De behandeling van bronnen door Bogaers.
Van prof. dr. J.E. Bogaers is algemeen bekend dat hij ten aanzien van vondsten met groot enthousiasme reageert en meteen klaar staat om vindplaatsen te bezoeken. Dat enthousiasme heeft ook een keerzijde, want te enthousiast en voorbarig uitgesproken opvattingen werden zonder nader en zorgvuldig onderzoek meteen zekerheden.
Als voorbeeld mag de vondst van enkele scherven en dakpan- en tegelfragmenten te Maurik dienen.
Bij zijn eerste bezoek aan de vindplaats op de oever van de Rijn, stond het voor Bogaers meteen al vast dat hier de plaats Mannaricium gevonden was. Dit concludeert Bogaers meteen al op grond van enkele gevonden scherven. Prof. Bogaers verzocht de veldwerkers de vindplaats in het oog te houden en "nog eens goed rond te snuffelen". Een archeologische opdracht die wel getuigt van een onnozele deskundigheid. In de weken erna werden nog 3 fragmenten met inscriptie gevonden. Tot heden (1992) zijn er in totaal 40 stempels gevonden, 'veel' Romeinse schrijfstiften en nog wat houten balken en tufsteen.
Maar nergens is een bevestiging gevonden dat het hier om de plaats Mannaricium zou gaan.
In het artikel "De loop van de Waal in de Romeinse tijd" wijst de schrijver J.J.Jager er fijntjes op (met een verwijzing naar bevindingen van Dr.W.A. van Es en andere historici), dat Bogaers*) er ondanks 'een heftige reactie' niet in geslaagd is aan te tonen, dat de hoofdtak van de Waal van Tiel naar het zuidwesten liep. De Waal liep dus in de Romeinse tijd, in tegenstelling van wat Bogaers beweerde, bij Wamel onvertakt rechtdoor en volgde het bed van de Linge. Maar dan wordt de Betuwe wel heel erg klein en dat "zag" Bogaers dus meteen, daar kun je dan onmogelijk het machtige volk van de Bataven plaatsen.

Bron van deze gegevens: Tussen herinnering en historie. De Betuwe in terugblik. Historische kring Kesteren, 1992.

*) Bogaers heeft in het verleden ook al eens gesteld dat de Waal als Renus begrepen moet worden en dat het Eiland der Bataven niet de Betuwe kan zijn. Deze laatste visie sluit aan bij die van archeoloog Van Es, die hetzelfde stelde. De teksten waarin over de Renus gesproken wordt passen gewoonweg niet op de Rijn. Men maakt er dan maar Waal van, want men wenst de geschiedenis kost wat kost in Nederland te houden. Een goed verstaander weet dan genoeg: de Renus is niet de Rijn, maar evenmin de Waal.