven zijn in de Nederlandse taal. Die kunstwaarde lijkt een omstreden begrip. Wie maakt tenslotte uit wat kunst is, en wat niet? Wat bepaalt het artistiek niveau? Wie beslist wat literatuur is? Deze vragen zijn toch wel te beantwoorden. Het zijn de critici (= beoordelaars) en recensenten (= beoordelaars) van kranten en tijdschriften, de redacties van literaire periodieken (= tijdschriften) en literaire uitgeverijen, de kunstkenners en de wetenschappers; kortom: het zijn de vaklieden die hierover oordelen. Bedenk dus dat het oordeel afhangt van de beoordelaar en dat de mening over een bepaald boek in de loop der tijden sterk kan veranderen. Met de eis dat de teksten oorspronkelijk in de Nederlandse taal moeten zijn geschreven, wordt aangegeven dat vertalingen - hoe artistiek of literair ze ook zijn - nimmer tot onzeliteratuur gerekend worden. Bij de beoordeling van boeken spelen altijd begrippen als originaliteit(= oorspronkelijkheid) en creativiteit (= scheppend vermogen) van de auteur een rol. Belangrijk is het verder te bedenken dat literatuur in principe fictie is, dus iets wat door de schrijver verzonnen is, iets waarbij zijn fantasie gewerkt heeft. Literatuur is daarom nooit een weergave of een verslag van de werkelijkheid, hoewel die werkelijkheid (de realiteit) wel vaak het materiaal, de stof levert voor de schrijver. Elke
literaire tekst heeft dan ook zijn eigen, gecreëerde (= ontworpen) werkelijkheid. Ook de tijd van ontstaan van een tekst is dikwijls bepalend voor de waardering. Het zal duidelijk zijn dat, als er maar 10 teksten uit een bepaalde periode zijn overgeleverd, men eerder de neiging heeft deze allemaal als literatuur te beschouwen dan wanneer er 10.000 zijn verschenen. Voor de lezer is identificatie niet zelden beslissend voor zijn mening over een boek. Met identificatie wordt bedoeld: gelijkstelling, vereenzelviging, het herkennen van bepaalde situaties uit je eigen leven, denkwereld of omgeving. Situaties die je emotioneel (= gevoelsmatig) raken, bijvoorbeeld omdat je deze mateloos bewondert of juist sterk afkeurt.
DE MIDDELEEUWEN (ca. 1170 - 1550) Enkele opmerkingen vooraf Voor we met de eigenlijke behandeling van de bovengenoemde periode uit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur beginnen, zijn er nog drie vragen te beantwoorden: Hoe is de middeleeuwse literatuur bewaard gebleven? Voor de uitvinding van de boekdrukkunst (ca. 1450) schreef men de boeken met de hand. Zo'n boek heet een codex (dit ter onderscheiding van een handschrift in het algemeen, dat men manuscript noemt). Na 1450 ontstaan de eerste gedrukte boeken. Deze noemt men incunabelen (wiegedrukken). De boeken vanaf 1501 heten post-incunabelen (letterlijk: na-wiegedrukken). Het gedrukte boek na 1540 heeft geen speciale naam meer; we spreken eenvoudigweg van "oude boeken". De codices (meervoud van codex) werden over het algemeen met de ganzenveer op perkament geschreven, of liever: getekend, letter voor letter. Vaak zijn de boeken prachtig versierd met grote hoofdletters in verschillende kleuren, met tekeningen en sierlijke bogen en krullen. Schrijven - en lezen trouwens ook - konden in die tijd maar weinig mensen. Vooral (geleerde) monniken schreven boeken over. Deze beroepsschrijvers noemt men kopiisten (vgl. kopie). Het is te begrijpen dat er van elk boek maar weinig exemplaren waren bij deze arbeidsmethode. Door het drukken veranderde dat. De oplagen van een bepaald boek worden dan veel groter. Ook de behoefte aan boeken neemt toe: steeds meer mensen leren lezen. Veel Middelnederlandse boeken zijn helaas verloren gegaan in de loop der tijden. Dat kwam o.m. omdat pas in het midden van de vorige eeuw belangstelling ontstond voor deze oude literatuur. Soms zijn er nog gedeelten van een werk bewaard; deze noemt men fragmenten. Denk overigens niet dat je zo'n oud perkamenten handschrift zou kunnen lezen: de vorm van de gebruikte letters en andere taaltekens is heel anders dan we nu gewend zijn. Er is een aparte studie voor nodig: de paleografie (kennis van oud schrift). Wat maakt de Middelnederlandse literatuur zo moeilijk? De Middelnederlandse literatuur is om de volgende redenen moeilijk voor ons: Wat heb je nodig om deze literatuur te bestuderen? Je hebt schooledities nodig om de Middelnederlandse literatuur te bestuderen. Dat zijn uitgaven van (o.a. Middelnederlandse) boeken, verzorgd door deskundigen en speciaal gemaakt voor scholieren en studerenden. Je vindt er zaken in als zins- en woordverklaringen, uitleg van moeilijke passages, een korte inhoud, een beschrijving van de culturele situatie, van de periode waarin het verhaal speelt en een uiteenzetting van het genre. Soms is de spelling gemoderniseerd. Deze schooledities staan in de schoolbibliotheek en in openbare en andere bibliotheken. Je
kunt ze ook kopen in de boekhandel tegen redelijke prijzen. Van sommige teksten bestaan ook vertalingen in het Nederlands van onze tijd. Naast deze uitgaven zijn er hulpmiddelen als uittrekselboeken, literaire-geschiedenisboeken en boeken over een bepaald werk, een bepaalde auteur of een bepaalde stroming uit de literatuur. Tenslotte is er je docent (misschien had deze eigenlijk als eerste genoemd moeten worden). Algemeen Veel Middelnederlandse literatuur is geschreven in dichtvorm. Dit komt omdat de boeken uit die tijd niet bedoeld waren om gelezen te worden, maar om voorgedragen en beluisterd te worden. En de voordrachtskunstenaars konden teksten in dichtvorm nu eenmaal beter onthouden en gemakkelijker declameren (= voordragen). Overigens is veel literatuur uit die tijd vertaald uit of bewerkt naar het Frans of het Latijn. De auteurs, vertalers of bewerkers zijn vaak onbekend. De oudste, bewaarde literaire tekst is van ca. 1170. Daarom begint de geschiedenis van de Nederlandse literatuur ook rond 1170. In historisch opzicht beginnen de Middeleeuwen al ± 500. Algemene kenmerken van de middeleeuwen: Het grootste deel van de Middeleeuwen overheersen adel en geestelijkheid de burgerij. Naast deze drie standen waren er andere bevolkingsgroepen zonder enige macht, vooral op het platteland. Tot ca. 1430 (het begin van de 3de periode van de Middeleeuwen) kunnen de Middelnederlandse werken qua onderwerp ook verdeeld worden conform (= overeenkomstig) de indeling in deze drie standen, dus in ridderlijke, geestelijke en burgerlijke literatuur. Eerste periode: ± 1170 - ± 1300 Ridderlijke literatuur Hiertoe behoren de ridderromans. Bij het woord roman moet je niet denken aan een moderne roman uit deze tijd. Een roman als middeleeuws genre is een episch (= verhalend) gedicht uit de Middeleeuwen, waarin de lotgevallen van ridders worden beschreven. Het woord betekent oorspronkelijk: verhaal (in verzen) in het Romaans, de volkstaal van het middeleeuwse Frankrijk, i.t.t. het Latijn, de taal van geleerden en hogere standen. Er zijn twee soorten ridderromans: De niet-hoofse ridderroman Deze romans gaan altijd over Karel de Grote (768-814), als modelvorst, van wie men veel kan leren, en die als voorbeeld dient ter bevestiging van het soeverein (= koninklijk) gezag. Vaak ook gaan ze over zijn vazallen (= leenmannen). De kenmerken ervan zijn: Bekend niet-hoofs werk: Karel ende Elegast, het beroemdste verhaal over Karel de Grote, die van God uit stelen moet gaan, waardoor hij zijn leven redt. De hoofse ridderroman Hoofs is oorspronkelijk: zoals aan het hof gebruikelijk is; later verwees het naar de minne: de verering van de jonkvrouw. Het ontstaan van hoofse romans kun je je als volgt voorstellen. Vanaf het midden van de 12de eeuw treedt er een grondige verandering op in de ridderstand, met als centrum de Provence in Frankrijk. Er ontstaat een nieuwe aristocratie (= heerschappij in handen van aanzienlijke personen). Naast de oude adel die veel grond bezit en het leenstelsel toepast, komen er edelen van het hof en het leger. Deze nieuwe adel heeft ook nieuwe ridderidealen die zich o.a. uiten in welge-manierdheid jegens vrouwen en beschaving: hoofsheid of courtoisie(= hoffelijkheid).
Dit hangt weer samen met de Maria-verering die dan opbloeit en, algemener, met een verandering in het christendom, nl. meer aandacht voor de menselijkheid en liefde van Christus. De kenmerken van de hoofse roman zijn: De hoofse romans verdelen we in: Romans geïnspireerd door de klassieken, de klassieke oudheid, de tijd van de Grieken en de Romeinen. Deze spelen zich geheel of ten dele af in het nabije Oosten, bekend door de Kruistochten en gaan vaak over de onmogelijke liefde tussen een christen en een heiden (waarbij bekering tot het christendom de oplossing biedt). Vb.: Floris ende Blanchefloer (de namen van twee geliefden) van Diederic van Assenede. Deze gaan over koning Arthur, een legendarische (= uit legenden bekend; dus met gegevens die niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn) vorst die in de 6de eeuw geleefd zou hebben, en zijn ridders van de Ronde Tafel, die qua positie gelijk zijn en in harmonie leven. De romans zijn romantiseringen (= gefantaseerde bewerkingen) van deze vroegere werkelijkheid en geven dus geen natuurgetrouw beeld; de romans, films en strips van onze tijd romantiseren (= bewerken met fantasie) deze romantiseringen weer. Vb.: Lanceloet en het hert met de witte voet, over een jonkvrouw die wil trouwen met de man die haar de witte voet van een door leeuwen bewaakt hert brengt. Geestelijke literatuur Er zijn vooral levensbeschrijvingen van heiligen ("heiligenlevens") en mystieke werken overgeleverd. Mystiek is de leer die ten doel heeft een zeer persoonlijke (liefdes)relatie met een hogere macht te realiseren (in onze cultuur is dat vaak God). Burgerlijke literatuur Gekenmerkt door didactische (= onderwijzende) en moraliserende (= zedekundige: m.b.t. "goed" en "kwaad") elementen, waarbij het nut en de waarheid voorop staan. Vooral als de steden opkomen (vanaf ca. 1250) ontstaat hieraan behoefte. De bekendste auteur is Jacob van Maerlant, die o.m. de Bijbel op rijm zette en een biologie- en een geschiedenisboek schreef. Een befaamd boek is Van den vos Reinaerde, een dierenverhaal over Reinaert de Vos, en een satire op (= bespotting van) de middeleeuwse maatschappij en de menselijke ondeugden. Tweede periode: ± 1300 - ± 1430 Ridderlijke literatuur Abele spelen Deze spelen dateren uit de eerste helft van de 14de eeuw. Het zijn de oudste overgeleverde West-Europese wereldlijke toneelstukken. Wat abel betekent, weten we niet zeker. Het kan iets als edel of schoon zijn, en dan slaat het op de inhoud van deze spelen, nl. de liefde, of het betekent ernstig, stichtelijk; dat dan in tegenstelling tot de kluchten die steeds na elk abel spel worden opgevoerd. Deze kluchten of sotternieën gaan steeds over het rauwe volksleven, vol realistische en erotische grappen en grollen. De bekendste abele spelen zijn: Esmoreit, Gloriant, Lanceloet van Denemerken. Geestelijke literatuur Tot de geestelijke literatuur behoren legenden: verhalen, soms in dichtvorm, waarin altijd heilige figuren optreden en minstens één wonder geschiedt. Vb.: Beatrijs, een Maria-legende over een non die vlucht uit het klooster zonder dat dit gemerkt wordt , omdat Maria haar plaats inneemt. Burgerlijke literatuur Er zijn o.m. geschiedenisboeken, verhalen over de liefde en kluchten overgeleverd. Er bestaan uit die tijd ook bekende liederen en balladen: eenvoudige verhalende gedichten in coupletten. Die zijn eigenlijk niet aan een stand gebonden. Vb.: Heer Halewijn, Van twee coninckskinderen en Het daghet in den Oosten. Derde periode: ± 1430 - ± 1550 Dit is in feite de periode van de zgn. rederijkers. Deze waren verenigd in rederijkerskamers. Dit zijn letterkundige verenigingen ter beoefening van voordracht, toneel en poëzie. Het woord rederijker hangt samen met het Franse woord "rhetoriqueur" en het Latijnse "rhetorica" (= welsprekendheid; iemand die rijk is aan rede is dus eigenlijk iemand die welsprekend is.) De eerste rederijkerskamers ontstonden ca. 1400 in Zuid-Nederland. Pas later worden ze ook geformeerd in het Noorden. Vanaf het begin van de 15de eeuw werden er literaire wedstrijden gehouden tussen de kamers onderling. Er zijn 3 belangrijke soorten toneelspelen bij de rederijkers: Vb.: Elckerlyc. De rederijkers waren zeer bedreven in het construeren van vernuftige en ingewikkelde dichtvormen. De overheid heeft later de rederijkerskamers vaak bestreden, vooral in het kader van de twisten tussen protestanten en katholieken. Sommige kamers bleven echter bestaan; er zijn er zelfs nu nog. Het ontstaan van het toneel - dus ook dat van de rederijkers - kun je je als volgt voorstellen: Geestelijk toneel In het Latijn werden vanaf ongeveer de 10de eeuw in de kerk of vanuit de liturgie (= de rooms-katholieke eredienst) toneelspelen opgevoerd. Omdat veel eenvoudige lieden het Latijn niet begrepen, ontstonden vertalingen in de volkstaal. Later wordt het kerkplein of de grote markt de plaats van de opvoering. Ook werden wagens als podium gebruikt. Wereldlijk toneel Deze vorm is waarschijnlijk ontstaan via dialogen (= gesprekken), gemaakt op de stof van de ridderromans door rondreizende voordrachtskunstenaars. Ook is het mogelijk dat het geestelijk toneel de basis vormde. Het volksboek werd in deze tijd, na de uitvinding van de boekdrukkunst, steeds populairder. Het is de bewerking van een ridderroman in proza, speciaal voor het (lezende) volk gemaakt. RENAISSANCE EN BAROK (ca. 1550 - ca. 1670) Algemeen Vanaf ca. 1550 zijn er veranderingen te constateren in de Nederlandse literatuur. Deze ontstaan in hoofdzaak onder invloed van de zgn. Renaissance. Dit is letterlijk wedergeboorte: de herleving van de klassieke, de Griekse en Romeinse cultuur. Deze antieke beschavingen worden herondekt, en de geschriften uit die tijd worden opnieuw uitgegeven en grondig bestudeerd. Het Latijn is daarbij de internationale taal voor geleerden en ontwikkelde kunstenaars. De mensen die zich intensief met de bestudering en het uitgeven van de klassieke teksten bezighouden, worden humanisten genoemd. Als eerste humanist beschouwt men de Italiaan Petrarca (ca. 1350). Wereldberoemd werd de uit onze streken afkomstige Erasmus (ca. 1500). Zijn beroemdste werk is De lof der zotheid. Daarin wordt de wereld beschreven als een samenleving gebaseerd op dwaasheid. Veel wantoestanden worden
zeer spottend bekritiseerd. De Renaissance vindt zijn oorsprong in Italië (14de eeuw). De rijke burgers en de vele vorsten in Italië hadden vaak kunstenaars in dienst. Daardoor kreeg de kunst veel aandacht en werd de kunstenaar een persoon met een aparte functie in de samenleving. De Italiaanse literatuur, en ook de Franse, is van directe invloed op onze schrijvers uit de Renaissance.
Algemene kenmerken van de Renaissance Barok Barok is een term uit de schilderkunst. Er wordt een stijl van schilderen mee bedoeld, met: 1. veel tegenstellingen 2. versieringen 3. hartstochtelijke gevoelens (op een voor ons al gauw overdreven manier). De stijl is ingezet door de katholieke kerk om sterk concurrerende geloofsrichtingen het hoofd te bieden. Hij is overgenomen door Renaissancistische schilders, schrijvers en architecten. (Vondel is de bekendste Nederlandse barokdichter). Godsdienst Op godsdienstig gebied ondervindt de katholieke kerk grote concurrentie van de hervorming of de reformatie sinds Luther (ca. 1520) en Calvijn (ca. 1535), wiens predestinatieleer (de mens komt niet door eigen verdienste in de hemel maar is voorbeschikt daar opgenomen te worden, door uitverkiezing van God) veel aanhangers kreeg. De katholieke kerk reageert op de reformatie met de zgn. contra-reformatie: een verscherping en strikte toepassing van de officiële regels van het katholicisme. Mede door de kettervervolgingen (ketter = afvallige: gelovige die niet langer katholiek wil zijn) en de godsdiensttwisten tijdens de 80-jarige oorlog (1568 - 1648) tegen Spanje ontstaat een sterk saamhorigheidsgevoel in de Noordelijke Nederlanden. Dit leidt tot de vorming van één staat: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588,
Onafhankelijkheidsverklaring). Vooral hierdoor wordt het Noorden cultureel en economisch veel belangrijker dan het Zuiden. De provincie Holland, en met name de stad Amsterdam, bloeit sterk op. Vlaanderen en Brabant - de voornaamste streken in de middeleeuwen - blijven daarbij achter. De strijd tegen Spanje en de godsdiensttwisten leveren onze literatuur een groot aantal strijdliederen of geuzenliederen (geus = verzetsstrijder) op. Het beroemdste voorbeeld is het Wilhelmus (ca. 1570). In het populaire Geuzenliedboek (ca. 1575) zijn vele van deze liederen verzameld. Gouden eeuw Tijdens de zgn. Gouden Eeuw (ca. 1600 - 1670) wordt Noord-Nederland één van de belangrijkste staten ter wereld: De (vijf) grote schrijvers uit de Gouden Eeuw (ca. 1600-1670) 1. Jacob Cats (1577 - 1660) Bekend werk: Het Spaens Heydinnetje, een verhaal over een zigeunerin, een schijnbaar heidense vrouw in Spanje. 2. Pieter Cornelisz. Hooft (1581 - 1647) Bekende werken: Warenar, een blijspel over een vrek. Een blijspel speelt zich meestal af in de betere kringen, de gebeurtenissen zijn deels ernstig, deelsgrappig en misstanden in de maatschappij en gebreken van de mensen worden vaak belachelijk gemaakt. Granida, een pastorale of herdersspel over liefde en politiek. Een herdersspel is een toneelstuk waarin het eenvoudige herdersleven wordt verheerlijkt i.t.t. het aan conventies (= vaste regels of gewoonten) gebonden hofleven vol intriges (= complotten, samenzweringen en geroddel). 3. Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585 - 1618) Hij beschreef vooral het leven van het gewone volk in zijn woonplaats Amsterdam. Bekende werken: Spaanschen Brabander, een blijspel over een Brabander van Spaanse afkomst die zich veel rijker voordoet dan hij is. Klucht van de koe, een klucht over een boer die zo handig bedrogen wordt dat hij zonder het te weten zijn eigen koe verkoopt, en het geld aan de bedrieger geeft. Klucht van de meulenaer, een klucht over een molenaar die tevergeefs zijn vrouw probeert te bedriegen. 4.Joost van den Vondel (1587 - 1679) Hij is vooral bekend geworden door zijn Bijbelse treurspelen: klassieke drama's gebaseerd op verhalen uit de Bijbel. Een klassiek drama is een drama zoals dat opgevoerd werd bij de Grieken en de Romeinen. Zo'n toneelstuk moest voldoen aan allerlei voorschriften: Deze 'voorschriften' zijn geformuleerd door de Griek Aristoteles (± 350 v. Chr.) in zijn Poëtica. Hij sprak echter niet over voorschriften, maar constateerde slechts dat veel schrijvers op deze manier te werk gingen. Humanisten vatten deze woorden (ten onrechte) zó op dat er voorschriften van gemaakt werden. Bekende werken: Gijsbrecht van Aemstel, een treurspel over de ondergang van Amsterdam rond 1300. Lucifer, een Bijbels treurspel over de val van de engel Lucifer. Joseph in Dothan, een Bijbels treurspel over Joseph die verraderlijk verkocht wordt. 5. Constantijn Huygens (1596 - 1687) Bekend werk: Zeestraet, een lang gedicht over een klinkerweg van Den Haag naar Scheveningen. Enkele andere auteurs uit de Gouden Eeuw: 1. Jan Luyken (ca. 1675). Hij was etser en maakte zelf de platen voor zijn werk. Vb.: Het menselijk bedrijf, waarin allerlei beroepen uitgebeeld en berijmd worden, is heel bekend gebleven. 2. Michiel de Swaen (ca. 1690): De gecroonde leersse of De verheerlijckte schoenlapper(klucht over een schoenmaker die koning Karel V te gast krijgt).
CLASSICISME EN VERLICHTING (±1670 - ±1770) Algemeen Rond 1670 loopt onze Gouden Eeuw, ook in literair opzicht, ten einde. In die tijd ontstaan er zgn. dichtgenootschappen (te vergelijken met de rederijkerskamers), waarvan het Amsterdamse dichtgenootschap (anno (= uit het jaar) 1669) "Nil volentibus arduum" (= niets is moeilijk voor hen die willen) het belangrijkste is. De leden van zo'n genootschap gaan ervan uit dat de dichtkunst, of ruimer gezien: het scheppen van literaire werken, te leren is als men enige aanleg heeft. Men dient dan 'slechts' de vorm van het werk zo perfect mogelijk te maken. Men ontwerpt hiervoor allerlei regels en voorschriften, geïnspireerd door klassieke en Franse auteurs, waar de schrijvers zich streng aan dienen te houden bij het maken van hun werken. Wederzijdse hulp en controle is tamelijk gebruikelijk. In de 18de eeuw neemt voorts de drang naar kennis omtrent de mens en de natuur (waarmee bedoeld wordt de waarneembare werkelijkheid) toe. Het menselijk verstand (de ratio) ziet men vol optimisme als iets wat de waarheid zou moeten kunnen vinden (rationalisme). Tegelijk ontstaat de behoefte om de samenleving, het volk, dat vaak nog in onwetendheid leeft, te beschaven en bewust te maken van de realiteit. Men poogt dit op gebieden als politiek, godsdienst en opvoeding. Algemene kenmerken van het rationalisme: Algemene kenmerken van het classicisme: Veel auteurs zijn verenigd in dichtgenootschappen. Algemene kenmerken van de verlichting: Bekende auteurs: 1. Pieter Langendijk (ca. 1725) is vooral in de herinnering gebleven door zijn blijspelen en kluchten waarin hij zich grotendeels hield aan de vormvoor-schriften van het classicisme. Zijn stukken worden ook nu nog opgevoerd. Enkele voorbeelden: Don Quichot op de bruiloft van Kamacho, bevattende verwikkelingen rond de beroemde Don Quichot van de Spaanse auteur Cervantes en rond een liefdesgeschiedenis. De wiskunstenaars, over wetenschappers die ruziën over de vraag of de zon om de aarde draait, of andersom, en ook over een liefdesaffaire. Het wederzijds huwelijksbedrog, wederom een romance, waarbij de partners elkaar bedriegen door zich veel rijker voor te doen dan ze zijn. 2. Justus van Effen (ca. 1725), oprichter en redacteur van het tijdschrift De Hollandse Spectator. Een spectator is een waarnemer, een toeschouwer, een beschouwer. In elke aflevering van dat tijdschrift stond een brief over een bepaald onderwerp. De lezers konden hiervan steeds iets leren. Daarmee paste de opzet goed bij de ideeën van de verlichting. Vb.:Kobus en Agnietje, ook wel Burgervrijage geheten; gaat over een zich moeizaam ontwikkelende romance, waarbij rang en stand tenslotte niet belangrijk blijken. ROMANTIEK (ca. 1770 - 1880) Algemeen Omtrent 1770 begint er, ook onder de schrijvers, een nieuw, modern type mens te ontstaan: de romantische mens. Deze verwerpt de strakke vormen en regels van het classicisme, ziet de klassieke auteurs niet langer als inspiratiebron en norm bij uitstek en legt - als reactie op het rationalisme - het accent op het gevoelsleven. Gevoel en fantasie worden uitgangspunt voor de kunst, en niet het verstand. De romantische mens is ook niet gelukkig met de tijd waarin en de plaats waar hij leeft. Hij heeft onvrede met het hier-en-nu. Soms lijdt hij zelfs aan het leven en de wereld; men spreekt dan van Weltschmerz. Hij probeert zich daarom tegen het gewone leven af te zetten of hij vlucht, in zijn fantasie, uit dat leven, om het onbereikbare geluk te zoeken. Pessimisme overheerst daarbij (i.t.t. het optimisme van de verlichting). In Nederland is de romantiek overigens nooit echt doorgebroken in de literatuur. Er zijn in feite maar twee belangrijke waarlijk romantische auteurs: Multatuli en Paaltjens. Algemene kenmerken De romanticus uit zijn gevoelens op de volgende manieren: door non-conformisme: zich afzetten tegen het gewone leven. Hij kiest dan voor: door escapisme: vluchten uit het gewone leven. Hij kiest dan voor: Let wel: als er in de literatuurgeschiedenis sprake is van "romantisch", dan bedoelt men daarmee: behorend tot de romantiek, of: met de kenmerken van de romantiek. "Romantisch" hoeft dus niets te maken te hebben met liefde, verliefdheid of overgevoeligheid. Het begin van de romantiek (ca. 1770 - 1805) Auteurs 1. Betje Wolff en Aagje Deken (ca. 1775): overgangsfiguren van de verlichting naar de romantiek. Hun opvoedkundige bedoelingen passen bij de verlichting, hun gevoel en humor horen bij de romantiek. Hun bekendste werk is Sara Burgerhart, een roman in briefvorm, de eerste Nederlandse roman van belang. Zij schrijven veelal realistisch over gewone mensen. 2. Rhijnvis Feith (ca. 1800); de Nederlandse vertegenwoordiger bij uitstek van het sentimentalisme: een literaire stroming uit het begin van de romantiek, die gekenmerkt wordt door, naar ons idee, overdreven gevoeligheid. In Julia wordt op zeer gevoelige wijze een tragische romance beschreven, temidden van de natuur en de dood. 3. Hiëronymus van Alphen (ca. 1775): werd en is bekend door zijn Kleine Gedigten voor kinderen, waarin de kinderen opgewekt worden tot een godsdienstig en deugdzaam leven. Ontplooiing van de romantiek (ca. 1805 - 1830) Auteur A.C.W. Staring (ca. 1825): is vooral in de herinnering gebleven als schrijver van balladen: eenvoudige verhalende gedichten in coupletten, in middeleeuwse trant en vaak gebaseerd op folklore: oude zeden, gewoonten en gebruiken van een bepaald volk of in een bepaalde streek, terug te vinden in sagen, volksliederen, sprookjese.d. Hij is dikwijls humoristisch. Bekend zijn Marco, over een ijdele versierder uit het middeleeuwse Napels, die in de problemen komt wanneer hij echt verliefd wordt, en de Jaromir-cyclus, vier gedichten over een student die later reizend monnik wordt en vreemde dingen beleeft bij zijn strijd met de duivel. De volle romantiek (ca. 1830 - 1855) Auteurs 1. Jacob van Lennep (ca. 1850) schreef vooral historische romans, romans die in het verleden spelen. Het grote voorbeeld voor schrijvers van historische romans was de Brit Walter Scott die o.a. Ivanhoe schreef. Vb.: De roos van Dekama, een historische roman over de strijd tussen Graaf Willem IV en de Friezen. Ferdinand Huyck, spelend in de 18de eeuw. 2. J.F. Oltmans (ca. 1850) schreef ook historische romans: Vb.: Het slot Loevestein in 1570, een historische roman over de dood van Herman Ruyter die het slot liever de lucht in liet vliegen dan het over te geven. De schaapherder, een verhaal uit de Utrechtse oorlog van 1481 - 1483. 3. Everhardus Johannes Potgieter (ca. 1850) wilde het Nederlandse volk verheffen uit de middelmatigheid via de literatuur uit en over het verleden, met name de Gouden Eeuw. Hij was een der oprichters van het literair-cultureel tijdschrift De Gids(1837) dat nu nog bestaat. In dit tijdschrift stonden o.a. felle kritieken op literaire en culturele uitingen van onvoldoende niveau. Vb.: Jan, Jannetje en hun jongste kind, een allegorie waarin het verval van Holland na de 17de eeuw wordt geschetst. Onderweg in den regen, een gevoelvol beschreven novelle. Hoe het weeuwtje uit het Hof van Holland gevrijd werd, een novelle over huwelijkskandidaten, de ware liefde en de zegeningen van de wetenschap.
4. Hendrik Conscience (ca. 1850) is een voorvechter van de VlaamseBeweging, een organisatie die de Vlamingen weer attent wil maken op de grote waarde van de eigen cultuur en de eigen taal. Hij greep terug naar de voor de Vlamingen roemrijke middeleeuwen. Vb.: De leeuw van Vlaanderen, een historische roman rond de Gulden Sporenslag 1302; een strijd tussen de Vlamingen en de Fransen. 5. Anna Louise Geertruida Bosboom-Toussaint (ca. 1875) schreef Majoor Frans, een vroege emancipatieroman.
6. Nicolaas Beets (ca. 1850) die onder het pseudoniem (= schuilnaam) Hildebrand zijn beroemdste boek Camera Obscura schreef. Het bevat humoristische verhalen en schetsen over de Nederlandse burgerij. Hij werd ook beroemd als dominee-dichter. 7. Johannes Kneppelhout (ca. 1850) schreef als Klikspaan geestig en realistisch over het Leidse studentenmilieu. Vb.: Studententypen. Studentenleven. Naspel van de romantiek (ca. 1855 - 1880) Auteurs 1. Multatuli (ca. 1875) wordt beschouwd als de belangrijkste Nederlandse auteur uit de 19de eeuw. Veel van zijn werk is autobiografisch getint. Zijn eigenlijke naam was Eduard Douwes Dekker; het pseudoniem Multatuli betekent: ik heb veel geleden (d.w.z. te dragen gehad, ondervonden). Hij is een strijdbare romanticus die fel reageert op wat hem niet bevalt. Zijn stijl is modern en goed leesbaar in vergelijking met die van zijn tijdgenoten. Vb.: Max Havelaar, over de wantoestanden in Indië. Woutertje Pieterse, de geschiedenis van een openhartig jongetje in voortdurend conflict met de wereld der volwassenen. 2. Petrus Augustus de Genestet (ca. 1850) schreef o.a. humoristische gedichten. Vb.: Sint-Nicolaasavond, over liefdesproblemen rond twee Sint-Nicolaasavonden. 3. Piet Paaltjens (ca. 1875) eigenlijke naam was François Haverschmidt. Humor en droefheid, een lach en een traan gaan vaak samen in zijn werk. Hij vond het leven zeer moeilijk, wapende zich ertegen door zijn bittere humor, maar pleegde tenslotte toch zelfmoord. Vb.: Snikken en grimlachjes, gedichten met somberheid en geestigheid, melancholie (= zwaarmoedigheid), ironie en zelfspot. Einde |
|
|