|
Overzicht literatuurtheorie
voor het onderzoek van proza.
1. Inleiding
Een boek lees je (hopelijk) meestal voor je plezier. Terecht. Je kunt er echter meer mee doen dan alleen maar lezen: je kunt bijv. onderzoeken hoe het in elkaar zit, hoe het opgebouwd is uit allerlei bestanddelen. Zo'n onderzoek wordt in de regel analyse genoemd.
Als je even kijkt naar andere vakken dan literatuur, zul je zien dat het idee om iets te analyseren heel gewoon is, zelfs vaak noodzakelijk. Denk maar aan het onderzoek van chemische stoffen en van medicijnen, aan microscopische en anatomische analyses, aan de aids-test, aan de bloedproef en aan de blaastest. Misschien is de mens wel steeds - al dan niet bewust - bezig alles wat hij meemaakt of wat hem interesseert te onderzoeken, eenvoudig omdat hij wil begrijpen hoe de mensen en de dingen in elkaar zitten, wat het doel, de functie van iemand of iets is.
Terug naar de literatuur. Als we een analyse van een boek maken, doen we eigenlijk niets anders dan proberen na te gaan hoe een verhaal uit zijn elementen(bestanddelen) tot een geheel is opgebouwd. Tevens trachten we de functies van alle elementen te vinden. Lukt dit allemaal, dan hebben we wat meer inzicht gekregen in het verhaal en lezen we het met heel andere ogen: met meer aandacht en wellicht ook met meer genoegen, met meer leesgenot.
Welke termen en begrippen van belang zijn voor een analyse wordt hierna besproken.
2. Termen- en begrippenlijst literatuurtheorie
TIJD
Een chronologisch verhaal =
een verhaal in de juiste, normale tijdsvolgorde; het verloopt "volgens de klok".
Een niet-chronologisch verhaal =
een verhaal dat niet in de juiste, normale tijdsvolgorde staat, niet volgens de klok verteld wordt.
N.B. Een niet-chronologisch verhaal begint dus bijv. midden in de gebeurtenissen; de voorgeschiedenis wordt later verteld. Of na een chronologisch begin, volgt een flash-back.
Een flash-back =
een terugplaatsing van het verhaal naar het verleden.
N.B. Het verhaal moet dus - ten dele - een vroegere periode beschrijven; korte gedachten of herinneringen aan vroeger vallen hier niet onder.
Verwijzingen =
zinspelingen (op gebeurtenissen bijv.).
Er zijn 4 soorten verwijzingen te onderscheiden:
naar het verleden - binnen het verhaal (1)
buiten het verhaal (2)
naar de toekomst - binnen het verhaal (3)
buiten het verhaal (4)
N.B. Een verwijzing buiten het verhaal heeft betrekking op personen, zaken of begrippen uit de ons bekende werkelijkheid, en dus niet uit de door de auteur gefantaseerde werkelijkheid in het verhaal. Dus: personen, zaken, begrippen e.d. bestaan ècht.
De gebeurtenissen in een verhaal spelen zich uiteraard af in een bepaald tijdsverloop. Dit kan een heel korte periode zijn, bijv. een dag of nog korter, of een erg lange, bijv. tientallen jaren of nog veel meer.
De tijd die verloopt wordt genoemd de vertelde tijd: de hele periode waarin de gebeurtenissen zich afspelen, de tijd dus waarover het verhaal zich uitstrekt, aan te geven in eeuwen, jaren, maanden, weken, dagen, uren, minuten en seconden (voorzover mogelijk en zinvol); in tijdseenheden dus (vaak: jaren).
Daarnaast is een verteltijd te onderscheiden: de tijd die het vertellen van het verhaal nu eenmaal vergt, uit te drukken in hoeveelheid tekst, dus: de bladzijden, alinea's, zinnen en woorden die de schrijver nodig heeft om het verhaal te vertellen; dit zijn dus teksteenheden(meestal: bladzijden)
Historische periode =
het tijdvak uit de geschiedenis waarin de gebeurtenissen zich afspelen. N.B. Er is altijd een historische periode; dit hoeft niet per se een belangrijk tijdvak uit de geschiedenis te zijn: het gaat er alleen om wanneer het verhaal zich afspeelt.
Voorbeeld: een verhaal van 200 blz. dat 5 jaar duurt en wel van 1940 - 1945 heeft dus als vertelde tijd 5 jaar, als verteltijd 200 blz. en als historische periode de Tweede Wereldoorlog.
De verhouding tussen verteltijd en vertelde tijd kan sterk wisselen. In een enkele zin kunnen tientallen jaren samengevat worden (bijvoorbeeld: "20 Jaar later ging (...)), maar bladzijden lang kan een gesprek weergegeven worden (bijvoorbeeld (zoals) in toneelstukken), zodat de tijden parallel lopen.
Bij beschrijvingen (bijvoorbeeld van een persoon of een landschap), beschouwingen of meningen (bijvoorbeeld over onderwerpen uit kunst, wetenschap of politiek) staat de vertelde tijd zelfs (eigenlijk) stil. Dit soort taaluitingen is universeel, algemeen geldig; ze onttrekken zich als het ware aan de tijd.
Verteltempo =
het tempo waarin de schijver het verhaal vertelt.
Wisseling van verteltempo ontstaat door:
1. vertraging =
verlaging van het verteltempo door relatief veel tekst (verteltijd) te gebruiken voor relatief weinig (vertelde) tijd.
2. versnelling =
verhoging van het verteltempo door relatief weinig tekst (verteltijd) te gebruiken voor relatief veel (vertelde) tijd.
De functies van versnelling en vertraging zijn:
1. afwisseling
2. spanning - vasthouden
- verhogen
- oplossen
Tijdverdichting =
extreme versnelling = zeer sterke verhoging van het verteltempo, waarbij in enkele woorden veel tijd verstrijkt.
Bijvoorbeeld: "Een jaar later (...)."
Continuïteit =
ononderbrokenheid, voortdurendheid; d.w.z.: de gebeurtenissen worden niet in opvallende mate onderbroken, er worden geen duidelijk aanwijsbare stukken tijd overgeslagen.
Verhaaldraden =
verschillende verhalen in één tekst; er zijn dan dus twee of meer verhalen te onderscheiden. Hiervan is sprake in geval van:
een andere tijd (vgl. een flash-back)
of een andere plaats
of andere personen.
Bijvoorbeeld "soaps" op de televisie.
HANDELING
Handeling =
alle gebeurtenissen samen.
N.B. Als er geen gebeurtenissen zijn, verloopt er ook geen tijd; dit is o.a. het geval bij beschouwingen, beschrijvingen of meningen, zoals al eerder betoogd; dergelijke passages zijn min of meer universeel, algemeen geldend, onafhankelijk van het tijdsverloop.
Geleding =
opbouw in onderdelen.
2 soorten geleding:
- naar het uiterlijk (uitwendige geleding): hoofdstukken, delen, alinea's, e.d.;
- naar de inhoud (inwendige geleding): hoogtepunt,
dieptepunt, begin, einde, uitweidingen, enz.
Fabel =
korte, zakelijke, chronologische samenvatting van de handeling.
N.B. Dit is dus een ander soort fabel dan de fabel als genre.
Thema =
centraal probleem = grondgedachte.
Motief
Er zijn 2 soorten motieven:
verhaalmotief =
gebeurtenis, situatie of persoon die bij herhaling voorkomt (in een verhaal).
N.B. We spreken meestal van motief.
literair-historisch motief =
een motief dat niet aan plaats of tijd gebonden is en derhalve door de eeuwen heen in verschillende landen in verhalen voorkomt.
N.B. Dit element onderzoeken we niet.
Motto =
spreuk, uitdrukking, opschrift of citaat (= letterlijk overgenomen tekst) vóór de eigenlijke tekst van een verhaal; drukt vaak de bedoeling (= het thema, zeg maar) ervan uit.
Opdracht =
een blijk van hulde aan iemand wiens naam vóór in een boek (met ere) genoemd wordt ("Opgedragen aan"...; of: "Voor (...)"; of: "Aan (...)").
Begin van een verhaal:
chronologisch of niet-chronologisch (start midden in de gebeurtenissen);
Eind van een verhaal :
open: de lezer moet zelf de afloop bedenken;
gesloten: de afloop is duidelijk voor de lezer.
RUIMTE
Ruimte =
1. locatie (geografische plaats, vgl. "filmen op locatie", d.w.z. niet in de studio, maar ter plekke)
+2. omgeving (wat is er allemaal te zien op de locatie?)
+3. (weers)omstandigheden (op locatie).
FIGUREN
(Verhaal)figuren =
personen = personages.
N.B. Dit zijn in het algemeen mensen, maar soms ook wel dieren; bij uitzondering planten of niet levende wezens. Vergelijk sprookjes, fabels, sagen, legenden en science fiction.
Drie manieren om de figuren in een verhaal te leren kennen:
1. door wat ze zelf doen, denken en zeggen;
2. door informatie van andere figuren;
3. door rechtstreekse inlichtingen van de verteller of de vertelinstantie.
Soorten figuren:
1. Type = een figuur met slechts enkele opvallende,
onveranderlijke karaktertrekken (bijv. komische stripfiguren als Asterix en Obelix, Lucky Luke, Suske en Wiske).
N.B. Komt weinig voor in literatuur.
2. Statisch karakter =
flat character = volledig
gepresenteerd figuur = een figuur die geen merkbare verandering ondergaat in de loop van het verhaal, nadat hij eenmaal voorgesteld is aan de lezer.
3. Dynamisch karakter =
round character = niet-volledig gepresenteerd figuur = een figuur die een duidelijke verandering ondergaat onder invloed van de gebeurtenissen en over wie op vele plaatsen in de tekst informatie wordt gegeven.
Let verder op:
1. de (familie)relaties tussen de hoofdpersonen;
2. de karaktereigenschappen van de hoofdpersonen;
3. de uiterlijke kenmerken van de hoofdpersonen.
N.B. Deze drie punten zijn belangrijk voor analyses.
VERTELWIJZE
Bij onderzoek van de vertelwijze (= point of view = perspectief = vertelsituatie) moet de lezer uitzoeken wie of wat het verhaal vertelt.
In beginsel kan een verhaal geschreven zijn in de eerste, tweede of derde persoon enkelvoud of meervoud. Eenvoudig gezegd: in de ik-, jij-, hij-, wij-, jullie-, of zij-vorm. Uit de praktijk blijkt dat er vrijwel uitsluitend verhalen bestaan in de eerste of derde persoon enkelvoud: de ik- of de hij-vorm. Dat is trouwens heel begrijpelijk, zoals je gemakkelijk bij jezelf kunt nagaan.
Enkele opmerkingen vooraf: verteller, schrijver, vertelinstantie.
1. Verteller schrijver; de verteller is nl. altijd een ik-figuur uit het verhaal (alleen bij bijv. autobiografieën is de verteller/ik-figuur gelijk aan de schrijver). Voorbeeld: een schrijfster laat een mannelijke ik-figuur het verhaal vertellen; een (volwassen) schrijver laat een kind als verteller optreden.
N.B. De verteller is dus concreet: als persoon aanwijsbaar.
2. Verteller vertelinstantie; bij hij-verhalen (in de 3de persoon enkelvoud dus) is er geen verteller als persoon in het verhaal aan te wijzen; toch "wordt er verteld" door een "iets"; we spreken dan van een neutrale vertel-situatie; het "iets" (wat vertelt) noemen we meestal een (vertel)instantie.
N.B. De vertelinstantie is dus abstract: niet als persoon aanwijsbaar; het is slechts een bedachte term.
Indeling van de vertelwijzen
1. Ik-verhalen
a. Alwetende verteller
De ik-figuur/verteller weet (bijna) alles, kan (bijna) alles en is (zonodig) overal aanwezig. We spreken dan van een alwetende verteller. Deze verteller richt zich soms tot de lezer en voert hem als een soort bondgenoot door het verhaal.
N.B. Deze verteller is geen persoon die deelneemt aan de gebeurtenissen.
b. Ik-figuur/verteller als hoofdpersoon
Deze staat in het centrum van de gebeurtenissen.
c. Ik-figuur/verteller als getuige/nevenfiguur
Deze observeert de gebeurtenissen.
d. Meer-dan-één-ik-verteller
Bijv. steeds een andere ik-figuur per hoofdstuk.
Let op: er kunnen twee ik-figuren zijn, nl. de ik als verteller (vertelt achteraf) en de ik als belever (vertelt op het moment zelf). De ik-verteller weet natuurlijk hoe de gebeurtenissen zullen aflopen, maar hij moet dit verborgen houden voor de lezer om de spanning er in te houden. Zo ontstaat afwisseling tussen het toen van de belevende ik en het nu van de vertellende ik.
Belangrijk is nog dat de lezer alleen maar te weten komt wat de ik-figuur weet (zijn gedachten en gevoelens, zijn gewaarwordingen en waarnemingen), wat een behoorlijke beperking inhoudt (behalve bij 1a, uiteraard).
2. Hij-verhalen
a. Alwetende vertelinstantie
De situatie is in feite gelijk aan die van 1a. Ook hier alwetendheid, almachtigheid en alomtegenwoordigheid.
b. Personale vertelsituatie (de zgn. "verhulde ik-vorm").
Het perspectief ligt bij een figuur over wie in de derde persoon enkelvoud verteld wordt. Alleen zijn visie op de gebeurtenissen krijgt de lezer onder ogen. Lijkt erg op een situatie waarbij een ik-figuur hoofdpersoon is; daarom ook "verhulde ik-vorm" (vgl. 1b).
c. Meervoudige personale vertelsituatie
Gelijk aan 2b, maar bijv.per hoofdstuk is er een andere figuur vanuit wie er verteld wordt. Daardoor wordt de visie op de gebeurtenissen iets objectiever (vgl. 1d).
3. Overige vertelwijzen
a. Verhalen die niet in de eerste of derde persoon enkelvoud staan, dus in de tweede persoon enkelvoud of de eerste, tweede of derde persoon meervoud.
b. Dramatisch perspectief: de vertelsituatie in een toneelstuk, dus: de gesproken tekst (monologen, dialogen) en de regie-aanwijzingen.
c. Camera-perspectief: registratie van wat een camera "ziet".
d. Mengvormen van de diverse genoemde perspectieven.
N.B. De vertelwijzen 3a, c en d komen erg weinig voor. Vertelwijze 3b is kenmerkend voor toneelstukken.
BELEVING EN WAARDERING
Bij de formulering van je eigen mening over een boek kun je o.a. letten op:
1. inhoud
2. taalgebruik
3. opbouw
4. identificatie (= herkenbaarheid van jezelf of van je situatie)
5. originaliteit
6. emotionaliteit (aandoenlijkheid; gevoelens die bij je opkwamen)
7. esthetiek (schoonheidsleer; wat je mooi of lelijk vond)
8. ethiek (zedenleer; welke ideeën je goed of slecht vond).
Einde
|