Inhoudsopgave
Voorwoord
Inleiding
Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk II.1
Hoofdstuk II.2
Hoofdstuk II.3
Hoofdstuk II.4
Hoofdstuk III
Hoofdstuk III.1
Hoofdstuk III.2
Hoofdstuk III.3
Hoofdstuk III.4
Hoofdstuk III.5
Hoofdstuk III.6
Nabeschouwing
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk IV.1
Hoofdstuk IV.2
Hoofdstuk IV.3
Hoofdstuk IV.4
Hoofdstuk IV.5
Hoofdstuk IV.6
Hoofdstuk IV.7
Hoofdstuk IV.8
Nabeschouwing
Handleiding.....
Bibliografie.....
Bijlage I
Bijlage II
Bijlage III |
Paragraaf 1
Beschrijving van
"De eilanden"
Voor de beschrijving is
gebruik gemaakt van de vijfde druk, verschenen in 1975 bij
G.A. van Oorschot te Amsterdam.
De boekuitgave
In het boek staan de
volgende verhalen:
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
|
Groen
De Koning is dood
Het Huis van de Grootvader
De Maaltijd
Het Moeras
De Dief
De Jacht
De Schat
Het laatste Eiland
Het onbekende Eiland
Achter de Horizon
|
5 t/m 36
37 t/m 46
47 t/m 56
57 t/m 67
69 t/m 83
85 t/m 91
93 t/m 123
125 t/m 133
135 t/m 147
149 t/m 161
163 t/m 171
|
Bovenstaande indeling wordt
gegeven als inhoud op de laatste bladzijde van het boek.
Elk verhaal begint met een titelpagina: de nummers I t/m Xl
worden op die titelpagina's niet vermeld.
Deze verzameling verhalen is voor het eerst gebundeld in 1952.
"De jacht", "Groen", "De Koning is
dood" en "Het laatste Eiland" waren al eerder
gepubliceerd in het tijdschrift Libertinage, de eerste twee in
1950, de andere twee in 1951.
Hoewel in "Groen", "De dief" en "De
jacht" het woord 'eiland' niet - voorkomt, bestaat er een
verband tussen de verhalen, dat behalve door de titel van het
boek, gesuggereerd wordt door het voorkomen van gelijkenissen in
woorden en ruimtebeschrijvingen. Tien verhalen gaan over
gebeurtenissen op een eiland of op eilanden, het laatste verhaal
gaat over een bootreis en een thuiskomst in een land, terwijl
door middel van dromen en gesprekken de ik-figuur voortdurend
bezig is met de eilanden, waar hij gewerkt heeft.
De verhalen hebben inhoudelijk zoveel relaties met elkaar, dat
men welhaast ook over elf hoofdstukken zou kunnen spreken.
Die relatie wordt nog versterkt door de ondertitel van "Het
laatste Eiland". Die ondertitel luidt: 'Een vreemde
vertelt'. Dit suggereert, dat de ik-figuur van alle andere
verhalen dezelfde verteller is.
Vier van de elf verhalen
worden al gepubliceerd voordat ze in deze bundel opgenomen
worden.
"De jacht" en "Groen" verschenen in 1950 in
Libertinage, de eerste in het mei-juni-nummer en de tweede in
het juli-augustus-numer. "De Koning is dood" en
"Het laatste Eiland" verschenen in 1951, ook in
Libertinage, achtereenvolgens in het maart-april-nummer en in
het november-december-nummer.
Korte Inhoud van de
negen verhalen die niet uitvoerig besproken worden.
"De Koning is
dood"
In een dorp woont een oude man van tweeëntachtig jaar; de
dorpelingen noemen hem Koning Solomon. Iedere maand komt de
koning naar het kantoor van de bestuursambtenaar om zijn
pensioen op te halen. Ook bijna iedere maand wordt de oude man
zo ziek, dat iedereen denkt, dat hij dood gaat. Elke keer dat de
muziekkapel de treurmars van Chopin oefent, weet hen, dat de
koning weer op sterven ligt. Op een keer komt niet de koning,
maar zijn vrouw het pensioengeld halen en tegelijk klinkt de
treurmars van Chopin. De ambtenaar besluit zelf het geld te gaan
brengen. Bij het huis van de stervende wordt hij als een hoge
gast ontvangen. Nadat de ambtenaar het geld heeft overgedragen,
sterft de koning.
"Het huis van de
Grootvader"
Op het eiland is jaren geleden een schipbreukeling aangespoeld,
hij heette Taronggi. Hij wist een kapokhandel te beginnen en
kreeg aanzien onder de bevolking. Zijn zoon, Taronggi II, zette
het bedrijf voort en nu wordt de handel en de hele familie door
Taronggi III geregeerd. De Taronggis zijn er van overtuigd, dat
hun familie uit Tarragona komt. Ze hebben eens een kaart
gekregen met een foto van een huis uit Tarragona er op, Dat moet
het huis van hun voorvader zijn. Taronggi III heeft nu een huis
laten bouwen, dat precies lijkt op het huis van de foto.
"De maaltijd"
De blanke ambtenaar van het dorp wordt uitgenodigd voor een
maaltijd in het huis van de Vorst, dat wat verscholen staat in
het bos. De Vorst zelf is er niet, maar een familielid, meneer
Zeinal, haalt de ambtenaar op en laat hem het huis zien. De
grootste kamer wordt bewoond door honderden vogels, zodat er een
tapijt van mest op de vloer ligt. De tweede kamer wordt het
vrouwenverblijf genoemd; tijdens het eten op de gaanderij
vertelt meneer Zeinal waarom. Toen de Vorst op het eiland kwam,
moest hij de heersende Vorst bestrijden. Hij deed dat door in
een nacht alle jonge meisjes van het eiland te ontmaagden en
door de dochter van de Vorst, na veel inspanning, te schaken en
in deze vrouwenkamer op te sluiten.
"De dief"
Horan heeft een stierkalf van zijn buurman gestolen. De
dorpsagent wordt erbij gehaald en een maand later, als er een
rechtzitting wordt gehouden, wordt ook de zaak tegen Horan
behandeld. Het bewijsmateriaal, de stier, is al die
tussenliggende tijd door de agent bewaard en goed verzorgd.
Horan krijgt twee maanden. Als het 'hof' het dorp weer verlaat,
komt het onderweg Horan tegen, die met twee andere veroordeelden
een karretje gehuurd heeft om naar de gevangenis te rijden.
"De jacht"
De kapitein Florines heeft met een groep opstandelingen een paar
dorpen platgebrand. De bestuursambtenaar gaat met de
hoofdkommandant van politie en een aantal agenten op onderzoek.
Op aanwijzingen van mensen uit de verbrande dorpen gaan ze
achter de gevluchte opstandelingen aan. Op een kruising van
wegen besluiten de achtervolgers uit elkaar te gaan. De
ambtenaar gaat met vijf man de bergen in naar een huis, waar hij
Florines hoopt te vinden. Florines is er inderdaad, alleen. De
ambtenaar schiet hem neer en zijn lichaam wordt onmiddellijk
verbrand.
"De schat"
Tijdens een bijeenkomst van de notabelen van het dorp zegt de
landmeter, dat er schatten liggen op de waterscheiding. De heren
besluiten er met drie auto's heen te gaan; er gaat ook veel
drank mee. De weg wordt zo slecht, dat de mannen moeten lopen.
Ze komen bij een huis en willen dan eerst wat eten. De mensen,
die er wonen bereiden een uitgebreide kipmaaltijd. Het eten en
drinken bevalt zo goed, dat de groep later op de dag, goed
aangeschoten, de terugtocht aanvaardt, zonder nog aan de
schatten te denken.
"Het laatste
Eiland"
Drie mensen, twee mannen en een vrouw, gaan met een zeilboot op
zoek naar het eiland, waarvan bekend is dat er beroemde zwemmers
wonen. Ze vinden op de eilanden wel vissers, maar geen zwemmers.
Na twaalf dagen komen ze op het laatste eiland aan. Er is daar
een bruiloft aan de gang en de gasten moeten mee feesten. Op hun
vraag naar het eiland met de zwemmers worden ze naar het Zuiden
verwezen. Na enkele dagen zwerven op zee bereiken ze weer hun
thuishaven.
"Het onbekende
Eiland"
Een bommenwerper wordt in de lucht aangeschoten. Eén
bemanningslid raakt daarbij gewond. Het vliegtuig maakt een
geslaagde buiklanding op het strand van een onbekend eiland. Met
gebarentaal lukt het de bemanning van de eilandbewoners eten en
onderdak te krijgen. Na een paar dagen slaagt één van de
mannen er in duidelijk te maken aan een inlander, dat hij wil
telefoneren. Hij wordt in een boot gezet en na een dag en een
nacht varen afgezet op een groter eiland, waar een telefoonpost
is. Kort daarop worden de gestranden van het onbekende eiland
weggehaald.
"Achter de
Horizon"
Een ambtenaar keert per schip terug uit de koloniën naar zijn
geboorteland. De eerste tijd trekt hij steeds vergelijkingen
tussen de manier waarop hij woonde en leefde op het eiland en
dat, wat hij nu doet. Langzaam vervagen echter de herinneringen.
Tenslotte houdt hij vanuit een droom het idee over, dat iedereen
op 'zijn' eiland overgeplaatst is.
Voor een uitvoerige
beschrijving heb ik gekozen voor de verhalen "Groen"
en "Het moeras"
"Groen"
Korte Inhoud
Op een eiland werken twee
blanke bestuursambtenaren. Ze wonen beide in een kustdorp,
honderd kilometer van elkaar, en ze bezoeken elkaar meestal om
de twee weken.
Het eiland is bijna helemaal begroeid met bossen; vanaf het
strand is er eerst een strook van dertig meter breed, die
begroeid is met palmen, en verder landinwaarts staan andere
bomen. Honderd kilometer vanaf de kust in noordelijke richting
houdt het bos op en is er een stuk land zonder de schaduw van
bomen. De bomen met hun eeuwige schaduwen hebben een
verwoestende uitwerking op de blanken. De één houdt zich een
tijd lang met drank op de been, maar hangt zich op een gegeven
moment op, de ander raakt heel erg gebiologeerd door de gedachte
aan het licht, dat er moet zijn op de plaats waar het bos
ophoudt. Hij krijgt de dorpelingen door een list zover, dat ze
een expeditie gaan ondernemen naar het noorden, zodat hij naar
die plaats toe kan gaan. De open vlakte geeft aan de blanke zo'n
geweldig bevrijdend gevoel, dat hem het bos daarna nog
beangstigender voorkomt. Alleen de drank geeft dan ook aan deze
blanke nog de kracht om door te leven.
De opbouw van het
verhaal
Het verhaal is opgebouwd
uit achtentwintig fragmenten, van elkaar gescheiden door een
regel wit. De fragmenten verschillen in lengte; het eerste
beslaat ruim viereneenhalve bladzijde, het laatste slechts
anderhalve regel. De lengte van de andere fragmenten ligt daar
tussen in. Vijfentwintig fragmenten vertellen elk een
gebeurtenis van een bepaalde dag; de eerste zeven gaan zelfs
over de eerste zeven dagen van het verblijf van de ik-figuur op
het eiland. Vanaf het achtste fragment liggen er steeds een of
meer dagen tussen de vertelde gebeurtenissen. De laatste vier
fragmenten gaan over één gebeurtenis, nl. de dood en de
begrafenis van Peereboom en de reaktie daarop van de ik-figuur.
Binnen het vijfentwintigste fragment is ook gebruik gemaakt van
regels wit; de functie hiervan is het aanbrengen van een
scheiding tussen de prozatekst en het gedicht.
De opbouw van de inhoud van het verhaal verloopt via
gebeurtenissen, die te maken hebben met de verkenning van het
eiland door de ik-figuur. Het verhaal begint met de aankomst van
de ik-figuur op het eiland, waar deze figuur onmiddellijk
gekonfronteerd wordt met de dichte begroeiing van bomen op het
eiland. In het verloop van het verhaal houdt de ik-figuur zich
steeds bezig met het zoeken naar plaatsen, waar de bossen
ophouden. Dit zoeken mondt uit in een dubbel hoogtepunt in het
verhaal: enerzijds het vinden van een boomgrens met de ervaring
van het felle licht op een open plek, anderzijds het vinden van
de grens van het uithoudingsvermogen van bomen te moeten leven
in de zelfmoord van de kollega van de ik-figuur.
De stijl
De stijl, waarin het
verhaal geschreven is, doet denken aan een dagboek. Alle
fragmenten beginnen met een tijdsaanduiding; in het eerste
fragment is die aanduiding een onderdeel van de zin, bij de
andere staat hij er als een titel boven, steeds met de
formulering ' ... dag(en) later' of ' ... we(e)k(en) later'.
Het voorlaatste fragment begint met 'een maand later' en het
laatste met 'uren later'.
Een ander dagboek-kenmerk is, dat veel fragmenten beginnen met
een terugblik in de afgelopen dag of een vooruitblik op de
komende dag. Na een korte inleiding gaat de vertelling echter
over in een beschrijving van een direkte beleving, versterkt
door het gebruik van de tegenwoordige tijd in de persoonsvorm.
Deze dagboekstijl houdt in, dat de gebeurtenissen beschreven
worden vanuit de beleving van de ik-figuur. De behoefte echter
om tegelijkertijd een zo direkt mogelijke weergave. van de
gebeurtenissen te geven, heeft soms heel opvallende
stijlconstructies tot gevolg. Het meest duidelijke voorbeeld
hiervan is de beschrijving, die de ik-figuur geeft van
gesprekken met anderen.
| |
Het
dorpshoofd trekt een bedenkelijk gezicht. Hij weet dat
niet zo, zegt hij. Kunnen we er niet naar zoeken, vraag
ik. Hij kijkt nog bedenkelijker en zegt weer: dat hij het
niet zo weet. Maar ik krijg het er wel uit. Ik vraag hem
of er verderop naar het Noorden nog mensen wonen, die het
misschien wel weten, Ach, zegt hij, dat weet ik niet en
ditmaal klinkt het zo klagend, dat ik er maar mee ophoud.
Het zou mij mijn populariteit kunnen gaan kosten. (blz.
13) |
Behalve dat er één keer in
de tekst een duidelijk herkenbaar gedicht staat (blz. 34), laten
ook enkele andere delen uit de tekst zich als gedichten lezen.
Alleen door de vorm van de tekst te veranderen, wordt de
poëtische kracht nog duidelijker.
| |
Mijn
wereld is het bos
en de deur is het strand
op de plaats
waar ik gisteren ben geland
en waar ook anderen, vreemden
kunnen landen
om zich in mijn bestaan in te dringen. (blz, 15) |
En een paar regels verder:
| |
Het
Westen, dat is Peereboom,
die hoort er tenslotte bij,
Het Noorden, het onbekende,
waar ik naar uitzie,
dat hoort er bij.
Het Oosten, dat is het Niets,
dat hoort er ook bij.
En het Zuiden, dat is de deur
en wat daar achter ligt
moet buitengesloten blijven.
Ik zit in de nacht en kijk
en zie naar Peereboom, vijftig kilometer verder,
als hij niet heeft gelogen.
Vervelende Peereboom,
maar je hoort er bij. (blz. 15/16) |
De tijd
De tekst geeft geen
gegevens, waardoor het verhaal in een historisch kader geplaatst
zou kunnen worden (dit geldt overigens voor alle verhalen van
het boek). Uit de dagboekstijl kan echter wel heel goed het
tijdsverloop van het verhaal worden gevolgd. Tussen de eerste
tijdsaanduiding 'de hele ochtend' (blz. 7) en de laatste 'Het is
hier helemaal licht, het is misschien al middag' (blz. 34/35) is
een periode van honderdzestien dagen verstreken. Er komen, naast
de dagaanduidingen aan het begin van elk fragment, in de tekst
zelf ook tijdsaanduidingen voor om aan te geven op welk moment
van de dag de gebeurtenis zelf of de beschrijving er van plaats
vindt.
| |
Deze
morgen doe ik het dorpshoofd uitnodigen... (blz. 16) |
En:
| |
Ik heb
vandaag vier uur uit en thuis in het Noorderbos gelopen.
(blz. 31) |
Het verhaal is
chronologisch verteld. De fragmenten volgen echter niet de
gebeurtenissen op de voet, maar zijn een greep uit alles, wat
zich in de bovengenoemde periode afspeelt. Een paar keer begint
een fragment met een tijdsverdichting om iets over de
voorafgaande, niet beschreven, periode te zeggen.
| |
Het
overgrote deel van mijn terugreis heb ik in twee dagen
gedaan ... (blz. 27)
Het schip is gekomen en weer vertrokken. (blz. 27) |
Eén keer wordt bijna een
heel fragment besteed aan de beschrijving van een gebeurtenis,
die niet op de dag van de beschrijving heeft plaats gevonden. Op
bladzijde 32/33 vertelt de ik-figuur hoe bang hij was, drie
dagen geleden, toen hij vanuit de open vlakte weer in het
donkere bos moest.
Een kenmerk van de tijd is
het ritme van de opeenvolgende gebeurtenissen. Dit ritme wordt
versterkt door de aanduidingen: uren, dagen, weken, maanden
later. De laatste zin van het verhaal is daarom dan ook geen
afronding van een bepaalde gebeurtenis, maar eerder een
aanwijzing voor het feit, dat het ritme van de tijd, ondanks de
dood van een kollega, gewoon doorgaat.
| |
Ik laat de
lamp brandend aan de standaard hangen als vanouds'. Want
ik leef nog. |
De ruimte
Vanaf het moment, dat de
ik-figuur het land nadert, waar hij als ambtenaar moet gaan
werken, heeft hij een hekel aan dat land. De palmen wuiven niet,
het strand is smerig, de hutten van de mensen zijn vies en de
draagstoel is versleten, verveloos en er zit een gat in de
rieten zitting. (blz. 7)
Deze negatieve reaktie op de ruimtelijke gegevens vindt een
hoogtepunt in de ervaring altijd in de schaduw van de bomen te
moeten leven. Het hoofdthema van het verhaal wordt door de
ruimte bepaald: het zoeken naar een mogelijkheid om aan die
eeuwige schaduw te ontkomen. De hele ruimtelijke situatie wordt
bij die poging betrokken.
Omdat het hele verhaal gedragen wordt door de relatie: ruimte en
hoofdthema, volgen nu een aantal citaten met hoogtepunten,
waaruit de spanning tussen die twee gegevens blijkt, vooral
gezien vanuit de komponent Ruimte.
De eerst kennismaking met
het bos achter het huis roept al het verlangen op naar een open
vlakte.
| |
Als ik een
tijdje gewandeld heb, bedenk ik, dat ik al doorlopend toch
eens aan de rand van het bos zal komen en aan de rand van
het bos zal ik dan zitten en uitzien over een wijde
vlakte. (blz. 10) |
Nog die eerste dag vraagt de
ik-figuur dan ook aan zijn collega Peereboom of er een eind komt
aan dat bos. Peereboom wijst op een kaart de bosgrens aan,
honderd kilometer ten Noorden van de kust. Het dorpshoofd praat
steeds over het westen als de ik-figuur met hem over de bosgrens
begint. Om een volledig beeld van de situatie te krijgen gaat de
ik-figuur ook op onderzoek in oostelijke richting. Hij merkt al
gauw, dat de zee een grote bocht maakt naar het noorden.
| |
Er is dus
geen Oostelijk bos, dat is al weer een complicatie minder
en een verplichting meer, want er valt nu niet meer te
kiezen, ik moet het Noordelijk bos wel gaan
onderzoeken.(blz. 15) |
In de avond wordt de ambtenaar
onrustig en hij tekent zijn positie binnen de hele situatie van
het land om hem heen.
| |
ik besef,
dat ik met mijn rug naar de deur zit, naar de deur van
mijn wereld. Mijn wereld is het bos en de deur is het
strand op de plaats, waar ik gisteren ben geland ( ... )
Ik draai mijn stoel weer in de vorige stand om een oogje
op de deur te houden. Zo heeft nu alles zijn plaats. Het
Westen, dat is Peereboom, die hoort er tenslotte bij. Het
Noorden, het onbekende, waar ik naar uitzie, dat hoort er
bij. Het Oosten, dat is het niets, dat hoort er ook bij.
En het Zuiden, dat is de deur en wat daar achter ligt moet
buitengesloten blijven. (blz. 15/16) |
De onrust van de eerst dag is
na vijf dagen al echte angst geworden.
| |
Ik ga met
mijn rug naar het Zuiden zitten, want ik moet mijn angst
verdrijven. Ik moet mij harden tegen mijn angst. (blz. 18) |
Bij een eerste verkennende
wandeling van vier uur in het noordelijke bos doet de ik-figuur
een eigenaardige ontdekking.
| |
.., alles
blijft gelijk, ikzelf niet uitgezonderd. (...). Hier in
het Noorderbos, blijven plaats en omstandigheden volkomen
gelijk en de gelijkheid wordt verhevigd tot uiting
gebracht in het groene licht. (blz. 20) |
Op de terugweg raakt hij
verdwaald.
| |
Als het
helemaal donker is, kan ik alleen nog maar tastend lopen
en ik ben geweldig bang... (blz. 21) |
De angst en de
aantrekkingskracht maken een eenheid van de man en het bos. Op
een tocht door een ander bos zegt de man:
| |
Het bos
lijkt in niets op mijn Noordelijk Bos. (blz. 22) |
Dat ook de collega bevangen is
door de angst voor het bos, blijkt als de beide mannen zitten te
praten over het kappen van bomen.
| |
Dat hele
verdomde bos omhakken, schreeuwt Peereboom, dat hele bos
rotslaan! (blz. 25) |
Het bos waarin alles anders is
als in de andere bossen en dat voor de ik-figuur het geheim van
de bosgrens bevat, begint een sprookjeskasteel te worden,
'waarvan de ingangen zijn dichtgegroeid' (blz. 26) en als de
eerste tochten ondernomen worden om door middel van het bouwen
van nederzettingen dichter bij die grens te kunnen komen, zegt
de ik-figuur:
| |
Ik ben op
weg in mijn toverbos... (blz. 29) |
Het gegeven 'alles blijft
hetzelfde' en het karakter van het sprookje leiden bijna vanzelf
tot het niet-aan-de-tijd-gebonden zijn van de ruimte.
| |
Rechte
stammen, groen licht, altijd maar hetzelfde en het moet al
heel oud zijn. Het is de Tijd zelf, zeg ik lachend. Oud,
groen en altijd maar hetzelfde. (blz. 30) |
Kort voor de ontdekking van de
boomgrens doet het bos een laatste poging het geheim te bewaren.
| |
Het bos
verandert eindelijk. Het lijkt wel, alsof het zich
omsluiert, voor het zijn geheim prijsgeeft. Er groeien
veel meer struiken en het wordt heuvelachtig. (blz. 31) |
Het staan in de open ruimte
achter de grens brengt een geweldig geluksgevoel teweeg.
| |
En dan is
het licht, dan kan ik de open vlakte zien. Ik begin hard
te lopen, ik struikel, ik val bijna, maar dan is het
licht. Het is net zo, als in al mijn voorstellingen, het
is de waarheid, ik zing, ik juich, ik ben gered. (blz. 32) |
Na een beschrijving van de
open ruimte en de beleving ervan, komt drie dagen later, thuis,
op papier te staan, hoe door de vreugde van het vinden van de
open vlakte het sprookjesbos veranderde in een slangennest.
| |
... ik kan
niemand vertellen, wat ik heb gezien, toen ik daar buiten
stond en mij omdraaide naar het bos. (...) De lucht was
schimmelachtig grijs en onder die lucht, tegen die lucht
aan, lag het bos, giftig groen in het schelle licht van de
grijze lucht, een laag kronkelende wriemelende slangen. Ik
stond daarbuiten en ik was ontzettend bang. ( ... ), en
nooit, nooit meer zal ik de rust kennen van het groene
getemperde licht, nu ik weet wat er boven mij is. (blz.
32/33) |
De spanning van het zoeken
naar de boomgrens is weg; wat blijft is het langzaam gek worden
onder 'groene slangen'.
Nu gaat een tweede ruimte-element een belangrijke rol spelen: de
lichtkring onder de lamp bij avond. De eerste avond zei
Peereboom al van de standaard:
| |
Kan niet
omvallen. (blz. 11) |
In de sfeer van het avontuur
met het Noorderbos kreeg de ik-figuur een hekel aan die lamp.
| |
Ik wilde
dat er geen lamp brandde, maar een houtvuur en dat er een
kabouter rondom danste,... (blz. 27) |
Nu is de lamp in de plaats
gekomen voor het sprookjesbos.
| |
Ik ga
achter een boom staan en kijk naar de lichtkring van de
lamp. Een tafel en een stoel. Dan ga ik weer terug langs
dezelfde weg. Het is een spelletje, dat ik iedere avond
opnieuw speel. Ik ben aan het gek worden, denk ik. (blz.
33) |
Het licht van de lamp wordt
tenslotte het symbool van het resterende leven. Voor Peereboom
is dat leven nog maar kort; hij hangt zich zelf op aan de
lampestandaard. Voor de achterblijvende ik-figuur zal het licht
van de lamp blijven branden, zolang hij nog leeft.
Het perspectief
Het verhaal begint op het
moment, dat een schip een paar mijl uit de kust stilligt om
personen en goederen in kleine scheepjes over te laden. Aan
boord is een ik-figuur, die nog even terug blikt:
| |
De hele
ochtend is het alleen maar kust geweest.... |
en ook al vooruit kijkt:
| |
Ik zou het
nog prettiger vinden als ik niet wist, dat de dikke witte
streep onder de palmen bij nadering als maar vuiler en
goorder wordt en... (blz. 7) |
Na deze situatiebepaling neemt
de ik-figuur de lezer mee van boord, in een prauw en naar het
land.
| |
en ik neem
afscheid van de kapitein (...) en ik stap in een prauw
langszij en we roeien naar de kust. |
Het ruimtelijk perspectief
blijft in het verdere verhaal bepaald door de situaties, waarin
de ik-figuur zich bevindt. De meeste situaties worden zo
verteld, alsof ze op het moment van vertellen ook beleefd
worden. In het hoofdstuk over de stijl is al opgemerkt, dat door
de dagboekstijl vaak aan het begin van een fragment een
terugblik gegeven wordt op voorbije situaties of een vooruitblik
op te verwachten situaties. De twee hierboven aangehaalde zinnen
zijn daar al een voorbeeld van. Anderen zijn:
| |
Ik ga
vandaag naar Peereboom en ik heb er echt zin in (blz. 21)
Vandaag zullen we dus aan het einde van de etappe in het
bos overnachten.(blz. 23)
Het schip is gekomen en weer vertrokken. Ik heb een
reprise bijgewoond van mijn eigen aankomst. (blz. 27)
Ik heb vandaag vier uur uit en thuis in het Noorderbos
gelopen. (blz. 31) |
Het psychisch perspectief ligt
bij de ik-figuur, die vertelt wat hem overkomt als ambtenaar op
een plaats, waar zoveel bomen zijn, dat het zonlicht de mensen
slechts als transparant groen licht kan bereiken. De meeste
ervaringen zijn van psychische aard, zodat een belangrijk deel
van wat verteld wordt, bestaat uit het weergeven van gedachten
en persoonlijke kommentaren. Hoogtepunten hiervan zijn steeds de
ontboezemingen, die de verteller doet als hij dronken is.
Enkele opvallende momenten in het perspectief zijn:
In een discussie met Peereboom staat:
| |
Of de
termijn hier dan een jaar is, vraag ik. Peereboom kijkt me
onderzoekend aan. Een jaar? peinst hij voor zich uit.(blz.
24) |
Volgens het Groot Woordenboek
der Nederlandse Taal (9e druk 1970) kan peinzen alleen maar
denkend gebeuren. Hier is dus sprake van een verkeerd
woordgebruik of de verteller is de consequentie van zijn
standpunt even vergeten.
Dit weergeven van het denken van een ander komt ook voor in de
volgende passage:
| |
Het
dorpshoofd is een waarachtig goed mens. Hij beschouwt nog
steeds de door mij ontvangen en door hem doorgegeven
opdracht als een list, door mij uitgevonden, maar hij
vindt het een lofwaardige gedachte van me, dat ik dit zo
gedaan heb, dat ik hem niet op barse toon het commando tot
uitbreiding al dadelijk bij mijn eerste optreden heb
gegeven. Hij hoopt en vertrouwt verder, dat er op het
aantal der nieuwe vestingen nog wel iets af te dingen zal
vallen. Het zullen er toch zeker niet meer dan twee
worden, denkt hij. (blz. 28/29) |
Uit de rest van het verhaal
blijkt, dat de ik-figuur een verhouding heeft met het
dorpshoofd, die gekenmerkt wordt door beleefdheid en
hoffelijkheid, maar vooral door een sparen van elkaar en een
vermijden van machtsstrijd. Dit gegeven, gecombineerd met de
zin, die aan het citaat vooraf gaat:
| |
En nu zit
ik onder de lamp en wat doe ik? Ik zing zachtjes voor me
uit van tevredenheid en opluchting. (blz. 28) |
rechtvaardigen de conclusie,
dat hier niet de gedachten van het dorpshoofd worden
weergegeven, zoals ze in werkelijkheid zijn, maar zoals de
ik-figuur denkt (of hoopt) dat ze zijn.
Een laatste perspectivisch
probleem is het gedicht op het moment, dat de ik-figuur ziet,
dat Peereboom aan de standaard hangt. Het is niet goed
voorstelbaar, dat dit gedicht de reaktie kan zijn geweest van de
man, die zijn collega aan een standaard ziet hangen. Bovendien
gaat het verhaal, na het gedicht, verder op het moment, dat de
ik-figuur flink dronken is, een halve nacht later. Daarom is het
zeer aannemelijk, dat de schrijver Alberts het gedicht heeft
toegevoegd op dat ogenblik, omdat hij de gevoelens van de
ik-figuur niet kon, of wilde, beschrijven en omdat hij toch iets
van die confrontatie in een treffend beeld wilde uitdrukken.
De personages
Omdat het verhaal vooral
gaat over de persoonlijke reakties van de ik-figuur op zijn
omgeving, hebben de meeste uitspraken over zijn persoon ook met
die reakties te maken.
Een enkele keer komen andere karaktertrekken boven.
| |
ik vind
het goed om bij dit soort gelegenheid wat onwetend en
groenachtig te doen. (blz. 9) |
Al vanaf de eerste dag beseft
de ik-figuur, dat hij het moeilijk zal krijgen.
| |
En
misschien toon ik me opgewassen tegen deze en komende
moeilijkheden door nu hier midden bovenop aan het drinken
te slaan, dat lijkt mij, gezien de situatie, tactloos
genoeg. (blz. 9) |
Over zijn gedrag in het
algemeen zegt de ik-figuur zelf:
| |
Tijdens
mijn bestaan in mijn huis, in het dorp, op de tochten met
dorpshoofd, verspieders en de rest, verander ik als een
kameleon. Ik ben hoffelijk, verveeld, berustend,
geïnteresseerd, rampzalig, dronken, al naar plaats en
omstandigheden. (blz. 20) |
De ik-figuur vindt collega
Peereboom een vervelende man. Dat is begonnen de eerste ochtend
na de aankomst, nadat ze de avond tevoren elkaar in een dronken
bui hun inwendige moeilijkheden hadden verteld.
| |
We hebben
zwijgend en ongemakkelijk bij elkaar gezeten en als
Peereboom maar iets gezegd had van: Jô, doe niet zo rot,
dan zouden we met onze gedeukte hoofden gegrinnikt en met
onze schuurzandtongen langs onze verhemelten gewreven
hebben en verder maar stil gebleven zijn en dan was alles
goed geweest, behalve de leegte, die ik na zijn heengaan
zou voelen. Maar Peereboom maakte snauwerige opmerkingen.
(blz. 12) |
De verhouding is voorgoed
verpest.
| |
Vervelende
Peereboom, maar je hoort erbij. (blz. 16)
Ik ga vandaag naar Peereboom en ik heb er echt zin in.
(blz. 21) |
Maar als hij er is en een tijd
met Peereboom heeft zitten praten, denkt hij:
| |
Het is
hier verdomd goed te harden, als Peereboom zijn smoel maar
houdt. (blz. 25) |
Dan houdt hij zich voor, dat
hij dat niet mag vinden:
| |
Het is
toch helemaal niet erg, als Peereboom praat. Laat hem
praten. Ik vraag hem... (blz. 25) |
De volgende dag gaat het
echter weer helemaal mis.
| |
Ben jij
zo'n lamstraal, dat je je door een dorpshoofd op je donder
laat zitten? vraagt Peereboom. Ik zeg: neen. Ik wilde er
nog wel heen gaan. Dat zou ik dan maar donders gauw doen
ook, zei Peereboom. Je krijgt er gelazer mee, man.
Hij ziet me zeker langzaam rood worden... (...) Peereboom
heeft met zijn grote bek een gat in deze belemmering
gebeten. (blz. 26/27) |
De traditie om elkaar om de
veertien dagen op te zoeken verwatert.
| |
Ik ga
morgen niet naar Peereboom.
Twaalf dagen later.
Ik ben tenslotte helemaal niet bij Peereboom op bezoek
geweest en vanavond, twee dagen voor de bootdag, komt hij
door het bos aanstappen. (blz. 31) |
De volgende keer dat de
ik-figuur gewag maakt van een bezoek van Peereboom, is het ook
de laatste keer.
Ze zien elkaar niet meer levend.
De verhouding die de
ik-figuur met het dorpshoofd heeft is veel subtieler. De
verhouding wordt vooral bepaald door het gedrag van het
dorpshoofd. Al bij hun eerste ontmoeting spreken beide mannen
over het Noordelijk bos. Het dorpshoofd neemt over dat onderwerp
vanaf het begin een geheimzinnige houding aan. De ik-figuur
denkt:
| |
Maar ik
krijg het er wel uit. Ik vraag hem of er verderop naar het
Noorden nog mensen wonen, die het misschien wel weten.
Ach, zegt hij, dat weet ik niet en ditmaal klinkt het zo
klagend, dat ik er maar mee ophoud. Het zou mij mijn
populariteit kunnen gaan kosten. (blz. 13) |
Als beide mannen na dit
gesprek door het dorp lopen, is het dorpshoofd de ik-figuur weer
de baas.
| |
... ik
zorg hem juist een paar passen voor te blijven, anders
brengt hij me naar zijn huis, zijn vieze huis, ... (...)
Maar dan schiet hij ineens schuin langs me en hij steekt
uitnodigend zijn duim zo beleefd en vleiend naar een huis,
het zijne, dat ik aimabel glimlach en vriendelijk dankende
naar binnen ga. (blz. 13) |
Na deze eerste worstelingen is
de conclusie:
| |
Ach, het
bloed kruipt waar het niet gaan kan, bij hem zowel als bij
mij. (blz. 13) |
En:
| |
We zijn nu
beleefde buren geworden. (blz. 14) |
Het hoogtepunt in de
beleefdheid jegens elkaar komt op het moment, dat er beslist
moet worden of een tocht over drie of over vier dagen
uitgesmeerd zal worden. Het beleefdheidsgevecht, waarin beiden
niet voor elkaar onder willen doen, wordt ogenschijnlijk door de
ik-figuur gewonnen.
| |
Tenslotte
heb ik hem in vertrouwen genomen en gezegd, dat ik
eigenlijk wel graag eens buiten een nederzetting zou
overnachten. Hij heeft geknikt en vriendelijk gelachen.
Het is toch wel een aimabele vent. (blz. 22) |
Maar op de derde dag van de
tocht:
| |
Vandaag
zullen we dus aan het einde van de etappe in het bos
overnachten. ( ... ) Het dorpshoofd komt vragen of ik
misschien al wil vertrekken. Ik zeg: goed, en we gaan op
weg. (...)
... en dan zijn we bij Peereboom. Ga naar binnen, zegt
hij, je wat opfrissen.
Ik had wel gedacht,dat je er drie dagen voor nodig zou
hebben. Ik ga zijn huis binnen.
Ik merk, dat ik als was ben in de handen van het
dorpshoofd; dat moet dan maar zo zijn. (blz. 23) |
Over de omgang met andere mensen wordt in het verhaal niet
gesproken. Er zijn bedienden in het huis en dragers op de
tochten, maar de ik-figuur richt zich nooit tot hen.
BELANGRIJKE MOTIEVEN
Hoofdmotief in dit verhaal is de poging om te ontkomen aan de
deprimerende werking van de altijd aanwezige bomen, die het
zonlicht alleen maar transparant doorlaten.
De eerste negatieve reactie, die bomen oproepen komt al als de
ik-figuur nog een paar mijl uit de kust is; hij ziet de palmen
maar hij betreurt, dat ze niet wuiven.
Het huis, dat de ik-figuur krijgt, staat ongeveer op de grens
tussen de dertig meter brede strook palmen en het loofbos,
waarmee de rest van het land bedekt is. Aanvankelijk vindt hij
het bos, dat achter zijn huis begint, mooi.
| |
Het is
werkelijk een heel mooi bos met hoge bomen en ze staan
niet te dicht, terwijl de kruinen elkaar overal toch
raken, zodat de ruimte eronder met transparant groen licht
gevuld is. (blz. 10) |
En in zijn eerste ogenblik van
eenzaamheid zou hij willen, dat hij met zijn meisje in het bos
zou kunnen wandelen. Toch vraagt de ik-figuur de eerste dag van
zijn verblijf in deze streek aan zijn collega Peereboom, of er
een eind komt aan dat bos.
Peereboom,die er al langer woont, begrijpt de vraag onmiddellijk
en zegt, als hij op een kaart aanwijst, dat de bosgrens honderd
kilometer noordelijk ligt:
| |
Je wilt
wel eens uit dat bos weg. (blz. 10) |
In het eerste kontakt met het
dorpshoofd wil de ik-figuur graag wat informatie hebben over het
Noordelijk bos, maar het dorpshoofd zegt, dat hij daar niet zo
veel van af weet.
De ik-figuur voert in zijn administratie een hoofdstuk
'houtaankap' in. Hij kan er niets mee, maar het tekent de
onuitgesproken behoefte aan open plekken in het bos.
Als het de ik-figuur duidelijk is geworden, dat alleen in het
noorden de mogelijkheid van een open ruimte bestaat, omdat in
het zuiden de zee, in het westen Peereboom en in het oosten
niets is, dan begint het Noordelijk bos een obsessie te worden.
Het Noordelijke bos wordt daardoor ook anders als andere bossen.
Na een bezoek aan Peereboom beseft de ik-figuur, dat hij niet
met Peereboom over zijn diepste wens kan praten. Op dat moment
formuleert hij die wens voor zich zelf duidelijk:
| |
Ik kan
Peereboom niet duidelijk maken, dat ik de grens van het
bos wil bereiken, dat ik tien, twintig, honderd meter het
vrije veld in wil lopen. Ik zal mij dan omdraaien naar dit
groene bos. Neen, ik zal mij niet omdraaien, eerst niet,
als ik daar buiten kom in het vrije veld. Er zal misschien
een heuvel zijn, daar klim ik op en juich, ik schreeuw,
zoals ik dat in het groen nooit zal durven. Of ik zwijg en
haal diep adem, zoals ik dat in het groene licht nooit zal
kunnen. En als ik me dan heb volgedronken aan licht en
verte, dan zal ik me omdraaien, het glas heffen en lachend
roepen: Ik zie u, groen bos. (blz. 19) |
Op een middag kan de ik-figuur
niet aan de verleiding weerstaan om het Noordelijke bos in te
gaan.
| |
Het is
vier uur en ik besluit een uur lang in Noordelijke
richting te lopen. Ik kan dan nog voor donker terugzijn.
Deze wandeling is een ernstige zaak. (blz. 20) |
Als hij die avond berekent
hoeveel kilometer per uur hij die middag heeft kunnen lopen,
komt hij tot de conclusie, dat hij nooit alleen naar die
bosgrens zal kunnen gaan.
Het onbereikbare geheim dat het Noordelijke bos bevat en de
sfeer, die het bos ademt, waarin de tijd lijkt stil te staan,
maken van dat bos een sprookje, 'een sprookjeskasteel, waarvan
de ingangen zijn dichtgegroeid'. (blz. 26)
Bij een volgend bezoek aan Peereboom wordt dit sprookje wreed
verstoord. Peereboom wijst de ik-figuur op zijn plicht om ook
het noordelijke deel van zijn gebied te gaan verkennen.
| |
Mijn
geheim plan om het Noorderbos te maken tot een
sprookjesreservaat voor mezelf alleen wordt hier rauw op
tafel gesmeten. (blz. 26) |
Maar dit bezoek aan Peereboom
levert ook een goed idee op. De ik-figuur ervaart van Peereboom
hoe gemakkelijk het is om opdracht te geven aan de bevolking tot
het bouwen van een nederzetting. Met medewerking van het
dorpshoofd lukt het hem nu om twee nederzettingen te laten
bouwen, een op vijftig kilometer afstand en een op vijf
kilometer afstand van de bosgrens. Na de bouw van de eerste komt
hij al sterk in de verleiding om de resterende vijftig kilometer
te gaan lopen naar de grens, maar hij ziet er toch van af.
Als de tweede nederzetting klaar is gaat hij alleen op pad naar
de grens. Onderweg fantaseert hij over het huis, dat hij wil
laten bouwen op de open plek. Na de uitbundige emotionele
beleving van de open ruimte is er bij de ik-figuur tevredenheid
over het bereikte ideaal.
| |
En die
bergen vormen een keurige nette afsluiting. Ik heb
helemaal geen zin om nu ook nog een fantasie op te bouwen
over wat daar nu achter kan liggen. Het moet nu mooi
genoeg zijn. Ik weet nu wat er achter het bos ligt en dat
moet maar genoeg zijn. Ik ben achter het bos. (blz. 32) |
Het doel is bereikt, maar de
ontsnapping aan de eeuwige schaduw is maar van korte duur. De
ik-figuur moet terug naar het groene bos, dat nu veel
angstaanjagender is geworden dan het voorheen was.
Hij gaat terug en de enige mogelijkheid om nu nog aan het
transparante groen te ontkomen is wegvluchten in de drank,
waarmee het gevoel gepaard gaat langzaam gek te worden.
Het motief van het lamplicht, dat bij avond het transparante
over neemt, is besproken in het hoofdstuk over de ruimte.
Het lijkt wel alsof drank het enige is wat de ambtenaren tot
zich nemen. Peereboom is vooral nieuwsgierig naar de hoeveelheid
drank, die de ik-figuur bij zijn bagage heeft meegebracht. En de
eerste avond hoort de ik-figuur, dat zijn voorganger zich heeft
'doodgezopen', en hij merkt dat de bedienden van hem
waarschijnlijk hetzelfde verwachten, want zij weten heel snel de
kisten met drank open te breken en vinden het vanzelfsprekend,
dat er geen eten klaar gemaakt hoeft te worden. (blz. 11)
's Morgens heel vroeg en bij een bezoek aan het dorpshoofd wordt
er koffie gedronken, op andere momenten steeds sterke drank. Dat
het drinken te maken heeft met de problemen, die de ambtenaren
in deze streek hebben,is de ik-figuur al gauw duidelijk.
| |
Nu weet
hij, dat ik weet, dat ze het moeilijk hebben in deze
streken. (blz. 9) |
En hij wil vooral niet de
illusie wekken flinker te zijn dan de anderen.
| |
En
misschien toon ik mij opgewassen tegen deze en komende
moeilijkheden door nu hier midden bovenop aan het drinken
te slaan, dat lijkt mij, gezien de situatie, tactloos
genoeg. (blz. 9) |
Dat ook voor de ik-figuur de
drank in nauwe relatie met zijn problemen komt te staan, wordt
al snel duidelijk. In dronken toestand kan hij het duidelijkste
zijn problemen onder woorden brengen en fantaseren over
oplossingen.
| |
Ik laat
hout kappen, veel hout en ik laat een huis bouwen, zo
groot en breed, dat het laag tegen de hemel ligt. De
ingang aan de boszijde en een breed terras aan de
Noordkant. En een sousterrain, dat is een reuze goeie mop,
verdomd nog toe, ik bouw altijd huizen als ik dronken ben,
verdomd nog toe. (blz. 19) |
De eerste dronkenschap
overkomt de ik-figuur nadat hij Peereboom heeft gevonden,
hangend aan de standaard van de lamp. Hij heeft het lichaam
laten hangen en is onmiddellijk aan het drinken geslagen. Na een
halve nacht is hij zo zat, dat hij Frans gaat praten en grapjes
maakt om de naam Peereboom. Iemand met zo'n naam zou toch
minstens aan een boom moeten hangen.
Bij de begrafenis van Peereboom zit de alcohol de ik-figuur nog
in de benen.
"Het moeras"
Korte inhoud
Een ambtenaar gaat op bezoek bij een kollega, die enkele uren
lopen bij hem vandaan woont. In het dorp verneemt de bezoeker,
dat zijn kollega een huis heeft gebouwd, buiten het dorp, achter
het moeras. Met een gids gaat de ambtenaar door het moeras naar
dat huis. De gastheer overlaadt zijn gast met drank en biedt hem
een diner aan. De tafel is gedekt voor drie personen. De derde
persoon aan tafel is een meisje, dat eens een rol heeft gespeeld
bij de gastheer en dat nu in de fantasie nog bij hem leeft. Voor
haar trekt hij een smoking aan en hij schenkt haar het eerste
glas wijn in. De gast wordt aan tafel genegeerd. Hij gaat mede
daardoor erg veel drinken en valt in slaap met zijn hoofd op
zijn ellebogen, vooroverliggend op tafel.
Als hij vroeg in de ochtend weer ontwaakt, zit zijn gastheer nog
wakker naast hem. Het glas wijn van de vriendin wordt onder de
beide heren verdeeld. Daarna gaan ze naar buiten en zien boven
het moeras de ochtendnevel hangen. De gast verbeeldt zich in die
nevel een witte gedaante te zien.
De opbouw van het
verhaal
Het verhaal beslaat twaalf
bladzijden. Alleen op de laatste bladzijde komt een regel wit
voor. Deze onderbreking geeft een overbrugging van de tijd aan,
nl. die tussen het in slaap vallen van de gast en het wakker
worden.
In tweeënhalve bladzijde wordt verteld, hoe de bezoeker na een
wandeling van enkele uren, via een onderbreking in het dorp en
met behulp van een gids, bij het huis in het moeras aankomt.
Vervolgens worden zeven bladzijden gebruikt om de ontvangst in
het huis, het drinken op de veranda en een klein stukje
voorgeschiedenis van de gastheer te beschrijven. Twee bladzijden
gaan over het diner en bijna één over de vroege ochtend na het
diner.
De stijl
Het verhaal gaat over een
man, Naman geheten, die in een huis woont op een eilandje in een
moeras. Het verhaal wordt echter verteld door een ik-figuur, die
bij Naman op bezoek gaat. Deze ik-figuur wordt niet met name
genoemd; hij is ook niet belangrijk voor het verhaal. De
furiktie van de ik-figuur is vooral het opvoeren van de
geheimzinnigheid, die er rondom Naman hangt.
Zoals de ik-figuur zonder speciale verwachtingen op pad is
gegaan, zo begint de lezer aan het verhaal. Er ontstaat een
spanning doordat de bezoeker (en de lezer) voor onduidelijke
dingen komt te staan. Bij aankomst in het dorp blijkt, dat,
Naman er plots niet meer woont. De dorpelingen weten niet waarom
Naman zijn huis achter het moeras heeft gebouwd. De gids zegt
vervolgens niet, waarom hij de bezoeker toch over een andere weg
leidt dan afgesproken was. Er is slechts een vermoeden. Bij het
huis van Naman aangekomen, wordt de gast lang in het onzekere
gelaten over de vraag waar Naman is, waarom Naman daarna
regelmatig in het huis verdwijnt en hoe de relatie met de
bedienden is. Aan het diner konstateert de gast een relatie
tussen Naman en een afwezige vrouw, maar er wordt geen woord
over haar gesproken. Naman verbiedt zelfs zijn gast haar naam
uit te spreken.
Het enorme drankgebruik verhoogt de vervaging tussen
werkelijkheid en fantasie, zodat de nevelslierten boven het
moeras in de vroege ochtend symbolisch zijn voor de sfeer van
het hele verhaal.
Vaagheid wordt ook teweeg gebracht door de soberheid in de
beschrijving. Wie 'ik' en Naman zijn is onduidelijk. Alleen het
gebruik van de Nederlandse naam Maria Winters suggereert, dat
het hier gaat om Nederlandse ambtenaren, maar de naam Naman
relativeert onmiddellijk deze suggestie. Over het dorp wordt
niets gezegd; de mensen worden aangeduid met 'men', 'zo' en 'de
man'.
De zinnen zijn over het algemeen enkelvoudig, dus kort. Er is
geen opvallende verhouding tussen de dialogen en de
beschrijvende passages.
De tijd
Het verhaal gaat over een
periode van een dag en een nacht.
| |
Tegen de
middag kwam ik in het dorp aan.... (blz. 71) |
Dit is de eerste
tijdsaanduiding en tevens de eerste zin, terwijl op de volgende
bladzijde staat:
| |
...mijn
vermoeidheid van een hele ochtend lopen. (blz. 72) |
Aan het eind van de middag
bereikt de ik-figuur het huis van Naman
| |
een groot,
wit huis in de avondzon. (blz. 73) |
En de gids gaat terug, want
@üj wilde nog voor het donker terug zijn. Dan wordt het donker.
| |
Het wordt
donker, zei Naman. Het wordt hier altijd zo verdraaid gauw
donker. Waarom ben je ook niet wat vroeger gekomen. (blz.
77) |
Vervolgens blijft men op de
veranda zitten drinken tot de tafel is gedekt. Na het eten valt
de gast aan tafel in slaap en als hij ontwaakt, is het vroeg in
de ochtend.
| |
Ik zei:
Hoe laat zou het zijn? Het begint al aardig fris te
worden. Het zal wel haast ochtend zijn, zei Naman. We
stonden op en gingen naar buiten. Het begon al werkelijk
licht te worden. (blz. 82) |
Het verhaal wordt
chronologisch verteld; de continuïteit wordt drie keer
onderbroken door de zinnen:
| |
Drie uur
later ... (blz. 72)
Na een half uur ... (blz. 73)
Toen ik wakker werd... (blz. 82) |
De beschrijving van Naman op
bladzijde 73/74 staat los van het gebeuren in de tijd, maar zij
overbrugt hier wel een periode tussen de aankomst van de
ik-figuur bij het huis en het naar buiten komen van Naman. De
ik-figuur vertelt het verhaal in de onvoltooid-verleden-tijd.
In de passage over Namans verleden komt een aantal keren de
voltooid-verleden-tijd voor. Deze passage krijgt hierdoor het
karakter van een verhaal van een andere verteller of van een
roddel in de sfeer van: men zei, dat hij altijd al vreemd had
gedaan.
De ruimte
Het huis van Naman staat in
een moeras op een eilandje, dat verbonden is met het gebied
buiten het moeras door
| |
een soort
landrug, die nooit onder water komt, zei Naman. Tenzij bij
springvloed. (blz. 75) |
's Avonds, als het donker
wordt gaat het een beetje waaien en dan komt de rottende stank
van het moeras op het huis af. 's Ochtends hangen er
nevelslierten boven het moeras. Het huis is bereikbaar via twee
wegen, waarvan er een, bij eb, onder water staat. Achter het
huis ligt geen dorp meer. Een beter decor voor een verhaal over
een geestelijk gestoorde, eenzame man is bijna niet denkbaar.
Het moeras is een symbool van de aftakeling en accentueert de
eenzaamheid, die bij een springvloed een volledig isolement kan
betekenen. In het bijna lege huis zijn de wanden donker gekleurd
en de bedienden zijn als geesten, die niet werkelijk aanwezig
zijn.
In deze 'edele eenzaamheid' (blz. 75) leeft Naman met zijn
illusie Maria Winters, en hij wordt beveiligd door de stank van
het moeras, het dubbelloopsjachtgeweer op de veranda en de
geesten in de nevel. De enkele bezoeker kan zich hier alleen nog
maar staande houden door zo snel mogelijk dronken te worden.
Het perspectief
Het verhaal begint:
| |
Tegen de
middag kwam ik het dorp in van Naman, maar men vertelde
mij daar, dat Naman tien kilometer verderop was gaan
wonen. |
De 'ik' uit deze zin vertelt
het verhaal, zoals hij het beleefd heeft. Nergens wordt vanuit
een van de andere personen van het verhaal verteld.
Ruimtelijk gezien neemt de ik-figuur geen afstand van de plaats
waar hij zich binnen het verhaal bevindt.
Bij een paar passages kan men zich afvragen of er naast de
ik-figuur als verteller ook de schrijver-verteller aanwezig is.
Deze indruk wordt versterkt door het vaak achterwege blijven van
zinnen zoals: 'dacht ik' of 'zei ik'. Op bladzijde 73 onderaan
staat:
| |
Toen
hoorde ik stemmen achter me in het huis. Ik onderscheidde
de stem van Naman. |
De tekst gaat verder met:
| |
Naman had
altijd een wat koele, autoritaire manier.... |
Met deze zin begint een stuk
informatie over het verleden van het karakter van Naman. In het
hoofdstuk "De tijd" is al gesignaleerd, dat dit
gedeelte los staat van de tijd van het verhaal.
Hier wordt de relatie van de verteller tot zijn verhaal ook
anders. Hij vertelt niet meer wat hij meemaakte, toen hij bij
Naman op bezoek ging, maar wat hij van Naman weet. En die
wetenschap stamt uit een periode, die ver voor het
verhaalgebeuren ligt.
In dezelfde sfeer ligt de opmerking op bladzijde 75:
Ook het gebruik van de
voltooid-verleden-tijd in de persoonsvorm in bovengenoemde
passage over Naman suggereert een ander perspectief. Vooral het
gedeelte, waarin de ervaringen van Maria Winters met Naman aan
de orde komen, is opvallend:
| |
En toen ik
ja zei, haalde hij mijn jas, had ze gegild.
En we hadden allemaal gebruld en het verhaal van al deze
Namanse attenties had tenslotte een buitengewoon ruw
avondje veroorzaakt. (blz. 74) |
Waarschijnlijk vertelt de
ik-figuur hier een verhaal, zoals hij dat van anderen gehoord
heeft. Of voegt de schrijver als verteller hier een stuk in om
een bepaalde uitleg te geven?
Er is nog een andere
eigenaardigheid in de houding van de ik-figuur ten opzichte van
zijn verhaal. In het hoofdstuk "De stijl" is gezegd,
dat de ik-figuur niet belangrijk is voor het verhaal.
Hij dient om het bijzondere in Naman duidelijker uit te beelden.
Er treedt echter een wijziging in die houding op. De zin:
| |
Iedereen
is hier altijd weg, riep ik. (blz. 79) |
maakt van de ik-figuur plots
een mens met gevoelens van eenzaamheid. Vanaf dat moment is hij
niet meer zo op Naman gericht. Hij vertelt nu vooral over zijn
eigen gedrag, dat heel sterk emotioneel reageert op de situatie,
waarin hij is terecht gekomen. Mede door de drank is hij
deelgenoot geworden aan de eenzaamheid van Naman in dit huis en
in dit moeras.
De personages
Het verhaal kent twee
hoofdpersonen, Naman en de ik-figuur. Deze laatste geeft een
tamelijk uitvoerig beeld van Naman, vooral in de passage, waarin
Naman beschreven wordt zoals hij vroeger was tussen zijn
kollega's.
| |
Naman had
altijd een wat koele, autoritaire manier van spreken
gehad. ( ... ) Naman was een goed mens, een eerlijk mens
en in zekere zin zelfs hartelijk. Maar zijn hartelijkheid
was bijzonder. Zijn hartelijkheid was gestileerd. Naman
had één grote eerzucht in zijn leven. Hij wilde attent
zijn. Naman bewees zijn kleine diensten niet om er
carrière mee te maken. (blz. 73/74)
|
|
En:
| |
Naman
deelde altijd iets van zijn attentheid aan zijn omgeving
mee, tenminste, als men met hem alleen was. (blz. 75) |
Andere kollega's oordeelden
niet zo vriendelijk over Naman. Zij vonden hem 'een verwaande
kwast' en 'een streber'. (blz. 74) De Naman van nu is niet meer
zo geweldig hartelijk, als die van vroeger. Vanaf het moment,
dat hij zich voorbereidt op het diner vergeet hij zijn gast
helemaal en is er alleen nog maar zijn denkbeeldige vriendin
Maria Winters.
Pas de volgende morgen vroeg is er weer een beetje kontakt
tussen Naman en de ik-figuur.
Hoewel van de ik-figuur
geen karakterbeschrijving gegeven wordt, komt uit zijn gedrag
wel een bepaalde figuur naar voren. Het vertelt alleen maar
aardige dingen over Namen, terwijl zijn kollega's dat niet doen,
en als hij een roddel vertelt, doet hij dat op zodanige manier,
dat het lijkt, dat hij daar zelf niets mee te maken heeft gehad.
Deze vriendelijkheid kan ook negatief uitgelegd worden, want bij
Naman stelt hij zich erg onderdanig op:
| |
Als we
twee man sterk bij hem op bezoek gekomen zouden zijn,
zouden we ruw tot Naman gesproken hebben over de waanzin
om alleen op een eilandje midden in het moeras te gaan
wonen. Maar ik was alleen en ik zei dus: Ja. En ik zei:
Het zal een gevoel geven van, hoe moet ik het zeggen, van
edele eenzaamheid. (blz. 75) |
Tenslotte is de ik-figuur een
geweldige drinker, zo erg, dat hij er waanideeën van krijgt.
Belangrijke motieven
Het belangrijkste motief is
de eenzaamheid. Het meest duidelijk wordt die eenzaamheid
verwoord in de volgende passage:
| |
Er was in
het dorp niemand om mee te praten en daarom woonde Naman
op een eiland in een moeras, waar helemaal niemand was om
mee te praten, waar hij helemaal niemand zag. Misschien
was dat nog niet eens zo gek. Misschien was het minder erg
om alleen te zijn, dan te wonen in een dorp, waar niemand
was om mee te praten. (blz. 76) |
Het gedeelte vanaf: 'misschien
was dat nog niet een ze gek' suggereert, dat het alleen zijn in
het moeras niet bij voorbaat erg vervelend is. De ik-figuur
spreekt dan ook van een 'edele eenzaamheid'. (blz. 75) Bovendien
maakt Naman niet de indruk zich erg ongelukkig te voelen.
Onduidelijk blijft echter of het omgaan van Naman met zijn
denkbeeldige vriendin een gevolg is van het alleen zijn, of dat
Naman juist in het moeras is gaan wonen om ongestoorder de
herinnering aan Maria Winters te kunnen koesteren. De
eenzaamheid heeft wel duidelijk een ongunstige invloed op de
ik-figuur. Als hij merkt, dat Naman niet voor hem open staat,
gaat hij zoveel drinken, dat hij aan tafel, dronken in slaap
valt. De eenzaamheid, het alleen zijn, wordt geaccentueerd door
de ligging van het huis in het moeras, achter het dorp.
Het motief van het moeras geeft een speciaal karakter aan het
alleen zijn. Het moeras zuigt op en brengt een verrottingsproces
op gang. In zijn dronkenschap raakt de ik-figuur in paniek,
omdat hij denkt, dat ze in het moeras wegzinken. En de volgende
ochtend is het aftakelingsproces in hem begonnen, als hij
geesten meent te zien in de nevel boven het moeras.
De bloem die toch nog
groeit in het moeras, is de troost die Naman vindt bij Maria
Winters. Het dubbelloopsjachtgeweer laat zien, dat Naman zijn
'edele eenzaamheid' met Maria, beschermd door de moeilijke
toegankelijkheid door het moeras, zo lang mogelijk wil
verdedigen. Het is duidelijk, dat de drank een belangrijk
hulpmiddel is, om een zodanig gekozen leven in stand te kunnen
houden.
|