| 1
Ik leef op angst.
Ik schrik bij elke straatlantaarn,
ik word vervolgd door elke schaduwstreep,
elke passant bouwt mijn gevangenis.
Ik leef op angst
ik heb slechts vluchtorganen,
het oog dient om de hinderlaag te ontmaskeren,
de voet om de belager te ontgaan.
Een angst, een angst
die tong, en hart
verlamt --
O te versmelten met de grijze muur,
verstrikt te zijn in klimop en liguster!
|
2
Gelukkig zijn; en niet weten waarom;
en soms, naar buiten kijken
waar de lucht donkerder is dan de steen,
alleen een fabriekspijp nog donkerder afsteekt,
en bang, en gelukkig zijn.
Een geluk dat geen raad weet;
men bekijkt een glas
met aandacht, er is een barst in,
en lacht en wiegelt het hoofd
als een kindse oude vrouw
die een broodkorst van tafel stoot, en lacht.
Ik leg mijn hoofd op mijn armen
en kijk op en leg het weer neer.
Ik weet zelf niet of ik gelukkig ben.
|
3
De lucht is door regen gedempt.
Ik ben alleen - ook wel verlaten - maar vooral alleen.
Ik zou het altijd zo willen laten:
kijkend door deze ramen
naar de huizen om mij heen,
schrijvend nu. Alleen mijn pen
bewijst, zacht krassend, dat ik vrienden heb
die ik moet bedanken voor dit ogenblik
dat ik alleen ben.
|