Herman Erinkveld, Walter van de Laar

Albert Alberts : eerste poging tot een volledige beschrijving van leven en werk

Arnhem ; Groesbeek : s.n., 1979
Scriptie KU Nijmegen, 1979
© H. Erinkveld en W. van de Laar
Inhoudsopgave
Voorwoord
Inleiding
Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk II.1
Hoofdstuk II.2
Hoofdstuk II.3
Hoofdstuk II.4
Hoofdstuk III
Hoofdstuk III.1
Hoofdstuk III.2
Hoofdstuk III.3
Hoofdstuk III.4
Hoofdstuk III.5
Hoofdstuk III.6
Nabeschouwing
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk IV.1
Hoofdstuk IV.2
Hoofdstuk IV.3
Hoofdstuk IV.4
Hoofdstuk IV.5
Hoofdstuk IV.6
Hoofdstuk IV.7
Hoofdstuk IV.8
Nabeschouwing
Handleiding.....
Bibliografie.....
Bijlage I
Bijlage II
Bijlage III

Paragraaf 2

ANALYTISCHE BIBLIOGRAFIE VAN DE DOOR (DR.) A. ALBERTS GESIGNEERDE PUBLICATIES IN "DE GROENE AMSTERDAMMER", CHRONOLOGISCH GERANGSCHIKT.

(1951-1961)
    1951
  1. ONZE LIEVE VROUW VAN DE ZEVEN BOCHTEN, 29 september 1951
    blz. 5 ( 2 x ½ kolom) met tekening van H. Focke.
    Verhaal over een vrouw die botsing voorkomt.
    (scheppend proza)

    1952
  2. HET WANDELEND BOS VAN MBA'MBAWANGO), 19 januari 1952
    blz. 4 (3 kolommen; 2 x 2/3 k + 1 x 1/4 k) met tekening van H. Focke;
    geromantiseerd relaas van een expeditietocht van Fransen, Belgen en Britten naar de binnenlanden van Afrika t.b.v. herbafloristische onderzoekingen; een bos verplaatst zich over een afstand van ruim twee kilometer t.g.v. excessieve regenval nabij de driehoeksgrens van Frans Equatoriaal Afrika, Belgisch Congo en Abessynië, november 1941
    (scheppend proza)
  3. INDONESIE-NEDERLAND ONDER EEN VERKLEINGLAS, 26 januari 1952
    (2 kolommen; 1 x 1/4 k + 1 x ½ k)
    n.a.v. bezoek van Indonesische delegatie aan Nederland i.v.m. onderhandelingen over de opheffing van het Unie-Statuut en de afstand van Irian/Nieuw-Guinea aan Indonesië. Het Indonesische en het Nederlandse volk hebben diep in hun hart geen belangstelling voor het vraagstuk Nieuw-Guinea. Dat kan maar één ding betekenen: dat men nu eens openlijk gaat erkennen dat beide volkeren zich zo weinig gelegen laten liggen aan een goede verstandhouding, dat zij zich niet druk maken over geschillen die zo'n verhouding zouden kunnen bedreigen. Beide volken hebben maar één verlangen: door elkaar met rust gelaten te worden, zo min mogelijk van elkaar te merken. De Unie is dood. Het geschil Nieuw-Guinea moet echter adekwaat worden opgelost. Want voor de Nederlanders daarginds is een goede verstandhouding met de Indonesiërs wèl van het grootste belang. Laat alléén hen dan ook aan het woord, want het is niet onze zaak, maar de hunne.
    (politiek)
  4. PROFESSOR GERRETSON IN DE HOEK, 22 maart 1952
    (3 kolonnen; 1 x ½ k + 2 x 1/4 k)
    n.a.v. ophefmakende rede van Prof. Gerretson, die als nieuwbakken CHU-fractielid in de Eerste Kamer het buitenlands beleid van de regering heeft gehekeld. Hoewel Gerretson en "De Groene" (lees: ook Alberts) op het stuk van het Indonesische beleid lijnrecht tegenover elkaar stonden en nog staan, is er nu (even) gelegenheid elkaar de hand te reiken, want Gerretson moet in dit geval in het gelijk worden gesteld. Gerretsons rede is een feilloos stuk proza, waarvan de inhoud zeker de moeite van het overdenken waard is. Zulks is niet geschied. Men heeft zich alleen maar woedend gemaakt, vooral omdat hij zich in zijn rede niet gehouden heeft aan de zgn. parlementaire taal.
    (politiek)

    1953
  5. DE BISSCHOPPEN WEERGEKEERD, 28 maart 1953
    blz. 1 en 2 (4 kolommen; 1 x 1/3 k + 2 x 1/4 k + 1 x ½ k) n.a.v. 100ste verjaardag van de herinstelling der katholieke bisschoppelijke hiërarchie; tevens n.a.v. 100ste herdenking van de protestantse Aprilbeweging. Pausen, keizers en koningen hebben in het verleden strijd geleverd om wie het recht der bisschopskeuze en - benoeming toekwam. Naarmate het wereldlijk gezag der bisschoppen afnam, luwde die strijd. In 1524 eigende Keizer Karel V zich het wereldlijk gezag over het Sticht toe. De bisschoppen verdwenen uit het Noorden. Gedurende de Republiek der Ver. Nederlanden was de uitoefening der katholieke eredienst verboden, maar de revolutie van 1795 bracht ook vrijheid daarvan. Het kerkelijk leven moest (opnieuw) worden georganiseerd, wat een moeilijke taak was in Noord-Nederland. Het duurde tot 1848 vooraleer alle Kerkgenootschappen de vrijheid kregen zonder overheidsbemoeiing hun eigen organisatie in te richten. In 1852 maakten de Hervormden hiervan gebruik; in 1853 de Katholieken. De bisschoppen keerden na 300 jaar weer; een in Utrecht, vier elders. Dit wekte onder de Protestanten een storm van protest en verontwaardiging, later bekend geworden als Aprilbeweging. Men laakte niet het recht, wel de wijze van invoering door de Paus, die bij vele Ned. Protestanten nog altijd werd beschouwd al de Anti-Christ. Een vreemdeling had zich niet te bemoeien met Néderlandse bisdommen.
    Aan Koning Willem III,een overtuigd Protestant, werd door een aantal predikanten een petitie ingediend, voorzien van tweehonderdduizend handtekeningen. De koning wist zeer goed dat de katholieke actie grondwettelijk volkomen gerechtvaardigd was. Hij trad de predikanten dan ook vriendelijk en sussend tegemoet; over de Katholieken zei hij geen woord. De predikanten gingen getroost heen met de gedachte, al is er dan een Romeinse Paus, wij hebben een protestantse Koning. De weinige wijze woorden van Willem III hadden het vuur onder de Aprilbeweging weggenomen. De bisschoppen konden blijven.
    (politiek/godsdienst)

  6. HET FEEST VAN EEN JONGERE DOCHTER. De Katholieken zijn Nederlanders, 23 mei 1953
    (3 kolommen; 2 x 1/3 k + 1 x 1/4 k) sluit aan bij publicatie nr. 5;
    n.a.v. herdenkingsrede van Professor Rogier in het Utrechtse stadion t.g.v. (eer)herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in april 1853 door Paus Pius IX. Professor Rogier legde er de nadruk op dat het leven der Katholieken in de Republiek der Hervormden van meet af aan draaglijk is geweest. Nederland was, wat het nu nog is: een bolwerk van verdraagzaamheid, waarvan het Huis van Oranje de zichtbare exponent is. Nederlander zijn betekent voor de Katholieken, deel hebben aan dit patrimonium der verdraagzaamheid. Dit houdt de belofte in van een gezamenlijk christelijk ideaal: de Oekumene.
    (godsdienst/politiek)

  7. DE KLANT UIT HET HIERVOORMAALS. Belevenissen van P.W. Iwolgin, 1 augustus 1953
    blz. 4 (3 kolommen; 2 x ½ k + 1 x 1/3 k) met tekening van H. Focke;
    kort anekdotisch verhaal over de schoenmaker Pjotr Wassiliwitsj Iwolgin.
    (scheppend proza)

  8. DE FRANSEN STAAKTEN, 22 augustus 1953
    (3 kolommen; 2 x 1/3 k + 1 x 2/3 k)
    n.a.v. de stakingen in Frankrijk gaan de gedachten uit naar de 1ste staking in Douai, 1245. Sinds het ontstaan van het proletariaat in de Middeleeuwen, vormde het een aparte klasse. De arbeiders in de industrieën waren niet gelijk aan de andere handwerkslieden. Zij vertoonden eigenlijk veel meer overeenkomst met het moderne proletariaat. Het minste door hen begane vergrijp werd gestraft met verbanning.
    De middeleeuwse werkgevers waren vaak zelf ook in dienst (van een groothandelaar) en als het werk stil lag, had ook zo'n werkgever geen bron van inkomen. Onder die omstandigheid werd er in 1245 in Douai gestaakt. Men weet er bijna niets van; veel zal de staking wel niet hebben uitgehaald, want uit latere gebeurtenissen van gelijke aard blijkt dat de werkgevers gezamenlijk één strakke lijn trokken. In de Nederlanden sloten de steden onderlinge verdragen waarin zij zich verbonden elkaar de voortvluchtige arbeiders uit te leveren. Soms verenigden zich de brodelozen, de rechtelozen in door het land trekkende benden. Het proletariaat zwierf dan door het land, beging uiteraard allerhande buitensporigheden en werd ten slotte door de verzamelde ridders afgeslacht. Nee, dan toch maar liever de stakingen van onze dagen.
    (politiek)

  9. DE STAKINGEN DER VACANTIE, 29 augustus 1953
    blz. 2 (3 kolommen; 2 x 1/3 k + 1 x 2/3 k); sluit aan bij publikatie nr. 8.
    De Franse arbeiders ijveren, via een staking, voor verbetering van hun economische positie. Er zijn echter geen postende stakers, geen menigten. Het is leeg in de Franse steden, wat allerminst wijst op een gebrek aan belangstelling van de zijde der stakers. Zij zijn nu eenmaal met vakantie. Er schuilt een grote kracht in dit afwezig zijn; iets metafysisch bijna, iets van: De arbeiders gaan ons verlaten; zij laten ons alleen in deze vertechniekte wereld. Zij zijn zo overtuigd van hun gelijk, dat ze midden in de zomervakantie met een staking durven beginnen. De afloop lijkt nabij, maar de stakingen hebben het bewijs geleverd van de kracht der arbeiders, waaraan men zelfs niet meer behoeft te twijfelen als het werk overal is hervat. De vulkaan werkt ook, als er geen lava uit de kratermond vloeit.
    (politiek)

  10. ALS WE NAAR DE MAAN GAAN, 5 september 1953
    blz. 3 (hele pagina) met twee illustraties uit "A Guide to the Moon" van Patrick A. Moore, dat hier besproken wordt.
    Het is mogelijk om naar de maan te reizen, heen en terug, en daar te verblijven. Waarom willen we naar de maan? Uit zucht naar avontuur; ter vermeerdering van onze kennis; om de aarde te ontvluchten, in de hoop er ongedachte rijkdommen aan te treffen.
    Men wil dat momenteel meer dan ooit, vooral omdat men op aarde is uitgekeken; het wordt hier te druk, men wil er wel eens uit. Daarom zal het gebeuren; we zullen er komen.
    (wetenschap) (boekbespreking)

  11. MOHAMMAD HATTA, vice-president van de Republik Indonesia, 26 september 1953
    blz. 7 (5 kolommen; 2/3 pagina)met foto van M. Hatta;
    n.a.v. verschijnen van "Verspreide Geschriften van Dr. Mohammad Hatta", een verzameling die hem is aangeboden t.g.v. zijn 50ste verjaardag. In bijgaande publicatie wordt getracht een indruk te geven van Hatta's leven en werken om aldus belangstelling te wekken voor de uitgave van zijn geschriften. Mohammad Hatta werd op 12 augustus 1902 op Sumatra geboren. Hij doorliep de Middelbare Handelsschool; toen hij in 1921 naar Nederland kwam om aan de Handelshogeschool te gaan studeren, was hij al spoedig bestuurslid van de Perhimpunan Indonesia, een nationalistische beweging. Als zodanig werd hij eind 1927 gearresteerd op beschuldiging van staatsondermijnende activiteit, omdat hij steeds meer blijk gaf van een onverzoenlijke houding, omdat hij niets wilde weten van de zgn. "ethische richting" die sinds de eeuwwisseling onder de Nederlands- Indische politici steeds meer aanhangers gevonden had. Men behoorde, zo meenden zij, de inheemse bevolking op te voeden en in de gelegenheid te stellen in steeds toenemende mate deel te hebben aan de regering van haar land. Alleen op deze wijze zouden op de duur twee vrije landen, vredig en elkaar eerbiedigend, naast elkaar kunnen voortleven. Maar Hatta c.s. wenste zich niet te laten leiden door hen, in wie hij zijn onderdrukkers zag: "Samenwerking is alleen mogelijk tussen twee groepen met gelijke rechten en verplichtingen en met een gemeenschappelijk belang". Er was zijns inziens maar één weg, die van de Non Co-operation: "Nog nimmer heeft de geschiedenis ons een precedent geleverd, dat een overheerst volk ooit vrij komt met behulp van de overheerser zelf". Hatta verbleef een half jaar in voorarrest, waarna hij werd vrijgesproken. In 1932 deed hij doctoraal-examen, waarna hij -na elf jaar afwezigheid- terugkeerde in zijn vaderland. In 1934 werd hij daar gearresteerd en een jaar lang gevangen gehouden. Daarna bleef hij zes jaar onder politiek toezicht. Tijdens de Japanse invasie in 1942 werden de meeste nationalisten, ook Hatta, door de Japanners bevrijd.
    Sedert dien is hij vice-president van Indonesië. Men beschouwt hem in zijn land algemeen als de rustige man op de achtergrond, een bekwaam politicus en econoom.
    (politiek) (boekbespreking)

  12. ATJEH, 1910: EEN TOCHT NAAR KEUREUTOE, 3 oktober 1953
    blz. 3 (5 kolommen; hele pagina) met foto waarop groep Atjehers is afgebeeld;
    n.a.v. opstandige bewegingen welke in Atjeh gaande zijn; deze doen onwillekeurig de gedachten teruggaan naar de langdurige guerilla, indertijd door het Indische leger in dat gebied gevoerd. In verhaalvorm wordt op deze plaats getracht hiervan een indruk te geven. Het betreft een jacht op een zekere Teukoe Seupot, een plaatselijk leider der Atjehers.
    (scheppend proza)

  13. IN GEVECHT MET DE TIJD. Bij de zestigste verjaardag van Dr. Jan Romein, 31 oktober 1953
    (2 kolommen; 2 x 2/3 k)
    n.a.v. de zestigste verjaardag van Dr. Jan Romein, die als geen ander onder de vaderlandse historici gevoelig is gebleken voor het verschijnsel van de wisseling van zekerheden en onzekerheden in de geschiedbeschouwing. Sinds jaar en dag is hij op zoek naar de synthese ervan. Hij is bij uitstek daartoe gekwalificeerd door de enige gemoedstoestand die bij de echte geleerde behoort: de twijfel. De twijfel aan de objectiviteit van ieder menselijk oordeel over wat is geschied. Drieërlei subjectiviteit speelt de historicus parten, zegt Romein, 1. die van de persoon welke hij is; 2. die van de groep waartoe lüj behoort; 3. die van de tijd waarin hij leeft; vooral de laatste is per se onontkoombaar. Men moet dus dit laatste subjectivisme opnemen in de definitie van objectiviteit. Dus díe geschiedschrijving is objectief, die in overeenstemming is met de tijdgeest. Of we de ware tijdgeest gekozen hebben, wordt beslist door het controle-middel, de "innerlijke zekerheid".
    (geschiedenis)

  14. DORP EN WERELD. Kanttekeningen bij het vraagstuk der hulp aan onderontwikkelde gebieden, 7 november 1953
    blz. 1 en 4 (6 kolommen 4 x 1/4 k + 1 x ½ k + 1 x 2/3 k)
    De Cisterciënser monniken vroeger, de "Food and Agricultural Organizaton" en de "World Health Organization" nu hebben één enkele bijbedoeling gemeen: het naderbij brengen van een wereld waarin ieder in vrede en gezondheid geestelijk en stoffelijk het zijne heeft. Zonder die bijbedoeling lijkt hulp niet meer mogelijk. Alleen Sinterklaas brengt zuivere hulp. De omstandigheid dat de hulpverlening niet helemaal zuiver op de graat is, kan een nadelige invloed hebben op de verhouding tussen gever en bedeelde. Men moet zich dus als hulpverlener voortdurend bewust zijn van zijn positie. Voor de hand ligt, dat zij die men hulp biedt, wantrouwen gaan koesteren t.a.v. al die hulp; dat wantrouwen heeft weer een terugslaande werking op de hulpverlenende partij. Sommigen vinden dit wantrouwen gerechtvaardigd. Desondanks zullen de "traditionelen" de vooruitgang niet kunnen tegenhouden, of zij dat nu jammer vinden of niet. Het dorp zal niet buiten de wereld mogen blijven; de vraag is slechts in welk tempo deze ontwikkeling moet plaatsvinden. Was men vroeger als koloniaal zelf ten volle verantwoordelijk voor wat men deed, momenteel kunnen wij onze verantwoordelijkheid voor grote gebieden aan een nieuwe, plaatselijke overheid overdragen. De taak kan nu worden beperkt tot het aanbieden van de hulp, het aan de plaatselijke regering overlatend die hulp te aanvaarden en in welk tempo. Het is de taak van hen daarginds geworden.
    (politiek)

  15. GEDEELDE VREUGD EN DUBBELE LAST. De noodtoestand in de Amsterdamse Universiteits-Bibliotheek, 4 november 1953
    (3 kolommen; 1 x 1/4 k + 2 x 2/3 k)
    Tot op heden heeft de Universiteitsbibliotheek een tweedelig karakter gehad: dienstbaar zijn aan de student en aan de burger. Zeker is dat de bibliotheek van groot belang is voor de Amsterdamse burgerij. De benodigde ruimte baart dan ook voortdurend zorgen, vooral die welke toebedeeld is aan het complex van uitleenbureau en studiezalen, waar vele catalogi opgeslagen liggen. Het gebouw kan op meerdere plaatsen dit constante gewicht niet langer verdragen, In de Historische Leeszaal golft de grond onder de voeten. Herstel is mogelijk, maar het herstelde gebouw zal niet meer als bibliotheek mogen en kunnen dienen. Het zal nooit meer het gewicht van catalogikasten en handbibliotheken kunnen dragen. Op korte termijn moet een nieuwe huisvesting worden gevonden.
    (cultuur)

  16. ZACHTMOEDIG, HAUTAIN, RAMPZALIG, 28 november 1953
    (5 kolommen; 4 x ½ k + 1 k 1/4 k)
    In 1940 bevonden zich 200.000 Indo-Europeanen in Indonesië. "Blijvers" met een lange en weinig emotionele geschiedenis. Verdeeld over patriarchaat en vooral ambtenarenstand (lagere rangen); geen proletariaat. Hogere rangen waren niet voor hen weggelegd. Men legde zich bij het onvermijdelijke neer. Zij werden een scherp afgescheiden conclave van kleine ambtenaren in de eigen Europese groep. Zij, zachtmoedig en bij vlagen zeer hautain, bleven hun Nederlanderschap trouw, uit liefde voor dat verre land. Deze fata morgana is sinds 27 december 1950 in nevelen opgelost. De Indische Nederlander, zoals hij sindsdien kan worden genoemd, staat in een stormwind. Slechts 18% koos het Indonesische staatsburgerschap. De rest bleef Nederlander in een land dat voortaan zijn ambtenaren uit de eigen staatsburgers recruteert. Nederland heeft nu de plicht deze landgenoten te helpen. Het gaat om 90.000 mensen. Wellicht zal een aantal hunner zich, eenmaal hierheen gevaren, in ons koude, volle land zo diep rampzalig voelen, dat dit hun landgenoten daarginds afschrikt.
    (politiek)

  17. DE KONING UIT DE BLAUWBAARDSKAMER, 24 december 1953
    (4 kolommen; hele pagina) met tekening van Van Keulen.
    (Kerst) verhaal dat in zijn thematiek aansluit bij "De Bomen", niet in 't minst vanwege de aanwezigheid van Aart Duclos, oom Matthias, Albert en de bomen.
    (scheppend proza)


  18. 1954
  19. DUFF COOPER, DE MAN DIE MUNCHEN ZAG, 9 januari 1954
    (5 kolommen: 4/5 pagina) met 2 foto's: één van Cooper met zijn vrouw, de actrice Diane Manners en één van Cooper met Vincent Auriol.
    Geschreven ter nagedachtenis van de onlangs overleden staatsman burggraaf Norwich, beter bekend als Duff Cooper, onder welke naam hij als politicus en schrijver een grote vermaardheid verwierf. In 1938 kwam hij als enige van zijn collega-ministers in verzet tegen het akkoord dat premier Chamberlain in München met Hitler had gesloten. Hij was tot de conclusie gekomen dat maatregelen nodig waren om de dictator duidelijk te maken dat Engeland zou vechten, als Duitsland op de ingeslagen weg zou verdergaan. Hij wenste derhalve onmiddellijke mobilisatie van de Engelse vloot, waarvoor hij als Minister van Marine verantwoordelijk was. Hij nam op 30 september 1938 ontslag. Hem,die als een der zeer weinigen het werkelijke gevaar zag, zweeg men daarna dood. Hij kreeg nog enige erebetrekkingen tot 1947. Toen kwam de ambtelijke rust en schreef hij zijn biografie: "Old men forget".
    (politiek)
  20. EEN WELVAARTSPLAN VOOR INDONESIE, 16 januari 1954
    hoofdartikel; blz. 1 en 2 (2/3 pagina en 2 x ½ kolom) met 2 foto's: één van Multatuli en één van Sjahrir; daarnaast een afbeelding voorstellend: Jean Chrétien Baud.
    In 1829 wordt door generaal Van den Bosch het zgn. Cultuurstelsel ingevoerd, dat o.l.v. Baud, Gouverneur-Generaal van 1833-1836, nader wordt uitgewerkt en bevestigd. Dit Cultuurstelsel, hoewel het door een zeer bekwaam man als Baud ontworpen was, heeft op de duur gefaald vooral door de belastingbetaling in goederen. Bij Baud rees twijfel over het goed functioneren van zijn stelsel; hij bood aan dit zelf te saneren. Tevergeefs. Hij verdween van het staatkundig toneel. De liberalen namen het heft in handen en beriepen zich -helaas- op de "Max Havelaar" ten einde het Cultuurstelsel af te schaffen. Hetgeen gelukte. Nadat de liberalen de conservatieven in 1870 definitief verslagen hadden en het westers kapitaal in Indonesië een grote bloei ging beleven, kwam men in het begin van onze eeuw tot de erkenning dat men een "ereschuld" t.o.v. Indonesië had. Nederlandse politici voelden zich bezwaard door de gedachte aan het jarenlang plaats gehad hebbend uithollen van de Indonesische economie t.b.v. de Nederlandse schatkist. Nadat Indonesië onafhankelijk geworden is, bestaat in Nederland geen wezenlijke belangstelling meer voor politiek van dat land, wel voor de economie aldaar. Niet uit bemoeizucht, maar omdat die economie heel lang een gemeenschappelijke zaak is geweest. De bezorgheid is groot, vooral omdat de economie er in Indonesië slecht voor staat door toedoen van de hoge arbeidslonen in het bijzonder. Toch is er één kracht die op de duur de zaken ten goede kan doen keren: de altijd aanwezige potentie van de agrarische produktie. Indonesië is toe aan een tweede revolutie, een vreedzame ditmaal. Een die zich vooral op agrarisch terrein zal moeten afspelen.
    Het codewoord zal zijn: Werken, werken, werken. Men zou Indonesië toewensen weer leiders te krijgen, die de onafhankelijkheid voor haar hebben veroverd. Een regering-Sjahrir en een agrarisch welvaartsplan, dat is wat zij die voor Indonesië een welgemeende belangstelling hebben, dat land van harte toewensen.
    (politiek)
  21. KOM, KOM, MIJN BESTE WATSON! Bij de honderdste verjaardag van Sherlock Holmes, 23 januari 1954
    blz. 5 (5 kolomen; 4/5 pagina)
    n.a.v. de honderdste geboortedag van Sherlock Holmes. Deze geniet een universele waardering, bewondering, zelfs aanhankelijkheid, die volkomen begrijpelijk is. Want Holmes was niet alleen een dievenvanger, een duivelskunstenaar in het lezen van dode tekens en levende gedachten, hij was ook een mens die in zijn ontroering verried wanneer zijn slachtoffers deernis verdienden. Het is vooral deze menselijke Holmes, van wie wij zo gaarne de honderdste geboortedag herdenken. Uit een passus in "Het Musgrave ritueel" valt af te leiden dat hij geboren werd op 23 januari 1854.
    (literatuur)
    Hierna volgt een door Alberts geschreven Sherlock Holmes-verhaal, getiteld: "DE OUDE SCHEVENINGSE WEG", dat hij als volgt inleidt: "Het verheugt mij derhalve bovenmate, dat ik, door een gelukkig toeval in staat ben gesteld (..) aan de Nederlandse bewonderaars van Sherlock Holmes een verslag te kunnen geven van een tot nog toe onbekend avontuur van de grote speurder. De bijzonderheden van deze zaak werden mij meegedeeld door een kleinzoon van de toenmalige procuratiehouder van de Nederland-Sumatra Maatschappij, wiens naam om persoonlijke redenen, niet zal worden genoemd".
    (scheppend proza)
  22. "'T LIEFSTE DAT JEUGD GEWON". Bij de zeventigste verjaardag van Prof. Gerretson, 20 februari 1954
    (3 kolommen; 3 x ½ k) opgenomen is het gedicht: "Madeleine La Postigeuse" van Geerten Gossaert;
    n.a.v. zeventigste verjaardag van Gerretson. Bij het grote publiek is hij vooral als dichter bekend, minder als politicus, nauwelijks als hoogleraar. Het is begrijpelijk dat het dichterschap van Geerten Gossaert ietwat verblindend werkt bij een beschouwing van de andere facetten van zijn persoonlijkheid.
    Vanaf 1925 was Gerretson hoogleraar in de "Koloniale Geschiedenis van Nederlands-Indië" en in de"Vergelijkende Koloniale Geschiedenis". Er zal misschien eens een tijd komen, dat de Indonesiërs de historicus Gerretson zullen eren om wat hij deed als bewaarder van hun geschiedenis. Hij heeft nl. in de jaren van zijn hoogleraarschap het niet genoeg te waarderen initiatief genomen tot een reeks uitgaven; bronnenpublicaties voor de constitutionele geschiedenis van Indonesië vanaf 1815.
    (politiek/literatuur)
  23. MENIGTE EN MENSELIJKHEID. DE FEBRUARISTAKING VAN 1941, 20 februari 1954
    hoofdartikel; blz. 1 en 2 ( ½ pagina + 2/3 pagina)
    Bespreking van "De Februaristaking", een onlangs verschenen monografie van B.A. Sijes, geschreven in opdracht van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Uit deze voortreffelijke studie wordt duidelijk welke grote rol de C.P.N. gespeeld heeft bij de voorbereiding en uitvoering van de staking op 25 februari 1941. Zij is in feite door die partij georganiseerd; zij werd een succes omdat de hele bevolking er zich als één man achter schaarde. De omvang van de staking heeft de leiding van de CPN zelf ongetwijfeld verrast; door deze op 20 juli 1940 illegaal geworden partij was een staking al eind 1940 als strijdmiddel gepropageerd. De door haar te volgen gedragslijn werd in het eerste nummer van de illegale "Waarheid" als volgt omschreven: strijd, zowel tegen de pogingen van het Duitse als van het Engelse kapitalisme om de Nederlandse arbeider te over- heersen. Als eerste fase in deze strijd zag men een versterking van de geestelijke weerstand van het Nederlandse volk tegen de vreemde Nazi-invloeden.
    (politiek/geschiedenis) (boekbespreking)
  24. NATUUR ..., 17 april 1954
    (3 kolommen; 2 x ½ k + 1 x 1/3 k) deze publicatie vormt met een andere, die daarbij aansluit, een soort tweeluik, getiteld: "Natuur... en onnatuur". De linkerhelft daarvan, die door Alberts is vervaardigd, geeft een impressie van het exterieur van de Hoge Veluwe. Het andere gedeelte, dat niet van Alberts is, handelt over het Kröller-Müller Museum, het interieur van de Hoge Veluwe. Het geheel wordt omlijst door 2 foto's: één van een (bos) perceel van de Hoge Veluwe; één van de nieuwe uitbouw van het Museum aldaar.
    (scheppend proza)
  25. HET KIND UIT DE TEMPLE, 22 mei 1954
    blz 3 en 13 (6 kolommen; 4 x 2/5 k + 2 x 1/3 k)
    n.a.v. proces dat te Parijs gevoerd wordt tussen vertegenwoordigers van twee families Bourbon: de zaak van Bourbon versus Bourbon-Naundorff. Was deze Naundorff in waarheid de uit de Temple ontvluchte zoon van Lodewijk XVI; is het ongelukkige kind, dat in de geschiedenis van het Franse koninkrijk Lodewijk XVII wordt genoemd, waarlijk uit de Parijse revolutiegevangenis ontkomen? Wat vast staat: de eerste Naundorff heeft de laatste jaren van zijn leven als een geacht burger in ons land doorgebracht; hij is te Delft gestorven en begraven. Maar of hij ook het kind uit de Temple was, zoals hij beweerde, zal wel nooit worden opgelost. De eminente historicus Robert Fruin heeft vastgesteld dat het kind op negenjarige leeftijd moet zijn overleden in de Temple. De pretendent Naundorff is dus een fantast gebleken. Maar helpt ons dit van het raadsel van de Temple af? Staat het vast, dat het kind van Lod. XVI en Marie Antoinette geen fantast heeft kunnen zijn?
    (geschiedenis)
  26. LEIDEN, UTRECHT EN INDONESIE. De Van Vollenhoven biografie, 22 mei 1954
    (4 kolommen; 2/3 pagina) met foto van Cornelis van Vollenhoven;
    n.a.v. biografie van de hand van Henriëtte Laman Trip-De Beaufort over de Leidse hoogleraar Cornelis van Vollenhoven, overleden in 1933. Van Vollenhoven promoveerde op 25-jarige leeftijd in de Staats- en Rechtswetenschap en werd kort daarop hoogleraar in het Staats-, Administratief- en Adatrecht van Nederlands-Indië. Hij ging zijn leerlingen voor op weg naar groter zorg m.b.t. De Indonesiër. Leiden werd de kweekplaats van wat men later de ethische richting in de Nederlands-Indische bestuursvoering zou gaan noemen. De ondernemers echter wilden anders. Zij stichtten in 1925 een fonds voor een bijzondere Indologische leergang, onder te brengen in de faculteiten van Rechten en Letteren-Wijsbegeerte van de Universiteit van Utrecht. Van Vollenhoven beschouwde het -terecht- als een motie van wantrouwen. Maar als men als afgestudeerde in Indië aankwam, viel het onderscheid in opleiding weg. Of men nu van Leiden of Utrecht kwam, men moest zich aan de code van het Bestuurscorps houden.
    Zonder twijfel is in Utrecht ook goed werk verricht, maar de adat-rechtstudie van Van Vollenhoven behoort zeker tot het allerbelangrijkste en waardevolste van Nederlands erfenis aan Indonesië.
    (politiek/wetenschap) (boekbespreking)
  27. VERGEELDE PORTRETTEN. Het Indische patriciaat, 26 juni 1954
    (3 kolommen; ½ pagina) met een afbeelding van een schilderij waarop een adellijke dame is afgebeeld; daarnaast een foto van een Indisch buiten;
    n.a.v. het verschijnen van "Vergeelde portretten" van E. Breton de Nijs. Hierin wordt op uitnemende wijze het leven en uitsterven van een Indische familie in het voormalige Nederlands-Indië beschreven. Die familie behoorde tot het Indische patriciaat, waarvan nu het ontstaan en de groei geschetst worden. Het Indische patriciaat werd een kaste, waarvan de leden, dank zij het door de stamvader bijeengebrachte, goedbelegde en voor uitbreiding vatbare fortuin en de van moeders zijde overgeërfde Javaanse hoffelijkheid, zich met een zekere zorgeloosheid en gratie wisten te bewegen. Buitenstaanders drongen steeds moeilijker door in die wereld van stillevende mensen en portretten, die steeds meer gingen vergelen. Aan zo'n wereld moest een einde komen. De meesten weken als banneling uit naar Nederland. "Sommigen zitten doelloos voor een raam, kijken naar de natte straten en bladerloze takken en denken aan hun kebonan met vruchtbomen en melattistruiken, met bloemperken en palmen. Ze hebben heimwee, een knagend verlangen naar hun Indië en ze zeggen tot elkaar: "Jammer toch dat het zo gelopen is; het was er vroeger zo goed". (fragment uit: "Vergeelde Portretten")
    (geschiedenis) (boekbespreking)
  28. MENEER GRAHAM LAAT DE KINDEREN KOMEN, 26 juni 1954
    blz. 5 en 15 (4 kolommen; 2 x ½ k + 2 x 1/4 k); deze bijdrage draagt met een tweede samen de overkoepelende titel: "Godsdienst in confectie". Beide publicaties (de andere is van K.H. Kroon) hebben betrekking op het bezoek van Wiliam ("Billy") Graham aan Nederland en diens optreden in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Het artikel van Alberts is ironisch van toon. Geen ouderwetse wonderen. Wel: obligate grappen, een bijbellezing, het gebed, alles gevat in een kinderlijk betoog. Te grote nadruk valt op het verrichten van bekeringen, waardoor de kinderlijkheid van "meneer Graham" zelfs indrukwekkend wordt. "Enfin, de Kinderen zijn Dinsdagavond naar meneer Graham gekomen.
    Ze hebben zijn woorden ingedronken en zijn pamfletten in de binnenzak van hun overjas gestoken. Het ga hun wel".
    (godsdienst/scheppend proza)
  29. ONVERANTWOORDELIJKEN GEVRAAGD, 17 juli 1954
    hoofdartikel; blz. 1(3 kolommen; ½ pagina) met foto van Mr. Sunarjo, Minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië;
    n.a.v. bezoek van Indonesische delegatie o.l.v. Sunarjo ten einde besprekingen te voeren over de opheffing van het Unie-Statuut. De Partij van de Arbeid heeft tot nu toe weinig voor die opheffing gevoeld, wat betreurenswaardig is. Deze partij is blijkbaar vooral verliefd geworden op Nederlands Nieuw-Guinea. Zij wil wat Irian betreft kennelijk niet onderhandelen, hoewel dat wel in 1949 was overeengekomen. De opheffing zal er nu wel komen; wat Nieuw-Guinea betreft, blijft op Nederland een verplichting tot onderhandelen rusten. Het gaat er dus niet om, dat van vandaag op morgen dient te worden beslist, wat er met Irian moet gebeuren; wèl moet er onderhandeld worden.
    (politiek)
  30. KOOL OP KARTHAGO. Alkmaar's eerste victorie, 31 juli 1954
    blz. 3 (2 kolommen; 2 x 2/3 k)
    n.a.v. verhaal van de 17e eeuwse historicus Hendrik Soeteboom over de stad Vroonen, die volgens hem en i.t.t. wat kenners beweren een vesting geweest zou zijn die in West-Friesland het gehele gebied domineerde. Vooral de Alkmaarders zou dit niet hebben gezind. Graaf Jan II van Henegouwen zou met behulp van een verrader in de nacht van 13 maart 1303 met zijn troepen binnen de stadspoorten van Vroonen zijn geraakt. Niets en niemand zou daarbij gespaard zijn. Alles wat leefde zou zijn neergeslagen, alles wat overeind stond verbrand, als een tweede Carthago verwoest. Het is echter allemaal zo niet gegaan. Er is nooit een stad Vroonen geweest; toch bevat ook deze overlevering een stevig brok waarheid nl. de opkomst en bloei der Hollandse steden, vooral Alkmaar.
    (geschiedenis) (boekbespreking)
  31. LES AMIS DU PLEIN AIR, 7 augustus 1954
    (3 kolommen; 3 x 1½ k)
    Verhaal over een amusant reisgezelschap
    (scheppend proza)
  32. HET EIGEN GEZICHT VAN DE GESCHIEDENIS. Bij een levensbeschrijving van C.F. van Maanen, 14 augustus 1954
    blz. 10 en 12 (4 kolommen; 1 x 2/3 k + 1 x 1 k + 2 x 114 k)
    n.a.v. proefschrift van Dr. M. Elisabeth Kluit, getiteld: "Cornelis Felix van Maanen tot het herstel der onafhankelijkheid". Het behandelt de gedeeltelijke levensgeschiedenis van een man, die vooral als minister van Justitie onder de eerste Nederlandse koning grote bekendheid heeft gekregen; maar daarover gaat het boek niet, omdat Dr. Kluits beschrijving niet verder reikt dan tot 6 december 1813, de dag waarop de Souvereine Vorst Willem Frederik te Den Haag de regering overnam van het Algemeen Bestuur en Van Maanen Minister van Justitie werd. Van Maanen bekleedde vele funkties o.a. was hij Minister van Justitie en Politie onder Koning Lodewijk Napoleon. Hem stond maar één doel voor ogen, één werkzaamheid, die zijn leven vulde: de verzekering van een waarachtige rechtsbedeling. Hij werd de wandelende verbeelding van de zekerheid op recht, ook binnen het raam van de Napoleontische wetgeving. Het is te hopen, dat Dr. Kluit zich ook zal zetten aan een beschrijving van het volgend deel: Van Maanen's loopbaan onder Willem I en II.
    (politiek/geschiedenis) (boekbespreking)
  33. DIPLOMATEN BEHOREN IN DE HEMEL THUIS, 21 augustus 1954
    blz. 5 (4 kolommen; 3 x 2/3 k + 1 x ½ k)
    n.a.v. recentelijk verschenen boekje van de Engelse schrijver-diplomaat Harold Nicholson: "The evolution of diplomatic method". Deze verdeelt de ontwikkeling der diplomatie in 4 fasen: de Grieks-Romeinse; de weinig luisterrijke Venetiaanse; de uitstekende Franse en de Amerikaanse methode. De laatste ontwikkeling, beginnend met de komst van president Wilson in Europa in 1919, is volgens Nicholson allesbehalve gunstig. De enorme versnelling der communicatiemiddelen heeft een bijna even enorme wijziging op het diplomatiek terrein teweeg gebracht. De politicus betreedt tegenwoordig te veel het terrein van de diplomaat.
    (politiek) (boekbespreking)
  34. DE ECHOPUT DER TOEKOMST, 21 augustus 1954
    blz. 5 (2 kolommen; 2 x ½ k)
    De "Westinghouse Electric & Manufacturing Co" liet t.g.v. de "New York World's Fair" (1938) een 2 meter lange metalen cilinder verzinken in een bouwput, waarin eigentijdse zaken opgeslagen werden. Eerst over 5000 jaar, in het jaar 6938, mag deze cilinder worden geopend, opdat men zich dan een idee kan vormen van de beschaving anno 1938.
    (cultuur)
  35. NIEMAND ZAL IN DE SCHOUWBURG tabak rooken, of eenige Baldadigheden aanregten, hetzij met Schreeuwen, Raasen, Schelden of met Nooten Doppen ofte andere Vuyligheden op den Aanschouwer te werpen, op de Boete van drie gulden en bovendien uyt den Schouwburg te worden geleid, 4 september 1954
    blz. 9 (hele pagina) met 5 illustraties, waaronder een foto van de Schouwburg d.d. 1 september 1894 en een foto van Theo Mann-Bouwmeester;
    n.a.v. 60 jarig-bestaan van de Amsterdamse Schouwburg op het Leidseplein. In 1890 brandde de oude schouwburg af. Op 1 september 1894 vond de première-voorstelling in de nieuwe schouwburg plaats. Het Coneertgebouworkest speelde o.l.v. Willem Kes: "Die Weihe des Hauses" van Von Beethoven. Na de pauze werd gespeeld: "In de directeurskamer" met in de hoofdrol: Louis Bouwmeester. Zonder het toneel kunnen wij niet leven.
    (cultuur)
  36. TWEE DAGEN IN HET PARADIJS, 11 september 1954
    blz. 7 (hele pagina) met tekening van de hand van Jan van Keulen.
    Verhaal, spelend in Indonesië. Het toont veel overeenkomst met de verhalen in "Namen noemen", dat in 1962 verschijnt; vooral met het daarin opgenomen "Het mooiste eiland van de wereld".
    (scheppend proza)
  37. EEN WERKPLAATS IN DE LIBANON, 25 september 1954
    (2 kolommen; 2 x 2/3 k)
    n.a.v. 70ste verjaardag van Kees Boeke, stichter en leider van de Werkplaats te Bilthoven. Boeke verlaat aan het einde van dit jaar Nederland ten einde zich metterwoon in de Libanese republiek te vestigen, een land dat hij nog van vroeger kent. Hij was daar eens directeur van een Quakerschool. Volgend jaar start hij daar met een Werkplaats, die uit moet groeien tot een Werkplaats voor 800-1000 kinderen, die daar onderwijs kunnen krijgen en zich kunnen ontwikkelen tot mensen die een hun passende plaats in de maatschappij zullen kunnen innemen.
    (cultuur)
  38. ALBERT HAHN EN DE VERWORPENEN, 2 oktober 1954
    blz. 5 (5 kolommen; 2/3 pagina) met 2 door Hahn vervaardigde politieke prenten, waarvan één betrekking heeft op Kuyper, Hahns grote doelwit;
    n.a.v. tentoonstelling die onder de titel "Albert Hahn en zijn tijd" door het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, het Instituut voor Perswetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en de Amsterdamse Stedelijke Musea is georganiseerd in het Waaggebouw te Amsterdam. Hahn tekende zijn politieke prenten in het begin van deze eeuw voor "Het Volk" en later ook voor het Zondagsblad van "Het Volk": "De Notenkraker". Hij heeft over zijn bedoelingen nooit twijfel laten bestaan. Hij was één geworden met de verworpenen der aarde, voor wie hij vocht. Men begreep elkaar volkomen. Zo sterk is de indruk die de verbondenheid van Hahn met de klasse, waartoe hij wilde behoren, op ons maakt, dat men zich gaat afvragen of zo'n gebondenheid nu nog wel kan bestaan. Is die verbondenheid een levensvoorwaarde voor de politieke tekenaar in het algemeen?
    (politiek/kunst)
  39. DE STER WAS AFGELEGD, 16 oktober 1954
    (3 kolommen; 3 x 2/5 k)
    Verhaal, spelend in Parijs. Sluit qua vorm en inhoud aan bij de hoofdstukken uit: "De Franse slag", dat in 1963 verschijnt, vooral bij hoofdstukken één en vier. De "ik" uit Hoofdstuk één is hier "het meneertje": "Het meneertje in kwestie was een jong Nederlands koloniaal ambtenaar en hij had zich, om redenen, die hem alleen aangaan, toegang weten te verschaffen tot het Franse ministerie om aldaar als volontair te werken".
    (scheppend proza)
  40. DE EEWIGHEID EN ETHIOPIE, 30 oktober 1954
    blz. 2 (3 kolommen; 1/3 pagina)
    Ethiopië is een volslagen Afrikaans land geworden, waarmee Europese reizigers en missionarissen geen enkele cultuurband voelden. Het gebied behield zijn onafhankelijkheid. Het Ethiopische nationale bezit behoorde begin 1900 aan koningen en hun volgelingen. Aan een dergelijke toestand kan een einde worden gemaakt door het optreden van een verlicht despoot; zo'n man was Menelik die alle koningen aan zich onderwierp. Hij stichtte Addis Abeba, de Nieuwe Bloem. Haile Selassie zou het werk van Menelik voortzetten. Hun hervormingsarbeid heeft nu een halve eeuw geduurd.
    Zijn de vrijverklaarde horigen nu eindelijk ook volwaardige eigen boeren geworden? Dat zou op korte tertnijn een onmogelijkheid zijn. Bezitsspreiding, hoe nuttig en nodig het soms kan wezen, is geen zaak die snel haar beslag krijgt. Wie durft een tijdsbestek te noemen in een land, dat zo lang met de eeuwigheid heeft geleefd?
    (politiek/geschiedenis)
  41. DE ERFENIS VAN ABRAHAM DE GEWELDIGE. Reorganisatie van de Anti-revolutionaire Partij, 6 november 1954
    blz. 4 (3 kolommen; 2 x 1/3 k + 1 x 2/3 k)
    n.a.v. voorgenomen wijziging en aanpassing van de partijstatuten van de A.R.P.; als de reorganisatie slaagt, zal de partij democratischer van opzet zijn, anders dan in Abraham Kuypers autocratischer systeem. Zij zal bovendien een sociaal gericht programma gaan opstellen. Zo'n vernieuwing is goed, maar ook gevaarlijk. De erfenis van Abraham de Geweldige moet zo ongeschonden mogelijk worden bewaard.
    (politiek)
  42. WOORDEN, WOORDEN, WOORDEN. De Hamlets van de tussenhandel, 13 november 1954
    (3 kolommen; 2 x 1 k + 1 x 1/3 k)
    Verhaal, waarvan stijl en inhoud doen denken aan die van "De Vergaderzaal" dat in 1974 verschijnt.
    (scheppend proza)
  43. TEGEN BROEDERS PALMHOUTEN PRUIK. WOLFF EN DEKEN 1804 - NOVEMBER 1954, 20 november 1954
    blz. 13 (hele pagina) verlucht met 5 illustraties uit "De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart";
    n.a.v. 150ste herdenking van de sterfdag van Betje Wolff en Aagje Deken. Waarom worden ze zo vaak herdacht? Omdat ze puntig, geestig en beeldend schreven en op hun wijze het vaderlandse aandeel in het Europese letterkundige leven van de tweede helft der 18e eeuw geleverd hebben.
    (literatuur)
  44. TUSSEN HET LICHT EN HET DONKER. Het bier van de Amstel, 27 november 1954
    blz. 3 (3 kolommen; 2/3 pagina) met 3 tekeningen van Van Keulen.
    Uitvoerige populariserende beschrijving van het bierbereidingsproces tot en met het inschenken.
    "Voor alles: het bierdrinken is in de eerste instantie niet een zaak van glazen ledigen, maar van glazen vullen. Een goed gevuld glas is zijn gezicht waard. En dat gezicht wordt vooral bepaald door de manchet".
    (warenkennis)
  45. DE KONING EN ZIJN KNECHT, 24 december 1954
    blz. 9 (hele pagina) met tekening van Van Keulen.
    Dit verhaal wordt later opgenomen in: "Het mooiste eiland van de wereld", het vijfde Hoofdstuk uit: "Namen noemen". Er zijn slechts 2 varianten: "mijn chef" heet daar: "de assistent-resident" en "meneer Zeinal" wordt "de patih". Overigens komen "meneer Zeinal" en "mijn chef" wèl voor in "De Maaltijd", het vierde hoofdstuk uit "De Eilanden", waarin een voorgenomen ontmoeting met de Vorst mislukt. Hier niet.
    (scheppend proza)

    1955
  46. COSTA RICA. Het fatsoen van Latijns-Amerika, 22 januari 1955
    blz. 3 (3/4 pagina) met 2 foto's; één van President José Figueres van Costa Rica en één van President "Tacho" Somoza van Nicaragua;
    n.a.v. gerezen conflict tussen Nicaragua en Costa Rica, tussen brute kracht en fatsoen.
    Columbus zette op 18 december 1502 voet aan wal van het land dat naderhand Costa Rica, Rijke Kust, zou heten. De Spaanse maatschappij daar werd een besloten kring van kleine keuterboeren. De Costa Ricanen zagen onthutst toe hoe zij als enigen te midden van hun buren een gebied van Spanje bleven. Tenslotte werd Costa Rica een onafhankelijke republiek, daarna volslagen souverein in 1848. De bevolking bestond toen uit een kleine honderdduizend blanken en een paar duizend Indianen. In 1950 woonden er 800.00O mensen. Het onderwijs was er al sinds 1860 volkomen kosteloos. In de hoofdstad San José bevindt zich een universiteit. Dit doet Europees aan, evenals het zeer uitgebreide spoorwegennet. Er is geen leger, wel een burgerwacht van 1200 man. Er heerst waarachtige vrijheid in woord en geschrift. Er is algemeen kiesrecht; ook bestaat er stemplicht. Al met al: een burgelijke, fatsoenlijke maatschappij. Costa Rica, het fatsoen van Latijns-Amerika.
    (politiek/geschiedenis/cultuur)
  47. DE ACHTSTE PILAAR VAN LAWRENCE OF ARABIA, 12 februari 1955
    blz. 5 (2/3 pagina) met foto van Lawrence;
    n.a.v. het verschijnen van "Lawrence of Arabia" van Richard Aldington. Een buitengewoon interessant, maar vervelend boek, waarin een nationale held wordt ontmaskerd. Het is geen biografie, maar een dossier van een rechercheur, die de "verdachte" is gaan haten. Lawrence wordt te kijk gezet als een aarts-leugenaar, begiftigd met een ongebreidelde fantasie ten-eigen-bate. Dit alles zou voortspruiten uit compensatie-drang, ten einde de smet die op zijn geboorte rustte uit te wissen. Zijn vader en moeder waren niet met elkaar getrouwd. De bijna - of misschien wel helemaal - corrumperende manier waarop Lawrence met anderen en zichzelf de spot dreef, anderen en ook zichzelf benadeelde dat heeft Aldington niet kunnen verteren. Hij heeft getracht Lawrence's onwaarachtigheden te ontmaskeren, zonder er zich rekenschap van te geven, wat onwaarachtigheid eigenlijk is. Lawrence een leugenaar? Goed. Maar dan toch niet zo'n vervelende pietepeuter als zijn biograaf. Lawrence schreef'"Seven Pillars of Wisdom". Aldingtons boek vormt in feite een achtste pilaar, waarop de faam van Lawrence kan blijven voortbestaan.
    (geschiedenis) (boekbespreking)
  48. DE JAARBEURS IN DE KINDERSCHOENEN. 1919 - Utrecht versus Amsterdam, 2 april 1955
    blz. 3 (3/4 pagina) met foto van het Russische paviljoen op de Voorjaar-beurs van 1955.
    De Utrechtse Jaarbeurs werd in 1917 voor de eerste maal gehouden. Alberts' oom heeft jarenlang gestreden voor zijn recht op erkenning als initiatiefnemer van de Jaarbeurs in Nederland. Die strijd heeft hem weinig gebaat. Utrecht had zich in mei 1916 als eerste van de Nederlandse steden aangemeld voor de Jaarbeurs. Alberts' oom werd uitgerangeerd en de Utrechtse Jaarbeurs werd zonder zijn medewerking voor de eerste maal in 1917 gehouden, waarop deze in het tegenoffensief gaat: Amsterdam moest het worden, definitief. Het heeft zo niet mogen zijn. Utrecht kreeg zijn vaste gebouwen.
    (handel)
  49. VOORAVOND VAN EEN AFSCHEID. Dr. R.R. Post: Kerkelijke verhoudingen in Nederland voor de Reformatie, 23 april 1955
    blz. 5 (2/3 pagina) met afbeelding van "De Heer van Darn, Vicarius ten Dom";
    n.a.v. het verschijnen van "Kerkelijke verhoudingen in Nederland voor de Reformatie" van de Nijmeegse hoogleraar Dr. R.R. Post. De lezer krijgt onder de lectuur van het boek van Post de indruk een verslag van een opinie-onderzoek voor zich te hebben. De hoofdinhoud van het boek wordt immers bepaald door de weergave van de resultaten van een onderzoek naar de toestanden en naar de meningen omtrent die toestanden. Volgens Post zou in de tweede helft van de 16e eeuw het voorschrift van het celibaat door ongeveer 1/4 van de clerus zijn overtreden. Een belangwekkende mededeling, maar of deze en soortgelijke misbruiken, in de Katholieke Kerk rond 1500 binnengeslopen, een stimulerende werking hebben gehad op de Hervorming, kan alleen op grond van de onderzoekingen van Dr. Post noch bevestigd noch ontkend worden. Post zelf heeft niet de indruk gekregen dat het er veel toe heeft gedaan. Desondanks bevat het boek een schat aan materiaal, overzichtelijk en leesbaar geboekstaafd. Post verdient een plaats onder de eersten van zijn vak.
    (godsdienst/geschiedenis) (boekbespreking)
  50. TIEN JAAR NA DE BEVRIJDING. Een opinie-onderzoek in 1823, 30 april 1955
    blz. 13 (7/8 pagina); opgenomen is een anoniem sonnet, getiteld: "De Dooden".
    Gefingeerd interview in november 1823, tien jaar na de bevrijding van het Napoleontisch regime. Een journalist stelt vooraanstaande politici de vraag: wat is op dit moment Uw gedachte over de herwonnen onafhankelijkheid en wat hebben wij, Nederlanders, met die vrijheid gedaan in de afgelopen tien jaar? De antwoorden zijn teleurstellend, ontwijkend, nietszeggend. Het komt erop neer, dat er niet zoveel veranderd en gebeurd is; dat men zich nog nauwelijks de bevrijding herinnert. (Is dat nu weer zo?)
    (scheppend proza) (politiek)
  51. EEN BITTERE RIJSTTAFEL, 7 mei 1955
    blz. 4 (3 kolommen; 1 x 1 k + 2 x 1/3 k)
    n.a.v. 10e herdenking van de bevrijding der Duitse bezetters. De Nederlanders die in Nederlands-Indië verbleven, werden pas in augustus bevrijd. Zij maakten de bevrijding hier niet mee. In Nederland teruggekeerd of aangekomen, werden ze vriendelijk ontvangen; daarna bekoelde het enthousiasme.
    Vooral de Indische Nederlanders konden hier moeilijk wennen; zij wachten nu, met andere ex-Japanse gevangenen in Nederland, op schadeloosstelling. Het merendeel der 60.000 getroffenen wordt gevormd door werknemers. Nu, 10 jaar na de bevrijding, zitten de meesten nog steeds te wachten. De rijsttafel begint tamelijk bitter te worden.
    (politiek)
  52. TWEE EILANDEN - TWEE TIJDPERKEN. BALI 1950 - MADOERA 1930, 7 mei 1955
    blz. 3 (hele pagina) met 2 foto's; één van een bewoner van Madoera en één van een bewoonster van Bali;
    n.a.v. zojuist verschenen boek van Jef Last: "Bali in de kentering", dat hij schreef n.a.v. een driejarig verblijf op Bali, waartoe hij door Sukarno was uitgenodigd. Last begaf zich als goeroe onder de pemoedas (jongeren), wier idealen en gedachten hij wilde leren kennen. Uit zijn boek blijkt, dat zijn leefwijze op Bali en de taak die hij daar vervulde veel overeenkomst vertonen met die van de gemiddelde Nederlands-Indische bestuursambtenaar (lees: Alberts) op Madoera, ongeveer 20 jaar geleden. "Ach, dat is allemaal voorbij voor de aspirant, die niemand zijn vrijheid misgunt en die alleen maar een lichte melancholie in zich voelt opkomen bij de gedachte, dat het voor hem niet meer bestaat. En die ook hierom de heer Jef Last van harte gelukwenst met zijn Balische loopbaan en met zijn boek". Hier en daar toont de tekst van dit artikel gelijkenis met fragmenten uit "Een dorp in de zon", het zesde hoofdstuk uit "Namen noemen".
    (cultuur) (scheppend proza) (boekbespreking)
  53. HET AVONTUUR VAN EEN BOOM. DE KINABAST REIST DOOR DE WERELD, 14 mei 1955
    blz. 3 (hele pagina) met foto, waarvan het onderschrift luidt: "Het afkloppen van de kinabast".
    Rond 1700 werd de geneeskrachtige werking van de kina-kina, de schors der schorsen in Europa ontdekt. Hieraan ligt een legende ten grondslag waaruit te leren valt, hoe in Lima rond 1635 een gravin op wonderbaarlijke wijze van de beruchte koorts geneest na inneming van een bitter poeder, gestampt uit de bast van een wonderboom. De faam van de kinaboom was daarmee gevestigd.
    In Europa werd het poeder bekend als Jezuïtenpoeder: de volgelingen van Loyola, die zich in Peru met bekering bezighielden, waren op de hoogte van de geneeskrachtige werking van de kinabast. De medische wetenschap echter verdoemde het poeder. Lafontaine wijdde een gedicht aan het nieuwe medicijn. In 1823 ontdekten twee Franse scheikundigen dat het koortswerend element in de kinabast gevormd wordt door kinine. Het kinaboomland bij uitstek, Bolivia, lag echter te ver weg voor regelmatige toevoer. Men wilde de aanplant dus elders stimuleren, wat op verzet van de Boliviaanse regering stuitte. Men nam toen zijn toevlucht tot minder oirbare middelen. Een zekere Justus Charles Hasskarl, superintendent van een aantal Javaanse cultuurondernemingen wist jonge planten en een hoeveelheid zaad te bemachtigen. Hij werd benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, maar de kina-aanplant op Java mislukte. Nog anderen probeerden kina aan Bolivia te ontstelen. Totdat een Engelsman, Charles Ledger, in 1866 erin slaagde gedroogd zaad naar Nederlands-Indië te verzenden. Sindsdien groeien er op Java de mooiste en beste kinabomen en Bolivia is vergeten.
    (cultuur/handel/wetenschap)
  54. OUDE EN NIEUWE GLORIE VAN ÉÉN STAM. Engelands grote partijen, 28 mei 1955
    blz. 3 (3 kolommen; ½ pagina)
    n.a.v. regeringscrisis in Nederland wordt afgunstig gekeken naar het Engelse regeringssysteem, het zgn. twee-partijenstelsel, dat meer vastheid en minder oponthoud en moeiteverlies meebrengt dan het onze. De Conservatieve Partij wordt geregeerd krachtens een stelsel, dat men een door adviezen en gezond verstand gematigde autocratie zou kunnen noemen. De Labour Party is democratischer van opzet, waarvan de leider in den beginne liever voorzitter dan Leider genoemd werd, zoals de Conservatieven doen; nu zijn er twee Leiders. Men kan dus zeggen, dat de leider van Labour ook tijdens het bewind van een Conservatieve regering als Leider van de Oppositie een potentiële premier is. Dit aldus gegroeide systeem is de bron van de snelheid en de regelmaat waarmee in Engeland een regeringscrisis wordt opgelost. Gelukkig Engeland.
    (politiek)
  55. IN HOLLAND STAAT EEN GLAZEN HUIS. E 55 ROTTERDAM, 4 juni 1955
    blz. 3 (hele pagina) met 3 foto's van de E 55;
    n.a.v. de E 55 te Rotterdam, een landelijke wereldtentoonstelling; zij is de vertoning van het leven in Holland van alledag, zoals zich dat vanaf 1945 manifesteert. Zij vervult de bezoekers met een gevoel van trots om onze alledaagsheid, die waarachtig nog de moeite waard is ook. Het gaat vooral om te laten zien wat de Nederlandse Energie in 10 jaar tijds heeft weten te bereiken. De manifestatie "Bouwen" maakt de diepste indruk. Ga naar de E 55. Ga erheen in het besef dat U nog enige malen terug zult moeten komen. Zult willen komen.
    (cultuur)
  56. HEBBEN WE DAAR TWEE EEUWEN VOOR GEVOCHTEN? Eens pelgrims reize naar het Heilige Land, 18 juni 1955
    blz. 5 (3 kolommen; 1 x 1/3 k + 1 x ½ k + 1 x 1 k) met afbeelding, voorstellende "De Pelgrim";
    n.a.v. het verschijnen van "Jerusalem Journey" van Hilda Prescott, waarin 13 reizigers op het einde van de 15e eeuw een pelgrimage naar Jeruzalem ondernemen. De organisatie van de reizen der pelgrims uit geheel West- en Midden-Europa was in die dagen een volledig Venetiaanse aangelegenheid geworden. Zodra de pelgrim in Venetië aankwam, werd hij door de regering onder haar hoede genomen. Door gidsen en tolken, een soort wegenwacht, werd hij tegen avonturiers beschermd. Daarna vond de oversteek naar Jaffa plaats. De pelgrim betaalde de gezagvoerder zijn retourreis vooruit, waarna het reisbureau de hele zaak regelde. De gebruikelijke tijd van verblijf in het H. Land was 14 dagen. Zo'n verblijf ging steeds met veel moeilijkheden gepaard, veroorzaakt door lastige Saracenen. Maar goed, ruim een maand na het vertrek was men weer terug in Venetië, dankzij de voortreffelijke zorgen van het reisbureau anno 1500.
    (cultuur/godsdienst/handel) (boekbespreking)
  57. IN UTRECHT WOONT ALTIJD WEL EEN PROFESSOR, 23 juli 1955
    blz. 3 (hele pagina) met foto van de Utrechtse Dom.
    Relaas van een tocht van een student door Utrecht op het einde van het collegejaar. Na de vakantie, eind september, zal hij in de Domstad terugkeren. "Alleen de professoren bleven. Toch moest het een heerlijk gevoel geven om professor te zijn. Professor in Utrecht".
    (scheppend proza)
  58. ZO HEBBEN ZIJ ONS DUS GEZIEN. Een belangwekkende Leidse tentoonstelling, 30 juli 1955
    blz. 3 (hele pagina) met 4 foto's van tentoongestelde zaken;
    n.a.v. tentoonstelling in het "Rijksmuseum voor Volkenkunde" te Leiden, getiteld: "Zo zien zij ons", ondertiteld met: "De Europeanen gezien door andere volken". Zij hebben ons waarlijk als machthebbers gezien. De tentoongestelde voorwerpen en afbeeldingen verbeelden niet een Europese maatschappij, maar Europese enkelingen in zeer bijzondere omstandigheden nl. zij die langer of zelfs voor de rest van hun leven in die streken hebben verkeerd. Men ziet er meer "blijvers" dan passanten. De eerste fase die men ziet, is die van verwaandheid, de zo bitter noodzakelijke dikdoenerigheid; een fout mocht niet als zodanig worden gezien, maar als een buitenissigheid. Daarna ziet men de fase van de routinier; de toneelspeler (uit fase één) heeft zijn rol ingewisseld voor het werkelijk leven. Hij is wèrkelijk heerser geworden; zo is hij ook geportretteerd, vaak als een karikatuur. Wellicht lag de kracht van de heerser, die toch èrgens moest schuilen, opgeborgen in de pet, de pijp, de wandelstok; voor ons heel gewone attributen, voor de inheemse kunstenaar van voor 1900 eerder magische voorwerpen. In de naaste toekomst zal deze kunst nauwelijks nog met nieuwe produkten worden verrijkt. Het "magische" van de vreemdeling is aan het slijten. De volken komen nader tot elkaar en alles en iedereen wordt teruggebracht tot zijn ware proporties.
    (kunst/cultuur)
  59. ALS 'T ZONDAG IS EN HEEL MOOI WEER, 13 augustus 1955
    blz. 3 (4/5 pagina) met 2 foto's, waarvan de onderschriften luiden: "Populieren in het Amsterdamse bos" en "Het bos in de polder".
    Vooral in het Westen van Nederland is de stad in een overheersende positie tegenover het platteland komen te verkeren. Dat is wel eens anders geweest. Vroeger was het de stad die zich d.m.v. gracht- en en bolwerken tegen omringende landelijke buitenwacht meende te moeten beveiligen. Nu is 't land dat zich hier en daar probeert te verdedigen, dat op zijn beurt de stad tracht in te perken door een bolwerk van groen. Vaak tevergeefs. Gelukkig wordt er binnen de veste een voortdurend en welbewust verraad gepleegd door het verlangen van de stedeling naar de vader, het land. Als 't op zondag heel mooi weer is, wordt hij zijn moeder, de stad, ontrouw.
    Hij trekt erop uit naar zijn volkstuintje, zijn viswatertje, naar zijn (Amsterdamse) Bos vooral, dat meer weg heeft van een park, maar wat voor een! Met vijvers, weiden, wegen, paden en weggetjes. Er is een Bosbaan bij, een Openluchttheater, een hertenpark, een restaurant. Het is een toevluchtsoord voor stedelingen. Een schitterend oord.
    (cultuur) (scheppend proza)
  60. DE ADMIRAAL EN ZIJN KIPPEN. De vierdaagse zeeslag op zijn Engels, 10 september 1955
    blz. 5 (hele pagina) met 2 afbeeldingen; één van een schilderij van Ludolf Bakhuizen, voorstellende vlooteenheden ter zee; één van een schilderij van Hendrik Berckman, voorstellende Admiraal M.A. de Ruyter;
    n.a.v. het verschijnen van "Salt in their blood" (ondertiteld: "The lives of the famous Dutch admirals") van de Engelsman Francis Vere. Hoewel het een goede biografie is, heeft Vere hier en daar nogal sterk overdreven. In de reeks verhalen worden de Hollandse zeelieden uitgebeeld als min of meer vurige pikbroeken, maar allemaal voorzien van een blanke pit. Als men zich van de lichte gêne die dit procédé bij de Nederlandse lezer opwekt, kan ontdoen, dan blijft een boek over met de verdiensten van een lichtgetoetste biografie. Voor het overgrote deel is het "histoire bataille", zoals de beschrijving van de beroemdste episode uit onze maritieme geschiedenis, de Vierdaagse Zeeslag van 1666, waar de Hollanders olv. de Ruyter de Engelsen een vernietigende nederlaag toebrachten.
    geschiedenis) (boekbespreking)
  61. KLEUR BIJ KLEUR. Het voor en tegen van ontgroenen, 10 september 1955
    blz. 1 (hoofdartikel) (3 kolommen; 1/3 pagina)
    Degenen die het corps in zijn oude vorm willen handhaven, zullen moeten ijveren voor het behoud van de groentijd. Het gaat bij het ontgroenen nergens anders om dan om de instandhouding van het studentencorps. Wie dus de groentijd aanvalt, doet niet anders dan een poging de voedingsbodem van het corps te steriliseren. Wie de groentijd wil afschaffen, moet beseffen dat hij in werkelijkheid het corps wil doen verdwijnen. Alleen de groenen zelf moeten daarover oordelen. De strijd tegen het ontgroenen blijft hún strijd, niet de zaak van een aantal bezadigde lieden in de burgennaatschappij. Laat de groenen twisten over het groenen; hen alleen.
    (cultuur)
  62. DE STEMMEN, DE ZEE EN DE VISSEN, 24 september 1955
    blz. 3 (7/8 pagina) met foto, voorstellende hoe het toegaat bij verkiezingen in Indonesië;
    n.a.v. aanstaande algemene verkiezingen in Indonesië. Verhaal waarvan de inhoud overeenkomt met enkele fragmenten uit: "Er wordt gewerkt in Indië", het vierde hoofdstuk uit "Namen noemen" dat in 1962 verschijnt.
    (scheppend proza)
  63. DE GEZAGVOERDER, 8 oktober 1955
    blz. 3 (7/8 pagina) met foto (van Carel Blazer) voorstellende: "Het schip van de gezagvoerder".
    Een gezagvoeder schrijft tijdens de reis van zijn passagiersschip brieven aan zijn rederij, waarin hij verslag doet van de wetenswaardigheden van zijn reis. Een soort logboek.
    (scheppend proza)
  64. UNIVERSITEIT AMSTERDAM. Katastrofe en volksverhuizing, 15 oktober 1955
    blz. 11 (hele pagina) met 4 foto's (van Carel Blazer) die een beeld geven van het studentenleven;
    n.a.v. de voorgenomen uitbreiding van de Stedelijke Universiteit te Amsterdam. Op bepaalde gronden is handhaving in de binnenstad te verdedigen, mits de uitbreiding zodanig is, dat zij naar menselijke berekening voor een redelijk lange tijd in de thans zo dringende behoefte voorziet. Zo niet, dan moet er buiten Amsterdam een nieuwe universiteitsstad worden gebouwd. Maar als dit ook maar enigszins te realiseren valt, moet men in de stad blijven, want een Openbare Universiteit behoort met alles wat in en om haar leeft deel uit te maken van het leven van de stad waarin zij gevestigd is. Als de ruimte er echter niet is, dan wordt het universitaire leven door diezelfde stad verstikt. Dan moet men wel naar buiten.
    (onderwijs/cultuur)
  65. GELUKWENS AAN MONTESSORI, 29 oktober 1955
    (3 kolommen; 3 x ½ k)
    n.a.v. het 25-jarig bestaan van het "Montessori-Lyceum" te Amsterdam. Het Montessori-onderwijs is modern, omdat het gedurfd is; omdat het experiment niet wordt geschuwd; omdat het nodig is. Wie geboren wordt en op een normale wijze groeit, beweegt zich naar de onafhankelijkheid.
    Zoals Dr. Montessori die bedoelt, is het een zeer positief begrip: het is de vrijheid zich te kunnen ontwikkelen naar eigen aarden aanleg. Nochtans is de Montessori-opvoeding geen individuele opvoeding, maar zeer nadrukkelijk voltrekt zij zich in een gemeenschap. Een en ander stelt hoge eisen aan het klasseleiderschap op een Montessori-school. De klasseleider is niet alleen een loods, hij moet ook voortdurend bedacht zijn op onverwachte ontwikkelingen en voortdurend inventief blijven. Montessori is klaar voor de maatschappij, andersom nog niet, wat in de eindexamenklassen van het Lyceum tot een compromis heeft geleid. Het "normale" eindexamen wordt afgenomen, zodat de verplichte leerstof het leeuwedeel van de agenda inneemt. Het is te wensen, dat het Ministerie van Onderwijs ervan doordrongen raakt, dat het Montessori-bestaan er een zonder compromissen behoort te zijn.
    (onderwijs)
  66. VAN SPITSUUR NAAR PAMPUS. Een dagje verkeer in Amsterdam, 12 november 1955
    blz. 3 (7/8 pagina) met foto (van Cas Oorthuys), voorstellende druk verkeer van fietsers en auto's.
    Impressie van Amsterdams centrum 's morgens vroeg en tijdens de twee spitsuren. Wie de stad verlaat, kan onder de rook van Amsterdam een eiland in zee zien liggen, Pampus. Men zegt dat het niet bewoonbaar is.
    "Een eiland zonder verkeer niet bewoonbaar? Ze zeggen zoveel".
    (scheppend proza)
  67. DE VERMAKELIJKE AVONTURIER, 19 november 1955
    blz. 12 (3 kolommen; 1 x 2/3 k + 1 x ½ k + 1 x 1/4 k)
    n.a.v. bewerking van "Den vermakelyken Avanturier" van Nieolaas Heinsius door C.J. Kelk. Men leest het boek in één adem uit, zeker omdat het proza van Heinsius door Kelk gemoderniseerd is. Toch heeft Kelk taal noch beeld ook maar door één woord, één zinswending geweld aangedaan. Hij heeft het verhaal levend gehouden en het daardoor voor ons weer tot nieuw leven gebracht. Men heeft geen ogenblik het gevoel, dat men een verouderd geschrift leest, hoewel men bij ieder woord weet, dat het geen roman uit onze dagen is. Dat is de kracht van Kelks voortreffelijke bewerking.
    (literatuur) (boekbespreking)
  68. DAT LEGER DER OVERWINNAARS. OSAKA 1945, 3 december 1955
    blz. 3 (hele pagina) met 6 foto's, steeds met dezelfde voorstelling: een gedemoraliseerde Japanse militair;
    n.a.v. het verschijnen van de Nederlandse bewerking van "Osaka 1945" van de Japanse schrijver Hiroshi Noma.
    De oorlog was voor hen die onder Japanse bezetting in Nederlands-Indië geleefd hebben, drukkender dan voor hen die in Nederland de Duitse bezetting meemaakten. Zij daarginds werden bij voortduring, in waken en slapen, als overwonnenen geconfronteerd met de aanwezigheid van de overwinnaars, zonder dat voor hen de bescherming bestond, die de vlucht in de binnenkamer of in de onverschilligheid of in de daad van het verzet voor de Nederlanders in Nederland vormde. Daarginds leefde men dadenloos voort van hoop naar teleurstelling en weer terug naar hoop en altijd met in het gezicht dat leger der overwinnaars.
    Er zijn sindsdien ruim tien jaren verstreken. Sinds kort is voor de eerste maal in Nederland een boek verschenen over het Japanse leger dat ons toen gevangen hield; een roman over het kazerneleven in Japan, waar Japanners tot frontsoldaten werden opgeleid. Uit het boek blijkt, hoe bevreesd men was naar het front te worden gezonden. Het verschil tussen een Japanse kazerne en een Indisch interneringskamp wordt wel heel erg klein: er zijn geruchten, er is de schrik om de mogelijkheid van wegvoering naar een onbekende maar in ieder geval onheilspellende bestemming. Tenslotte verlaten de manschappen de kazerne, op weg naar ons toe, een doel dat zij in 1945 vanwege de Amerikaanse torpedo's vrijwel zonder uitzondering niet zouden bereiken. Wij zijn verslagen, zij zijn verslagen. Het heeft niet bestaan, dat leger der overwinnaars.
    (politiek/geschiedenis) (boekbespreking)
  69. WANNEER DE PREDIKANT NU EENS OP DE KANSEL STAAT, 24 december 1955
    blz. 3 (7/8 pagina) met foto (van Cas Oorthuys) voorstellende een kansel. Gefingeerd, badinerend onderhoud met een dominee thuis in zijn studeerkamer over Kerstmis en Oudjaar.
    (scheppend proza)
  70. DE ONBEKENDE MAARSCHALK, 24 december 1955
    blz. 15 (hele pagina) met afbeelding van Napoleon te paard, tijdens een veldtocht.
    Dit verhaal is opgenomen in "Haast hebben in september" (blz. 12 ev.) dat in 1975 verschijnt.
    (scheppend proza)

    1956
  71. OP HET ALLERLAAGST NIVEAU. Een Nederlands-Indonesische onderhandeling in 1946, 11 februari 1956
    blz. 5 (5 kolommen; ½ pagina)
    In mei 1956 was de Republik Indonesia duidelijk bezig haar positie in Djogjakarta op te bouwen en dat zou dus vertrek uit Batavia met zich meebrengen. De door haar te verlaten huizen en gebouwen zouden als erfenis aan de Nederlanders kunnen toevallen. Over de boedel moest onderhandeld worden, uiteraard onder supervisie van de Engelsen, die de Japanners verdreven hadden. Onderwerp van gesprek zou vooral zijn de overname van Paleis Daendels, waar voor de oorlog het Ned.-Indische departement van Financiën gehuisvest was. Van die conferentie kwam echter niets terecht. Maar wat op het hoogste niveau niet tot stand gebracht kon worden, werd op het laagste niveau in een paar uur geregeld. Een lagere ambtenaar (lees: Alberts) zorgt ervoor dat de verhuizing een feit werd. Ten dele vinden we de inhoud van dit artikel terug in "We gaan regeren", hoofdstuk 14 van "Namen Noemen", waarin onder meer de overname van Paleis Daendels beschreven wordt. Daar neemt Alberts de plaats in van de "lagere ambtenaar".
    (politiek) (scheppend proza)
  72. DE KATHOLIEKE KERK IN ZAAKFORMAAT, 18 februari 1956
    blz. 5 (2/3 pagina) met grafiek, die een overzicht geeft van de ijver en de wereldlijke macht, zoals die twintig eeuwen lang door de Rooms-Katholieke Kerk is betoond en uitgeoefend;
    n.a.v. laatstverschenen rapport van "American Institute of Management", een instelling die lessen geeft in beheer; onderwerp is ditmaal de Rooms-Katholieke Kerk. Het onderzoek, dat 7 jaar duurde, is vooral gericht geweest op de vraag: Is het enorme succes van deze Kerk, waarvan het aantal gelovigen ongeveer 470 miljoen bedraagt, te danken aan de beheersvorm ervan? Het resultaat wordt in 32 punten zeer beknopt samengevat. Het geheel maakt de indruk van een opgewarmd lesje uit een schriftelijke cursus: Hoe Word Ik Zakenman En Hoe Breng Ik Mijn Bedrijf Tot Bloei. De slotzin van het rapport luidt: "En, hoe lang het ook mag duren, hoeveel offers mag het kosten, toch zal de Rooms-Katholieke Kerk ongetwijfeld een voornaam werktuig zijn, dat leidt naar de overwinning over het Communisme, zoals zij ook heeft getriumfeerd over andere gevaren die het christelijk geloof door de eeuwen heen hebben bedreigd".
    Het zou, meent Alberts, beter zijn als de Kerk zich wat meer hield aan punt 28 van het rapport: "Het belang van bereid en in staat te zijn af te wijken van een bepaalde gedragslijn, wanneer een verstandig beheer een dergelijke handeling raadzaam maakt".
    (godsdienst/bedrijf) (boekbespreking)
  73. DEBET EN CREDIT. HONDERDVIJFTIG JAAR NEDERLAND-INDONESIE, 25 februari 1956
    blz. 5 (7/8 pagina)
    Er heeft aan de financiële verhouding tussen Nederland en Nederlands-Indië, die 150 jaar duurde, heel wat geschort. Zij begon in 1795 toen de Bataafse Republiek de bezittingen van de Ver. Oost-indische Cie overnam. De bron van alle narigheid moet waarschijnlijk worden gezocht in de omstandigheid dat de handel Nederlands voornaamste welvaartsbron was. Hiervan vormde de handel in Indische producten een belangrijk onderdeel. Men durfde echter niet direct geld in die handel te steken. In Amsterdam werd de Ned. Handel-Maatschappij opgericht, maar nog altijd was er geen behoorlijk apparaat dat de productie regelde. Het Cultuurstelsel bracht uitkomst, waarbij voor het eerst ook het inheemse volk een rol ging spelen. Zo werd Nederland een belastinggaarder waarbij bovendien het incasseren overgelaten werd aan de natuurlijke bestuurshoofden van het volk. Toen deze laatsten de Indische landbouwer te veel onder druk zetten, rees in Nederland kritiek tegen het stelsel. In 1870 kwam een agrarische wetgeving tot stand, volgens welke het voor het Ned. kapitaal mogelijk werd gemaakt gronden in erfpacht te verkrijgen. De Indische huishouding kwam zonder geld te zitten; Nederland ging Indië geld lenen. Zo ontstond er een boedelscheiding tussen Ned. en Ind. financiën. De progressieven erkenden dat Nederland aan Nederlands-Indië een ereschuld terug te betalen had, niet in geld maar in goede daden en woorden. Men ging zich meer dan ooit het lot van de inlander aantrekken. Men had de morele debetpost onvoorwaardelijk aanvaard. In de tijd van het Cultuurstelsel had men als "frère et compagnon" gewerkt met de Hoofden der bevolking. Nadien trachtten de Ned. liberalen de invloed van die Hoofden te doen verminderen en daarna hadden de ethici een vriendelijke gebaar voor beide groepen gemaakt. In 1908 deed het nationalisme in Indië zijn intrede. De ethici droomden zelfs van een Indische maatschappij, waarin Nederlanders en Inheemsen samen met elkaar de boel zouden redderen.
    Aan het einde van W.O.I. werden ze opgeschrikt. De beweging der Non-Coöperatie nam hand over hand toe. Toen keerden ook de ethici, die dromers, zich tegen de inheemse bevolking. Wanneer is de zaak fout gegaan? Waarschijnlijk met de afschaffing van het Cultuurstelsel. We hadden ons misschien moeten houden aan de eenvoudige regeringscontacten met de Hoofden.
    (politiek/geschiedenis)
  74. LÉ0N BLUM EN DE HUIZEN AAN DE OVERKANT, 7 april 1956
    blz. 5 (halve pagina) met foto van: "Léon Blum, 22 jaar";
    n.a.v. "L'oeuvre de Léon Blum", verzameld door "De Vrienden van Léon Blum", een genootschap dat in 1951 is opgericht. De socialistische partij in Frankrijk, de S.F.I.O., werd in 1905 gesticht. Léon Blum was toen 33; al meer dan elf jaar duurde toen zijn publicistische werkzaamheid, die vooral van literaire aard was. Tenslotte kwam hij toch nog in de politiek terecht; eerst als belangstellend toeschouwer en historiograaf van de socialistische beweging, later als actief politicus. In 1936 werd hij voor de eerste maal premier in het eerste kabinet van het Volksfront. In 1938 beleefde Frankrijk een kabinetscrisis. Blum bleef na juni 1940 in Frankrijk en werd al spoedig gearresteerd: Hij zou verantwoordelijk zijn geweest voor Frankrijks nederlaag. Hij werd gedeporteerd. Na de bevrijding werd hij opnieuw premier. In 1950 overleed hij. Zijn vrienden willen hem in leven houden door zijn vele publicaties in boekvorm vast te leggen.
    (politiek) (boekbespreking)
  75. NEDERLANDERS DAARGINDS, 28 april 1956
    blz. 1 en 4 (hoofdartikel) (5 kolommen; totaal 2/3 pagina)
    n.a.v. onverwacht overlijden van Jungschläger, gezagvoerder van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, later officier bij de marine in welke hoedanigheid hij heeft deelgenomen aan een aantal gevechtshandelingen ter bevrijding van bezette gebieden. De Nederlanders in Nederlands-Indië waren getrouw aan het gezag van de Indische regering, dus van de plaatselijke overheid. Dat van Den Haag lapte men zo nodig met graagte aan zijn laars. Voortgekomen uit de behoefte een voorbeeld te geven aan een overheerste meerderheid, werd de gezagsgetrouwheid de Nederlanders in Nederlands-Indië als het ware tot een tweede natuur. De Nederlanders daarginds hebben het verlies van Indië geheel en al verdisconteerd.
    De Nederlanders hier hebben dit verlies niet kunnen verkroppen; maar die hebben er, omdat ze hier wonen, geen bliksem mee te maken. Wat Jungschläger betreft: ook al werd hij hoofd van de in het leven geroepen Intelligence Service en ook al werd hij na de soevereiniteitsoverdracht beschuldigd van subversieve acties, waarvoor hij in Djakarta nog terecht moest staan, hij behoort tot de Nederlanders die daarginds wónen. En als zodanig pleeg je geen subversieve acties, zeker niet als je in dienst van de K.P.M. was.
    (politiek)
  76. HET FATSOEN VAN DE DICHTER, 19 mei 1956
    (3 kolonnen; 1 x 1/4 k + 2 x 2/5 k)
    n.a.v. uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan A. Roland Holst. Roland Holst vertoont trekken van overeenkomst met Geerten Gossaert. Beiden hebben het einde bereikt van wat zij wilden meedelen. De een met "Een Winter aan Zee", de ander met zijn "Experimenten". Waren zij desondanks toch langs deze weg voortgegaan, dan zou de vorm bij Gossaert hol geworden zijn en de taal van Roland Holst onverstaanbaar. Nu zijn er dichters die als het ware in hun werk hun bron verraden, zonder dat hierbij sprake is van enig onfatsoen. Er zijn er ook die een schild weten te plaatsen tussen henzelf en datgene wat zij niet willen noemen. Daartoe behoort Gossaert en in mindere mate Roland Holst. Bij Gossaert is dit schild het ondoordringbare metrum. Voor Roland Holst moet het verborgene hebben gelegen op een eiland, zo vreemd ver weg dat slechts het strand ervan of de zee er omheen soms zichtbaar werd. De onbereikbaarheid zou tot een hecht schild geworden zijn, ware het niet dat zij in staat is soms onweerstaanbaar verlangen op te wekken, dat de lezer intens kan meebeleven. Duisternis en helderheid wisselen elkaar in zijn poëzie af. Het zingen daarginds zouden wij hier willen horen. En dat zal nooit gebeuren.
    (literatuur)
  77. ONZE EERSTE KONING. Lodewijk Napoleon., 1806 - 5 juni - 1906
    (4 kolommen; 2/3 pagina)
    n.a.v. 150ste herdenking van installatie van Lodewijk Napoleon tot onze eerste koning d.m.v. proclamtie van Napoleon: "Je proclame roi de Hollande le prince Louis". Daarmee kwam voorgoed een einde aan de federale vorm die sinds 1581 bestond. Louis was de op één na de jongste broer van Napoleon. Zijn vrouw, Hortense de Beauharnais, is met haar 22 jaar onze eerste koningin.
    Een arme bliksem eigenlijk, die eerste koning van ons. Pietluttig, een beetje mank lopend, lijdend aan een minderwaardigheidscomplex en met een vrouw die meer oog had voor de Franse Keizer dan voor Lodewijk, die bij de Nederlanders overigens in goede aarde viel en geweldig hard werkte. Had hij wat langer kunnen regeren, dan was de goedhartige Louis bij het nageslacht misschien bekend geworden als de vader van de reclassering. Van hem is de periodieke inspectie in de gevangenissen afkomstig. In 1810 deed hij afstand van de troon ten gunste van zijn oudste broer die onze tweede Koning werd. Lodewijk heeft als een eenzaam mens verder ergens in het buitenland gewoond. Verlaten door zijn vrouw en vergeten door zijn volk. Nog tot 1846 toe.
    (geschiedenis)
  78. GEFASCINEERD DOOR NIEUW-GUINEA, 30 juni 1956
    blz. 5 (halve pagina)
    n.a.v. groeiende belangstelling voor het vraagstuk Nieuw-Guinea, ook uitmondend in een "Oproep van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk tot bezinning op de verantwoordelijkheid van het Nederlandse volk inzake de vraagstukken rondom Nieuw-Guinea" (deze Oproep is naast het artikel van Alberts afgedrukt). De Papua's zullen moeten beslissen of ze landgenoten willen worden van een meneer Drees of een meneer Sastroamidjojo, òf dat ze onder de nieuwe omstandigheden verder op zichzelf willen blijven. Nederland beschikt over de beste papieren, lijkt het. Maar de geschiedenis leert (Indonesië) dat de Nederlanders ook hier in staat zullen zijn het beheer over land en volk en alles wat daarmee samenhangt, zo vakkundig en met zoveel mogelijk goede bedoelingen uit de handen van de inheemse bevolking te houden, dat deze, wanneer zij daar eenmaal rijp voor zal zijn, een nationale beweging zal beginnen ten einde de bemoederende Hollanders er zo gauw mogelijk uit te smijten. De Indonesische kansen staan momenteel slecht. Indonesië meent (terecht) dat Nederlands Nieuw-Guinea deel uitmaakt van de Nederlands-Indische boedel die in december 1949 aan Indonesië is overgedragen. Nieuw-Guinea onder beheer van de Ver. Naties stellen, komt zeker neer op een voortgezet Nederlands beheer, onder andere vlag, met aan het einde een onafhankelijk Nieuw-Guinea, hoe dan ook. Maar ten koste van wat? En wanneer? Het propageren van zelfbeschikkingsrecht voor mensen die voor het merendeel nog nooit van de rest van de wereld gehoord hebben, is onzin.
    Daarom is de beste oplossing: het overdragen van de souvereiniteit over N.-Guinea aan Indonesië. Misschien valt dan aan de overdracht de overeenkomst te verbinden, krachtens welke de ontwikkeling van Nieuw-Guinea in samenwerking zou kunnen geschieden met Nederlanders. Waarom niet?
    (politiek)
  79. DE ZENUW VAN DE WEGRENSPORT. Het conflict Pellenaars-Willem van Est, 7 juli 1956
    blz. 3 (hele pagina) met 3 foto's van de fietsende Wim van Est;
    n.a.v. gerezen conflict tussen Pellenaars, de ploegleider van de Nederlandse "Tour de France"-ploeg, en wielrenner Wim van Est, als gevolg waarvan de laatste niet is opgenomen in de vaderlandse équipe, die momenteel meefietst in de Ronde van Frankrijk van dit jaar, waarin weinig kopstukken rijden. Het is daarom zo te betreuren dat Van Est niet meerijdt, omdat voor het eerst in de geschiedenis van de Ronde een Nederlander, Van Est, een goede kans zou hebben gemaakt deze te winnen. Van Est had kritiek op de leiding van Pellenaars; hij heeft de zenuw van de wegrensport geraakt en daar zelf de pijn van ondervonden. Maar het zijn de beroerdsten niet, die er dat voor over hebben.
    (sport)
  80. DREYFUS WERD GEDECOREERD; 1906 - 22 juli - 1956, 21 juli 1956
    blz. 3 (hele pagina) met 9 illustraties uit "The Dreyfus Case" van Guy Chapman;
    n.a.v. op handen zijnde Nederlandse uitgave van "The Dreyfus Case" van Guy Chapman. Binnen het Franse Ministerie van Oorlog werd in 1876 een afdeling gevormd die de naam kreeg van Statistisch Bureau, in werkelijkheid een schuilnaam; deze afdeling had nl. de opdracht, onafhankelijk van het eigenlijke Bureau Geheime Dienst te werken op het terrein der spionage en contra-spionage. In 1893 ontdekte het Statistisch Bureau spionnenactiviteiten: een Fransman verkocht militaire geheimen aan Duitsland en Italië. Henry, het hoofd van het S.B., arresteerde al vrij spoedig majoor Alfred Dreyfus, behorend tot een Joodse familie uit de Elzas en hartstochtelijk pro-Frans, daarnaast zeer gefortuneerd. Deze ontkende alles wat men hem ten laste legde. Op 19 december 1894 stond hij terecht; het vonnis luidde: degradatie en levenslange vestingstraf. Eind februari voerde men hem naar het Duivelseiland, 30 mijl uit de kust van Frans Guyana.
    Plaatsvervangend chefstaf, generaal De Boisdeffre, vond het bewijsmateriaal tegen Dreyfus echter onvoldoende en gaf Henry's opvolger, Picquart, de opdracht de zaak te onderzoeken. Deze bewees dat niet Dreyfus, maar een zekere majoor Esterhazy schuldig was. Maar Picquart werd door toedoen van vooral Henry in 1898 gearresteerd, die er alles aan deed om de schuld van Esterhazy af te wentelen. Toen schreef Zola zijn befaamde "J'accuse", waarin hij een aantal autoriteiten beschuldigt van medeplichtigheid, Esterhazy beschuldigt en Dreyfus verdedigt. Zola kreeg 12 maanden. Picquart publiceerde op 9 juli 1898 een open brief aan de Minister van Oorlog, waarin hij openlijk Henry beschuldigt van frauduleuze handelingen. Henry pleegde zelfmoord, Esterhazy vluchtte en Dreyfus werd in juni 1899 teruggebracht naar Frankrijk. Zijn straf werd hem kwijtgescholden. Dreyfus werd de Affaire-Dreyfus, een wilde strijd in de Franse politiek die eindigde met de nederlaag van de republikeinse aristocratie. Op 22 juli 1906 werd majoor Dreyfus gedecoreerd met het Legioen van Eer; hij stierf in 1935.
    (politiek) (boekbespreking)
  81. HET KANAAL VAN FERDINAND DE LESSEPS, 4 augustus 1956
    blz. 5 (halve pagina) met foto (van Carel Blazer) waarvan het onderschrift luidt: "De trein door het zand naast het kanaal".
    Toen de Lesseps tot de Academie Francaise werd toegelaten, kreeg hij onder meer het volgende te horen: Tot nog toe heeft de Bosporus alleen al de wereld voldoende zorgen gegeven en gij hebt een tweede, een heel wat belangrijker Bosporus geschapen, want de Uwe verbindt niet twee delen van een binnenzee, maar zij vormt de toegangspoort van de oceaan der wereld. In geval van oorlog zal de wereld strijd leveren om die plaats als eerste te bezetten. Gij hebt het punt aangegeven, waar de grote veldslagen van de toekomst zullen worden geleverd.
    Helaasblijkt dat de laatste jaren bovenstaande woorden in vervulling dreigen te gaan. Dat is vooral te wijten aan het internationaal karakter van het Suezkanaal. In 1888, twintig jaar na de opening ervan, werd bij de Conventie van Konstantinopel de internationale betekenis van het kanaal erkend en bevestigd. Het kanaal zou steeds toegankelijk en bevaarbaar zijn voor alle schepen van alle naties, ongeacht de mogelijkheid dat deze naties elders met elkaar in oorlog zouden kunnen zijn. Ofschoon het Suezkanaal dus het meest vrije water ter wereld zou moeten zijn, heeft Egypte aan Israëlische schepen de toegang tot het kanaal ontzegd.
    (politiek)
  82. WIJ NAZATEN VAN JAN STEEN. Een onderzoek naar ons huishoudbudget, 18 augustus 1956
    blz. 3 (hele pagina) geïllustreerd met enkele staten;
    n.a.v. de door Het Centraal Bureau voor de Statistiek uitgegeven "Huishoudrekeningen 1954", waarin de resultaten staan gepubliceerd van een budgetonderzoek onder geschoolde handarbeiders en middelbare employés en ambtenaren in 1954. Men lette daarbij voornamelijk op de uitgaven en het verbruik van die groepen. Twee uitkomsten: niemand heeft boven zijn stand geleefd; men heeft zelfs nog wat gespaard ook.
    (economie) (boekbespreking)
  83. EEN KABINETSCRISIS IN 1849. Het eerste ministerie van Koning Willem III, 25 augustus 1956
    blz. 3 (hele pagina)
    n.a.v. moeilijkheden tijdens de lopende kabinetsformatie is een terugblik naar een soortgelijke gebeurtenis in het verleden begrijpelijk, vooral naar de formatie van het eerste ministerie-Thorbecke in 1849. Willem II overleed in 1849; Willem III volgde hem op en handhaafde het ministerie van zijn vader. Op 9 september bood de Ministerraad zijn ontslag aan. Er moest dus een nieuw kabinet gevormd worden; de vraag was: met of zonder Thorbecke. Enkele grote bezwaren die men tegen Thorbecke aanvoerde, waren: 1. Hij was teveel kamergeleerde 2. hij was een "onhandelbaar zeeschip" 3. hij koesterde republikeinse gevoelens 4. een Ministerie-Thorbecke zou niet homogeen zijn. Toch scheen de weg voor Thorbecke open te liggen; hij kreeg een informatie-opdracht, hoewel Willem III daarvan niet op de hoogte was, getuige zijn uitspraak op 1 oktober.: "Ik ga liever zelf weg, eerder dan zo'n minister te benoemen". Op 15 oktober had Thorbecke zijn lijstje met ministers klaar, dat aan de koning werd voorgelegd. Die voordracht werd afgewezen. Hierna werd vanuit de Kamer Willem III de raad gegeven zich met Thorbecke te verzoenen, wat kort daarna gebeurde. Willem III gaf Thorbecke te verstaan, hoe het nieuwe Kabinet er volgens hem uit zou moeten zien. Thorbecke wijzigde zijn voordracht en op 1 november kwam het Eerste Ministerie Thorbecke tot stand. Het had beter het Ministerie-Willem III kunnen heten, omdat het zeer duidelijk zijn stempel droeg.
    (politiek / geschiedenis)
  84. ER NIETS MEER TE MAKEN HEBBEN, 1 september 1956
    (5 kolommen; 5. x 1/3 k)
    n.a.v. de komende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarop de kwestie-Nieuw-Guinea ter sprake komt. Nederland zal daarin vooral duidelijk moeten maken dat er geen enkele koloniale bedoeling schuilt achter de door haar gevoerde politiek. Hoe zal men dit kunnen doen, ten overstaan van hen die iedere Westerse bestuurlijke aanwezigheid met de grootste onwelwillendheid, met de grootste achterdocht beschouwen? Het antwoord luidt dan ook: aan die bestuurlijke aanwezigheid moet een einde worden gemaakt. Maar wanneer? De Nederlandse regering meent: weggaan, zodra de Papua in staat is zijn eigen staatkundig lot te bepalen. Maar dat duurt te lang en zal uitgelegd worden als een poging tot verlenging van het uitoefenen van koloniale praktijken. Afstand aan Indonesië is daarom nog niet zo slecht. Het kan ook nog anders: weggaan binnen een redelijke termijn, bv. tien jaar, desnoods vijftien jaar. Ondubbelzinnig aankondigen: op 1 januari van dat jaar gaan we weg. Wat er ook gebeurt en wat de Papua ook wil, we gaan weg! We nemen aan dat ze tegen die tijd voor zichzelf kunnen zorgen, daarginds. Want wij willen er niets meer te maken hebben.
    We willen er in ons diepste wezen toch ook niets te maken hebben?
    (politiek)
  85. DE AARTSBISSCHOP - COADJUTOR COMPLOTTEERT. Uit de Mémoires van de Kardinaal De Retz, 29 september 1956
    blz. 3 (7/8 pagina) met afbeelding van De Retz;
    n.a.v. de uitgave van "Le Cardenal de Retz" van Pierre George Lorris, bevattend de memoires van de aartsbisschop coadjutor van Parijs ten tijde van het bewind-Mazarin. Jean-Francois Paul de Gondi de Retz werd in 1613 in Champagne geboren. De abbé was al op jeugdige leeftijd vastbesloten een zeer opvallende rol te spelen in het publieke leven van Frankrijk. Hij wilde louter spelen uit lust tot een spel. Zijn wezenlijk verlangen ging uit naar het deelnemen aan een zo groot mogelijk aantal samenzweringen. Hij droomde van een leven vervuld met complotten tegen leidende staatslieden. In 1643 werd De Retz, een tegenstander van iedere regering, benoemd tot coadjutor van zijn oom, de aartsbisschop van Parijs. Eerste minister werd een rasechte Italiaan, kardinaal Mazarin, die zich al spoedig, vooral door impopulaire belastingmaatregelen, veel vijanden maakte, vooral onder de Parijzenaars.
    De Retz greep direkt de kans tot complotteren aan; hij nam de leiding der rebellie op zich en pleegde zonder meer landverraad: hij stelde zich in verbinding met de Spaanse landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden - met wie het land in oorlog was - en stelde hem voor het Spaanse leger naar Parijs te laten oprukken. Dat ging niet door en de vrede werd getekend. Enige tijd later stond Mazarin opnieuw aan hevige kritiek bloot, maar nu stond De Retz waarachtig aan zijn kant, omdat dat nu eenmaal beter voor hem uitkwam. De Retz verzeilde later nog in de gevangenis, die hij ontvluchtte, waarna hij enige tijd in ballingschap doorbracht. (zie ook nr. 111 van deze lijst)
    (politiek/geschiedenis)
  86. DE HERFST VAN HET HEIMWEE, 13 oktober 1956
    (hele pagina)
    over het Kroondomein bij Apeldoorn.
    Voorpublicatie van het gelijknamige verhaal uit: "Haast hebben in september" (1975)
    (scheppend proza)
  87. DE HOMOGENITEIT VAN DE KROON. Het monarchistisch principe in Nederland, 3 november 1956
    blz. 3 (7/8 pagina)
    n.a.v. de kwestie-Soestdijk, de moeilijkheden die rond de inrichting van het Koninklijke Huis gerezen zijn en waarvan op 15 oktober namens Hare Majesteit de Koningin gewag gemaakt is; mutaties in verschillende diensten van het Koninklijke Huis zullen het gevolg zijn. Sinds 1815 luidt artikel 25 van de Grondwet: De Koning richt zijn huis naar eigen goedvinden in. Om het eens heel duidelijk te zeggen: wanneer men een monarch zou vragen voortaan niet meer te luisteren naar de raadgevingen op regeringsgebied, zoals die door zijn melkboer worden verstrekt, dan is dit - aangenomen dat deze adviezen schadelijk zijn - constitutioneel. Maar als men de monarch zou vragen van melkboer te veranderen, dan is dit inconstitutioneel. En aan dat laatste maakt de regering zich momenteel schuldig.
    Overigens vindt men onder de protestants-christelijke partijen wel vurige maar geen principiële aanhangers van de monarchie: wel onder de liberalen. Onder de katholieken (vroeger principiële tegenstanders van de monarchie) vindt men nu nog de meeste principiële aanhangers der monarchie.
    (politiek)
  88. OP 1500 METER AFSTAND VAN DE WERELDSTAD, 1 december 1956
    blz. 3 (7/8 pagina) met 2 foto's: één van een stukje Osdorp; één van de naderende wereldstad (A'dam) aan de horizon.
    Amsterdam breidt zich uit. Osdorp, pal ten zuiden van Halfweg, wordt bedreigd; een dorp dat door Amsterdam tot op 1500 meter is genaderd. De Osdorpers zijn daar niet gelukkig mee. Ze zijn plattelanders, allerminst stedelingen, zelfs geen forensen. Maar: Osdorp ligt nu eenmaal in de gemeente Amsterdam. Weldra zal het Osdórp tot Tuinstád zijn omgebouwd. Er zullen in Nederland nog wel meer Osdorpen zijn. Meer oude dorpjes, die van ouds een eenheid vormen en die gevaarlijk dicht in de nabijheid liggen van een al maar groter wordende stad. Dit soort verdriet is gelukkig voor tamelijk wat mensen geen verdriet; toch schuilt er een soort kolonialisme in; grote steden springen voor hun uitbreidingsplannen wel wat ongegeneerd met bepaalde minderheden om.
    (cultuur/economie) (scheppend proza)
  89. EEN EILAND VAN KOMEN EN GAAN, 22 december 1956
    blz. 5 (hele pagina) met foto (van Cas Oorthuys) voorstellende: blik op de oceaan vanaf een eiland.
    Verhaal, waarin Alberts (hij noemt zichzelf bij de naam) een beschrijving geeft van zijn reis vanuit Amsterdam naar het eiland Madoera, waar hij zich na aankomst in Soemenep vestigt.
    Fragmenten van dit verhaal vinden we terug in "Het leven van een prinsgemaal" en in "Het mooiste eiland van de wereld", hoofdstukken uit. "Namen noemen",(1962).
    (scheppend proza)

    1957
  90. ACHTHONDERD JAAR GELEDEN STIERF GRAAF DIRK VI VAN HOLLAND, 3 augustus 1957
    blz. 5 (4 kolommen; 2 x 1 k + 1 x 2/3 k) met afbeelding van de stamboom van Het Hollandse Huis tot en met Willem I.
    Op 5 augustus 1157 stierf de 9e Graaf van Holland, Dirk VI, van wiens leven weinig bekend is. Zijn vader, Floris II, stierf, toen Dirk nog te jong voor opvolging was. Zijn moeder werd regentes en kweet zich uitstekend van haar taak. Na zijn meerderjarig-worden kwam Dirk direkt al in moeilijkheden. Zijn broer, Zwarte Floris, nam West-Friesland en Kennemerland en plunderde Alkmaar. Dirk versloeg hem tenslotte meedogenloos, waarna hij een bezoek bracht aan Paus Innocentius II, wat resulteerde in de overdracht van de rijke kloosters van Egmond en Rijnsburg aan de Paus.
    Deze beide instellingen werden hierdoor onttrokken aan het gezag van de bisschop van Utrecht, met wie Dirk al eerder in onmin was geraakt. Maar van een treffen kwam het niet. Dirks vrouw, de vrome Sophia, schonk hem zes kinderen.
    (geschiedenis)
  91. HET DONKERE ZUIDEN. Levendig Antarctica, 10 augustus 1957
    (5 kolommen; 3 x 2/3 k + 2 x 1/3 k)
    n.a.v. "Het Internationaal Geofysisch Jaar", ter gelegenheid waarvan een intensief gecoördineerd en gecombineerd onderzoek van de aarde en haar omgeving plaatsvindt. Men wil b.v. meer weten van Antarctica, het gebied dat al een naam had voor men wist dat het bestond. In 1820 wierp Nathaniël Palmer als eerste mens er een blik op. De volgende fase, het betreden en exploreren van het land, begon eerst in 1911 nadat Amundsen de Pool voor het eerst bereikt,had. De verkenning en het in kaart brengen ging van toen af in snel tempo. Inmiddels bevinden zich vanwege het Internationaal Geofysisch Jaar meer dan 40 expedities op de Pool. In een eenzame, obsederende winter, een winter om gek te worden.
    (wetenschap)
  92. ZE ZIJN ALLEMAAL WEER THUIS, 7 september 1957
    blz. 3 (½ pagina) met foto (van P.H. Goede) van beregende ruit, waardoor-heen huizen zichtbaar zijn.
    De vakanties zitten er weer op. Wat zijn we eigenlijk gaan doen? Uitrusten? Vluchten? Een - zeer tijdelijk - totaal ander leven gaan leiden? Ons volstoppen met indrukken, waarop we weer een jaar kunnen teren? Wanneer wij, het legioen der vakantiegangers, eenmaal als mieren over het voor ons bereikbare deel der aarde zijn rondgekropen, wanneer er werkelijk geen plekje meer is, dat niet in alle reisgidsen staat, wanneer geen van ons ooit meer zal kunnen thuiskomen met verhalen over een tocht, die door anderen nog niet is gemaakt, misschien gaan we dan ons bed opzoeken en de flutboeken en de rest. Tot zolang zal ook de grote leugen over het weer worden verteld.
    (cultuur) (scheppend proza)
  93. DE LEGE WERELD INGEJAAGD, 12 oktober 1957
    (2 kolommen; 2 x ½ k) Verhaal n.a.v. het afschieten van de eerste kunstmaan.
    (scheppend proza)
  94. DE NEGENTIENDE EEUW EN TWEE VROUWEN, 2 november 1957
    blz. 3 (7/8 pagina) met 3 illustraties, waarvan het onderschrift luidt: 1. Harriette Wilson 2. Mary Kingsley 3. Het toilet van een courtisane;
    n.a.v. twee kort na elkaar verschenen boeken:
    1. "The Game of Hearts", mémoires van Harriette Wilson
    2. "Mary Kingsley" van Cecil Howard
    Beide boeken vormen goed vergelijkingsmateriaal. Het eerste geeft een duidelijk beeld van het leven onder Engelands "Regency", het tweede van het daarop volgende Victoriaanse tijdperk, toen dat tot volle eigen ontwikkeling was gekomen. In het eerste boek schetst H. Wilson onomwonden haar leven als courtisane, dat omstreeks 1803 begint en 20 jaar duurt. Veel namen van mannen trekken aan ons oog voorbij. Een wilde meid, al met al. Met het tweede boek betreden we een andere wereld. M. Kingsley werd in 1862 geboren en stierf in 1900 in een hospitaal voor gewonde Boeren in de Kaapkolonie. Tot aan haar dertigste verzorgde zij haar zieke moeder; daarna vertrok ze naar Zuidwest-Afrika. Zij werd een ontdekkingsreizigster van groot formaat. Rustig, onverstoorbaar en vol humor maakte zij de wonderlijkste avonturen door. Zij was een fel tegenstander van de zgn. "ethische richting", reactionair. Ze was liberaal in de zin van een zo weinig mogelijk verstoren van de huishouding der inheemsen bevolkingen. Een systeem dat bij ons in het voormalige Nederlands-Indië juist door de liberalen in die tijd overboord gezet is!
    (cultuur/politiek) (boekbespreking)
  95. NAAR EEN ONBEZORGD VERLEDEN. Atlas van de Nederlandse beschaving 16 november 1957
    blz. 5 en blz. 7 (totaal: 1 + 1/3 pagina) met 7 afbeeldingen uit de "Atlas van de Nederlandse beschaving"
    n.a.v. zojuist verschenen "Atlas van de Nederlandse beschaving"; samengesteld door Prof. Dr. J.J.M. Timmers. Een prachtig boek, waarin - verdeeld in 5 hoofdstukken - op bevattelijke wijze onderverdeeld, d.m.v. 49 kaarten, 580 vaak prachtige afbeeldingen en een begrijpelijke tekst, een totaalbeeld wordt gegeven van de totstandkoming van het Nederlandse cultuurbezit. De Zuidelijke Nederlanden zijn dus geheel en al buiten beschouwing gebleven, wat - gezien het doel - een verantwoorde beperking is: de huidige Nederlander bekend te maken met de geschiedenis van de staat, waarin hij nú leeft.
    (cultuur) (boekbespreking)
  96. OCHTEND NA EEN FIN DE SIÈCLE. Weet je nog wel..., 23 november 1957
    (3 kolommen; 3 x 2/3 k) met illustratie uit: "Weet je nog wel ...";
    n.a.v. het verschijnen van "Weet je nog wel ...", een boek vol pluche en plezier (1900-1929), samengesteld door Friso Endt. Eén der heerlijkste boeken die men lezen kan. De begrenzingsjaartallen spreken voor zichzelf: 1900, het begin van een nieuwe eeuw, waarvan de frisheid voor lange tijd onderging in de crisis van 1929. Men vindt in dit boek geen geschiedkundige opsomming van feiten, géén volledigheid; alleen de "sfeer-van-toen" wordt aangeduid d.m.v. veel anekdotes, interviews, kranteartikelen, liedjes, tekeningen en vooral veel foto's.
    (cultuur) (boekbespreking)
  97. NEGATIEF WORDT POSITIEF BIJ ELSEVIER, 23 november 1957
    blz. IV (van bijlage) (3 kolommen; 3 x ½ k)
    De Uitgeversmaatschappij Elsevier verstaat de kunst om met een minimum aan Uitdrukkingsmiddelen een maximaal publiek te bereiken, een uitgave zó in te richten dat men er niet alleen ons beperkte taalgebied maar ook en vooral het buitenland mee weet te bereiken. Door bv. simultane uitvoeringen is het mogelijk voor een wéreldlezerspubliek wetenschappelijke werken, naslagwerken, encyclopedieën, picturale atlassen, educatieve kinderboeken e.d. te vervaardigen. Vereenvoudiging van uitdrukkingsvorm behoeft nog niet nivellering te betekenen. Integendeel. Het is juist een poging tot een beter onderling internationaal verstaan. Ook dit streven zal door het huidige Elsevier van vorm en inhoud worden voorzien.
    (literatuur/cultuur/wetenschap)
  98. DE COMMANDANT GING OP JACHT. Een halve eeuw geleden in het land van de Mau-Mau, 30 november 1957
    blz. 3 (4/5 pagina) met 3 illustraties uit "Kenya Diary";
    n.a.v. het verschijnen van "Kenya Diary, 1902-1906" van en over R. Meinertzhagen, een Britse officier en verwoed jager, die het bevel kreeg over een detachement inheemse troepen, gelegerd in Fort Hall op ongeveer 150 km. ten noorden van Nairobi. Naast een onvermoeid jager bleek hij een even volhardend Jantje Precies in een tamelijk slordige samenleving. Hij beschikte voorts over bijzonder deftige relaties in het moederland. Hij was een neef van Sydney en Beatrice Webb, de voorlieden van de "Fabian Society", toonaangevende intellectuelen. Meinertzhagen droeg de inheemse bevolking een warm hart toe; het belang der Afrikanen moest z.i. boven dat van de vreemdelingen gaan.
    Het is daarom des te tragischer, dat hij verantwoordelijk was voor de dood van een belangrijk opstandeling, een zekere Laibon der Nandi, met wie hij een mondeling onderhoud zou hebben. Meinertzhagen moest zich in Engeland verantwoorden. Op 78-jarige leeftijd bracht de inmiddels tot kolonel gepromoveerde Meinertzhagen weer een bezoek aan Kenya, waar hij hartelijk werd ontvangen met de woorden: "Dit is de meneer, die in 1906 jouw grootvader heeft doodgeschoten".
    En toen klonk er luid applaus. (geschiedenis/politiek) (boekbespreking)
  99. SPELER, MUUR EN GETROFFENE, Nederland, Indonesië en de mensen, 7 december 1957
    blz. 4 (3 kolommen; 1 x 1 k + 2 x 1/4 k) met politieke spotprent van Opland;
    n.a.v. de jongste regeringsverklaring inzake de kwestie Nieuw-Guinea, die door minister-president Drees is uitgesproken tijdens een Tweede-Kamerzitting. De Nederlandse regering heeft in de Algemene Vergadering van de V.N. een bal gespeeld en die bal is teruggekaatst, midden in het gezicht van de in Indonesië werkende Nederlanders. "Voor mijzelf sprekende" zegt Alberts "kan ik zeggen, dat ik sinds 1947 overtuigd was van de noodzakelijkheid Indonesië zo spoedig mogelijk als soevereine staat te erkennen". De meerderheid van het Nederlandse volk dacht daar totaal anders over, hoewel zij zich noch in een ouder, noch in een meer nabij verleden veel bekommerd had om wat er daarginds gebeurde. Een van de gevolgen is dat men hoegenaamd geen belangstelling heeft voor de landgenoten die in Nederlands-Indië leefden en werkten en dat nu nog doen in Indonesië. De meerderheid van het Nederlands volk, die de taal der Indië- en Indonesië-vaarders niet kent, heeft haar regering toegestaan en stilzwijgend aangemoedigd tot een zich uitspreken over zaken, waarvan men het gewicht niet kende. De onverzettelijkheid van de Nederlandse regering inzake Nieuw-Guinea moest wel represailles tengevolge hebben. De regering heeft reeds maatregelen genomen om de Nederlanders in Indonesië in bescherming te nemen. Een evacuatie-programma dus? Een heerlkjk vooruitzicht: met evacuatieschepen worden afgehaald, een vernield bestaan achterlatend om op zekere ochtend te worden gewekt door het Wilhelmus. Prettige kennismaking.
    De Indonesische regering weet, dat ze door haar maatregelen onschuldigen treft: dat zij mensen treft die in een land werken dat hun vanouds lief was of is geworden. Overigens zal de uitwijzing der Nederlanders de allerminst rooskleurige financieel-economische situatie daar nog verslechteren.
    We zouden in plaats van dit alles moeten bezien, of er toch nog iets terecht kan komen van een herstel der betrekkingen tussen de 2 landen, bv. door het aanwijzen van een onderhandelaar, een man als Stikker, een man als Zijlstra. Deze gedelegeerde zou moeten nagaan, of een gesprek nog zin heeft. Het is waarschijnlijk niet meer dan een droom, dat het nog eens goed zal kunnen aflopen.
    (politiek)
  100. DE AUTO VAN DE ZUSTERS, 21 december 1957
    blz. 3 (7/8 pagina) met foto (van Cas Oorthuys) waarop een groep Indische meisjes is afgebeeld, in samenzang bijeen.
    Verhaal dat bijna woordelijk overeenkomt met blz. 115-122 uit "De oorlog en het nationalisme naderen", hoofdstuk 10 uit "Namen Noemen" 1962. "De aspirant" uit "De auto van de zusters" is daar "ik"-figuur geworden.
    (scheppend proza)

    1958
  101. DE DELFTSE WONDERDOKTERS. Tentoonstelling van religieuze kunst, 15 februari 1958
    blz. 3 (4/5 pagina) met 2 foto's; één met onderschrift: "Oud en getrouw"; één (van Ed. van der Elsken) met onderschrift: "Een aanval op de toeschouwers";
    n.a.v. "Moderne religieuze kunst", tentoonstelling georganiseerd door "Sanctus Virgilius", de vereniging der katholieke studenten aan de T.H. te Delft t.g.v. haar 12e lustrum. In Frankrijk spreekt men van de term: "Art sacré", te beschouwen als reactie op de suikergoedachtige kerkelijke kunst, een reactie op in de kerken uitgebeelde zoetelijke vroomhied. De reactie kwam in eerste instantie van de zijde der pastoors; de kerkelijke kunst moet volgens hen het tempo van de wereld bijhouden; in een lévende kerk moet er voor hedendaagse kunst evengoed plaats zijn dan elders. Dat brengt een groot probleem met zich mee: de pastoor moet een wezenlijk onderdeel van de door hem te leiden eredienst overgeven in de handen van een kunstenaar die soms in God noch gebod gelooft.
    Want het kunstwerk - of het nu het kerkgebouw zelf is, dan wel een onderdeel daar-van - blijft zijn functie uitoefenen, ook al is dat gewijd. Gaat er van zo'n kunstwerk dan geen schokkende, ondemijnende werking uit? De Katholieke Kerk meent dat zeker en wijst officieel de "Art sacré" af.
    De tentoonstelling in Delft confronteert de kerkgangers met deze kunstvorm. Zij bepalen of er van deze religieuze kunst een zekere stichting, wijding uitgaat. Daarnaast moet zo'n kunst inspireren, propageren. Misschien raakt de buitenwacht c.q. de kunstenaar zelf zo geschokt, is hij zo diep geraakt, dat alleen de Kerk (en niet de kunst) die wonde kan helen! Is dit het wonder, dat men van deze Delftse heelkunst verwacht?
    (godsdienst/kunst)
  102. GUIRLANDES OM DE BOEKENKAST VAN C.J. KELK, 1 maart 1958
    (2 kolommen; 2 x ½ k)
    n.a.v. "Guirlandes om de boekenkast" van C.J. Kelk, een uitgave van de "Ver. ter bevordering van de belangen des Boekhandels"/ "Commissie van de Collectieve Propaganda van het Ned. Boek". Het boekje bevat 8 klinkende voordrachten voor de vuist weg; voortreffelijk geslaagde opstellen met een schat aan inlichtingen over Nederlandse romans die gedurende de laatste 100 jaar zijn verschenen. Kelk heeft zijn vondsten afgestoft en aanlokkelijk gemaakt. Hij heeft een niet te versmaden deel van het bestaande voor ons herontdekt. "Want het is niet gezond, als men de eigen schrijvers onderschat en eeuwig en altijd emigreert in de geest" (uit het "Ten geleide" van Kelk). Ga dus tot de Nederlandse literatuur; U heeft van nu tot in lengte van dagen te lezen.
    (literatuur) (boekbespreking)
  103. EEN STEDEBOUWER VAN PARIJS, GEORGES, BARON HAUSSMANN, 8 maart 1958
    blz 1 en 3 (totaal: l½ pagina) met foto (van Cas Oorthuys), waarvan het onderschrift luidt: "Champs Elysées: doorbraak west-oost"; rnet afbeelding van een gravure, voorstellende: "Gezicht op de place St.-Michel vanaf de gelijknamige brug".
    De verkiezingen voor de Provinciale Staten komen in zicht. In de tijd van onze Republiek en de eerste 30 jaren van ons Koninkrijk was de Provincie de eigenlijke staat. De Gouverneur van de provincie was dan ook een koninklijk ambtenaar bij uitstek, een onderkoning, die vaak propaganda moest maken voor bepaalde regeringsmaatregelen.
    In Frankrijk heette zo'n gouverneur: Prefect. In 1850 heette die van de Gironde: Georges Hausmann, die zijn provincie moest voorbereiden op de omzetting van de Tweede Republiek in het Tweede-Keizerrijk. De ontvangst van de prins-president in Bordeaux werd een groot succes en Haussmann werd daarom de prefectuur van de Seine aangeboden.