| HOLLANDS DIEP | ||||||||
| 1976 11 |
1976 19 |
1976 21 |
1976 27 |
1977 4 |
1977 6 |
1977 10 |
1977 12/13 omslag |
1977 12-13 |
DE POLITIEKE PRENT IN MADURODAM A. ALBERTS De vrouw had niets te verbergen en de man was geen militair. Zij beiden, hun secretarissen en hun bagage waren de reis door het Europese vasteland begonnen in Den Haag. De keuze van deze plaats was bepaald door drie omstandigheden. Ten eerste bevond zij zich op een gerieflijke afstand van Londen. Ten tweede lag er geen Franse bezetting. En ten derde had een der leden van het gezelschap iets te bespreken met de Nederlandse regering. En nu wordt het tijd voor de ontsluiering van de identiteit van de voornaamste twee reizigers. Hij heette Henry Stewart, burggraaf Castlereagh, en zij was de burggravin. Castlereagh, in die tijd al bijna twee jaar minister van buitenlandse zaken van Groot-Brittannië, had van zijn regering opdracht gekregen zijn land te vertegenwoordigen bij de besprekingen over een vrede tussen Napoleons Frankrijk enerzijds en anderzijds de vier Europese bondgenoten Rusland, Oostenrijk, Pruisen en Engeland. Die vrede zou drie maanden later een feit zijn, maar dat wist toen nog niemand. Napoleon niet. Tsaar Alexander niet. De keizer van Oostenrijk niet, de koning van Pruisen al evenmin en hetzelfde gold voor de prins-regent van Engeland, voor Castlereagh en voor lady Castiereagh. Ten aanzien van lady Castlereagh is het zelfs de vraag, of het naderhand wel tot haar is doorgedrongen. Oorlogen, andere rampen en de gevolgen daarvan schijnen op haar onverstoorbaar gemoed dezelfde indruk te hebben gemaakt als het op- en ondergaan van zon en maan: onvermijdelijke gebeurtenissen, waaraan men geen tweede gedachte behoorde te wijden. Ook in die dagen bevonden zich in regeringskringen politiek denkende vrouwen, die een steun probeerden te zijn voor hun man of voor hun minnaar, maar lady Castlereagh was alleen maar een steun voor zichzelf. En verder wel een vriendelijk mens. Hoe moest dit laatste gebeuren? Daarover en over de gevolgen van een en ander gaat dit verhaal. Romp Castlereagh was in wat vroegere jaren minister van oorlog geweest. Vandaar mogelijk zijn voorkeur voor militaire laarzen. Als oorlogsleider had hij zich een groot voorstander betoond van plaatselijke invallen in door Frankrijk bezette gebieden. En de meest profijtelijke actie was volgens hem een aanval op de Zeeuwse eilanden langs de Westerschelde met Antwerpen als einddoel. Deze toeleg is, zoals men misschien zal weten - in 1809 volvoerd en op een totale mislukking uitgelopen. Maar ditmaal stonden de kansen op succes aanzienlijk gunstiger. In Antwerpen lag weliswaar nog een Franse bezetting en bij Bergen-op-Zoom was nog een Engelse troepenmacht teruggeslagen, maar het eigenlijke Nederlandse volk had, zoals dat heette, het Franse juk, afgeworpen. Nu is er naderhand, zelfs tot in onze dagen, wel eens schouderophalend gesproken over de beweging, die in 1813 in Nederland heeft geleid tot het vertrek van de Franse bezettingstroepen. Maar in de eigen tijd heeft deze zaak in het buitenland zowel militair als politiek de nodige indruk gemaakt. Militair om nogal voor de hand liggende redenen. Pruisische en Russische troepen, bestemd voor de verovering van Nederland, konden op andere fronten worden gebruikt en dat was nog hard nodig ook, want Napoleon had in het noordoosten van Frankrijk een formidabele verdediging opgezet. En politiek was de uitkomst zo mogelijk nog gunstiger. Een onafhankelijke Nederlandse staat zou, als het moest, de basis kunnen vormen voor een zelfstandige, op een toekomstige confrontatie met Frankrijk gerichte macht. Aan de Nederlandse romp zouden ledematen kunnen worden bevestigd. Armen en benen bijvoorbeeld in het noordwesten en westen van Duitsland. En het hoofd in Brussel en omgeving. Op die manier zou een herrezen Nederlandse staat een nogal gewichtig lid kunnen worden binnen een drievoudig verbond met Engeland en Pruisen, zoals dat trouwens nog kort tevoren, van 1788 tot 1795 in werkelijkheid had bestaan. Waren voor een dergelijke constructie in Europa voorstanders te vinden? Welzeker. De Engelse regering had er veel voor over in een redelijke verhouding te leven met een zeevarend land, dat enige redenen had voor het betonen van dankbaarheid, met name door de erkenning van de juistheid der Britse opvattingen over het zeerecht. Een zeevarend land, dat bovendien Antwerpen en omstreken zou kunnen beveiligen. De bondgenoot in Wenen zou helemaal geen bezwaar maken. Eigenlijk behoorden de Zuidelijke Nederlanden tot dat deel van de Oostenrijkse boedel, dat al twintig jaar tevoren in Frans bezit was gekomen. Nu, twintig jaar later, was de Oostenrijkse keizer zijn Belgische onderdanen liever kwijt dan rijk. Hij zou dus geen bezwaren maken. Met tsaar Alexander van Rusland lag de zaak weer anders. Hij zou waarschijnlijk een geestdriftig voorstander zijn geweest, als hij toen al had geweten, dat de erfgenaam van zo'n groot Nederlands rijk zich binnen de twee jaar zou verloven met zijn jongste zuster Anna. Maar dat kon hij zelfs niet vermoeden, want die erfgenaam, de jonge prins van Oranje, had zich juist tijdens Castlereaghs bezoek aan Den Haag laten verloven met Charlotte, de dochter van de Engelse prins-regent en de toekomst van deze verbintenis zag er toen niet ongunstig uit. De tsaar had dus geen voor de hand liggende reden om te kiezen voor Nederland als tamelijk grote mogendheid. Hij zou er waarschijnlijk ook niet tegen zijn geweest als de vergroting maar niet ten koste van Pruisen zou gaan. Want in dat geval zou Pruisen vergoeding claimen in het oosten, waarschijnlijk in Polen en dat land had de tsaar voor zichzelf bestemd. Nu was in die dagen het doorschuiven van hele gebieden met hun opgezetenen van de ene heerser naar de andere een geaccepteerde procedure. Niettemin begon Castlereagh al gauw te twijfelen. ‘I doubt very much’, zo schreef hij al op 22 januari 1814 aan zijn premier, lord Liverpool, ‘the policy of making Holland a Power of the first order, to which she would approach if she posessed the whole of these territories’ (namelijk een aantal landen in het westen van Duitsland). En de bron van die twijfel lag voor de hand. Door een uitbreiding van Nederland tot vrij ver in Duitsland zou het koninkrijk Hannover in de verdrukking komen. De koning van Hannover was dezelfde man als de koning van Engeland en Castlereagh moest al gauw tot de conclusie komen - die hij wel eerder had mogen trekken - dat zijn Nederlandse uitbreidingsplannen in bepaalde Londense kringen bijzonder slecht vielen. Al vrij gauw werd de rol van Nederland als grote mogendheid uit het stuk geschrapt. De Zuidelijke Nederlanden werden nog wel aan het Noorden geplakt, maar hiermee bleken maar weinig mensen gelukkig te zijn. We weten, hoe in 1830 de scheiding kwam en daarna waren wij - zoals iemand het naderhand uitdrukte - boven de Moerdijk weer heren onder elkaar. Figuranten Heren in een klein land, die zich merkwaardig snel schikten in hun figurantenrol. En dat was ook best te begrijpen. Ze zagen, hoe langzaam, maar niet al te zeker en niet al te voorspelbaar de spanningen in de landen rond hun dierbaar plekje groter werden en hier en daar zelfs tot een uitbarsting leidden. Ze merkten hoe in Nederland een aankomende revolutie werd ingedamd en niet verder kwam dan het stadium van een tamelijk overzienbare en hanteerbare sociale en politieke onrust. Zou het kunnen, dat deze gedachte een bepalende invloed heeft gehad op het formaat en de geestelijke inhoud van deze leiders? Als iemand vrijwel nooit in de gelegenheid wordt gesteld een houding aan te nemen, die elders wordt gevreesd of gewaardeerd of tenminste erkend, dan raakt bij de mannen in kwestie deze houding in onbruik. Helemaal niet erg, natuurlijk. Integendeel. De rust en het gemak zijn ook wat waard. Er ontstaat bij de betrokkenen natuurlijk een verminderd besef van normen, waaraan zij hun eigen politieke postuur afmeten, maar dit is op de keper beschouwd een goede zaak. Wanneer zij om de zoveel jaar een beoordeling moeten ondergaan - zoals bijvoorbeeld ter gelegenheid van algemene verkiezingen - dan kan de opvijzeling van de eigen persoon heel wel tengevolge hebben, dat de kiezers de verrekening niet opmerken. Maar voor een enkele, overigens zeer kleine categorie Nederlanders moet de hierboven in grote lijnen geschetste ontwikkeling weinig minder dan een ramp zijn geweest. Dorp In deze weken, voorafgaande aan de verkiezingen, zijn drie boeken verschenen, gemaakt door tekenaars van politieke spotprenten. Twee van hen zijn van de hand van Opland en een is het uit illustraties en uitvoerige bijschriften samengestelde boek van Peter van Straaten, Bij ons in het dorp. Beide tekenaars hebben, zoals vermoedelijk hun andere Nederlandse collega's, te worstelen gehad met het probleem van de betrekkelijke onbenulligheid van Nederlandse regeringsleiders. Ze hebben er elk een andere, uitstekende oplossing voor gevonden. Peter heeft van Nederland - in feite heel realistisch - een dorp gemaakt met een burgemeester en een aantal representatief te achten bewoners. Opland heeft vrijwel het omgekeerde gedaan en uit de Volkskrant een heiligenleven gehaald, in dit geval dat van Sint-Joris (Joop) die de draak gaat bevechten. Peter: Bij ons in het dorp, Van Gennep, ƒ12,50. Opland: Sint Joop en de draak, De Harmonie. Opland: Buitenlandse Zaken, De Harmonie. |