De situatie
In het jaar 1566 verschilden, alles bijeengenomen, de
Nederlanden niet eens zo vreselijk veel met wat zij tegenwoordig
zijn. Er was een Noorden en er was een Zuiden. Er was Oranje en
er was een democratie. Er was de strijdvraag van: wie is
vooruitstrevend en wie reactionair. Er was een Europese
beweging, die zich uitte in de vorm van Liga's of Verbonden
zoals het Verbond der Edelen, waarover we hieronder nog komen te
spreken.
Er waren ook verschillen. Die lagen in het sociale en het
economische vlak. Fr bestond geen zorg van de wieg tot het graf
en de goud- en zilvertoevoer uit de toenmalige Spaanse koloniën
had een depreciatie van het ruilmiddel veroorzaakt, waaraan kort
tevoren de staat, dat wil zeggen Spanje en de "landen van
over herwaarts", al enige malen failliet was gegaan. Een
bankroet, waarvan de huidige gemiddelde Nederlandse of Belgische
minister van financiën in zijn eerste nachtmerries nog niet zou
hebben gedroomd, want tegenwoordig kan men, gelukkig maar,
dergelijke technische gebreken in het geld- en goederenverkeer
gemakkelijk herstellen.
Als een ander punt van verschil zou men de aloude
godsdienststrijd kunnen noemen, maar het is nog zeer de vraag,
of dit wel te verdedigen valt. Toen, in 1566, was heel Nederland
eigenlijk katholiek, men zou haast zeggen met inbegrip van de
lieden, die de nieuwe religie waren toegedaan. Tegenwoordig is
het zo, dat de katholieken zich soms nog protestanter gedragen
dan de echte protestanten. En toch speelt de godsdienst in het
leven van vier eeuwen terug een hoogst belangrijke rol. Men
verzette zich namelijk - en dat steeds sterker - tegen
staatsinmenging op dit gebied.
Een moderniserend streven? Maar dan toch in een oud pak. En het
zou zelfs mogelijk zijn de zaak om te draaien door te zeggen,
dat hier sprake was van een reactionaire beweging met een
vernieuwende uitwas. Het verzet tegen de staatsinmenging kwam
niet voort uit een revolutionair, maar een conservatief
verlangen naar vrijheid, dat wil zeggen de vrijheid, omgeven
door een bolwerk van oude, in eeuwenlange strijd op de
landsheren veroverde privileges, die naar het oordeel van de
moderne Bourgondisch-Habsburgse regering de vorming van een
centraal, vooruitstrevend gezag in de weg stonden.
En ook dit is waarschijnlijk niet helemaal waar. Het
conserverende element in deze situatie werd voornamelijk
gevonden bij de meeste leden van de hogere adel - de
Zuidnederlander Herschot was een notabele uitzondering -, bij
vrijwel de hele lagere adel en de voltallige burgerij. Wat
betreft de armen, de werkloze arbeiders en andere bezitslozen is
het heel wel denkbaar, dat hun verlangen naar vrijheid
revolutionair was in de klassieke zin van het woord. Maar zij
kwamen niet of nauwelijks aan het woord. De middelen, waarmee de
staat probeerde de rust op het godsdienstige terrein te
herstellen, waren deels voortreffelijk - volkomen verantwoord,
deels afkeurenswaardig. Het voortreffelijke middel bestond uit
een hervorming van de structuur der Kerk door middel van een
herindeling der bisdommen en een daarmee gepaard gaande
zuivering van het korps geestelijken. Het verzet hiertegen,
voornamelijk uitgaande van de adel, was stellig reactionair te
noemen, maar aangezien de hiermee in verband staande maatregelen
slechts een begin van uitvoering hebben gekregen, kan de zaak
verder buiten beschouwing worden gelaten.
Anders was het geschapen met het tweede middel: de inquisitie.
Het verzet hiertegen was algemeen en dat had niets te maken niet
vooruitstrevendheid of conservatisme, maar met een begrijpelijke
angst en verontwaardiging wegens de door de toepassing van dit
uiterste middel ontstane rechtsonzekerheid. Het is vooral
hiertegen, dat wil zeggen tegen de onverkorte toepassing van de
plakkaten, zoals het heette, dat het verzet steeds krachtiger
begon te worden.
De aanloop
Dat verzet ging vooral uit van degenen, die zich het meest
geëxponeerd achten, in dit geval de leden van de adel, die geen
regeringsfuncties bekleedden en die vaak door gebrek aan een
goedbetaald emplooi in niet al te florissante financiële
omstandigheden verkeerden. Een aantal van hen stond in een
zekere dienstverhouding tot de hoogsten en rijksten in den lande
als bijvoorbeeld de prins van Oranje en de graven van Egmond en
Hoogstraaten. Het waren lieden, die vaak enigszins verbitterd
waren, omdat ze in de positie moesten leven van mijn hond heeft
een hond, maar dan in omgekeerde zin. Die verbittering dreef hen
eensdeels in oppositie tegen het Brusselse bewind, of eigenlijk
de centrale regering, die ze de schuld gaven van de bekommerde
financiële omstandigheden en anderdeels in de richting van de
nieuwe religie, waarbij ze misschien wel een soort evangelische
troost in de armoede zochten. Een typisch voorbeeld van deze
kaste was Nicolaas de Hames, een man, die, overstelpt met grote
schulden, geen heil meer zag in praten met de regering, maar
meer voelde voor het een of andere gewapend optreden,
bijvoorbeeld een aanslag op Antwerpen. "Onze ergste
kwaal", zo schrijft hij in februari 1566 nagenoeg over
Lodewijk van Nassau, "is het bederf van het geloof, van de
justitie, van de munt, eindeloze schulden, verval en zelfs
uitroeiing van de adel en ambten en prebenden slechts in handen
van onwaardigen. Ga dat alles nu eens genezen met woorden."
Maar woorden zouden het niettemin worden. In december 1565
was onder leiding van Jan van Marnix, heer van Toulouse en De
Hames het Verbond der Edelen opgericht met als voornaamste
doeleinden afschaffing van de Inquisitie en verzachting van de
plakkaten. Over de middelen, die men daartoe zou gebruiken, was
men het bepaald niet eens. Dat kon ook moeilijk anders, want de
leden van het Verbond vormden allerminst een homogeen
gezelschap.
Daar waren in de eerste plaats de oprichters zelf en de leden
van het eerste uur. Calvinisten, die de Lutheranen haatten als
de pest en vice versa. En al gauw diende zich een vrij groot
aantal katholieke leden aan, die al evenmin erg gesticht waren
over de Brusselse regering en de financieel-economische toestand
van het land en die van henzelf in het bijzonder. En de situatie
werd nog wat gecompliceerder, toen de hoge adel zich met het
geval ging bemoeien en Lodewijk van. Nassau en de graven van
Brederode, van Culemborch en van de Beeg ('s Heerenberg) de
Verbondsakte kwamen ondertekenen. Het feit, dat die akte het
Compromis werd genoemd, geeft - al werd deze term dan niet
geheel en al in zijn moderne betekenis gebruikt - tamelijk goed
aan in welke richting het zou gaan: woorden, zoals De Hames al
had gevreesd.
Het smeekschrift
Die woorden zouden in de vorm van een vertoog, een bede, een
smeekschrift tot de landvoogdes in Brussel worden gericht. Het
stuk werd door Jan van Marnix ontworpen en door Lodewijk van
Nassau omgewerkt. Het is daardoor blijkbaar minder godsdienstig
wijdlopig geworden, maar het zal ook wel wat scherpe kanten
hebben verloren. De inhoud kwam ongeveer op het volgende neer:
De ondertekenaars, uiteraard trouwe onderdanen van de
landsheer, vreesden dat de strikte handhaving van de inquisitie
en de uitvoering van de godsdienstwetten onrust en zelfs opstand
ten gevolge zou hebben. Onrust, omdat - en dat benaderde de
werkelijke toestand tamelijk goed - ten laatste niemand zich
meer veilig zou voelen, ook de katholieken niet. Opstand omdat -
maar dit werd niet met zoveel woorden uitgesproken - de
Calvinisten zich niet langer van hun gewetensvrijheid beroofd
wilden zien. Zowel onrust als - en vooral - opstand was niet in
het belang van de koning, maar evenmin in dat van de hogeren en
hoogstens in den lande, omdat ook hun goederen dan gevaar zouden
lopen.
Tot zover maakt het stuk een behoorlijk conservatieve indruk.
Maar tegen het slot klinkt een toon door, die revolutionair
aandoet. Men vraagt de koning om met raad en toestemming van de
Staten-Generaal nieuwe wettelijke voorschriften op te stellen.
Met een volksvertegenwoordiging - zo lijkt het dus - die al
sinds jaren niet meer bijeen was geweest. Men zou zich bijna in
het Frankrijk van 1789 wanen.
Ten onrechte overigens. Het beroep op de Staten-Generaal was in
wezen niets anders dan het beroep op de
standenvertegenwoordiging, waarvan men de verdediging verwachtte
van de aloude vrijheden, dat is te zeggen, de privileges, die de
werking van een modern centraal gezag in de weg stonden.
De leden van het Verbond werden opgeroepen "om zich de 3e
van de maand april (1566) te Brussel te bevinden, met paarden en
wapens en een goede uitrusting, evenwel zonder overdaad, ten
einde op de 4e aan Mevrouw de landvoogdes de opgestelde
remonstrantie te overhandigen, waarin gesproken wordt over de
afschaffing van de inquisitie en de edicten en plakkaten, die
daarmee verband houden."
Het werd een dag later. Niet Lodewijk van Nassau, maar Brederode
- men vond het tactischer een Hollands edelman als woordvoerder
te laten optreden - bood het smeekschrift aan. Van de bij die
gelegenheid gesproken woorden is eigenlijk alleen de bekende
wisecrack van Barlaymont, "ce ne sont que des gueux",
het zijn maar bedelaars, in de historie bewaard gebleven.
Het antwoord kwam met een verbazingwekkende snelheid, namelijk
al op de volgende dag. De landvoogdes zou een al in bewerking
zijnd ontwerp van moderatie met spoed in zijn definitieve vorm
doen gieten en aan de koning voorleggen en ondertussen aan
inquisiteurs en rechterlijke ambtenaren opdragen de bestaande
aanwijzingen en voorschriften met gernatigdheid te volgen en uit
te voeren.
Afwachten
Er volgde dus wat wij tegenwoordig een periode van afkoelen
noemen. De opluchting en tevredenheid schijnen vrij algemeen te
zijn geweest. Een niet gering aantal mensen schijnt uit het
gebeurde een on juiste conclusie te hebben getrokken, dat de
invoering van de godsdienstvrijheid in de Nederlanden een
bekeken zaak was. Anderen begrepen weliswaar, dat het zover nog
niet was, maar vonden soelaas in de aangekondigde tijdelijke
verlichting, die tenminste enige maanden moest duren en waarvan
men hoopte, dat ze door de in het land teruggekeerde rust voor
de koning aanleiding zou zijn de matiging te bestendigen.
Slechts enkelen, onder wie de prins van Oranje, begrepen dat
noch het een, noch het ander zou gebeuren. Geen rust. Daar
zouden de Calvinisten wel voor zorgen. De vluchtelingen
stroomden terug en de prediking begon op grote schaal, zodat
niet alleen de Brusselse regering, maar alle katholieken en
Lutheranen er schande van spraken. Toen bovendien nog geen maand
na het smeekschrift de inhoud van de moderatie bekend werd,
bleek zij voor de Calvinisten, die op een praktisch volledige
gelijkstelling rekenden, een enorme teleurstelling, terwijl de
anderen, min of meer ontzet door de vastberadenheid der
hageprekers en hun toehoorders, zich om zo te zeggen dichter
rond de troon schaarden.
Wat deze ontwikkeling ten gevolge had voor het Verbond der
Edelen, laat zich raden. Door het ontbreken van een
Staten-Generaal waren zij degenen, die leiding moesten geven
aan, ja aan wat? Aan het verzet? Dat mocht er tijdens dit
intermezzo niet zijn. Aan het afwachten? Dat moest wel, maar hoe
kon er afgewacht worden, zolang een klein, maar bijzonder roerig
deel zijn gang ging? Steeds tastender, steeds verdeelder zette
het Verbond zijn actie voort. In meerderheid katholiek begreep
men, dat de actie der Calvinisten, hoe veel te vergaand en
afkeurenswaardig ze ook werd gevonden, niet helemaal kon worden
gedesavoueerd. En kwam het antwoord van de koning nu maar, dan
zouden ze misschien enig houvast hebben. Onder deze
omstandigheden wist men er niet veel beters op te vinden dan de
leden van het Verbond maar weer eens bijeen te roepen. Lodewijk
van Nassau schreef een vergadering uit te St. Truiden, tussen
Leuven en Maastricht, terwijl de landvoogdes aan haar
raadslieden Oranje en Egmond opdroeg zich met de leiders van het
Verbond te verstaan ten einde op matiging aan te dringen.
Dit laatstgenoemde contact vond plaats te Duffel, tussen
Antwerpen en Mechelen. De Verbondsleiders kregen te horen, dat
zij niet verder mochten gaan dan het smeekschrift, dus het
verzoek om matiging der geloofsvervolging. Hun werden, met name
door Oranje, de Lutheranen als voorbeeld gesteld van hoe men op
bedaarde, geweldloze manier zijn doel kon bereiken. En
ondertussen was men in St. Truiden bezig met plannen voor
gewapend verzet.
Door de Verbondsleiding, met name door Lodewijk van Nassau,
moest aan de Calvinisten iets worden toegegeven. In de vorm
bleef men gelijk: een nieuw smeekschrift. Maar de inhoud week
vrij aanzienlijk af van het eerste. De voornaamste punten van
dit tweede stuk, dat einde juli, niet door de hele vergadering,
maar door Nassau alleen werd overhandigd, waren: een
aankondiging van gewapend verweer als door het nog langer
uitblijven van het Koninklijk antwoord de toestand al te
gespannen zou worden; een verzoek om vrije uitoefening van
godsdienst en een verzoek om de drie voornaamste leden van de
hoge adel, Oranje, Egmond en Hoorne tot beschermers van het
Verbond aan te wijzen.
De opstand
De landvoogdes schijnt ditmaal geweldig nijdig te zijn
geworden en dat was niet onbegrijpelijk. In de eerste plaats
voelde ze zich bedreigd door de armslag, die de Calvinisten
zichzelf verschaften. In de tweede plaats voelde ze zich
gesterkt door de katholieke verbondsleden, die duidelijk haar
richting uit kwamen. En ten derde zag ze in de wens Oranje en de
twee anderen aan het hoofd van de beweging te stellen een poging
tot ondermijning van haar positie. Er werd nog een paar dagen
heen en weer geconfereerd in afwachting van het koninklijk
antwoord, dat nu ieder ogenblik werd verwacht, maar toen het
kwam was het al niet meer nodig. De beeldenstorm was
losgebarsten.
Terwijl dit wonderlijke verschijnsel van Zuid naar Noord door
het land raasde - 10 augustus begon het in Zuidwest Vlaanderen,
de 22ste was het in Amsterdam - liet de nu weer zeer angstige
landvoogdes Oranje en enige anderen tot een akkoord komen met
het Verbond. In een aantal plaatsen zou de prediking niet
gestoord worden tot de koning in overleg met de Staten-Generaal
anders zou hebben besloten. Door het sluiten van deze
onuitvoerbare overeenkomst stelden in feite de landvoogdes en
Oranje zich buiten spel. De landvoogdes voorgoed. De koning zou
haar door Alva doen vervangen. Voor Oranje zou het maar
tijdelijk zijn. Hij zou zijn plaats pas goed gaan innemen, nadat
hij in het Calvinisme de enige, wezenlijk agressieve en
onverzoenlijke kracht van de opstand zou hebben erkend.