index





**
Polen: begin


***
Polen: deel drie



andere reisverhalen



| Merengebied 'Oost Pruisen',
de Masuren

Of hoe je een riviervisje bakt.



Een soort Lech Walensa, met iets kleinere snor en een dikkere buik vertelt dat hij Frankfurt kent en struikelt over mijn fiets; toch weet hij met vijf van zijn zwaar beschonken maten het achterwiel eraf te krijgen. Ik ging Betty vragen een foto te maken van het reparatie team: Zwart sintel, stapels tractorbanden een oliedrums, een paar kratten bier, en een scheef gezakt bordje 'vulcanisatsy' of iets dergelijks, ik wil allemaal op een enkel beeld en commandeer Betty alsof ik een filmset onder regie heb: 'sei nicht so fies', zegt ze.

'Lieber Eva, ich wandere mit deine Betty mein Zelt und zwei Räder durch ein menschenleer Hügellandschaft mit tiefe kalte Seeen. Die Polen verstehen lieber nix als de Verantwortung auf sich zu laden ons nach ein Radhersteller oder Brotladen verwiesen zu haben....' Ik schrijf kaarten op een marktplein. Er speelt een blaaskapel van de Marine, de dirigent wiegt mee en kijkt het plein rond terwijl hij de maat slaat. Mijn fiets is gestolen, ik heb een nieuwe gekocht, en ik ben de sleutel van de oude wezen brengen naar de plek van de misdaad, in een tochtige flatwijk. Een goed westers slot, dat het gewaardeerd mag worden. Heel veel meren en glooiende zandpakketten als de hondsrug. De mensen armelijk, 'eingeschüchterd' en hoopvol als bij ons in de vijftiger jaren.

Op de nieuwe fiets richting oosten. Grote brede banden, flonkerend en geruisloos. Het is zondagochtend, in een dorpje is een houten kerk en een sklep: het Poolse woord voor winkel. De sklep is rechthoekig, van hout, en zonder ramen. Binnen is brood, worst en bier. Buiten een schraag met zitbanken waar de mannen het bier naar toe dragen, ingetogen en zo recht mogelijk op koers. Betty en ik ontbijten aan een hoekje van de schraag. Een geflipte bonestaak waggelt op onze fietsen af, en wordt door de anderen tot de orde gebromd. Er komen blonde ronde vrouwen in zuurstok-kleurige vrijetijdskleding. Gewoon hun vrouwen, het is duidelijk wie bij wie hoort, en dat de mannen zo dronken zijn is ook gewoon. Er ontstaat een ritueel van gewone zondags vrolijkheid en plagerigheid. Onze aanwezigheid verstoort hen niet met zelfbewustheid, en we worden ook niet begroet door mensen die er nieuw bijkomen. We zijn als mensen die zijn overgegaan, van een andere geleding. Ik probeer me te herinneren waar ik eerder mensensoorten ongestoord en onverstoorbaar langs elkaar heen zag leven.

We zijn buitenlands pratende stadsmensen die doen wat normaal is omdat andere buitenlands pratende stadsmensen dat ook doen. Op een kampeerplaats bij een meer zijn Poolse stadsmensen met auto's, en met honden die ons niet willen dulden. Daar overnachten we voor een keer, maar een paar kilometer verder leggen we een slaapmatje tussen de weidebloemen voor ons ontbijt en om laten de tent drogen en het kamperen te genieten.

We zijn gestopt op een markt met schoenen en pannen. Plastic bloemen met precies de zelfde tint als de nieuwe fiets, komen op het stuur. De vrouw achter de kraam is minder plomp en donkerder van haar dan Poolse vrouwen, maar niet zo zwart als die van de zigeunerin die zich met een baby voor de kerkdeur heeft gezet. Ze is smaakvol gekleed en ze kijkt je aan, wat Poolse vrouwen niet doen. Ze begaat misschien dezelfde zonden maar draagt niet dezelfde schuld; misschien is ze zelfs in het geheel niet katholiek. Naast de religie ziet men vooral veel wereldgelijkvormigheid: paarse jurken, witte kettingen, bermudabroeken voorheen onbetaalbaar maar nu onbeperkt voorradig. Wel immer een hand aan de tas of voor de mond, of soms ergens zwevend bij de heupen. De andere arm wordt ferm heen en weer bewogen als bij de aflossing voor het beeld van hen die vielen.

Hoe verder naar het oosten, hoe filmischer, het trappen loont. Op een heideweggetje komen we een man tegen op motor die bijna honderd rijdt. Heb je zijn gezicht gezien? Vraag ik Betty, maar die had alleen zijn pistool gezien. Ze dacht ook aan een film: decaloog 5: Gij zult niet doden. Het gezicht dat ze niet had gezien: verschrompelde verkommerde met de afschuw uitgemergelde uitgetergde trekken die me aan een mislukt familielid doen denken, en dit nog gepaard aan een misplaatste hoop die dertigers nog wel eens koesteren, namelijk dat ze in de toekomst nog wel eens iets goeds zullen verdienen, waardoor men minzaam op te rest zal kunnen neerkijken.


Ik heb nog meer mensen gezien. Een regelmatig terug kerend verschijnsel is de non: in de trein of in de kerk, soms op straat. Bij de correcte ingetogenheid en soms zelfs voorkomendheid is er een gezichtsuitdrukking die me zeer boeit en die ik ook wel bij een koster heb gezien: de kin word naar binnen gehouden en om de mond en ook de rest van het gezicht is de uitdrukken alsof men een beker gal heeft ingeslikt, en daarna de bitterheid heeft willen compenseren door een stuk of wat ouwelschijfjes achter in de keel te plakken. Het is een trek die mensen van elkaar overnemen, en die ongetwijfeld iets achtbaars moet uitdrukken. Vermoedelijk dat men ze op een rijtje heeft.

Een Pruisische vrouw heb ik gezien: in een dorp is de sklep gesloten, verderop hangen mensen uit het raam.
- We hadden cola willen kopen in de winkel, maar hebt u misschien een glas water voor ons? De rijzige oude vrouw verschijnt in de deur met een glaasje water.
Ze spreekt een ouderwets en grappig Duits.

- Bent u Duits?
- Ach, ik ben hier geboren.
De meeste polen van haar leeftijd zullen hier niet geboren zijn, denk ik, maar ik stap over op iets dat me deze ochtend heeft getroffen:
- Wat moet het heerlijk zijn om in deze mooie omgeving te wonen.

De vrouw wijst misprijzend naar de geraniums op de kerkheuvel. De geraniums hebben gezelschap gekregen van uitbundige weidebloemen.

Ik heb boos kijkende botterikken gezien, volgestauwd met drank en varkensvlees bouwen ze hun protserige stenen huizen; dicht op elkaar als de grafstenen en de tuinstoelen waar je niet langs kan. Dakleren torentjes op de erkers, hoge opzichtige sierhekken met veel te veel pilaren om de kleine gazonnetjes. Een fascistoïde klootjesvolk, dat je - zoals we vroeger dachten- alleen tot democratie zou kunnen brengen door ze, zeg 35 jaar, onder de dictatuur van de arbeiders te houden. Niet de reel bestaande arbeiders natuurlijk, maar verlichte arbeiders zoals Karel van het Reve. Dat zal de vette ploert hier voor me Hartog brood met pindakaas leren eten. Later op de dag krijg ik toch nog een echte ideale arbeider te zien, in de gedaante van een postbode. Hij liep in een blauwe overall met bijhoordende alpino door het dorp. Zijn linker hand rond een stapel enveloppen, met de rechterhand marcherende bewegingen makend, en op zijn gezicht een verwrongen uitdrukking van pijn en plichtsbetrachting.

Ik zit op de markt van Ryn, een dorpje met Duitse architectuur langs een diep beekdal, dat vroeger Rhein heette. Ik wacht op Betty die zoetwatervisjes voor ons laat bakken, en ik kijk naar de rottige dichtgeslagen smoelen van dit beproefde volk. Wat voor lage smerigheden zou een komiek moeten verzinnen om deze mensen aan het lachen te maken. Een mengsel van kuise geilheid en vreemdelingenhaat.
En zoals men een visje bakt, tot op de graad krokant.
Ongedwongen landelijkheid wordt afgewisseld met rechtlijnigheid van hogerhand. Langs een rechte asfaltweg wordt het fluitekruid bestreden met een sneeuwschuiver zo groot als een tank. De bushalte is niet binnen het dorp, maar bij de vijf kilometerpaal. Aan de huizen kun je zien of er een steenfabriek voor grijze of gele stenen in de buurt is, maar bushaltes zijn gemaakt waar de staatshotels van gemaakt zijn, beton en glazen kubussen die als bakstenen gebruikt worden en licht doorlaten. Welk een verbeten woede moet het zijn geweest, om al die glazen kubussen kapot te hàkken.

Betty zegt dat het woensdag is, misschien dus nog dezelfde dag als vanmorgen. Na het middagslaapje zijn we helemaal in Elk aangeland. Deze plaats was drie maal geheel verwoest in deze eeuw, voor het laatst door de Duitsers voor ze de aftocht bliezen. Vierhonderd jaar hebben hier Duitse boeren gezeten, maar Stalin heeft hier volk getransplanteerd. Bij de kerk vragen we mensen of ze hier een hotel weten. Niemand zegt wat terug. Als ik de pastoor zie wil ik hem vragen wat er met zijn volk aan de hand is, maar hij lijkt zo'n doodse vale schuld verbreidende mestkever, dat ik afdruip. Intussen hebben twee dametjes voor Betty een adres opgeschreven.

We zitten in een deftig restaurant. Betty krijg examenuitslag per telefoon en voor het eerst deze week hebben we een douch gehad. De binnenplaats van het restaurant is versierd met parachutes en camouflage netten. Vredes dividend. De witte wijn hebben we liever koud. Omdat hij duurder is dan een liter wodka willen we best een half uurtje wachten. Het meisje acteert dat ze over hete kolen loopt om gedienstigheid uit te drukken. Als de wijn een paar graden is afgekoeld mislukt het openen aan onze tafel. Al het ranzig keukenpersoneel dromt om ons in gedempte paniek. De enige vis die ze hebben is brasem. Die wordt bij de friet in het vet gegooid.

In Elk doen we alle dingen van de grote stad. We waren bij de kapper en nu zijn we in een bank. Betty wil een cheque verzilveren omdat mijn creditcard het hier niet doet. Maar bij de cheque hoort ook een bankkaart, die ligt in Duitsland, maar de buren hebben het nummer doorgebeld, en dat wordt op de cheque geschreven. Ik zit op een leren bank, in de gaten gehouden door een beveiligingsbeambte terwijl ik zo gewoon mogelijk de krant lees. We waren steeds richting oosten gefietst. Op het richtingsgevoel langs onverharde weggetjes met koeien, heide, bossen en hooiland. Je mag niet twee maal schrijven op een cheque, je mag het niet veranderen. De complete bankstaf staat rond Betty, de deuren naar de niet gemarmerde achtervertrekken staan wagenwijd open.

laatste stuk}}}}}}}}}}

[HELP]
Copyright© 1996 Job Bugel.
[SEARCH]