DE CONCONITEST ALGEMEEN
Voor de duursporter is het bepalen van de
juiste trainingsintensiteit meestal een groot probleem. Vaak wordt dit
gevoelsmatig ingeschat of aan de hand van wedstrijd- of testresultaten vastgesteld.
Er zijn echter tegenwoordig ook betrouwbare metingen voorhanden waaruit we de
voor deze bepaling zeer nuttige informatie kunnen verkrijgen zoals de bepaling
van het VO2max. (= maximaal zuurstofopnameonvermogen) of van het
HF-omslagpunt
(= hartfrequentieomslagpunt). We zullen deze
laatste methode in dit artikel uitvoerig bespreken
Bepaling van het
HF-omslagpunt:
Om het HF-omslagpunt te bepalen zijn er
verschillende mogelijkheden, waarvan hieronder enkele voorbeelden.
|
1. |
Normaal getrainde kunnen als grove benadering van het HF-omslagpunt aanhouden 210 minus de leeftijd. |
|
2. |
De gemiddelde hartfrequentie tijdens een 15 km wedstrijd is ook een heel goede benadering van het HF-omslagpunt. |
|
3. |
De VIAD-test (Vermoedelijke Individuele Anaėrobe Drempel). |
|
4. |
Laboratoriumtest met bloedanalyses. Een regelmatige lactaatbepaling (lactaat=melkzuur) via bloedproeven door een dokter op de baan is natuurlijk niet voor iedereen weggelegd. |
|
5. |
De test van CONCONI. |
Het idee van Professor
Conconi:
Sinds een tiental jaren is het mogelijk, om
het aėrobe vermogen te bepalen door het meten van het maximale
zuurstofopnamevermogen (VO2max) en de melkzuurconcentraties
(lactaat) in het bloed.
In samenwerking met vooraanstaande
Italiaanse langeafstandstrainers (Lenzi etc.) is het de Italiaanse biochemist
Francesco Conconi gelukt een niet bloedige, en eenvoudige methode te
ontwikkelen, die uitkomst kan geven over de trainingstoestand van een atleet.
De energiebereiding:
Onze spiercel is in staat, chemische energie
om te zetten in mechanische energie, waardoor het ons mogelijk wordt gemaakt te
bewegen. Als brandstof staan ons de energierijke fosfaten (ATP,CP),
koolhydraten en vetten ter beschikking. Is de spierbelasting niet te hoog,
kunnen bij aanwezigheid van voldoende zuurstof, koolhydraten en vetten volledig
tot water en kooldioxiden verbrand worden. Deze vorm van energielevering noemen
we aėroob.
Staat het lichaam echter niet voldoende
zuurstof ter beschikking, of moet de arbeid meteen geleverd worden, gebruikt de
spier een tweede energieleveringsysteem, dat geen zuurstof nodig heeft. Deze
vorm van energielevering noemen we anaėroob. Hierbij kan de energie
enerzijds uit de energierijke fosfaten (alactische stofwisseling) of anderzijds
door de afbraak van glucose tot melkzuur (lactische stofwisseling) gewonnen
worden.
De overgang nu van aėrobe naar anaėrobe
energielevering wordt de anaėrobe drempel genoemd. Deze anaėrobe drempel komt
overeen met het HF-omslagpunt
Bij een geringe lichamelijke belasting en
een geringe intensiteit haalt het lichaam zijn energie bijna uitsluitend uit de
aėrobe stofwisseling, waarbij de zuurstof door de longen opgenomen en door de
hart-bloedsomloopsystemen naar de spieren getransporteerd wordt.
Bij een verhoging van de belasting zal de
spier meer zuurstof nodig hebben en zal het hart harder moeten gaan werken, de
hartfrequentie zal dus toenemen.
In het aėrobe bereik bestaat, in een
hartfrequentiebereik van ca. 120-170 slagen/min., een lineair verband tussen
arbeidsintensiteit en hartfrequentie. Bij een hogere belastingsintensiteit is
de zuurstof aanvoer niet meer toereikend, en zal de spier de benodigde energie
zonder zuurstof (anaėroob) moeten leveren. Het lichaam maakt hiervoor gebruik
van het in de spier opgeslagen glycogeen (opslagvorm van glucose) maar
produceert daarbij melkzuur. De bloedtoevoer naar de spier en de daarmee
gepaard gaande hartfrequentie gaan nu nog maar in geringe mate omhoog. Daarmee
komt het tot een verandering in de arbeidsintensiteit-hartfrequentieverhouding,
er komt een knik in de curve (zie afbeelding 1).
Afbeelding
1
Conconi kon nu laten zien dat dit knikpunt bij
iedere arbeidsintensiteit ontstaat, wanneer de melkzuurproductie en het
melkzuur verbruik in de spier gelijk zijn, wat betekent dat er ook bij langere
arbeid in dit bereik geen melkzuurverhoging in het bloed zal ontstaan.
Overschrijdt de sporter echter deze
anaėrobe-drempel dan komt het na enige tijd wel tot een melkzuuropeenhoping,
door het oververmoeid raken van de spieren en de bloedsomloopsystemen, waardoor
hij zijn inspanning zal moeten verminderen of zelfs afbreken.
De anaėrobe drempel:
Met enige ervaring kan, door het bepalen van
de anaėrobe-drempel d.m.v. de Conconitest, het aėrobevermogen van een sporter
bepaald worden. Deze bepaling maakt het enerzijds mogelijk iets te zeggen over
het uithoudingsvermogen van een sporter en anderzijds biedt het ook een
mogelijkheid voor een zogenaamde hartfrequentiegecontroleerde training.
Dankzij de begin 80er jaren op de markt
verschenen polsmeetapparatuur kan men de trainingsintensiteit nauwkeurig
sturen, waarbij men trainingsomvang, trainingsfrequentie en trainingsintensiteit
naar sportaard, trainingsperiode en actuele vormtoestand kan richten. Dit laat
zich aan de hand van de loopsnelheid bij het knikpunt zowel voor recreatieve
als ook voor wedstrijdsporters enigermate vastleggen. In de recreatieve-categorie
geld een loopsnelheid bij de anaėrobe-drempel van 10 km/h als slecht, 12 als
genoeg en 14 als uitstekend. Als vergelijk lag die drempel bij langlaufers in
juniorenleeftijd, in 1986 tussen 15,5 en 17,7 km/h, terwijl langeafstandlopers
van wereldklasse drempelwaarden tot 23,6 km/h noteerden.
Ondanks enige handicaps (gewenningstijd,
problemen met de polsslagoverdracht, bijsturen van de loopsnelheid etc.) heeft
de test zich naar de mening van Conconi bewezen en is mede verantwoordelijk
voor de successen van de Italiaanse langeafstandlopers.
Conconi ontwikkelde een methode
waarbij het HF-omslagpunt bepaald werd zonder lactaatbepaling en dus ook zonder
bloed te prikken.
Conconi ging als volgt te werk:
Tijdens een veldtest werd het verband
bepaald tussen de loopsnelheid en de hartfrequentie.
Een uitgebreide warming-up van 15 tot 30
minuten werd gevolgd door een ononderbroken duurloop. Tijdens deze duurloop
werd afhankelijk van het gevolgde protocol om de 1000 meter, 400 meter of om de
200 meter de loopsnelheid slechts in geringe mate opgevoerd, niet meer dan een
halve kilometer per uur.
Nadat de gegevens in een grafiek waren
uitgezet kon men op een eenvoudige wijzen het HF-omslagpunt bepalen. (zie
afbeelding 2)
Afbeelding
2
De test van Conconi in
de praktijk:
In het artikel wat Conconi hierover heeft
gepubliceerd werd op een eenvoudige manier gesteld dat de snelheid om de 200
meter in geringe mate moest worden opgevoerd en daarna constant gehouden.
Makkelijk gesteld maar in de praktijk niet
zo makkelijk uitvoerbaar.
Als looptrainer bij de Atletiekvereniging
WEERT heb ik daarom een manier bedacht om deze snelheidsverhogingen wat
gelijkmatiger te laten plaatsvinden. De loopsnelheid wordt met deze methoden
gelijkmatig en met constante niveaus opgevoerd met behulp van een audiosignaal
Tijdens dit onderzoek bleek ook dat wanneer
de verhogingsstapjes kleiner waren, het HF-omslagpunt veel beter bepaald kon
worden. Dit komt omdat het hart zich beter aan kan passen (minder achterloopt)
bij kleinere en gelijkmatigere snelheidsverhogingen.
De praktische uitvoering hiervan gebeurt met
behulp van geluidssignalen die met een computer op een cassettebandje zijn
opgenomen. Door middel van een walkman of een geluidsinstallatie kunnen deze
signalen dan weer aan de atleten die de test doen worden doorgegeven.
|
|
Jan van den Bosch, E-mail : J.H.vd.Bosch@net.HCC.nl |