|
Over Alberts
24 mei 1995 Tempo doeloe 2 juni 1962 Vaarwel Nieuw-Guinea 4 aug. 1962 De zilveren kogel van James Graham Claverhouse 28 dec. 1963 Compromis, afkoeling, plundering 9 apr. 1966 Van de prins geen kwaad willen weten 7 mei 1966 Hoe komt de koning aan de kost 20 aug. 1966 "Nu is Mortimer Heer van deze stad" 24 dec. 1966 Bevrijding onder de zon 2 mei 1970 Het mooiste verhaal 12 dec. 1970 Bert Alberts zestig jaar 21 aug. 1971 Een morgen, een middag en weer een morgen 31 dec. 1976 |
Hollands Diep
2 (1976) 27 (31 december) Een
morgen, een middag A. ALBERTS DE EERSTE MORGEN Men zal waarschijnlijk wel willen erkennen, dat de honderdjarige Groene Amsterdammer uit hoofde van een paar hieronder ter sprake komende redenen, een bijzondere plaats inneemt onder de Nederlandse opinieweekbladen. Maar ook dient te worden erkend dat de houding van het blad na verloop van zo'n jaar of dertig een tikje gevestigd, een tikje conformistisch en misschien wel een tikje blasé was geworden. Het radicalisme werd zelfs goeddeels overgelaten aan een groep dissidenten, die de redactie verlieten en als volgelingen en medestanders van H.L.P. Wiessing de Mosgroene stichtten. De eigenlijke Groene bleef intussen voortbestaan, al die tijd, als een bedaard vooruitstrevend blad, tenminste op politiek gebied. In sommige delen van de culturele sector, de beeldende kunst bijvoorbeeld, was de Groene bij vlagen bijna profetisch. Maar waarom is hier zojuist het woord radicalisme gevallen? Omdat de Groene en radicalisme vrijwel synoniem zijn? Nee. Omdat ondanks deze pertinente ontkenning die indruk toch wel eens is gewekt en omdat die indruk door een niet gering aantal lieden voor juist werd gehouden? Dat zou wel eens waar kunnen zijn. En het lijkt alsof dat radicaliserende gedrag in het brein van sommigen zelfs een verdenking deed ontstaan, die vooral werd geschapen en bevestigd tussen de jaren 1950 en 1960. We zullen zien hoe een dergelijk fenomeen in de wereld kwam. Maar voor het maken van indrukken is een niet al te harde materie nodig, een voedingsbodem zo men wil en zelfs als we van verdenkingen spreken, dan nog gedijen die niet op een rots. Bij de Groene zouden we moeten zoeken naar een bodem van zeer goede kwaliteit en van een gematigde consistentie. Die bodem is ongetwijfeld de Vrijzinnig Democratische Bond geweest. De bond is in het begin van deze eeuw opgericht door zogeheten linkse liberalen, die uit hun eigen politieke groepering traden. Een heel gewoon verschijnsel en niet alleen in Nederland. Bovendien maakte hij een figuur, dat ook in omringende landen kon worden opgemerkt: de Bond bestond uit redelijk deftige heren, die als voornaamste eis het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen stelden. En dat was iets, dat de bijna even redelijk deftige redactie van de toen nagenoeg vijfentwintig jaar oude Amsterdammer ten zeerste aansprak. De redacteuren van toen en later kwamen, tot 1940, uit die kringen, die om zo te zeggen partieel radicaal waren. Om een voorbeeld te noemen: nadat het door de Bond verlangde algemeen kiesrecht een feit was geworden, werd hij een principieel en wezenlijk voorstander van eenzijdige ontwapening. En let wel, hij stond daar als politieke partij achter. Het was niet zo, dat hij zijn leden toestond deze zaak te verdedigen. De Bond was zelf radicaal, volgens sommigen tot in het onwezenlijke, maar hij stond wel voor zijn standpunt. Gezien zijn ontwapeningsverlangen is de Bond, niet zonder humor, een leger van generaals zonder soldaten genoemd. Misschien wel aardig, maar niet juist. Er was een leger, al was het niet groot: de abonnees van de Groene. De Bond is verdwenen. Hij is na de oorlog opgegaan in de Partij van de Arbeid en het leger der Vrijzinnig Democraten kwam dus zonder generaals te zitten. Want de leiders van de nieuwe partij werden door lezers en redactie van de Groene in feite niet geslikt. Het is moeilijk te zeggen waarom, maar het is niettemin een feit. In dit verband is misschien wel het meest frappante voorbeeld de heer Drees Sr. Hij en het blad, ze lagen elkaar niet, ze mochten elkaar niet, ze lusten elkaar niet. Ongetwijfeld heeft de heer Drees zich een vrij duidelijke voorstelling gemaakt van de oorzaak van de afkeer die hij voor de Groene heeft gevoeld: de te grote sympathie voor het communisme, die hij in het blad meende te kunnen signaleren. En hij was bij lange na de enige niet. Voor de Groene lag de zaak geheel anders. Het - laten we het vergoelijkend zeggen - gebrek aan sympathie voor de Partij van de Arbeid was misschien een begrijpelijk en ook wel fatsoenlijk gebrek aan aanpassingsvermogen. De Groene was meer dan zeventig jaar lang per traditie de radicale genius van de intellectuelen onder de gegoede burgerij. Mogelijk heeft het blad daarom met enig dédain op de nieuwe partij neergezien. En ook met enige ongenoegen. Maar in elk geval was er nostalgie. De Bond was niet meer. De Groene moest alleen verder. De morgen was voorbij. DE MIDDAG WEER EEN MORGEN |