index
Delhi
Jhansi
Poona
Goa
Hampi
Gokarne
Jogg Falls
Bangalor
Vellore
Mahabalipuram
Madras
Terug in Delhi


*Fietsnotities Polen

mailbox Bugel


*Reisnotities India
Delhi
Jhansi
Poona
Goa
Hampi
Gokarne
Jogg Falls
Bangalor
Vellore
Mahabalipuram
Madras
Terug in Delhi

Delhi
Jhansi
Poona
Goa
Hampi
Gokarne
Jogg Falls
Bangalor
Vellore
Mahabalipuram
Madras
Terug in Delhi
index
Delhi
Jhansi
Poona
Goa
Hampi
Gokarne
Jogg Falls
Bangalor
Vellore
Mahabalipuram
Madras
Terug in Delhi
index
| Hospet, Vijayanagar..

Dit artikel is in 1997 geschreven door JOB BUGEL
Bij het ochtendgloren in Hospet. Ik schuif een paar stoelen bij elkaar en leg me te slapen in afwachting van de bus naar Hampi. Daar biedt een zeer verlegen man mij een kamer aan voor 25 roepia's. Ja, hij zal een muskietennet voor me spannen. Ja, ik mag eerst koffie drinken, dan verder kijken, en daarna terug komen. Hij zou wachten. Rond mijn stoel smeert een meisje van vijf jaar de lemen grond in met verdunde koeienpoep. Egaal diep fluweel wordt het. Dan volgt een tekening met krijtpoeder. Voor alle winkels doen de andere mensen het zelfde. Met een oogbeweging maakt het meisje me attent op de man die ik vergeten was. Hij is de managing director van het Shantosh Hotel, en ik wordt zijn enige gast.
Voor een beschrijving van de omgeving leen ik even een citaat van mijn broer Janwim:

HAMPI, we gaan naar Hampi, dat zeggen ze allemaal, maar ik zeg liever Vijayanagar, de naam van de stad die hier eens was. De busrit eindigt in de Hampi bazaar, bazaar betekent markt, en ze is hier in 1336 ook gebouwd voor dit doel. Het is een soort forum, twee zuilen colonnades van een kilometer lang. Het heeft nu de sfeer van de gravures van Piranesi, bijvoorbeeld die van het Forum Romanum. Een deel van de zuilen is ingestort. Van wat er staat is ongeveer de helft bewoond, en de andere helft is onder gegroeid. Aan de westzijde is een Hindoe tempel die nog in gebruik is, met een 60 meter hoge toren in de gekromde vorm die de Amsterdamse school zo gaarne geadopteerd heeft. De toren is overwoekerd met beelden en bewoond door een leger aapjes, die noch vriendelijk noch beleefd zijn. Vlak bij de tempel is de bazaar ook echt bazaar, winkeltjes, vier restaurants en een klein hotel, alles uiterst armoedig. Verderop wordt er nog gewoond tussen de zuilen, maar dan zakt het af via stallen en opslagplaatsen naar niets. Aan de oostzijde eindigt de zuilenlaan in een vloed van brede en vervallen trappen, en hoger staan enkele kleine tempelkonstrukties. Wat hoger in de grootste zetelt de stier, de monoliet. Een dier met onduidelijke gelaatstrekken, gehakt uit één stuk rots en ingebouwd in een luchtige zuilentempel. Als de zon 's avonds laag staat, vangt de met rode poeder bestrooide kop het avondlicht, en is vanaf de gehele bazaar te zien.


Vanavond eten bij Shambu-Ji, in Boem Shanka. Shambu is stevige aapachtig uitziende Shivababa met O-benen. Daar ontmoet ik Jazz en Fann, een echtpaar dat met Shambu bevriend is. Jazz is een brahmaan van een jaar of dertig, zijn vrouw is Amerikaanse, ze wonen in Gokarne, een klein pelgrimsoord aan de kust 200 km ten zuiden van Goa. 'Gokarne is paradise, de mensen zitten daar goed in hun vel' zegt Jazz, op een manier waarop ik hem meteen geloof. Jazz en Fann gaan de laatste dagen constant vergezeld van een van een zeer ranke en fijngevoelige puber die stapel verliefd is op Fan, maar dat zelf helemaal niet in de gaten heeft. We zitten met zijn vijven aan een gigantische katvis te eten. Shambu heeft die tijdens de middagsiësta met veel beleid uit de rivier gevist. Niet alleen vanwege de vis is het een bijzondere aangelegenheid. Shambu gaat eens per jaar met volle maan om middernacht naar de Laxmir Tempel. Laxmir heeft deze maan, en ze is de godin van het Grote Geld. Ze is iets anders dan de westerse mazzelgodin Fortuna, Laxmir is meer het plezier dat je kunt hebben in het verwerven van macht en aanzien. Dat plezier leert men kennen door haar loven en te prijzen. Dat is tenminste wat het voor mijn vriend betekent, en ik kan zeggen dat hij zijn weg met veel toewijding betracht. Shambu heeft symbolische offergaven ingekocht (paar kilo suiker, noten, wierook en curt). Het wordt een belangrijke avond, en ik ben blij dat ik mee mag. Als we genoeg van de vis gegeten hebben word eerst stevig aan een chilum gerookt. Ik zie in het maanlicht dat de rivieroever op een tempel lijkt, of je moet zeggen dat de tempels met hun bolle vlezige godenlijven een zelfde vormritme hebben als de rotsen van de rivieroever. In dit gebied is het hoogland van midden India over een breedte van enkel kilometers grondig door elkaar gehaald door de Tungabhadra-rivier.

Op een geologische tijdschaal gezien is er nogal een en ander gebeurd, lang voordat de ruïnestad ooit gebouwd is. Een onafzienbare droge rivierbodem met kiezels van zo'n tien twintig meter doorsnee. Alleen vanuit een vliegtuig valt er een zeker orde in te ontdekken. Ik zie de ravijnwand die ons uitzicht vormd overwoekerd met ronde gebeeldhouwde vormen, woeste en verheven gezichten, in alle richtingen kronkelende lijven, niet allemaal Indiase iconografie ook stripfiguren en de boze feeën die ik tijdens mijn geelzucht naast me in het behang zag. Shambu neemt me bij de arm, het wordt tijd om te vertrekken. Eerst doen we een kleine Puja in de keuken voor het portret van Munie Baba, want de tocht is gevaarlijk. Langs eeuwenoude stenen trappen en tunnels lopen we door de ruïnes langs de rivier. We gaan over een maanverlichte zandverstuiving en na een bocht in de rivier moeten we klauterend over grote ronde stenen weer wennen aan het donker. Shambu twijfelt. Daar onder een paar weg gekukelde stenen door kruipen. Mijn motoriek is aangetast, ik moet nu geen enkel verzwikken. Als ik Shambu heb ingehaald heeft hij een waxinelichtje aangestoken voor een rots waarin de bevallige vormen van Saraswati zijn uitgehouwen. We lopen verder over een platte rots die in het snel stromende water van de rivier afhelt. Hier gaan we zitten. Shambu zet zijn handen aan de mond: 'Boodâââh' hij roept dit een keer of vijf uit al zijn kracht. Dan besluit hij dat Boeddha het gehoord moet hebben: 'we leave it to the gods' mompelt hij, en we roken en babbelen. Shambu vertelt hoe hij de vis heeft gevangen, en ik begin te beseffen dat de woeste wirwar van rotsformaties zich onderwater gewoon voortzet. De rivier is een wirwar van wervelingen, draaikolken en tegenstromen. Het is lang niet vanzelfsprekend dat een ervaren zwemmer overal aan de oppervlakte blijft, je stroomt met het water mee, en op sommige plekken stoomt het water naar beneden. Boeddha verschijnt uit het niets, in een notendop. Een notedop is een met pek besmeerde mand van palmbladeren, aan de binnenkant versterkt met bamboestengels. Boeddha is een pezige man met een soortgelijke notedop omgekeerd op zijn hoofd. Hij balanceert op de bamboestengels [daar mag je niet naast stappen] en hij maakt onregelmatige manoeuvres met zijn roeispaan in het kolkende water. Het is wel duidelijk dat ons gezelschap niet in één tochtje over de rivier gezet kan worden. Ik zit samen met Jazz in de boot. Hij zit wijdbeens gehurkt op de buigende bamboestengels in het midden, ik verdeel mijn gewicht over de hoge rand, tegenover de plek waar Boeddha staat te roeien. De tocht is adembenemend. We horen alleen de echo van het klotsende water tegen de maanbeschenen rotsen, waarop de afbeeldingen van de goden waar Jazz nu in een innig contact staat. Nu hebben ze ons meer dan ooit. Thee in het huis van Boeddha, er wordt betaald voor het gevaarlijke karwei waarvoor hij uit bed moest komen, en we gaan langs kleine holle zandpaadjes tussen de landerijen door, weg van de rivier.
Shambu begint langzamer te lopen, hij neemt een gedrongen houding aan en verdwijnt met egelgeluiden in het struikgewas. Met drie verdorde palmtakken komt hij weer tevoorschijn en als een bezetene rukt hij de scherp bladeren eraf. Jazz en ik krijgen ook een tak. Hij legt uit hoe we ons moeten verdedigen. Er zijn dorpshonden en verwilderde schaapshonden. Dorpshonden blaffen en blijven in groepjes bij elkaar. Wilde honden bijten eerst eens in de benen en kijken dan verder. Slangenbeten en schorpioenenbeten zijn schoon, hondenbeten kun je beter niet hebben, krijg je last met je gezondheid, en het werkt negatief op de geest. Een bedevaart hoeft geen pretje te zijn. De spanning zit er goed in. We komen door in paar slapende dorpjes, Geen ruïnes meer in dit gebied. Veel sprookjesachtige knoestige bomen met luchtwortels. Dat komt een bergpad met scherpe stenen. Hier moeten de schoenen van de voeten. Een grote lemen tempel met een smerige tank. Niets bijzonders, maar wel voor Shambu, hij is aangedaan als we naar binnen gaan. We zijn de enige pelgrims. De tempeljongens wisten dat we zouden komen. We leveren ons voedsel in, de jongens zeggen de voorgeschreven teksten terwijl ze onderling met elkaar kibbelen en ginnegappen. Dat schijnt niet erg te zijn als alle voorgeschreven handelingen maar worden gedaan. Kokosnoten worden open voor de godin neer gelegd, de bel klinkt, Shambu gaat in gebed. Jazz staat ontspannen te babbelen met een van de tempeljongens die de ceremonie verricht, hij is zelf priester in de Ganesh-tempel van Gokarne. Na afloop van de ceremonie krijgen we Prasad, godenvoedsel. Dit is voedsel dat door eerdere pelgrims aan de godin geofferd is, en dat wij nu met de godheid delen. Ik ga eens achter de coulissen kijken, in ik zie dat een tempel eigenlijk een voedselomzet-fabriek is. We eten grote kwakken vloeibare noga, gemalen noten met ingedikte melk en veel suiker. Daarna trekken we onze sandalen aan, en gaan op het kerkplein voldaan een sigaret roken. Na een vermoeiende tocht van drie uur komen we tegen de ochtend terug bij Boemshanka. We hebben één stokken gevecht met een groep honden achter de rug, en de notendop heeft op zijn laatste tocht een flink lek opgelopen. Boeddha kan niet meer terug, hij zal aan de rivier moeten wachten tot het licht wordt, dan zal zijn buurman hem komen zoeken. Bij Boemshanka is het een herrie van jewelste. De familie en bedienden van Shambu lagen in diepe slaap, ze hadden alle TL-buizen en de radio kei en keihard aangezet om zich veilig te voelen tegen de eenzaamheid van de nacht zonder de nabijheid van hun meester. Tegen het ochtendgloren kom ik bij mijn kamer. Er ligt een mensenlichaam in een dekentje gerold voor mijn deur. Dat is de manager van mijn hotel. Ik kruip onder mijn muskietennet. Het is me gelukt van de nacht een dag te maken, nu zal ik van de dag een nacht maken.
's-Middags wordt ik wakker van een vecht en schreeuw partij tussen apen op het dak van mijn kamer. Dat dak blijkt niet zo stevig te zijn, net zoiets als de notendop of mijn zonnehoed, en dan nog wat hooi erop. Ik begrijp opeens beter waarom de hotelmanager voor mijn deur slaapt zolang ik er 's-nachts niet ben. Hij heeft alle nachten voor mijn deur geslapen, alleen de laatste avond, voor mijn vertrek kwam hij netjes om respijt vragen. Hij ging met zijn vrienden een de film zien in de stad, hij glom van dit luxe vooruitzicht. Behoeften na het wakker worden, drinkwater, poederkoffie, schone handen om lenzen in te doen. Het is allemaal niet zo eenvoudig als op een Europese camping. Ik loop naar de plekken waar ik vannacht in het maanlicht liep te hallucineren. De zon is moordend en er zijn pelgrims, bedelaars, handelaren en steekvliegen. Ik ga wassen en zwemmen in de rivier, het voorbeeld volgend van een paar jongens die de rivier goed kennen. De jongens op hun beurt kennen de ontstellende naïviteit van westerners, en houden me goed in de gaten.
Kiran Gopi.
Met Kiran van het Gopi restaurant snel op de fiets alle tempels afgejakkerd. Dat kun net in een halve dag. 40 Rs voor twee fietsen, Kiran gaf ik honderd. Omgerekend is dat vijf gulden. I would never give onehundred rupies to a boy like that, schamperen later de Cambridge Academici. Soms had ik twee gidsen, Kiran leverde me over aan een officiële gids die er meer van wist, en die een soort alleenrecht op een tempel had. Kiran gierde van de zenuwen en had net als een beginnende therapeut te veel het idee dat hij waar voor zijn geld moest geven. We zijn het Queensbath nog niet binnen (hier werd de koning gebaad) of we moesten alweer naar de volgende ruimte. Een massage ruimte. "To squeeze the Queen" legt hij uit. Het tempo bevalt me goed, want het gaat me er om een globaal idee van de hele ruïnestad te krijgen. 's-Nachts kan ik er op mijn eentje op in zoemen, als ik daar zin in heb. Als de opgewonden Kiran ever geen tekst heeft, begint hij onzin uit te kramen: 'Het kan me niet schelen of iemand rijk of arm is' zegt hij 'er zijn ook mensen die ik per vliegtuig of auto rondleid, maar om het of de fiets te doen vind ik helemaal niet erg'. 's-Middags ontmoet ik Muni Baba in Gopi-lodging, dit is de man waarvan Shambu een portret in de keuken heeft, met wierookstokjes ervoor. Hij blijkt een diefachtige alcoholist te zijn die met veel moeite een soort shanti-shanti sinterklaasrol volhoudt. Met een flinke warme maaltijd (riviervis) weet ik op het heetst van de dag mijn opwinding te temperen zodat ik een slaapje kan doen om fit te zijn voor de koele sprookjesachtige maannacht. Met de dagelijkse routine van koffie, toilet, lenzen en pillen begin ik efficiënter te worden. Ik zit in Boemshanka. Ik ontmoet hier de Britse lui van Cambridge, landbouw en ecologie. Ze zijn op een algemeen verdiepingsprogramma hier. Het is een programma dat ze zelf hebben samengesteld, de universiteit betaalt. Goed georganiseerde Babieboomers. We praten over de genetische stabiliteit van cashcrop-soorten en de bodemverzilting. Ze zien de zaken somber in, maar uit hun toelichtingen maak ik op dat de groene revolutie is gelukt, en dat bij gelijk blijvende techniek voor tientallen jaren en toenemend aantal monden gevoed kan worden. En natuurlijk blijft de techniek niet gelijk, over tien jaar wordt hier elke plantje druppelsgewijs gevoed via een software sturing die wereldwijde verbindingen heeft met landbouwkundige kennisbestanden, de weersverwachting en de landbouw termijnmarkt. Ik adviseer ze een dure vismaaltijd bij Shambu-Ji, gebruik makend van de mercurische technieken die ik van de handelskinderen geleerd heb. Shambu doet me een halve tola Manali cadeau en drukt me op het hard niet aan de rivierkant in slaap te vallen. De krokodillen zijn niet groot, maar wel snel en het kan vervelend zijn als ze iets met je proberen. De eerste uren van de wandeling was de maan nog niet op. Een zaklantaarn verblind de ogen, daardoor verlies je de algemene oriëntering, je ziet alleen grote stenen vlak voor je neus. Voorzichtig zoekend klauter ik onder de sterrenhemel. Op een gegeven moment vindt ik het welletjes, en tevreden val ik aan de rivierkant in slaap. Als ik wakker wordt zindert schel maanlicht hoog aan de hemel, krekels tjirpen overal om me heen, uitgerust en opgewekt maak ik een lange wandeling door het uitgestrekte gebied dat ik dankzij Kiran globaal heb leren kennen. Kamalapuram Boeken gekocht en omdat het gisteren zo goed bevallen was in een hoog tempo allerlei af te raggen, ook een fiets gehuurd. Naar Kamalapuram gereden, daar koffie besteld en de geschiedenis van de laatste 500 jaar in deze streek gelezen. Ik ben het nu meer genuanceerd gaan zien, de genocide en de systematische verwoesting van de stad heeft een paar maanden geduurd, maar was niet helemaal zonder aanleiding. Ik heb tijdens het lezen veel koffie gehad, en ook al wat sigaretten gerookt. Daardoor ben ik weer helemaal in conditie voor een volgend ritje op de fiets, alleen is de vaart er een beetje uit door dat ik geen gids heb, die me overal naar toe commandeert. De gids kom ik trouwens later op de dag weer tegen. Het joch is compleet over het paard getild, hij draagt een pak, heeft zijn haar met stijfsel in een krul gedaan, en hij kijkt uit zijn ogen als Nederlandse dertiger (van die generatie na de babyboom) die bij Intermediair een cursus loopbaanontwikkeling volgt. Hij roept me bij zich, want gisteren tijdens het gidsen is de stil zwijgende afspraak ontstaan dat hij de directieven geeft. Hij vraagt of ik tevreden ben, en nog enkele andere vragen die (zeker in het oosten) alleen bevestigend beantwoord kunnen worden. Hij heeft grootste plannen voor de toekomst, hij zal mijn zus rondleiden in februari, en hij heeft voorts nog wat rekeningen met me te vereffenen waar we gisteren in de haast nog niet opgekomen waren. Avond en nacht. De man met wie ik naar de Laxmir tempel ben geweest heeft weer een katvis gevangen. Ik loods een paar torenhoge Noorse jongelingen zijn restaurant binnen. Die blijken later 400 roepia's met Shambu te hebben afgerekend, ze hadden vergeten van te voren naar de prijs te vragen. De volgende dag wilden ze meer, ik kan me het wel voorstellen want zo'n brok eiwit geeft veel energie, toch ben ik er wat voorzichtig mee, want ik weet niet precies wat er, behalve de geest van Krishna, verder voor substantie in de rivier zit. Een beetje kan geen kwaad, maar te veel is nooit goed. Ik ben 's-nachts weer hartstikke betoverd door een zeer indrukwekkende landschappen gelopen, niet gestoord door wie dan ook, alleen twee keer aangeblaft door dorps honden, die ik hooghartig heb genegeerd.

Hospet.

Na een verdwaalpartij kom ik in de loop van de ochtend met de bus naar Hampi. Ik eet gulzig in een verblijf met bleke hippies in uitzakfauteuils. Ik probeer mijn overhemd te ruilen met een geheel verkleurd en prachtig versleten handgemaakt overhemd van de ober. Helaas lukt het niet. Ik ga een dagje naar de grote stad (Hospet), ik wil muskietennet, precies hetzelfde wat ik nu heb op mijn kamertje van 25 roepia's.
Hospet is een stad met veel Moslims, de handel gaat ingetogener, er hoeft weinig onderhandeld te worden. Het muskietennet laat ik maken, het moet zo en zo, en het moet blauw, net als de lakens. De handspiegel die ik koop, verkoop ik weer aan iemand anders omdat ik een kleinere kan krijgen. Als ik ook desinfecterende zeep op de kop hem getikt is het muskietennet klaar, ik bel met mijn internetprovider in Bangalore, ga naar de bank, en reserveer de bus die ik de volgende dag zal missen.
Op reis naar Gokarne
Ik betuig mijn innige tevredenheid tegenover mijn hotelmanager, die mij ondanks zijn verlegenheid de film naverteld, die hij gisteren gezien heeft.
Om zeven uur vertrekt de bus naar Hospet, en die bezwijkt zuchtend op de eerste helling.

Gokarne }}}}}}}}}}

© 1997 Job Bugel [index]