Japanese budo

Budo Principes

Zoals de meeste mensen weten komt de term budo (bu ~ gevecht, do ~ de manier, de weg) oorspronkelijk uit Japan. In de vroege middeleeuwen werden vele jutsu (~ kunst) beoefend. In de verschillende jutsu-vormen kwam het gevecht in de eerste plaats zoals in aiki jutsu (een voorloper van aikido) ken (~ zwaard) jutsu, hojo jutsu (kunst van het binden) of het meer bekende ju jutsu.

In tegenstelling tot in jutsu, zijn in budo moraliteit, discipline en ethische aspecten het meest belangrijk. Een veel diepgaander studie dus !

Er zijn tal van principes van toepassing in de verschillende budo. De gebruikswaarde van deze principes is ondanks eeuwen van evolutie van vechten, trainen en denken over budo onbetwist. Budo principes worden veelal intuïtief toegepast en zijn vaak niet eenvoudig te verklaren of uit te leggen. Je moet er mee werken om ze werkelijk te kunnen begrijpen. In de meeste (Westerse) budo scholen worden deze principes wel toegepast maar meestal onbewust.

Hier zijn enkele van de meest belangrijke budo principes in willekeurige volgorde:


Junanshin Zanshin Kiai Kime
Muga Mushin Ri-ai Metsuke Ma-ai
Shisei Sei to do Yoyu Kan ken
Misogi Fudoshin Shu ha ri


Sommige van deze concepten zijn wellicht bekend, andere misschien niet. Hierna heb ik getracht ze uit te leggen en toe te lichten.


Junanshin (~ een vormbare geest)

Als je iets wilt leren, moet je je open stellen voor de ideëen van die andere persoon. Openheid is een must als je iets wilt leren. Geduld is onmisbaar want een budo leren kan gemakkelijk een heel leven lang duren waarbij je nooit uitgeleerd raakt. Vlug enkele trucjes leren heeft niets met budo te maken. Vertrouwen in wat een leraar je vertelt en niet steeds sceptisch staan tegenover alles wat hij je wil bijbrengen is erg belangrijk. Misschien heeft hij wel een diepere bedoeling met de in jouw ogen misschien onzinnige oefeningen die je tot vervelens toe moet herhalen en die geen enkele zin of logica lijken te bevatten.
Nederigheid is in budo -maar waar niet- een mooie eigenschap want het arrogante gedrag van sommige mensen die denken veel, zo niet alles al te weten over budo werkt contraproductief. Zij blijven hangen op hun niveau en blokkeren daarmee hun eigen vooruitgang en ontwikkeling.



Zanshin (~ een totale staat van paraatheid)

Het concept van zanshin heeft eigenlijk enkele van de voorgaande en later te behandelen principes in zich, zoals bijvoorbeeld kiai, metsuke, muga mushin, shisei en kime. Een parate houding is meer dan alleen de armen omhoog brengen, waar het soms aan de buitenkant wel op lijkt. Neen, zanshin is een totale staat van ook innerlijke paraatheid en bewustzijn waarbij je geheel bent gefixeerd op de tegenstander(s) of het doel. Dit moet het geval zijn na het uitvoeren van een verdedigingstechniek of het lossen van een pijl. Goed toegepast geeft zanshin een beeld van krachtig optreden en een sterke aanwezigheid die ook voor toeschouwers bijna fysiek voelbaar is. De geestelijke en lichamelijke energie blijven als het ware 'in de lucht hangen'.



Kiai (ki ~ geest, ai ~harmonie)

Een meer bekend concept in deze rij en zoals zo vaak met Japans, eigenlijk geen goed sluitende vertaling voorhanden. Iets als een uitbarsting van energie. Kiai kan hoorbaar maar ook geluidloos worden uitgevoerd. Bij iaido en kyudo is dat m.n. het geval, maar daarom niet minder effectief. Maar kiai kan ook gepaard gaan met een luide schreeuw als je een trap- of stoottechniek uitvoert, of als je kracht zet om een tegenstander met een worp naar de mat te brengen.


Kiai kan ook een effectief gereedschap zijn voor het reguleren van de ademhaling (ikiai). Probeer bijvoorbeeld maar eens een techniek uit te voeren met ingehouden adem ! Zodoende wordt kiai vaak als vanzelf op de juiste manier toegepast. Kiai moet niet worden overdreven, te veel kiai, bij elke stoot of trap is soms te veel van het goede; als je maar elke keer uitademt. Met een goed uitgevoerde kiai kun je de tegenstander in onbalans brengen. Misschien niet letterlijk maar het maakt de tegenstander vaak onzeker en dat alleen geeft al een grotere kans op overwinnen.



Kime ( ~ controle, beslissing)

We kennen de term kime van bijvoorbeeld kime no kata, een bekende judo en ju jutsu kata voor 5de dan en hoger. Tijdens een stage in Japan legde Ide sensei (8ste dan hanshi iaido) eens uit hoe kime 'zichtbaar' kon worden gemaakt. Tijdens de uitvoering van een kata liet hij toen een doorlopend grommend geluid horen. Hij wilde daarmee hoorbaar maken dat hij steeds klaar was voor een tegenaanval of reactie van de tegenstander.
Als kime goed wordt toegepast, zijn lichaam en geest in balans tijdens uitvoering van een techniek en kan elk moment van het gevecht over gegaan worden op een andere of aangepaste techniek zonder (zichtbaar) te anticiperen op een (nieuwe) aanval van de tegenstander.
Er zijn drie momenten van reageren op een aanval, ook wel Mittsu no Sen genoemd. De eerste vorm van Sen is zolang te wachten met het begin van de verdediging tot de aanvaller zijn aanval niet meer kan aanpassen en er dan pas op reageren. Dit heet Go no Sen. Bij de tweede vorm van Sen wordt de aanval verijdeld door sneller te reageren dan de aanvaller. Dit heet Sen no Sen. De derde vorm van Sen was het ideaal van de samurai. Een zesde zintuig, voelen wanneer een opponent denkt aan een aanval nog voor hij zelfs maar bewogen heeft. Dit heet SenSen no Sen. Met zo'n zesde zintuig kun je een gevecht zelfs ontwijken.



Metsuke (~ kijken, zien)

Hier zie je een foto van een oude Japanse kyudo grootmeester (Anzawa 1887-1970) , starend alsof hij kijkt naar de berg Fuji in de verte. Deze man ziet alles èn niets. In budo wordt hiermee bedoeld dat je alles om je heen ziet maar nergens op focust. Dit is de manier om te kijken als je een gevechtskunst beoefent. Niet focussen op het punt waar je bijv. met een mae geri de tegenstander wilt raken. Je zult dan misschien onbewust je hooft buigen waarmee je je balans verbreekt. En wat nog gevaarlijker is; je ziet de andere bewegingen van de tegenstander(s) niet meer !



Ma-ai ( ~ afstand)

Ma-ai Ma-ai is wat moeilijker uit te leggen, speciaal in het ongewapende gevecht. De afstand tussen twee personen zoals in judo of karate, is dan ook meestal erg klein. Toch, als de onderlinge afstand te groot is en je wilt de tegenstander werpen, kan hij je makkelijk achterover trekken en kun je geen goede techniek meer uitvoeren.
Dit is ook het geval als je te dicht op elkaar staat. In kata is ma-ai ook toepasselijk. In het begin van een kata is de afstand groot (to-ma), nog geen direct gevaar dus. Als je dan elkaar nadert (chika-ma) neemt het gevaar toe tot je op een afstand komt (uchi-ma) van waarvanuit in een stap een aanval kan worden uitgevoerd (Itto no mai). Op dat moment is er zanshin ! Dit kun je vergelijken met een tijger vastgezet met een lange ketting. Die ligt daar te kijken hoe je hem naderd. Buiten het bereik van de ketting is er geen gevaar, maar als je binnen de cirkel komt.... Het mag duidelijk zijn dat een foute inschatting van ma-ai ernstige concequenties kan hebben. Op de foto zie je Kaminoda sensei en Shimizu sensei (rechts) in een jodo kata ma-ai toepassen. Ma-ai wordt soms ook wel op een andere manier uitgelegd. In kyudo wordt hiermee de harmonie van timing bedoeld. Bijvoorbeeld wanneer meerdere schutters op het doel (mato) schieten begint de tweede schutter hiermee niet voordat de eerste een bepaalde handeling heeft verricht. De derde schutter wacht hiermee weer op de tweede enz.



Muga Mushin ( ~ een lege geest)

Als iemand begint met budo en zijn eerste technieken leert, heeft hij vaak heel wat denkwerk nodig om alle bewegingen, die zojuist bijv. tijdens een demonstratie door de leraar zo soepel en eenvoudig leken, na te doen. De leerling moet goed nadenken over wat de leraar zo-even vertelde over de techniek, hoe en op welk moment te bewegen enz. Na het leren van enige (of meerdere) van deze technieken stoppen sommigen met budo omdat ze denken alles wat er is te leren wel onder de knie te hebben. Maar zij zijn pas halverwege. Iemand die jaren lang budo traint, hoeft vaak niet meer na te denken. Hij beweegt en reageert natuurlijk en past zijn verdedigingen aan op de aanvallen van de tegenstander. Hij heeft geen (faal)angst, hoeft niet meer na te denken over de bewegingen die hij maakt en heeft 'een lege geest'.

In een gevecht is angst een slechte raadgever. In het feodale Japan werd de samurai geleerd dat wie zijn zwaard trok, bereid moest zijn om te sterven. Als hij dan wilde overwinnen kon hij dat niet zonder muga mushin. In onze moderne tijd lijkt dat misschien wat overdreven maar voor het maken van de juiste verdedigingen op een onverwachte aanval gaat het menselijk denken en daarna nog reageren nu eenmaal te langzaam. Muga mushin is misschien het best te vertalen als "geen ego, geen gedachten" of "een lege geest".






Ri-ai (~ samenhang)

Met ri-ai wordt de samenhang bedoeld tussen bijvoorbeeld ma-ai, -het weten wat of waar te gaan raken bij een slag of stoot- en het moment waarop we gaan raken (kime). Als je te dicht bij je tegenstander staat zodat je hem zou raken met het midden van het zwaard (katana) of jo, zou je wellicht beter een korter wapen kunnen gebruiken. Het is ook logisch om eerst een doel te kiezen om op te mikken, zoals bijv. de solar plexus (suigetsu) Het eerste deel van deze uitleg klinkt erg eenvoudig en is makkelijk aan te leren, maar het tweede deel, het kiezen van het juiste moment is een stuk lastiger te begrijpen en vergt dan ook jaren van serieuze training. Als je kijkt naar een judoka als Mark Huizinga dan zie je dat hij steeds weer het juiste moment van aanvallen weet te vinden. Door dan snel en welhaast op gevoel te reageren is een tegenstander uit balans te brengen en met een prachtige worp naar de grond te brengen.
Het is ook belangrijk het element van gevaar in een kata te betrekken. Bij gewaarwording van echt gevaar wordt het makkelijker echte zanshin te bereiken.



Sei to do (~ actie - geen actie)

Als je een kata uitvoerd met voorgeschreven bewegingen is sei to do belangrijk om de kata er net en strak te doen uitzien. Een gevechtshouding (kamae) aannemen in aan het begin van de kata of het opbergen van de wapens aan het einde (osamae) zijn van die momenten van alerte rust. Maar ook tijdens uitvoering van een gewone techniek hoort er aan het begin en aan het einde een zekere alerte rust aanwezig te zijn. Als een serie van vrije aanvallen wordt uitgevoerd zie je vaak dat sei to do totaal wordt vergeten. De verdedigingen worden haastig gemaakt en in een te hoog tempo; van enig ritme is geen sprake meer.
Het is dan ook niet toevallig dat etiquette (reiho) een grote rust in zich heeft als tegenhanger van de actie tijdens de training -of het gevecht.



Yoyu ( ~ marge)

Als je een een Japanse meester een techniek of een kata ziet uitvoeren, zul je dit ervaren als een speciale gebeurtenis. Moeilijk te zeggen wat er zo anders is..... Met een ogenschijnlijk minimum aan inspanning wordt een maximaal effect bereikt. Het maken van zo weinig mogelijk bewegingen, alleen het hoogst noodzakelijke, is dan ook typisch voor een echte meester. Yoyu is niet een echt aantoonbaar of aan te leren concept maar het duidt op de ruimten en soberheid die ontstaat tijdens uitvoering, tussen verschillende technieken of tijdens een kata. Als yoyu aanwezig is lijkt het voor de uitvoerende meester wel of er erg veel tijd zit tussen de verschillende aanvalstechnieken en alsof de tegenstander als het ware in slow motion aanvalt. Alleen als de techniek volledig wordt beheerst kan er sprake zijn van yoyu. Yoyu ontstaat vaak op een natuurlijke manier en meestal pas na vele jaren van training. Het is daarom belangrijk de verschillende bewegingen zo sober mogelijk te maken zodat een zekere rust ontstaat, waardoor de aanwezigheid van yoyu zich als vanzelf ontwikkeld.
Zoals met alle budo concepten zijn ze toepasbaar in het dagelijks leven. Het is met yoyu net als met de kunst van het inrichten van een Japanse tuin of Japans interieur. De kunst van het weglaten is belangrijker dan allerlei dingen planten of neerzetten die eigenlijk ook best gemist kunnen worden.



Kuroda Ichitaro sensei Shisei (~ houding)

Een basisprincipe van budo is shisei. Een van de eerste dingen die een leerling al vanaf het begin van de eerste trainingen te horen krijgt is dat hij rechtop moet lopen en bewegen wil hij zelf niet uit balans raken. Tot vervelens toe wordt je steeds weer herinnerd aan het belang hiervan. Wij Westerlingen hebben onze lichaamsbouw ook niet mee. De Aziatische mens heeft over het algemeen een wat meer 'peervormige' lichaamsbouw, terwijl Westerlingen vaak meer naar het 'zandlopermodel' neigen. De Aziaat heeft daardoor ook meestal een lager zwaartepunt, gecombineerd met een wat kortere armlengte. Vooral het lagere zwaartepunt geeft een voordeel bij budo. Denk maar aan het uit balans brengen van een tegenstander zoals bijv. in judo door te trekken of te duwen tegen een schouder. Dat de uiterlijke lichaamshouding van belang is zal wel logisch klinken, maar er is ook nog zoiets als innerlijke houding. Deze innerlijke houding wordt pas bij het observeren van het doen en laten van een budoka zichtbaar. Het uitstralen van rust en waardigheid, respect voor anderen en eerlijkheid vullen de uiterlijke houding aan. Zowel innerlijke als uiterlijke houding zijn van even groot belang en geven beide een extra dimensie aan budo. Ook voor shisei geldt dat dit principe zich niet tot de dojo hoeft te beperken. Ook als je bijv. door een winkelcentrum loopt of zelfs zittend in de auto kun je nog op een goede lichaamshouding letten. En de innerlijke houding…als wat meer mensen zich in echte budo zouden verdiepen zou de wereld een veel veiliger plaats zijn.



Kanken (~ intuïtie en zien)

Alweer zo’n lastig te vertalen Japanse term. Bij de behandeling van Metsuke (~kijken, ~zien) hebben we gesproken over een meer letterlijke vertaling van zien en kijken. Bij het principe kan-ken wordt met zien meer het intuitieve zien bedoeld. Het aan zien komen van aanvallen of acties van de tegenstander zonder dat er van letterlijk ‘zien’ sprake is. Je hoort wel eens zeggen ‘De ogen zijn de spiegel van de ziel’ en let maar eens goed op de ogen van een tegenstander tijdens een training. Juist voor de tegenstander die rustig afwacht en geen enkele emotie verraad is het oppassen geblazen. In de film van de helaas overleden regiseur Kurosawa Akira ‘De zeven samurai’ wordt kan-ken prachtig tot uiting gebracht. Als test moet een samurai daarin door een deuropening lopen waarachter iemand met een knuppel op hem wacht. De ene na de andere zogenaamde meester sneuveld door de onverwachte klap, totdat een ware meester het gevaar ‘ziet’ en de man met de knuppel onschadelijk weet te maken. Met kan-ken is er altijd alertheid en wordt elk onraad tijdig bespeurd.



Fudoshin (~ onbeweeglijke geest)

Een vast doel voor ogen hebben en je niet meer af laten leiden door allerlei invloedden van buiten. Dat is eigenlijk in het kort wat onder fudoshin wordt verstaan. Dus niet te verwarren met het over een veel kortere termijn spelende muga mushin, een ‘lege geest’. Fudoshin heeft meer te maken met het doorzettings-vermogen dat nodig is om bijvoorbeeld een budo echt te leren beheersen, hetgeen gemakkelijk een leven lang kan duren. Fudoshin is geen principe dat je jezelf kunt aanleren maar je kunt er jezelf dus wel op trainen. Denkbeelden van anderen, angst voor van alles en nog wat, wisselende stemmingen of gevoeligheden, dit kunnen allemaal hindernissen zijn die het zicht op ‘de weg’ vertroebelen. Fudoshin is dus meer een houding of een manier van doen; je weet wat je wilt, staat sterk in je schoenen en kunt hoofd- en bijzaken goed van elkaar scheiden. Bij iemand met een behoorlijke zelfkennis en levenservaring, noodzakelijk voor fudoshin, lijkt het soms wel of emoties wat naar de achtergrond zijn verdrongen maar dat is slechts schijn. Ze zijn er wel, zij het in een meer beheerste vorm. Jezelf overwinnen met het benodigde doorzettingsvermogen is dè manier om fudoshin te bereiken.



Shu ha ri (~ beschermen/inschikken, ~bezinning, ~weggaan)

Het budo principe shu ha ri is toepasbaar op elk leerproces en zelfs op onze levensloop. Het duidt in budo op drie verschillende stadia van ontwikkeling van een leerling op de lange ‘weg’ naar volledig meesterschap. De eerste fase, shu, is de leerfase die je kunt vergelijken met de eerste jaren van een studie of gewoon met de eerste levensjaren van een mens. Je leert basis principes en brengt die in praktijk precies zoals het je is aangeleerd. Er is hoegenaamd geen eigen inbreng en de leraar geeft een intensieve begeleiding. Wat je wordt verteld is zonder twijfel de hele en enige waarheid. Na enige jaren van intensieve training waarin alle basisbegrippen zijn aangeleerd, laat een goede leraar de leerling gaan om zijn kennis te verdiepen. Dit is de tweede fase; ha. Van bijv. Kano Jigoro, de bedenker van het judo, is bekent dat hij zijn gevorderde leerlingen naar andere budo scholen stuurde om hun kennis te verbreden en te verdiepen. De leerling begint dan te overdenken en te vergelijken tussen de verschillende methoden die hij nu aanleert. Maar in alles is de invloed van de eerste meester -lees ‘ouders’ in het normale leven- nog onmiskenbaar. De derde en laatste fase -ri- ontstaat als vanzelf uit de voorgaande twee. Een eigen stijl wordt ontwikkeld en in het normale leven wordt bijv. ‘les’ gegeven aan de eigen kinderen. De leerling van vroeger gaat zijn eigen weg en is nu zelf de leraar geworden. In het gewone leven gaat het bijna altijd op deze manier, maar in budo komt het veel minder vaak voor dat een leerling de leraar opvolgt omdat het hierboven beschreven fudoshin helaas niet iedereen is gegeven. En daarbij komt nog dat echte diepgaande zelfkennis soms zelfs een nederige hoog gegradueerde belet, te vinden dat hij met zijn in andermans ogen enorme kennis, wel leraar moèt zijn.



Misogi (~ vrijwaren,zuiveren)

Na het leveren van een grote inspanning, waarvan je dacht dat je dat nooit zou kunnen volbrengen, kun je een ervaring die bedoeld wordt met Misogi overhouden. Halverwege of misschien al eerder had je al gedacht aan opgeven, maar anderen gingen door en je wilde je niet laten kennen. In Parijs had ik tijdens een seminar voorafgaand aan de Europese kampioenschappen iaido zo’n ervaring. Konaka sensei (Hoki ryu), een oude wat beverige meester begon de warming-up met suburi, het maken van rechte slagen met het zwaard. Meestal beperkt dit zich tot zo’n 20 a 30 keer, maar nu niet. Vele vele slagen volgden en iedereen begon uit te zien naar het yame (stop !) van Konaka. Maar nee, hij ging maar door in een moordend tempo dat eigenlijk bij een jonge man hoort en niet bij iemand van in de zeventig. Na enige tijd krijg je zo’n niets ziende blik in je ogen en voel je je armen niet meer. Je denk niet meer na en maakt de bewegingen automatisch. Een enkeling stopt maar sluit zich licht beschaamd al snel weer bij de groep aan. En dan eindelijk geheel onverwacht; Yame. De groep stopt en een geroezemoes stijgt op. Een uitleg is niet echt nodig. De groep heeft een ervaring van misogi meegemaakt en kan daar nog jaren later over verhalen. Een jaar later in Kyoto zag ik Konaka terug toen hij, nog steeds wat beverig, voor een grote groep van de hoogst gegradueerde Japanners en buitenlandse iaidoka een serie kata mocht demonstreren. Ik heb er met veel respect naar gekeken.


Belangrijkste bronnen voor bovenstaande artikelen;
“The sword and the mind” door Hiroaki Sato (ISBN 0-87951-256-3)
“Jodo, the way of the stick” door Pascal Krieger (ISBN 2-9503214-0-2)
“The sword of no sword” door John Stevens (ISBN 1-57062-050-4)
“Kyudo, the essence and practice of Japanese Archery door Hideharu Onuma (ISBN 4-7700-1734-0)
“Japanese Swordsmanship” door G. Warner / D. Draeger (ISBN 0-8348-0236-8)
“Flashing steel” door M. Shimabukuro (ISBN 1-883319-18-8)

Back